10. PlanMER inclusief publiekssamenvatting
Tekst van het document
VOORBLAD
PLANMER
1. Publiekssamenvatting planMER 2. PlanMER (volledig rapport)
Toelichting 1. Publiekssamenvatting planMER Van het planMER is een publieksvriendelijke samenvatting van het planMER opgesteld. Deze samenvatting geeft een toelichting op het project, op wat is onderzocht in het planMER en op de resultaten van de analyses. 2. PlanMER Hier vindt u het volledige rapport van het planMER.
1. Publiekssamenvatting planMER
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Publieksvriendelijke samenvatting planMER bestemmingsplan Buitengebied MiddenGroningen PlanMER bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen Gemeente Midden-Groningen 120177 Definitief 22 oktober 2020 120177/21-001.367 S.A. de Graaff MSc J.A. Zoete MSc J.A. Zoete MSc
Paraaf
Bijlage(n)
-
Aan
Gemeente Midden-Groningen
1
R. Hazekamp
HET BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED MIDDEN-GRONINGEN
Voor u ligt de publieksvriendelijke samenvatting van het plan-milieueffectrapport (planMER) van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Deze samenvatting geeft u een toelichting op het project, op wat is onderzocht in het planMER en op de resultaten van de analyses. Dit eerste hoofdstuk presenteert informatie over het buitengebied, het bestemmingsplan en het planMER.
1.1
Het buitengebied Midden-Groningen
De gemeente Midden-Groningen bestaat sinds 1 januari 2018. De gemeente is een samenvoeging van de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren. Dit is te zien op onderstaande afbeelding 1.1. Deze gemeenten zijn samengevoegd tot één gemeente vanwege voordelen op strategisch, beleid, en economisch vlak.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer K.R. Poststraat 100-3 | Postbus 186 | 8440 AD Heerenveen | +31 (0)513 64 18 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Overzicht gemeenten Midden-Groningen (bron: gemeente Midden-Groningen)
Wat is het buitengebied en wat is het plangebied? In de gemeente kunnen met name Hoogezand en Sappemeer als stedelijk gebied kunnen worden aangemerkt en in de beide andere voormalige gemeenten Slochteren en Menterwolde zijn voornamelijk dorpskernen en verspreid liggende bebouwing aanwezig. Het grootste deel van de gemeente is landelijk gebied. Dit is agrarisch gebied of natuurgebied zonder dorpen of (langgerekte) woonstraten, drukke wegen en spoorlijnen. Het landelijk gebied binnen de gemeente noemen we het buitengebied. De gemeente stelt een bestemmingsplan op voor dit gebied, waarbij grote ontwikkelingen zoals het Windpark N33 buiten beschouwing zijn gelaten. Voor dit soort projecten zijn namelijk aparte procedures doorlopen. Het buitengebied min ontwikkelingen zoals het Windpark N33 is het gebied waarvoor de gemeente Midden-Groningen een bestemmingsplan opstelt. Dit gebied noemen we het plangebied. Afbeelding 1.2 laat het plangebied zien. Afbeelding 1.2 Plangebied BP Buitengebied Midden-Groningen
2 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
1.2
Het bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen
Wat is een bestemmingsplan? Een bestemmingsplan is een beleidsstuk waarin de gemeente vastlegt wat er met de ruimte in een bepaald gebied mag gebeuren. In het bestemmingsplan worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden voor een gebied vastgelegd. Met het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen, legt de gemeente vast wat wel- en niet mag in het gebied. Dit gaat bijvoorbeeld om het wel of niet toestaan van het aanleggen van een paardenbak of het uitbreiden van een veestal en de voorwaarden daarbij. Het bestemmingsplan geldt meestal 10 jaar. Het nieuwe bestemmingsplan blijft dus tot ongeveer 2030 gelden. Waarom een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied? Het nieuwe bestemmingsplan is nodig omdat: 1 de huidige bestemmingsplannen (van de drie oude gemeenten) niet goed samenhangen en dus niet zomaar kunnen worden samengevoegd; 2 de bestaande bestemmingsplannen toe zijn aan vernieuwing omdat ze 10 jaar geldig zijn; 3 het beleid op Rijks- en provinciaal niveau ook is veranderd en gaat veranderen. De gemeente Midden-Groningen is dus een samenvoeging van drie ‘oude’ gemeenten. De drie gemeenten hadden allemaal een eigen bestemmingsplan voor buitengebied binnen hun gemeente. Deze plannen zijn in verschillende perioden gemaakt, kenden een andere werkwijze en maken verschillende dingen (on)mogelijk.
Met het ontstaan van de gemeente Midden-Groningen, is er behoefte aan een nieuw bestemmingsplan voor het gehele buitengebied met overal dezelfde regels en werkwijzen. Daarnaast bestaan de oude bestemmingsplannen circa 10 jaar. Omdat een bestemmingsplan 10 jaar geldt, zijn deze plannen toe aan vernieuwing. Ook het beleid op andere schaalniveaus (Rijk en provinciaal) is veranderd of gaat veranderen. Omdat het bestemmingsplan (op gemeentelijk niveau) moet aansluiten bij het beleid op de andere schaalniveaus, is het belangrijk dat het bestemmingsplan aansluit bij het actuele beleid. Al met al is het nodig om een nieuw bestemmingsplan te maken wat aansluit bij het actuele beleid en voor het hele buitengebied geldig en hetzelfde is. Wat is het doel van het nieuwe bestemmingsplan? Het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen heeft twee doelen: 1 het hebben van een actueel bestemmingsplan voor het gehele buitengebied; 2 het hebben van een bestemmingsplan dat voor het hele buitengebied dezelfde regels en (on)mogelijkheden biedt. Het bestemmingsplan heeft hiermee niet per se als doel om meer mogelijk te maken dan nu mogelijk is. Hierover vertelt hoofdstuk 2 u meer.
1.3
Het planMER: wat, waarom en hoe?
Wat is een planMER? Een plan-milieueffectrapportage (planMER) is een rapport waarin de mogelijke milieueffecten van een plan zijn onderzocht, beschreven en beoordeeld. Het doel van het planMER is om milieu- en natuurbelangen naast andere belangen een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. Waarom een planMER voor dit bestemmingsplan? Het opstellen van een planMER is verplicht als het een plan of project activiteiten mogelijk maakt die mogelijk effecten hebben op het milieu of de natuur. Dit is vastgelegd in Europese en nationale wetten. In Nederland geldt de Wet milieubeheer waarin is vastgelegd wanneer een planMER moet worden opgesteld. De Wet milieubeheer bevat daarnaast de eisen waar het rapport aan moet voldoen en bevat de stappen waar de procedure uit moet bestaan. Eén van deze eisen is het maken van een publieksvriendelijke samenvatting. Deze leest u nu.
3 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
Dit bestemmingsplan maakt misschien activiteiten mogelijk die mogelijk effecten hebben op het milieu of de natuur. Omdat we deze effecten niet vooraf kunnen uitsluiten, is het verplicht een planMER op te stellen die onderzoekt of deze effecten wel of niet optreden. Hoofdstuk 2 vertelt u welke activiteiten misschien tot milieueffecten leiden. Hoofdstuk 3 laat u zien of deze activiteiten daadwerkelijk tot milieueffecten leiden en wat deze effecten zijn. Hoe ziet het planMER er voor dit bestemmingsplan uit? Het planMER toetst de voorgenomen (on)mogelijkheden en regels van het bestemmingsplan aan wet- en regelgeving. De onderzoeken brengen de milieueffecten in beeld aan de hand van een vergelijking tussen: - de referentiesituatie: de situatie hoe deze nu is; - het voornemen: de situatie hoe deze eruit kan zien met het nieuwe plan. Een planMER moet de milieueffecten zo breed en realistisch mogelijk in beeld brengen. Daarom maken we gebruik van drie alternatieven. Deze alternatieven kennen andere bouw(on)mogelijkheden en voorwaarden. Hiermee brengen we de bandbreedte van effecten in beeld en kijken we welke bouw(on)mogelijkheden en voorwaarden wel of niet worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het gaat om de volgende drie alternatieven: 1 het minimumalternatief: het nieuwe bestemmingsplan maakt alleen dingen mogelijk die nu ook al mogelijk zijn.
