05. Toelichting Bestemmingsplan KC Woldwijck 2
Tekst van het document
25
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaarcontour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Weergave PR en Groepsrisico. Verantwoordingsplicht In de wet -en regelgeving is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Aandacht aan de verantwoording moet worden gegeven wanneer het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt of wanneer het groepsrisico (significant) toeneemt. Bij de verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van deze kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten zoals mogelijke bronmaatregelen, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Veiligheidsregio Groningen heeft de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid met betrekking tot de locatie van het bestemmingsplan Kindcentrum Woldwijck beoordeeld. Ten aanzien van het aspect bestrijdbaarheid adviseert Veiligheidsregio Groningen: -
De bluswatervoorziening voldoet niet volgens het Bouwbesluit. Het advies van de Veiligheidsregio is om te voorzien in een adequate bluswatervoorziening in overleg en afstemming met team brandweerzorg Noord-midden.
26
-
-
Ten aanzien van het aspect zelfredzaamheid adviseert Veiligheidsregio Groningen: om d.m.v. een ontruimingsplan een organisatie op te stellen over hoe te handelen in geval van een incident en om naar een veilige locatie te vluchten, dan wel schuilen. de bevolking bij een ramp ook op een andere wijze te alarmeren dan met de WAS-sirenes, bijvoorbeeld via calamiteitenzenders, NL-Alert, geluidswagens, social media enz.
Om de externe veiligheidsrisico’s te beheersen, heeft de rijksoverheid een aantal besluiten opgesteld die leidend zijn voor externe veiligheidstaken van de provincie en gemeenten. Het gaat daarbij om wet- en regelgeving waarin risiconormen zijn gesteld voor respectievelijk inrichtingen, transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Het rijksbeleid staat niet op zichzelf. Risicobedrijven Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) bevat veiligheidsnormen voor bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies rekening te houden met de externe veiligheid als ze een milieuvergunning verlenen of een bestemmingsplan maken. Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is vergelijkbaar met het Bevi en bevat risiconormen voor transportroutes (spoor, weg en waterwegen). Op basis van het Bevt moet rekening worden gehouden met het Landelijk Basisnet (verder: Basisnet) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uitgangspunt van het Basisnet is dat door het vastleggen van veiligheidszones de gebruiksruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkelingen op elkaar kunnen worden afgestemd. Provincies kunnen een eigen Basisnet vastleggen; dat is ook binnen de provincie Groningen het geval.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats via het spoor, over de weg en het water. Met het Basisnet water, weg en spoor worden risicoplafonds vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld. In het Basisnet wordt een maximum opgelegd aan de PR 10-6. Deze PR 10-6 kan daarmee niet meer ongelimiteerd groeien. De PR-max vormt de grens van de gebruiksruimte voor het vervoer en tevens de grens van de veiligheidszone. Een veiligheidszone is een zone langs wegen, hoofdspoorwegen en/of binnenwateren waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn hier alleen in uitzonderingsgevallen toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het hart van de spoorbundel, het midden van de weg of op de referentiepunten gelegen op de begrenzingslijnen van de vaarweg. In het kader van de ruimtelijke ordening dient de afstand die voor de veiligheidszone in het Basisnet is vastgesteld te worden gehanteerd en wordt niet meer berekend. Het groepsrisico daarentegen dient wel te worden berekend en daarbij wordt de maximale benutting van groeiruimte voor het vervoer toegepast die in de bijlage van het Basisnet is vastgelegd.
Daarnaast moet voor bepaalde transportmodaliteiten met veel vervoer van zeer brandbare en toxische vloeistoffen in het Basisnet rekening worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter aan weerszijden van de spoorbaan (en erboven) en 30 meter gemeten vanaf de rechter rand van de rijstrook van de (rijks)weg of het spoor waarbinnen, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Plasbranden kunnen ontstaan wanneer brandbare vloeistoffen ten gevolge van een ongeluk of calamiteit kunnen weglekken uit een tankwagen/wagon en tot ontbranding kunnen komen.
27
Provinciaal Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het provinciaal basisnet Groningen is het antwoord op de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen waarin een borging van risicoafstanden als gevolg van transporten van gevaarlijke stoffen wordt aangekondigd. Het doel is om deze transportroutes vast te leggen en een systeem te creëren waarbij rekening kan worden gehouden met de dynamiek van transport en toekomstige groei. Om dit te bereiken zijn in de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 veiligheidszones opgenomen rondom een aantal aangewezen transportroutes (de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur). Onderstaand worden de zones weergegeven: - Veiligheidszone 1 provinciale wegen: zone langs wegen in verband met plaatsgebonden risico (PR max) provinciale wegen. Gemeten vanaf het midden van de buitenste wegkanten; - Veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciaal basisnet Groningen: Bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen. Wordt gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute; - Veiligheidszone 3 transport: Veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen.
Deze zone is bepaald op 30 meter gemeten vanaf de buitenste wegkanten van de wegen vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer. Buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn de normen voor externe veiligheid in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vastgelegd. De regels voor buisleidingen zijn op basis van het Bevb uitgewerkt in de Ministeriële regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Ook het Bevb is op dezelfde wijze opgesteld als het Bevi. Het Bevb stelt verplicht om bij onder andere het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de externe veiligheidsaspecten. Tevens geldt een belemmeringenstrook van 4 of 5 meter aan weerszijden van de leiding die vrij moet blijven van bebouwing. Analyse plangebied Binnen het plangebied ligt een waterleiding. In paragraaf 4.5.6 wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waterleiding. Naast de waterleiding geldt dat het plangebied in de nabijheid van een manege ligt. In paragraaf 4.2 is onderbouw welke invloed deze manege heeft en op welke wijze daar mee wordt omgegaan in het plan. Naast deze aspecten zijn in en in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig die vanuit het oogpunt van externe veiligheid van invloed zijn op het voorziene plan.
Conclusie Er zijn in en in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig die vanuit het oogpunt van externe veiligheid van invloed zijn op het voorziene plan. Bij de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met de adviezen van de Veiligheidsregio.
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat bekend als de Wet luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ontwikkelingen als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
28
-
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
In de Wet luchtkwaliteit staan de grenswaarden voor verschillende luchtverontreinigende stoffen. In de praktijk blijft toetsing aan grenswaarden beperkt tot de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) uit onderstaande tabel.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen: - Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); - Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); - Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (nibm) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 uit de Wet milieubeheer. De Nibm-bijdrage komt dan neer op 1,2 µg/m3. In de Regeling nibm is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: - woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; - woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; - kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen.
Het besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast (van respectievelijk 300 en 50 meter). Bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staan eisen waaraan berekeningen en rekenmodellen moeten voldoen. In de regeling is het toepasbaarheidsbeginsel opgenomen. Dit beginsel geeft aan op welke plaatsen de luchtkwaliteitseisen toepasbaar zijn. In grote lijnen gelden daarbij de volgende bepalingen: - geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen bewoning is;
29
-
-
geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen (met uitzondering van voor het publiek toegankelijke plaatsen, waarbij het zogenaamde blootstellingscriterium een rol speelt); geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen.
Analyse plangebied Onderliggend plangebied draagt niet in betekenende mate bij. In onderstaande rekentool NIBM is dit aangetoond:
Tabel NIBM.
Daarnaast ligt het plangebied, waar in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen een gevoelige bestemming wordt mogelijk gemaakt, niet binnen een zone van 300 en 50 meter van respectievelijk een rijksweg of een provinciale weg. Derhalve hoeft de luchtkwaliteit niet conform de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Conclusie Het aspect Luchtkwaliteit vormt geen beletsel voor onderliggend bestemmingsplan.
4.5 Water 4.5.1. Algemeen Het opnemen van een waterparagraaf in een bestemmingsplan is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het overleg met het waterschap wordt gevoerd op basis van artikel 3.1.1 Bro. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het waterbeleid, zoals opgenomen in de nota Waterbeleid 21e eeuw, heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: -
vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.
De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt
30
het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 4.5.2 Gemeentelijk rioleringsplan Gemeenten hebben op grond van artikel 10.33 Wm een zorgplicht voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Onder stedelijk afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Deze zorgplicht wordt door vertaald in een rioleringsplan. De speerpunten voor de komende planperiode zijn: -
-
Klimaatbestendig beleid: de gemeente wil inspelen op de klimaatveranderingen; Samenwerking: ook in deze planperiode wil de gemeente intensief samenwerken met andere partijen als dit een voordeel oplevert. Rioolbeheer: de gemeente wil het rioolbeheer in deze planperiode nog verder optimaliseren. Risico-gestuurd rioolbeheer: in deze planperiode wordt toegewerkt naar een onderhoudsregime waarbij geen cyclische werkzaamheden worden uitgevoerd als dit niet nodig is. Opzet klachtensysteem: in deze planperiode wil de gemeente werken aan het samenvoegen van de klachtensystemen van de voormalige gemeenten Slochteren, Menterwolde en Hoogezand-Sappemeer.