Dit noemen we een volledig consoliderend plan; 2 het maximumalternatief: het nieuwe bestemmingsplan maakt alle dingen mogelijk die ze vooraf zouden willen én de mogelijkheden worden (op realistische wijze) maximaal benut. In andere woorden: iedereen in het buitengebied maakt maximaal gebruik van alle mogelijkheden die het plan biedt. Hiermee kijken we of deze situatie leidt tot knelpunten; 3 het maatregelenalternatief: als het maximumalternatief leidt tot knelpunten (onacceptabele milieueffecten), zijn maatregelen nodig. Dit alternatief past deze maatregelen (voorwaarden en regels) toe waardoor de effecten acceptabel worden of niet meer optreden. Hierbij komen de voorwaarden voornamelijk uit de opgestelde beleidsnotities die als bijlage bij het bestemmingsplan zijn gevoegd. Afbeelding 1.3 laat zien welke situaties bij de referentiesituatie horen en welke bij het voornemen. Daarnaast laat het zien welk alternatief welke situaties in beeld brengt.
Afbeelding 1.3 Schematisch overzicht alternatieven in relatie tot de referentiesituatie en het voornemen
Welke milieuthema’s heeft dit planMER onderzocht? De alternatieven zijn onderzocht op de volgende milieueffecten: natuur, landschap, cultuurhistorie, archeologie, ammoniak en geur, bodem en water, geluid, luchtkwaliteit, licht, gezondheid, verkeer en externe veiligheid.
4 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
1.4
Wat leest u verder in deze samenvatting?
Deze samenvatting presenteert u in hoofdstuk 2 de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Dit hoofdstuk beschrijft welke bouw(on)mogelijkheden en voorwaarden het nieuwe bestemmingsplan bevat. Hoofdstuk 3 presenteert de resultaten van de milieuonderzoeken. Dit hoofdstuk per milieuthema in op de grootste effecten en laat zien waar knelpunten ontstaan en wat de maatregelen zijn. Het hoofdstuk beschrijft nadrukkelijk niet alle milieueffecten van per alternatief omdat dit te veel informatie is. Tot slot beschrijft hoofdstuk 4 kort de stappen die nog volgen.
2
UITGANGSPUNTEN EN (ON)MOGELIJKHEDEN VAN HET BESTEMMINGSPLAN
2.1
Uitgangspunten van het bestemmingsplan
Het nieuwe bestemmingsplan kent drie uitgangspunten die de basis vormen voor de (on)mogelijkheden die het gaat bieden: 1 het bestemmingsplan is consoliderend: het plan is voornamelijk bedoeld om de bestaande bestemmingsplannen samen te voegen en te actualiseren. Het is hiermee niet per se bedoeld om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken; 2 versoepeling van bouwregels en gebruiksmogelijkheden: de gemeente Midden-Groningen wil met het nieuwe bestemmingsplan werken met een ‘’ja, mits’’-benadering in plaats van een ‘’nee, tenzij’’benadering voor bouw- en gebruiksmogelijkheden. Hierdoor kan de gemeente meer ontwikkelingen (al dan niet vergunningsvrij) toestaan. Ook moet afwijken van de opgenomen bouwregels eenvoudiger worden; 3 het bestemmingsplan moet aansluiten bij de andere wets- en beleidsontwikkelingen zoals de toekomstige Omgevingswet1.
2.2
De (on)mogelijkheden van het bestemmingsplan
Het bestemmingsplan maakt op vijf thema’s activiteiten (on)mogelijk: 1 de agrarische sector; 2 wonen en werken; 3 recreatie en toerisme; 4 landschap, natuur en duurzaamheid (inclusief cultureel erfgoed); 5 duurzaamheid en energietransitie. De onderstaande tabel laat een overzicht zien van een aantal van de voorgenomen activiteiten die het plan (on)mogelijk maakt. Voor deze activiteiten zijn de milieueffecten onderzocht, beschreven en beoordeeld. Het bestemmingsplan maakt ook activiteiten mogelijk die naar verwachten geen milieueffecten veroorzaken. Deze zijn daarom niet onderzocht in het planMER. Voor het volledig overzicht van de activiteiten kunt u het bestemmingsplan raadplegen. Voor sommige activiteiten uit onderstaande zijn aanvullende voorwaarden opgenomen in het bestemmingsplan. Dit omdat het planMER aanzienlijke milieueffecten aan het licht bracht. De activiteiten en voorwaarden zoals uiteindelijk opgenomen in het bestemmingsplan staan in tabel 2.1 en in het bestemmingsplan.
1 Voor meer informatie, zie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet
5 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
Tabel 2.1 Voorgenomen (on)mogelijkheden van het bestemmingsplan buitengebied Midden-Groningen Thema
Activiteit
Uitwerking
Agrarisch.
Vergroting bouwvlak agrarische percelen.
Nieuwe agrarische bouwpercelen niet mogelijk. Standaard bouwvlak wordt 1 ha, tenzij bestaand groter is. Middels binnenplanse afwijking is vergroting in een deel van het plangebied naar 1,5 ha mogelijk. Bedrijven met een bouwvlak groter dan 1 ha kunnen via een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden in bepaalde gebieden vergroten naar 2 ha. Laatstgenoemde geldt ook voor wijziging van situering en ligging van het bouwvlak.
Agrarisch.
Uitbreiding bestaande (glas)tuinbouwbedrijven in Sappemeer-Noord.
Bestaande (glas)tuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen reeds bestemde maar onbebouwde ontwikkelruimte. De ontwikkelruimte in het tuinbouwgebied Sappemeer-Noord is verkleind ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het gebied ten oosten van de Laveiweg (Sappemeer) wordt gewijzigd in een agrarische bestemming (zonder bouwvlak). Nieuwvestiging van (glas)tuinbouwbedrijven is niet toegestaan.
Agrarisch.
Ontwikkelmogelijkheden intensieve veehouderijen.
Bestaande bedrijven kunnen alleen in stalruimte uitbreiden als dat noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren en het vergunde aantal dieren niet toeneemt. Nieuwvestiging is niet toegestaan.
Agrarisch.
Toestaan mestopslag buiten bouwvlak.
Onder voorwaarden kan een mestopslag buiten het bouwvlak (dus op de veldkavel) worden toegestaan.
Agrarisch/wonen.
Toestaan nevenactiviteiten.
Bij woon- en agrarische bestemmingen toestaan van: minicampings (maximaal 25 kampeermiddelen); Bed & Breakfast (maximaal 6 kamers); ondergeschikte horeca.
Wonen.
Toestaan hobbymatig houden van paarden (inclusief paardenbak).
Elk perceel mag hobbymatig paarden houden (maximaal 5 paarden).
Duurzaamheid en energietransitie.
Toestaan kleinschalige windturbines.
Toestaan kleinschalige windturbines met een maximale ashoogte van 15 m binnen het bouwvlak.
3
WAT ZIJN DE MILIEUEFFECTEN VAN HET BESTEMMINGSPLAN?
Dit hoofdstuk beschrijft per milieuthema kort de milieueffecten van het bestemmingsplan. Hierbij gaat de beschrijving niet in op alle alternatieven, milieucriteria en toelichtingen, maar beperkt het zich tot een samenvatting van de in het planMER opgenomen teksten.