4.5.3 Keur waterschap Voor alle aanpassingen aan de waterhuishouding, zoals genoemd in de keur, is ook een watervergunning van het waterschap vereist. In de keur van waterschap Hunze en Aa's (2010) is ook opgenomen dat binnen het beheersgebied zonder vergunning van het bestuur geen verhard oppervlak mag worden aangebracht, voor zover dit leidt tot een versnelde afvoer richting oppervlaktewaterlichamen. Hierbij geldt binnen de bebouwde kom een norm van 150 m² en daarbuiten 1500 m². Bij nieuwe verharding met een oppervlak boven deze normen zullen compenserende maatregelen moeten worden genomen. In onderliggend plan neemt het verhard oppervlak toe. Daarnaast zijn er in de keur ook regels opgenomen over beschermingszones langs (boezem)kades en beschermings- en obstakelvrije zones langs hoofdwatergangen. De beschermingszones worden aangegeven of omschreven in de legger. Bij het ontbreken van een legger geldt als beschermingszone een strook van 5 meter, waarbij de 5 meter moet worden gerekend vanaf de insteek of de teen van het waterstaatswerk. Als een onderhoudsstrook aanwezig is dan hoort die bij het waterstaatswerk en niet bij de beschermingszone. 4.5.4 Notitie stedelijk waterbeheer In 2011 heeft het waterschap Hunze en Aa’s de notitie Stedelijk Waterbeheer vastgesteld. Deze notitie vervangt de notitie uit 2003.
Hierin zijn doelstellingen en aandachtspunten geformuleerd inzake het stedelijk waterbeheer, waarbij alle betrokken partijen hun rol moeten pakken, waaronder de gemeenten in hun ruimtelijke plannen. Dit gebeurt mede door de verplichte waterparagraaf in bestemmingsplannen, met als doelstelling: ‘Water wordt door overheden, stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars geaccepteerd en gehanteerd als ordenend principe. Het waterschap is de vanzelfsprekende wateradviseur bij locatiekeuze en inrichting.’
31
Aandachtspunten in de notitie die relevant zijn voor bestemmingsplannen zijn:
Onderwerp
Probleem
Oplossingsrichting
Ruimte voor water
Onvoldoende inspelen op Waterschap eerder betrekken, wateraspecten bij ruimtelijke deskundigheid gebruiken. plannen, wateroverlast, slechte waterkwaliteit in nieuwe gebieden.
Taakverdeling
Onduidelijkheid voor gemeenten en Heldere afspraken, eenduidigheid, burgers. helder communiceren over taken en verwachtingen.
Watersysteem
Slechte waterkwaliteit, wateroverlast, vervuilde waterbodem, weinig natuurvriendelijke oevers, verstoring watersysteem.
Duurzame inrichting, basisinspanning/ waterkwaliteitsspoor intensiveren, alternatieve oplossingen, aanpak diffuse bronnen, wateroverlastmaatregelen met gemeente, oplossingen op maat, herstel watersysteem.
Deze aandachtspunten worden door de gemeente Midden – Groningen betrokken bij het opstellen van ruimtelijke plannen. 4.5.5 Analyse plangebied Zowel bij de ontwikkelingen bij recht als bij de ontwikkelingen na wijziging van het bestemmingsplan dienen de beleidsuitgangspunten van het Waterplan (waaronder afnemen watertoets) te worden nagekomen. Het toevoegen van nieuwe bebouwing of verharding in de bebouwde kom (met een grotere oppervlakte dan 150 m²) en in het buitengebied bij een oppervlakte groter dan 1500 m² zal dan ook gecompenseerd moeten worden met waterberging. Onderliggend bestemmingsplan maakt een nieuwe ontwikkeling mogelijk. Op dit moment is nog niet bekend hoeveel bebouwing en verharding er exact gaat komen. Op dit moment staat vast dat er een Kindcentrum zal komen met een school en een peuter- en kleuteropvang. Daarnaast zullen er paden en schoolpleinen gerealiseerd worden. Hoe deze eruit komen te zien is nu nog niet duidelijk. Wel is duidelijk dat het totale oppervlak van het plangebied circa 15.500 m² is en dat het overgrote deel verhard zal worden. In de regels van het bestemmingsplan is een totale maximale bebouwingsoppervlakte opgenomen van 5150 m², waarvan 100 m² voor overige gebouwen en overkappingen, om het programma mogelijk te maken. 4.5.6 Beheerrichtlijn Diagonaal door het plangebied ligt een hogedrukwaterleiding (AC 800 mm) met een zakelijk recht.