6 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
3.1
Natuur
De effecten op het thema natuur zijn beschreven en beoordeeld op drie criteria: 1 effecten op Natura 2000-gebieden (een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden); 2 effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming; 3 effecten op NNN1- en akkervogelgebieden (beschermde Nederlandse natuurgebieden). Alle criteria zijn onderzocht op verschillende effecten. Dit gaat bijvoorbeeld om effecten door verzuring en vermesting (stikstofuitstoot), geluid, verlichting, verdroging en mechanische effecten (bijvoorbeeld door windturbines). De onderzoeken laten zien dat het bestemmingsplan hoogstens licht negatieve effecten heeft op de meeste van deze thema’s. Voorbeelden hiervan zijn licht negatieve effecten door een toename van geluid, licht en verdroging. Deze effecten zijn acceptabel. Daarom zijn voor de activiteiten uit het bestemmingsplan voor deze effecten geen maatregelen nodig. De onderzoeken laten zien dat het bestemmingsplan zonder voorwaarden leidt tot onacceptabele effecten op verzuring en vermesting (door stikstofuitstoot) en fysieke aantasting. Daarom zijn de volgende maatregelen opgenomen: een stikstofregeling en de verplichting om een ecologisch onderzoek uit te voeren bij bepaalde bouwwerkzaamheden. Stikstofdepositie wordt met de stikstofregeling uitgesloten. Daarmee zijn significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.
Door toepassing van andere maatregelen (ecologisch onderzoek en beperking van werkzaamheden in kwetsbare perioden) wordt het sterk negatieve (--) effect van het maximumalternatief op beschermde soorten door fysieke aantasting weggenomen (maatregelalternatief 0/-). Beide maatregelen wordt onderstaand toegelicht. De stikstofregeling Nederland zit in een zogenoemde stikstofcrisis: de stikstofdepositie (neerslag) op Natura 2000-gebieden is zo hoog, dat een toename van stikstof door (bouw)werkzaamheden niet is toegestaan. Stikstofdepositie zorgt namelijk voor vermesting en verzuring, wat negatieve effecten heeft op de natuur. Dit maakt dat elke uitbreiding waarin het bestemmingsplan wil voorzien niet mag leiden tot enige stikstofdepositie. Daarom is een zogenoemde stikstofregeling opgenomen in het bestemmingsplan. Met deze regeling zijn sterk negatieve effecten door vermesting en verzuring op zowel Natura 2000-gebieden als op beschermde soorten en NNN-gebieden uitgesloten. De stikstofregeling zorgt ervoor dat de uitbreiding van agrarische bedrijven (schuren of dieraantallen in veehouderijen) en de aanleg van paardenbakken of mestopslagen geen stikstofdepositie veroorzaken. Dit betekent dat de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven binnen het plan beperkt zijn.
Het planMER maakt duidelijk dat een agrarisch bedrijf drie mogelijkheden heeft om uit te breiden: 1 het realiseren van opslag en andere bebouwing waar geen sprake is van een toename in stikstofuitstoot; 2 het verbeteren van stalsystemen voor het dierwelzijn; 3 salderen: het realiseren van stalsystemen met best beschikbare technieken (BBT), ook op bestaande stallen waardoor ruimte ontstaat om per saldo zonder stikstofuitstoot meer dieren te houden. Ecologisch onderzoek Bouw-, en sloopwerkzaamheden met name omtrent agrarische bedrijven kunnen beschermde diersoorten verstoren. Zonder maatregelen leidt dit tot onacceptabele effecten. Daarom geldt dat voor een herinrichting en vergroting van een bouwvlak of de plaatsing van een kleinschalige windturbine een ecologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek wijst uit welke soorten aanwezig zijn en welke maatregelen getroffen moeten worden. Het werken buiten kwetsbare (broed)periodes is hier een voorbeeld van. Met het toepassen van deze maatregel zijn de sterk negatieve effecten op beschermde diersoorten uitgesloten.
1
Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur)
7 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
3.2
Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Binnen dit milieuthema zijn de effecten op het landschap, de cultuurhistorie (Rijksmonumenten, et cetera) en archeologie onderzocht. Het onderzoek maakt duidelijk dat het opnemen van maatregelen en voorwaarden nodig is om de milieueffecten op deze aspecten te beperken. Tabel 3.1 laat zien welke activiteiten effecten op dit thema hebben en wat de maatregelen zijn om de effecten (waar nodig) te beperken.
Tabel 3.1 Voorgenomen (on)mogelijkheden van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen Activiteit
Effect
Maatregelen
Vergroting bouwvlak agrarische percelen.
Uitbreiding van bouwvlakken groter dan 1 ha kunnen effecten hebben op bestaande boerderijreeksen, verkavelingsstructuur en doorzichten.
Tot 1,5 ha: erf-inpassingsplan en toestemming van de gemeente. Tot 2 ha: wijzigingsbevoegdheid en toetsing aan (milieu)aspecten.
Uitbreiding bestaande (glas)tuinbouwbedrijven in Sappemeer-Noord.
Het bestaande glastuinbouw gebied wordt ingeperkt ten opzichte van wat nu is toegestaan. De uitbreiding van kassen leidt daarom tot relatief minder effecten op de openheid van het landschap (Duurswold).
Niet van toepassing omdat de effecten relatief gezien beperkt zijn.
Toestaan mini-campings.
Ontwikkeling van een camping zonder landschappelijke inpassingseisen kan leiden tot belemmering van doorzichten.
Maximaal 25 kampeerplekken, minimale oppervlakte van 0,5 ha, afstand tot gevels van derden (>50 m), afschermende beplantingsrand, aansluiten bij bouwvlak, et cetera.
Toestaan mestopslag buiten bouwvlak.
Ontwikkeling van een mestopslag zonder landschappelijke inpassingseisen kan leiden tot belemmering van doorzichten.
Maximale oppervlakte, minimale afstanden tot sloten en afstand tot bufferzones.
Toestaan kleinschalige windturbines.
Ontwikkeling van een kleinschalige windturbine zonder landschappelijke inpassingseisen (behalve bouw binnen het bouwvlak) kan leiden tot effecten op openheid van het landschap.
Maximaal 15 m hoog, rotordiameter van 2 m, minimale afstand tot andere windturbines en max. 100 m vanaf bebouwing af.
Afbeelding 3.1 laat een voorbeeld zien van een mini-camping met de genoemde voorwaarden.
8 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
Afbeelding 3.1 Voorbeeld inpassing mini-camping met landschappelijke maatregelen
Daarnaast kunnen de activiteiten door bodemroering (bouw van schuren, kassen of windturbines) negatieve effecten hebben op archeologische waarden. Daarom is een archeologisch onderzoek nodig voor activiteiten in gebieden waar de kans op archeologisch waardevolle locaties (middel)hoog is.
3.3
Ammoniak en geur
De uitstoot van ammoniak (door vee) kan leiden tot stikstofdepositie. Dit hoofdstuk heeft de uitwerking van de het milieuthema genoemde stikstofregeling in beeld gebracht. Hierbij ligt de focus op de mogelijke uitbreidingen van veehouderijen. In andere woorden: wat zijn de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen wanneer zij de best beschikbare technieken (BBT) toepassen? Het onderzoek wijst uit dat door toepassing van BBT een afname van de totale stikstofuitstoot haalbaar is; maximaal 90 % ten opzichte van de huidige uitstoot. Dit betekent dat een veehouderij kan uitbreiden (in stalruimte of dieraantallen) als ze de BBT toepassen om hun stikstofuitstoot te beperken. De omvang van de mogelijkheden voor de bedrijven is afhankelijk van de huidige stalsystemen en het type dier. Per bedrijf kan worden bepaald wat de ontwikkelruimte is die volgt uit de toepassing van BBT. Daarnaast zijn de effecten op de geurbelasting onderzocht. Geurbelasting (of geurhinder) kan optreden door blootstelling aan geuren door, bijvoorbeeld, veehouderijen of mestvergistingsinstallaties. Ook dit hangt samen met de uitstoot van ammoniak. Het onderzoek laat zien dat het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot negatieve effecten ten opzichte van de referentiesituatie.
3.4
Bodem en water
De activiteiten in het bestemmingsplan leiden niet tot negatieve effecten op bodem en water. Het onderzoek heeft de effecten op, onder andere, zettingen (verzakking van de bodem), bodemkwaliteit, en grond- en oppervlaktewater in beeld gebracht. Hieruit volgt dat de activiteiten niet tot negatieve effecten leiden op dit thema. Wel kan de uitbreiding van glastuinbouw leiden tot lokale licht negatieve effecten op de grond- en oppervlaktewaterkwantiteit.