Verlegging van deze leiding is niet eenvoudig en is kostbaar. Ten aanzien van de waterleiding gelden beheerrichtlijnen en aanbevelingen voor het werken in de nabijheid van de ondergrondse infrastructuur van waterbedrijf Groningen en/of van haar deelnemingen. Deze zijn beschreven in het document ‘Beheerrichtlijnen en aanbevelingen’ versie 2018 van het waterbedrijf Groningen. Deze Beheerrichtlijnen zijn voor een groot deel gebaseerd op de WION en de CROW Richtlijn Schade voorkomen aan kabels en leidingen / Richtlijn zorgvuldig grondroeren van initiatief- tot gebruiksfase, in werking getreden 1 januari 2017. De WION geeft aan wat onder zorgvuldig graven wordt verstaan. De CROW Richtlijn geeft een nadere uitwerking van het begrip zorgvuldig graven. Deze
32
Beheerrichtlijnen moeten niet beschouwd worden als een dictaat, maar zijn bedoeld om - in voorliggende situatie - tot een voor alle bij een werk betrokken belanghebbenden gewenste werkwijze te komen, rekening houdend met elkaars belangen en (wettelijke) verantwoordelijkheden. Bij de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met de richtlijnen en wettelijke kaders die in de beheerrichtlijn zijn beschreven. 4.5.7 Watertoets Op grond van paragraaf 3.1, in het Besluit Ruimtelijke Ordening, moeten ruimtelijke plannen worden afgestemd met o.a. de waterschappen. Hiervoor moet bij het waterschap Hunze en Aa's het proces van de digitale watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Hunze en Aa's beoordeelt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Het waterschap Hunze en Aa’s wordt in het kader van het vooroverleg geïnformeerd over het plan. In het kader van het bestemmingsplan is een digitale watertoets. De resultaten van deze watertoets zijn opgenomen als bijlage 3. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen moet worden. Dat betekent een maatwerkadvies. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap.
Hieruit komt onder meer het volgende naar voren. Het plangebied ligt in een peilgebied met een zomerpeil van -0,45 m NAP en een winterpeil van -0,8 m NAP. De gebied specifieke afvoer is 4,43 l/sec/Ha; deze afvoer mag niet negatief beïnvloed worden door ruimtelijke ingrepen. Door de beoogde wijziging van het bestemmingsplan wordt in ieder geval ruimte gemaakt voor een verhardingstoename van 5.150 m 2. Hiervoor moet 301 m3 compenserende waterberging worden gerealiseerd om de gebied specifieke afvoer te kunnen waarborgen. Aanvullende verhardingstoename moet naar rato worden gecompenseerd. Conclusie Het bouwplan is nog niet compleet. Daarom kan het nog niet specifiek worden getoetst aan het aspect water. Bij de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met de richtlijnen en wettelijke kaders die hiervoor zijn beschreven. Met betrekking tot de bergingscompensatie geldt het volgende. Op dit moment staat nog niet vast met hoeveel m2 het totaal verhard oppervlak zal toenemen als gevolg van de ontwikkeling. In de definitieve planvorming zal rekening worden gehouden met een bergingscompensatie van 301 m3 bij een toename van oppervlakteverharding van 5.120 m2 of zoveel meer als naar rato noodzakelijk is. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat het bouwplan voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag zodat het getoetst kan worden op het aspect water.