9 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
Dit komt doordat glastuinbouw grond- en oppervlaktewater oppompt, waardoor het lokale watersysteem licht kan worden beïnvloed. Dit zijn echter effecten die erg lokaal optreden en hoogstens licht negatief zijn.
3.5
Leefomgeving
Leefomgeving is een overkoepelende noemer voor de volgende thema’s die in het planMER apart onderzocht zijn: geluid, luchtkwaliteit, licht en gezondheid. De onderzoeken naar luchtkwaliteit, licht en gezondheid laten zien dat de activiteiten in het bestemmingsplan hoogstens tot licht negatieve effecten leiden. Zo kan een toename van verkeer door uitbreiding van agrarische bedrijven leiden tot licht negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Ook kan de uitbreiding van het glastuinbouwgebied bij Sappemeer-Noord leiden tot licht negatieve effecten op lichthinder. Het thema gezondheid is op hoofdlijnen onderzocht en laat geen effecten zien ten opzichte van de referentiesituatie. Het milieuthema geluid is onderzocht door de geluidhinder door agrarische bedrijven en door kleinschalige windturbines in kaart te brengen. Voor beide aspecten leidt het maximaal benutten van de activiteiten zonder maatregelen tot negatieve effecten. Daarom zijn maatregelen opgenomen die de geluidhinder beperken tot een minimum. Zo mag een agrarisch bedrijf alleen uitbreiden en mag een windturbine alleen worden gebouwd als de belangen van aanliggende percelen, afstandscriteria en inrichtingsmaatregelen in kaart zijn gebracht. Daarnaast geldt voor kleinschalige windturbines een aparte beleidsnotitie met uitsluitingsgebieden en aanvullende afstandscriteria.
Hieruit volgt dat windturbines op veel plekken niet zijn toegestaan omdat de woningen te dicht op elkaar liggen. Deze maatregelen zorgen er samen voor dat geluidhinder niet optreedt.
3.6
Verkeer en veiligheid
Verkeer en veiligheid is een overkoepelende noemer voor de milieuthema’s verkeer en externe veiligheid. Deze zijn in het planMER apart onderzocht. Hieruit volgt het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot een toename van risicosituaties (externe veiligheid) en hoogstens tot lokale, licht negatieve effecten op het verkeer in het buitengebied. Dit komt door, bijvoorbeeld, de uitbreiding van agrarische bedrijven en de mogelijkheden om een mini-camping te beginnen. Hierdoor neemt het verkeer op lokaal niveau licht toe.
4
WELKE STAPPEN VOLGEN NU?
Het planMER wordt getoetst door de commissie voor de m.e.r.. Dit is een onafhankelijke commissie die een advies uitbrengt over het planMER. Daarnaast wordt dit planMER openbaar (ter inzage) gelegd. Hier kunt u op reageren en een zienswijze indienen. Na eventuele aanpassingen door zienswijzen of het advies van de commissie m.e.r. wordt het planMER definitief en openbaar gemaakt.
10 | 10
Witteveen+Bos | 120177/21-001.367 | Definitief
2. PlanMER (volledig rapport)
PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen Plan Milieueffectrapport
Gemeente Midden-Groningen 25 oktober 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen Gemeente Midden-Groningen Plan Milieueffectrapport Definitief 02 25 oktober 2021 120177/21-015.940 120177 J.A. Zoete MSc drs. M.J. Schilt S.A. de Graaff MSc, J.A. Dijkstra MSc, mr. A.W. van Driel P.A. Feij MSc, J.A. Zoete MSc J.A. Zoete MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer K.R. Poststraat 100-3 Postbus 186 8440 AD Heerenveen +31 (0)513 64 18 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van
Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens
schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
LEESWIJZER 1
BESCHRIJVING VAN HET VOORNEMEN
5
1.1
Doelstelling van het voornemen
5
1.2
Aanleiding van het voornemen
5
1.3
Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen
7
1.3.1 1.3.2 1.3.3
7 8 9
1.4
Plangebied en zichtjaar Uitgangspunten Wijzigingen en ontwikkelingsmogelijkheden
Referentiesituatie, alternatieven en uitgangspunten
12
1.4.1 1.4.2 1.4.3
12 13 14
Wat is de referentiesituatie? Wat zijn de alternatieven? Uitgangspunten minimum- en maximumalternatief
2
KADERS, PROCEDURES EN BESLUITEN
16
2.1
M.e.r.-plicht
16
2.2
Procedure
17
2.3
Wettelijk- en beleidskader
17
2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5
17 17 19 20 20
Europees Nationaal Provinciaal Waterschap Gemeentelijk
3
ALGEMENE ONDERZOEKSMETHODIEK
22
3.1
Ingreep-effectrelaties
22
3.2
Beoordelingskader
23
3.3
Onderzoeksaanpak
24
3.4
Generieke beoordelingsmethodiek
24
4
NATUUR
26
4.1
Onderzoeksaanpak
26
4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.2
4.3
Wetgeving en beleid milieuaspect Natuur Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek Uitgangspunten alternatieven
26 27 28 28 30
Referentiesituatie
31
4.2.1 4.2.2
31 44
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
45
4.3.1 4.3.2 4.3.3
48 53 58
Effectbeschrijving Natura 2000-gebieden Effectbeschrijving Beschermde soorten Effectbeschrijving Overige beschermde gebieden
4.4
Effectbeoordeling
60
5
LANDSCHAP, CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE
62
5.1
Onderzoeksaanpak
62
5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5
62 63 64 64 65
5.2
5.3
Wetgeving en beleid milieuaspect LCA Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek Uitgangspunten alternatieven
Referentiesituatie
67
5.2.1 5.2.2
67 73
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
74
5.3.1 5.3.2 5.3.3
74 75 79
Het minimumalternatief Het maximumalternatief Het maatregelenalternatief
5.4
Effectbeoordeling
85
5.5
Mitigerende maatregelen voor het voornemen
87
6
AMMONIAK EN GEUR
88
6.1
Onderzoeksaanpak
88
6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.1.4
88 90 91 91
6.2
Wetgeving en beleid milieuaspect Ammoniak en geur Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
94
6.2.1 6.2.2
94 96
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
6.3
Effectbeschrijving Ammoniak
96
6.4
Effectbeschrijving Geur
97
6.4.1 6.4.2 6.4.3
Minimumalternatief Maximumalternatief Maatregelenalternatief
97 97 97
6.5
Effectbeoordeling
100
6.6
Uitvoerbaarheid voornemen in relatie tot uitbreiding agrarische bedrijven
101
7
BODEM EN WATER
102
7.1
Onderzoeksaanpak
102
7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4
102 104 104 105
7.2
Wetgeving en beleid milieuaspect Bodem en water Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
105
7.2.1 7.2.2
105 109
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
7.3
Effectbeschrijving minimumalternatief
110
7.4
Effectbeschrijving maximumalternatief
111
7.5
Effectbeschrijving maatregelenalternatief
113
7.6
Effectbeoordeling
113
8
GELUID
114
8.1
Onderzoeksaanpak
114
8.1.1 8.1.2 8.1.3 8.1.4
114 115 116 116
8.2
8.3
Wetgeving en beleid milieuaspect Geluid Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
117
8.2.1 8.2.2
117 119
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
120
8.3.1 8.3.2 8.3.3
120 120 121
Het minimumalternatief Het maximumalternatief Het maatregelenalternatief
8.4
Effectbeoordeling
122
9
LUCHTKWALITEIT
123
9.1
Onderzoeksaanpak
123
9.1.1 9.1.2 9.1.3 9.1.4
123 124 124 124
Wetgeving en beleid milieuaspect Luchtkwaliteit Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
9.2
Referentiesituatie
125
9.2.1 9.2.2
125 127
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
9.3
Effectbeschrijving
128
9.4
Effectbeoordeling
128
10
LICHT
129
10.1
Onderzoeksaanpak
129
10.1.1 10.1.2 10.1.3 10.1.4
129 130 131 131
10.2
10.3
Wetgeving en beleid milieuaspect Licht Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
132
10.2.1 10.2.2
132 132
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
133
10.3.1 10.3.2 10.3.3
133 133 133
Effectbeschrijving minimumalternatief Effectbeschrijving maximumalternatief Maatregelenalternatief
10.4
Effectbeoordeling
133
11
GEZONDHEID
134
11.1
Onderzoeksaanpak
134
11.1.1 11.1.2 11.1.3
134 134 135
11.2
11.3
Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
135
11.2.1 11.2.2
135 139
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
140
11.3.1 11.3.2
140 140
Minimumalternatief Maximumalternatief
11.4
Effectbeoordeling
140
12
VERKEER
141
12.1
Onderzoeksaanpak
141
12.1.1 12.1.2 12.1.3 12.1.4
141 142 142 142
12.2
Wetgeving en beleid milieuaspect Verkeer Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
143
12.2.1 12.2.2 12.3
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
143 146
Effectbeschrijving
146
12.3.1 12.3.2
147 147
Minimumalternatief Maximumalternatief
12.4
Effectbeoordeling
148
13
EXTERNE VEILIGHEID
149
13.1
Onderzoeksaanpak
149
13.1.1 13.1.2 13.1.3 13.1.4
149 149 150 150
13.2
13.3
Wetgeving en beleid milieuaspect Externe veiligheid Ingreep-effectrelaties Beoordelingskader en -criteria Aanpak en beoordelingsmethodiek
Referentiesituatie
151
13.2.1 13.2.2
151 152
Huidige situatie Autonome ontwikkelingen
Effectbeschrijving
152
13.3.1 13.3.2
152 153
Minimumalternatief Maximumalternatief
13.4
Effectbeoordeling
153
14
OVERZICHT MILIEUEFFECTEN EN ADVIES
154
14.1
Conclusie en aanbevelingen
155
14.1.1 14.1.2
155 157
Beknopte samenvatting milieueffecten Aanbevelingen
14.2
Monitoring en evaluatie
157
15
LEEMTEN IN KENNIS
158
Laatste pagina
158
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Uittreksel databank NDFF
25
II
AERIUS-berekening
75
III
Rekenmodel Ammoniak en Geur
2
IV
Vergroting afbeeldingen
5
V
Overzicht effectbeoordelingen
2
LEESWIJZER Voor u ligt het milieueffectrapport voor het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Dit rapport beschrijft wat de milieueffecten zijn van de actualisatie van diverse regelingen in het bestemmingsplan buitengebied dat gemeente Midden-Groningen. Het rapport bestaat uit 14 hoofdstukken en een separate publieksvriendelijke samenvatting. Het rapport start met een beschrijving van het voornemen. Dit hoofdstuk presenteert een toelichting op het voorgenomen plan, namelijk het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Naast de doelstelling en aanleiding, introduceert dit hoofdstuk ook de alternatieven en de bijbehorende uitgangspunten. Hoofdstuk 2 gaat dieper in op de kaders, procedures en besluiten die het wettelijk- en beleidskader vormen van dit rapport. Het derde hoofdstuk presenteert de gehanteerde onderzoeksmethodiek. Dit hoofdstuk vormt de basis voor de uitgevoerde onderzoeken en beschrijft de ingreep-effectrelaties, het beoordelingskader en de algemene onderzoeksaanpak. De hoofdstukken 4 tot en met 13 presenteren de analyses van de verschillende milieuaspecten. Deze hoofdstukken beschrijven alle de thema-specifieke aanpak, de referentiesituatie, en de effectbeschrijvingen en -beoordelingen van de drie alternatieven voor het specifieke thema. De conclusies uit deze hoofdstukken komen samen in hoofdstuk 14.
Dit hoofdstuk presenteert de onderscheidende en negatieve milieueffecten die voortvloeien uit de analyses. Tot slot volgen aanbevelingen en leemten in kennis. Het rapport wordt gecompleteerd door bijlagen.
1 BESCHRIJVING VAN HET VOORNEMEN 1.1
Doelstelling van het voornemen
Het doel van het Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen is het beschikken over een actueel bestemmingsplan voor het buitengebied van de gehele gemeente Midden-Groningen. Het bestemmingsplan voorziet in het samenvoegen en actualiseren van de huidige drie bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente. Deze dateren uit verschillende jaren (2010-2013) en verschillen in inhoud en opzet. De geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen zijn daarmee gedateerd en niet in harmonie. De doelstelling van het voornemen ‘Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen’ is daarmee tweeledig: actualiseren en harmoniseren. Het plan heeft een overwegend consoliderend karakter en bevat een versoepeling van enkele specifieke bouw- en gebruiksmogelijkheden afkomstig uit recent beleid.
1.2
Aanleiding van het voornemen
Het ontbreekt de gemeente Midden-Groningen momenteel aan een actueel bestemmingsplan voor het buitengebied in haar gemeente. Dit is de aanleiding voor het voornemen. Deze aanleiding valt uiteen in meerdere aspecten. Onderstaande teksten geven een korte toelichting op deze aspecten. Gemeentelijke herindeling De gemeente Midden-Groningen bestaat sinds 1 januari 2018. De gemeente is een samenvoeging van de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren, zie afbeelding 1.1. Deze samenvoeging komt voort uit de gemeentelijke herindelingen in de provincie Groningen1. Achterliggend doel hiervan is bestuurlijke schaalvergroting met voordelen op strategisch-, beleids- en economisch vlak.
1 De provincie Groningen bevindt zich in een traject om het aantal gemeenten terug te dringen van 23 naar vijf of zes. De
adviesrapportages ‘Grenzeloos Grunnen’ vormen hiervoor de basis. Zie deel II via:
https://www.provinciegroningen.nl/fileadmin/user_upload/Documenten/Downloads/Grenzeloos_Gunnen_II.pdf.
5 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Afbeelding 1.1 Gemeente Midden-Groningen met voormalige gemeenten Slochteren, Hoogezand-Sappemeer en Menterwolde (bron: gemeente Midden-Groningen)
Gedateerde en onsamenhangende bestemmingsplannen De voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren hadden elk hun eigen bestemmingsplan voor het buitengebied in hun gemeente. In de huidige situatie zijn dit nog steeds de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen. Het betreft de volgende bestemmingsplannen: - bestemmingsplan Buitengebied (gemeente Hoogezand-Sappemeer, onherroepelijk, vastgesteld d.d. 23 augustus 2010)1; - bestemmingsplan Buitengebied 2012 (gemeente Slochteren, onherroepelijk, vastgesteld d.d. 4 april 2013); - bestemmingsplan Buitengebied (gemeente Menterwolde, onherroepelijk, vastgesteld d.d. 14 november 2013). Daarnaast zijn momenteel verschillende postzegelplannen, facet- en verzamelbestemmingsplannen en omgevingsvergunningen van kracht. Dit gaat om en nabij om 70 plannen en vergunningen. Deze bestemmingsplannen en vergunningen dateren uit verschillende jaren. Daarnaast zijn ze alle verschillend opgezet en loopt de inhoud uiteen. Hierdoor ontbreekt het de gemeente momenteel aan een actueel en geharmoniseerd bestemmingsplan voor het gehele buitengebied in de gemeente. Dit kan leiden tot rechtsongelijkheid binnen de gemeente. Actualisatie en samenvoeging van de plannen is daarom wenselijk.
1 De gemeente Hoogezand-Sappemeer was voor de feitelijke herindeling bezig te komen tot een nieuw bestemmingsplan voor
het buitengebied. De gemeente Midden-Groningen ziet de brochure met uitgangspunten als een basis voor verdere
besluitvorming. De brochure is te vinden via: https://bestuur.midden-groningen.nl/Vergaderingen/Raadscommissie/2019/06juni/19:30/04-Vastgestelde-Brochure-uitgangspunten-herziening-bestemmingsplan-Buitengebied-HS-2016.pdf.