4.6 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Nederlandse gemeenten zijn vanwege wetgeving op het gebied van archeologische monumentenzorg (Wet op de archeologische monumentenzorg) verplicht om archeologische en cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke planprocedures te betrekken en waardevolle resten te beschermen. Om deze wettelijke taak goed te kunnen uitvoeren en direct mee te kunnen nemen in de actualisering van bestemmingsplannen is gemeentelijk archeologiebeleid, bestaande uit een beleidsnota en beleidskaart, opgesteld. Op de archeologische beleidskaart is aangegeven welk archeologisch beleid van toepassing is in het bestemmingsplan. Door het archeologisch onderzoek dat ten grondslag ligt
33
aan dit beleid is duidelijk geworden waar (hoge) archeologische verwachtingswaarden zijn en waar deze laag zijn. Analyse plangebied Voor het grondgebied van de gemeente Midden - Groningen beschikt de gemeente over een verwachtingskaart archeologie en cultuurhistorie. Op deze kaart is het plangebied aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Zie onderstaande uitsnede van de verwachtingenkaart.
Uitsnede archeologische verwachtingenkaart. Omdat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt, heeft een archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is als bijlage 4a opgenomen. De bevindingen zijn als volgt. Het plangebied ligt in een gebied dat in de steentijd, met name het mesolithicum, intensief werd bewoond. Bewoningsresten uit deze perioden bevinden zich vooral op (ten opzichte van de directe omgeving) relatief hooggelegen, goed ontwaterde gronden, zoals dekzandkoppen en -ruggen, waarin zich podzolbodems hebben ontwikkeld. Pas in de 17de eeuw werd het veen in dit gebied systematisch in ontginning genomen. Vanaf de ontginning is het plangebied als bouw- en grasland in gebruik geweest. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland lijkt het reliëf in het plangebied redelijk intact. De kans is daardoor groot dat eventuele aanwezige archeologische resten uit de steentijd nog intact zijn. Door de vorming van veen en het feit dat het plangebied na de ontginning onbebouwd is gebleven worden er geen resten uit recentere perioden verwacht. Om te bepalen of in het plangebied nog sprake is van intacte archeologische resten, heeft een archeologisch booronderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 4b). Tijdens het onderzoek zijn elf boringen gezet met een Edelmanboor van 7 cm. De minimale diepte van de boringen is 0,7 m -mv.
De boringen zijn verspreid gezet in een grid van ca. 40 x 45 meter. De locatie van de boringen is op basis van een lokaal meetsysteem ingemeten in RD en de NAP-hoogten van het maaiveld is met behulp van het AHN vastgesteld. De boorkernen zijn beschreven volgens de archeologische standaard beschrijvingsmethode. Het opgeboorde sediment is onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem van het plangebied bestaat uit dekzand waarbinnen podzolvorming heeft opgetreden. In zes boringen zijn restanten van deze podzolvorming aangetroffen. In twee boringen betreft dit een BC-horizont, in drie boringen betreft het een B-horizont en in één boring is ook een E-horizont aangetroffen. In de overige boringen zijn geen restanten van podzolvorming aangetroffen, wel is in drie boringen de aanwezigheid van een, in het recente verleden, opgevulde depressie aangetroffen.
34
Conclusie Het onderzoeksbureau concludeert dat rondom de boringen met een B-horizont en E-horizont de bodem voldoende intact is om archeologische waarden aan te treffen. Het onderzoeksbureau adviseert de plannen dusdanig aan te passen dat het mogelijke archeologisch niveau niet beschadigd raakt. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt geadviseerd een waarderend booronderzoek uit te voeren in een boorgrid van 20 x 25 meter in twee deelgebieden rondom de boringen met tenminste een B-horizont. Voor het overige deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
4.7 Flora en fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt, zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse In het kader van onderliggend plan heeft ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan plaatsgevonden. Het onderzoek is als bijlage 5 opgenomen De quickscan betreft een beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied, de functie van het plangebied en de directe omgeving van deze soorten en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde soorten. De quickscan heeft plaatsgevonden op grond van een bronnenonderzoek, een terreinbezoek en expert judgement. De conclusies uit het onderzoek zijn als volgt.
In het plangebied bevinden zich geen strikt (zwaar)beschermde dier- of plantensoorten die door de voorgenomen nieuwbouw van een school wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In het kader van de te doorlopen planologische procedure zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen. In het plangebied komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, geen vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarrond vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Wet natuurbescherming. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden naar verwachting geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland. Ten behoeve van de omgevingsvergunning wordt dit op basis van onderzoek aangetoond.