6 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Periodieke herziening van beleid Voorheen schreef de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor dat een bestemmingsplan elke 10 jaar geactualiseerd moest worden. Dit is niet meer het geval. Desondanks is het regelmatig aanpassen van het plan aan de maatschappelijke realiteit veelal beter dan het bestemmingsplan sterk te laten verouderen. In een dergelijke situatie correspondeert het plan onvoldoende met de maatschappelijke realiteit. Hierdoor worden ontwikkelingen in het gebied geremd om bij te blijven bij de economische- en maatschappelijke ontwikkelingen van dat moment. Aangezien de bestemmingsplannen in het buitengebied uit de periode 2010 tot 2013 dateren is actualisatie wenselijk. Veranderingen in rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid Gemeenten zijn verplicht hun bestemmingsplannen aan te passen aan rijks- en provinciaal beleid. Het landelijke beleid is constant in beweging op beleidsterreinen als handel, milieu en natuur. Voor veel beleidsterreinen is het afgelopen decennium veel nieuw beleid ontwikkeld en is bestaand beleid aangescherpt of verworpen. De provincies en gemeenten dienen hun beleid hierop aan te passen. De provincie Groningen heeft in 2019 haar Provinciale Omgevingsverordening (POV) en Provinciale Omgevingsvisie gepresenteerd.
Door de beleidsontwikkelingen op rijks- en provinciaal niveau zijn de huidig vigerende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen niet meer actueel. Het geactualiseerde bestemmingsplan sluit aan bij de POV en het huidige rijksbeleid. De basis op orde De bestaande bestemmingsplannen bevatten weeffouten en omissies. Hierdoor is de basis van de bestemmingplannen niet geheel op orde. Ook zijn binnen het buitengebied diverse postzegelplannen, omgevingsvergunningen en wijzigingsplannen van toepassing. Daarnaast kende de voormalige gemeenten verschillende werkwijzen met betrekking tot de procedures rondom ruimtelijke ordening. Deze factoren tezamen maken dat de verschillen tussen de drie bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten in de loop der jaren zijn vergroot. Om de weeffouten, omissies en postzegelbestemmingsplannen tot een samenhangend en actueel geheel te maken, is actualisatie en samenvoeging van de huidige bestemmingsplannen gewenst. De basis van het bestemmingsplan op orde maken is ook belangrijk met oog op de toekomstige inwerkingtreding van de Omgevingswet (januari 2022). De inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat namelijk gepaard met grote veranderingen in het ruimtelijk beleid (samenvoegingen en dergelijke). Om dit proces zo soepel mogelijk te laten verlopen, is het belangrijk de basis op orde de hebben.
1.3
Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen
1.3.1
Plangebied en zichtjaar
Plangebied Het voorgenomen bestemmingsplan heeft betrekking op het buitengebied in de gemeente Midden-Groningen. Omdat het een buitengebied betreft, omvat het plangebied voornamelijk landelijk gebied. Omdat enkele milieueffecten verder reiken dan de grenzen van het plangebied, geldt het plangebied op voorhand niet als harde grens voor het onderzoeksgebied. Afbeelding 1.2 laat het plangebied zien. Het plangebied verschilt op een aantal punten van de geldende bestemmingsplannen van het buitengebied. Zo vallen diverse dorpen (zoals Kiel-Windeweer, tussen Zuidlaren en Veendam) buiten het plangebied, terwijl dit wel onderdeel uitmaakte van het bestemmingsplan buitengebied van Hoogezand-Sappemeer. In dit gebied blijft dus het oude bestemmingsplan van kracht. Daarnaast zijn enkele ontwikkelingen (bijvoorbeeld Windpark N33 en stikstoffabriek Zuidbroek, beide ten noorden van Veendam) buiten het plangebied gelaten, terwijl deze wel binnen het buitengebied liggen. De reden hiervoor is dat voor deze ontwikkelingen een apart bestemmingsplan dan wel inpassingsplan (een bestemmingsplan op Rijksniveau) is vastgesteld. Hiervoor is reeds een ruimtelijke procedure doorlopen, waardoor deze ontwikkelingen geen onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Doordat het plangebied van het
7 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
nieuwe bestemmingsplan op meerdere vlakken afwijkt van de plangrenzen van het buitengebied, kent het plangebied op meerdere vlakken geen logische en plangrens.
Afbeelding 1.2 Plangebied BP Buitengebied Midden-Groningen
Zichtjaar Een bestemmingsplan wordt in beginsel voor een periode van circa 10 jaar vastgesteld. De gemeente streeft naar de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2021 Het bestemmingsplan geldt hiermee tot circa 2030. Het zichtjaar van het bestemmingsplan is daarmee het jaar 2030.
1.3.2
Uitgangspunten
Consoliderend Het Bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen heeft ten doel de huidige bestemmingsplannen samen te voegen en te actualiseren. Dit betekent dat het plan in beginsel niet bedoeld is om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken, maar voortbouwt op de huidige situatie. Het plan wordt hiermee consoliderend van aard. Dit houdt in dat de bestemmingen zoals opgenomen in de huidige plannen bepalend zijn. Hetzelfde geldt voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het nieuwe plan voorziet wel in een aantal ontwikkelingen (zie 1.3.3) en houdt rekening met ontwikkelingen waarover reeds een officieel besluit is genomen. Dit zijn de autonome ontwikkelingen (zie 1.4). Versoepeling van bouwregels en gebruiksmogelijkheden De gemeente Midden-Groningen ambieert met het nieuwe bestemmingsplan een ‘’ja, mits’’-benadering in plaats van een ‘’nee, tenzij’’-benadering voor bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dit houdt onder andere in dat de gemeente meer ontwikkelingen vergunningsvrij wil toestaan. De gemeente wil binnen de Provinciale Omgevingsverordening (POV) en rijksregels zoveel mogelijk ruimte opzoeken voor versoepeling van bouwregels en gebruiksmogelijkheden. Daarnaast bevat het nieuwe bestemmingsplan mogelijkheden om op eenvoudige wijze af te wijken van de opgenomen bouwregels. Hiermee wordt voorkomen dat elke (kleine)
8 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
afwijking van de opgenomen bouwregels (zoals bouwhoogtes) een ingewikkelde procedure vereist. Het standaard bouwvlak van 1 hectare dat in een deel van het plangebied (in de voormalige gemeente Slochteren is dit al mogelijk) via een binnenplanse afwijking vergroot kan worden naar 1,5 hectare is hier een voorbeeld van (zie verder 1.3.3). Raakvlakken met overige wets- en beleidsontwikkelingen Het bestemmingsplan overlapt met meerdere andere wets- en beleidsontwikkelingen. Zo houdt de gemeente rekening met de bestaande bestemmingsplannen in het gebied, waarbij het zoekt naar zoveel mogelijk harmonisering van beleid en regels. Daarnaast streeft de gemeente naar het opstellen van het bestemmingsplan in de geest van de Omgevingswet1. Het bestemmingsplan gaat onder de Omgevingswet de basis vormen voor het Omgevingsplan. Ten slotte moet het bestemmingsplan rekening houden met de Woonvisie Midden-Groningen2. Hierin is de koers voor het woonklimaat binnen de gemeente MiddenGroningen vastgesteld. Tevens moet rekening gehouden worden met ander vastgesteld beleid, zoals de Nota Archeologiebeleid.
1.3.3
Wijzigingen en ontwikkelingsmogelijkheden
Het bestemmingsplan is een samenvoeging van drie bestaande bestemmingsplannen. Doordat de drie bestemmingsplannen afzonderlijk van elkaar zijn opgesteld, verschillen de plannen in inhoud en opzet. Daarom omvat het nieuwe bestemmingsplan niet enkel het samenvoegen van de plannen, maar gaat het ook gepaard met beleidswijzigingen en -verschuivingen. Daarnaast voorziet het nieuwe bestemmingsplan in een aantal nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden en maakt het meerdere ontwikkelingen bij recht onder voorwaarden mogelijk. Hierdoor hoeft niet voor elke ontwikkeling (zoals een mini-camping) een wijziging- of afwijkingsprocedure te worden doorlopen en kan het buitengebied voor meer functies worden gebruikt dan enkel de agrarische sector. De wijzigingen en ontwikkelingsmogelijkheden hebben betrekking op vijf thema’s, namelijk: 1 de agrarische sector; 2 wonen en werken; 3 recreatie en toerisme; 4 landschap, natuur en duurzaamheid (inclusief cultureel erfgoed); 5 duurzaamheid en energietransitie. Het bestemmingsplan voorziet binnen deze thema’s in diverse ontwikkelingsmogelijkheden. De verwachte milieueffecten van deze ontwikkelingsmogelijkheden lopen uiteen. Zo leidt de uitbreiding van glastuinbouw in de landbouw tot overwegend grotere effecten dan ontwikkeling van een mini-camping.
Onderstaande subparagrafen geven een toelichting op de ontwikkelingsmogelijkheden die naar verwachting wel of geen milieueffecten met zich mee brengen. Ontwikkelingsmogelijkheden met milieueffecten Tabel 1.1 laat de ontwikkelingsmogelijkheden zien die naar verwachting de grootste milieueffecten met zich meebrengen.
1 de inwerkingtreding van de Omgevingswet is per april 2020 uitgesteld tot een nader te bepalen datum. Inwerkingtreding op 1
januari 2021 is hiermee van de baan.
2 gepubliceerd in januari 2019; te vinden via: https://bestuur.midden-groningen.nl/Vergaderingen/Raadsvergadering/2019/28-
februari/19:30/03-Bijlage-1-Woonvisie-Nieuw-Midden-Groningen-1.pdf
9 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Tabel 1.1 ontwikkelingsmogelijkheden die naar verwachting de grootste milieueffecten veroorzaken thema
activiteit
uitwerking
verwacht effect
agrarisch
vergroting bouwvlak agrarische percelen
Nieuwe agrarische bouwpercelen niet mogelijk. Standaard bouwvlak wordt 1 ha, tenzij bestaand groter is. Middels binnenplanse afwijking is vergroting in een deel van het plangebied naar 1,5 ha mogelijk. Bedrijven met een bouwvlak groter dan 1 ha kunnen via een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden in bepaalde gebieden vergroten naar 2 ha. Laatstgenoemde geldt ook voor wijziging van situering en ligging van het bouwvlak.
Dominante effecten: grotere stallen hebben effect op landschap; sloop en bouwwerkzaamheden hebben effect op natuur; met een stikstofregeling worden de grootste effecten op natuur voorkomen.
Bestaande (glas)tuinbouwbedrijven mogen uitbreiden binnen reeds bestemde maar onbebouwde ontwikkelruimte. De ontwikkelruimte in het tuinbouwgebied Sappemeer-Noord is verkleind ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het meest oostelijke deel binnen dit gebied wordt gewijzigd in een agrarische bestemming (zonder bouwvlak). Nieuwvestiging van (glas)tuinbouwbedrijven is niet toegestaan.
Dominant effect: uitbreiding kassen heeft effect op landschap;
Bestaande bedrijven kunnen alleen in stalruimte uitbreiden als dat noodzakelijk is voor het welzijn van de dieren en het vergunde aantal dieren niet toeneemt. Nieuwvestiging is niet toegestaan.
Dominant effect: grotere stallen heeft effect op landschap; uitbreiding/beperking veehouderijen heeft effect op ammoniak en geur
agrarisch
agrarisch
uitbreiding bestaande (glas)tuinbouwbedrijven in Sappemeer-Noord
ontwikkelmogelijkheden intensieve veehouderijen
Ondergeschikte effecten: bodem, water, verkeer, geluid
Ondergeschikte effecten: natuur, verkeer, licht
Ondergeschikte effecten: natuur
Toelichting vergroting bouwvlak agrarische percelen Een groot aantal van de agrarische bouwpercelen heeft al een oppervlak van meer dan 1 hectare. Dit betekent dat er voor de meeste agrarische bedrijven geen vergroting van het bouwvlak plaatsvindt. Tabel 1.2 laat de grootte van de bouwpercelen van agrarische bestemmingen in de huidige situatie zien.
Tabel 1.2 grootte bouwpercelen agrarische bestemmingen in de huidige situatie Voormalige gemeente
Aantal agrarische bedrijven
Oppervlakte 1 ha
Oppervlakte 1,5 ha
Oppervlakte 2 ha
Slochteren
+/- 150
Meeste bedrijven
Binnenplans ongeveer 25 % van de bedrijven mogelijk
Minder dan 10 groter dan 1,5 ha
Menterwolde
+/- 65
Meeste bedrijven
Ongeveer 6 bedrijven
Ongeveer 4 bedrijven
Hoogezand
+/- 30
Meeste bedrijven
Niet aan de orde
Ongeveer 10 % bedrijven
10 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Toelichting stikstofregeling voor uitbreiding van agrarische bedrijven Omdat in het nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied Drentsche Aa-gebied sterk voor verzuringsgevoelige habitattypen zijn gelegen, kan uitbreiding van de veehouderij binnen de gemeente al snel leiden tot significant negatieve effecten. Voor het bestemmingsplan is daarom het uitgangspunt dat de depositie toename ten gevolge van uitbreiding van de veehouderij op een Natura 2000 gebied, per bedrijf 0,00 mol stikstof/ha/jaar moet blijven. Dat betekent dat de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven binnen het plan beperkt zijn. Deze regeling resulteert op hoofdlijnen in drie mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven: 1 het realiseren van opslag en andere bebouwing waar geen sprake is van een toename in stikstofuitstoot; 2 het verbeteren van stalsystemen ten behoeve van dierwelzijn; 3 salderen: het realiseren van stalsystemen met best beschikbare technieken (BBT), ook op bestaande stallen waardoor ruimte ontstaat om per saldo zonder stikstofuitstoot meer dieren te houden. Ontwikkelingsmogelijkheden zonder grote milieueffecten Tabel 1.3 laat de ontwikkelingsmogelijkheden zien die naar verwachting geen grote milieueffecten teweegbrengen.
Een aantal van deze ontwikkelingsmogelijkheden heeft naar verwachting dusdanig kleine effecten, dat deze niet nader onderzocht zijn in voorliggend planMER. Dit in overeenstemming met de reeds opgestelde NRD. Dit gaat om de volgende activiteiten: - toestaan nevenactiviteiten: productiegebonden detailhandel en horeca; - toestaan nevenactiviteiten: bed & breakfase en ondergeschikte horeca; - toestaan uitbreiding bestaande en zelfstandige horecabedrijven; - toestaan extensieve recreatie. De overige activiteiten opgenomen in tabel 1.3 veroorzaken naar verwachting beperkte milieueffecten. Omdat milieueffecten door deze activiteiten niet zijn uit te sluiten, zijn ze nader onderzocht in voorliggend planMER.
Tabel 1.3 Ontwikkelingsmogelijkheden die naar verwachting geen of beperkte milieueffecten veroorzaken. In grijs (kolom 2) de activiteiten die dusdanig beperkte effecten veroorzaken, dat ze niet nader onderzocht zijn
thema
activiteit
uitwerking
beperkt effect omdat
agrarisch
toestaan mestopslag buiten bouwvlak
Onder voorwaarden kan mestopslag buiten het bouwvlak worden toegestaan. Conform POV en gebiedsvisie mestopslag op veldkavels.
relatief kleine bouwwerken en grote ruimte tussen agrarische bedrijven en andere bebouwing. Met stikstofregeling is stikstofdepositie uitgesloten.
agrarisch
toestaan mestvergistingsinstallati es
onder voorwaarden ruimte voor kleinschalige mestvergistingsinstallaties voor het eigen bedrijf.
relatief kleine bouwwerken en grote ruimte tussen agrarische bedrijven en andere bebouwing. kleine tot verwaarloosbare toename transportbewegingen.
agrarisch
toestaan nevenactiviteiten
onder voorwaarden toestaan van nevenactiviteiten zoals: - productiegebonden (kleinschalige) detailhandel; - productiegebonden (kleinschalige) horeca.
het gaat om gebruik van schuurruimte voor de verkoop van productiegebonden producten (melk, eieren, etc.). Dubbel ruimtegebruik leidt niet tot aanvullende landschappelijke effecten. Verwaarloosbare toename transportbewegingen, zolang parkeren mogelijk is op eigen terrein.
agrarisch / wonen
toestaan nevenactiviteiten
bij woon- en agrarische bestemmingen toestaan van: - minicampings (max. 25 kampeermiddelen); - Bed & Breakfast (max. 6 kamers); - ondergeschikte horeca.
kleine tot verwaarloosbare toename transportbewegingen
11 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
thema
activiteit
uitwerking
beperkt effect omdat
recreatie en toerisme
toestaan uitbreiding bestaande zelfstandige horecabedrijven
onder voorwaarden toestaan van bebouwingsmogelijkheden tot 20% voor bestaande horeca gelegenheden.
verwaarloosbare toename transportbewegingen en er is sprake van ruim voldoende parkeergelegenheid.
recreatie en toerisme
toestaan extensieve recreatie
rekening houdend met draagkracht van de natuur, toestaan van voorzieningen als wandel- en fietspaden, observatiehutten en picknickplaatsen
verwaarloosbare toename transportbewegingen.
duurzaamheid en energietransitie
toestaan windturbines
toestaan windturbines (agrarisch bestemming 3 en woonbestemming 1) met een maximale ashoogte van 15 meter binnen het bouwvlak, conform bestaande beleidsuitgangspunten.
ligging binnen eigen bouwvlak maakt dat de landschappelijke impact beperkt is.
Toelichting duurzaamheid en energietransitie Voor aan duurzaamheid gerelateerde ontwikkelingen -zoals zonneparken- heeft de gemeente MiddenGroningen apart beleid opgesteld. Zo kent de gemeente een Duurzaamheidsvisie Midden-Groningen 20192022 en een beleid omtrent zonneparken. Ontwikkelingen zoals een zonnepark zijn daarmee geen onderdeel van het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Een zonnepark heeft wel effecten op het buitengebied, maar deze worden per project afgewogen middels een aparte procedure met de voorwaarden zoals vastgesteld in het opgestelde beleid.
1.4
Referentiesituatie, alternatieven en uitgangspunten
In deze paragraaf zijn de referentiesituatie, de alternatieven en gehanteerde uitgangspunten toegelicht.
1.4.1
Wat is de referentiesituatie?
Dit planMER vergelijkt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling middels drie alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie, aangevuld met de autonome ontwikkelingen in het gebied. Autonome ontwikkelingen zijn die plannen in het plangebied die -los van het voornemen- met grote zekerheid plaatsvinden tot het jaar 2030. Het gaat daarbij om ontwikkelingen waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden of waarover besluitvorming in voorbereiding is, die zonder de voorgenomen activiteit ook zouden plaatsvinden. Afbeelding 1.3 laat zien welke situaties onder de referentiesituatie vallen. De thematische hoofdstukken geven een toelichting op de referentiesituatie per thema.
Afbeelding 1.3 Schematische weergave van de relatie tussen referentiesituatie en het voornemen
12 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Autonome ontwikkelingen Autonome ontwikkelingen zijn die plannen in het plangebied die -los van het voornemen- met grote zekerheid plaatsvinden tot het jaar 2030. In het plangebied spelen drie autonome ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het voorgenomen bestemmingsplan, namelijk: 1 windpark N33: realisatie van 120 MW windpark langs de N33. Momenteel in aanbouw; 2 stikstofinstallatie Zuidbroek: uitbreiding stikstofinstallatie naar 12 ha. Gereed in 2022; 3 verdubbeling N33 Zuidbroek - Appingedam: gereed in 2025; 4 zonneparken in de gemeente volgens apart opgesteld beleid; 5 ontmanteling gaswinninglocaties (van bedrijf naar agrarisch).
1.4.2
Wat zijn de alternatieven?
Dit planMER beschrijft en beoordeelt het voornemen aan de hand van drie alternatieven, namelijk: 1 het minimumalternatief; 2 het maximumalternatief; 3 het maatregelenalternatief. Van deze alternatieven worden de milieueffecten ten opzichte van de referentiesituatie beschreven en beoordeeld. Afbeelding 1.4 laat een schematisch overzicht van de drie alternatieven zien. De teksten onder de afbeelding geven een toelichting op deze alternatieven.
Afbeelding 1.4 Schematisch overzicht alternatieven in relatie tot de referentiesituatie en het voornemen
Wat is het minimumalternatief? Het minimumalternatief is een volledig consoliderend alternatief. Dit betekent dat de bestaande ontwikkelregels behouden blijven zoals deze momenteel gelden. Dit alternatief brengt in kaart wat de effecten zijn van de geldende bestemmingsplannen zonder versoepelingen of verruimingen ten opzichte van het geldende beleid. Dit betekent ook dat de tot dusverre onbenutte ruimte die de huidige vigerende bestemmingsplannen bieden, (gedeeltelijk) deel uitmaken van dit alternatief. Tabel 1.3 laat per ontwikkelingsmogelijkheid de uitgangspunten van dit alternatief zien. Wat is het maximumalternatief? Het maximumalternatief is het alternatief waarin alle (realistische) ontwikkelingsruimte van het bestemmingsplan wordt benut. Dit alternatief geeft een representatieve weergave van de maximale planologische invulling van het voornemen. De voorgenomen activiteiten zijn hiermee in hun realistische meest uitgebreide vorm en omvang meegenomen. Deze activiteiten en daarmee gemoeide milieueffecten komen bovenop de referentiesituatie. Op sommige milieuthema’s kan dit tot knelpunten leiden. Het maximumalternatief brengt deze potentiële knelpunten in beeld.
13 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02
Het maximumalternatief belicht de effecten van een realistische worst-casesituatie. Een realistische worstcasesituatie betekent dat de ontwikkelingsmogelijkheden op realistische wijze zo volledig mogelijk worden benut binnen de huidige sociaaleconomische omstandigheden. Zo is het niet realistisch dat op elk perceel een mini-camping of kleine windturbine wordt ontwikkeld. Daarom is op basis van referentiecijfers en de huidige situatie in het buitengebied in kaart gebracht wat per ontwikkelingsmogelijkheid een meer realistische worst-case is. Tabel 1.4 laat deze uitgangspunten zien. Wat is het maatregelenalternatief? Het maatregelenalternatief is het resultaat van de afweging tussen het minimaal alternatief en het maximaal alternatief. Het (realistisch) maximaal benutten van de ontwikkelingsruimte van de voorgenomen ontwikkeling (het maximaal alternatief) kan op milieuthema’s tot knelpunten leiden. In deze gevallen (een negatieve (-) of sterk negatieve (--) beoordeling) zijn maatregelen toegepast om de milieueffecten te beperken. Een voorbeeld hiervan is het beperken van de ontwikkelingsruimte, het voorschrijven van landschappelijke inpassing of het benutten van best beschikbare technieken (BBT).
1.4.3
Uitgangspunten minimum- en maximumalternatief
Het minimumalternatief en het maximumalternatief hangen beide samen met een zekere ruimte binnen de ontwikkelingsmogelijkheden van het huidig vigerend beleid en het voornemen. Dit betekent dat beide alternatieven binnen het voornemen in ontwikkelingsruimte zijn afgebakend. Met deze uitgangspunten tracht het minimumalternatief een realistisch beeld te geven van een volledig consoliderend plan en het maximumalternatief van een realistische worst-casesituatie. Tabel 1.4 laat deze uitgangspunten zien. Voor sommige ontwikkelmogelijkheden gelden meer specifieke uitgangspunten. Deze komen terug in de thematische hoofdstukken van dit planMER. Onder de tabel staat een voorbeeld beschreven van de ontwikkeling van kleinschalige windturbines.