35
Conclusie Het aspect ecologie is niet van invloed op de planvorming. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht bij de bouw van het KC, zoals in het ecologische rapport is beschreven. Bij werkzaamheden wordt rekening gehouden met het broedseizoen van vogels dan wel dat andere maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er op de locatie nesten worden gebouwd. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van het Kindcentrum wordt onderzocht of er sprake is van stikstofuitstoot op Natura2000-gebieden. Met de uitkomsten van dit onderzoek wordt bij de verdere planvorming rekening gehouden.
4.8 Geluid Beleidskader Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van wegverkeer, spoorwegen en industrielawaai bij geluidsgevoelige objecten. Wegverkeer De Wgh schrijft voor dat in ruimtelijke plannen die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht wordt of op de gevel van gebouwen de maximaal toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Spoorweglawaai Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg.
Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Stemgeluid In het kader van het Activiteitenbesluit wordt menselijk stemgeluid op schoolpleinen bij primair onderwijs en bij een kinderdagverblijf vanaf 1 januari 2010 buiten beschouwing gelaten bij de toetsing aan het Activiteitenbesluit. Hiermee wordt voorkomen dat kinderen niet zouden kunnen buiten spelen, omdat anders de geluidsnormen overschreden zouden worden. Voor nieuwe situaties (nieuwe woningen bij een schoolplein/kinderdagverblijf, een nieuwe school/kinderdagverblijf bij bestaande woningen, of nieuwe woningen bij een nieuwe school/kinderdagverblijf) moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel een akoestische afweging gemaakt worden. Dat menselijk stemgeluid op schoolpleinen of bij kinderdagverblijven in het milieuspoor niet wordt getoetst, wil niet zeggen dat het in het ruimtelijke spoor aanvaardbaar is.
36
Immers, het is niet zo dat menselijk stemgeluid van spelende kinderen in bepaalde situaties (bijvoorbeeld een omsloten speelplaats) geen hinder kan veroorzaken. Analyse plangebied Onderliggend plan voorziet in de juridische mogelijkheden om een Kindcentrum te realiseren. Binnen deze bestemming worden een onderwijsinstelling en een kinderopvang mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van het spoor of van industrie. Spoorweglawaai en industrielawaai zijn zodoende niet relevant voor onderliggend plan. Wel ligt het plangebied in het invloedgebied van de Zuiderkroon. Tevens is als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake van stemgeluid. Verkeer Daarom heeft in het kader van onderliggend plan akoestisch onderzoek plaatsgevonden om de akoestische effecten van de omgeving op het plangebied en de akoestische effecten van het plan op de omgeving, te kunnen bepalen. Op basis van ruime bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn in het uitgevoerde onderzoek (opgenomen als bijlage 6a) de geluidszones rondom de wegen inzichtelijk gemaakt. Hierdoor is duidelijk welke geluidsbelasting er in het plangebied heerst, wat de impact hiervan is en op welke wijze daar bij de verdere planontwikkeling rekening mee gehouden kan worden.
Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op het plangebied relatief laag is. De geluidsbelasting in Lday 53 dB zonder aftrek (=voorkeursnorm van 48 dB uit de Wet geluidhinder met 5 dB aftrek) heerst bij het asfaltgedeelte op een afstand van 12 meter van de wegas van de Zuiderkroon. Nabij de kruising met de Andromeda heerst de 53 dB op een afstand van 28 meter vanwege de kruising en de klinkerbestrating ter plaatse van de kruising. De geluidsbelasting op de rand van het plangebied blijft ruim onder de maximale waarde van de Wet geluidhinder. De locatie is qua wegverkeersgeluid geschikt voor de bouw van een kindcentrum. Omdat de Zuiderkroon een 30 km/uur weg is, is deze uitgezonderd van toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder. Om het plan mogelijk te maken hoeft er geen hogere grenswaarde geluid te worden vastgesteld door de gemeente. Gezien de relatief lage geluidsbelasting vanwege het wegverkeer hoeven er geen bron- of afschermende maatregelen getroffen te worden om de geluidsbelasting op het plangebied te verminderen. De geluidsbelasting op de rand van het plangebied blijven ruim onder de maximale waarde van de Wet geluidhinder. De locatie is qua wegverkeersgeluid geschikt voor de bouw van een kindcentrum. De geluidsgevolgen vanwege de verkeersaantrekkende werking op de woningen langs de aan- en afvoerwegen is onderzocht.
Uit het onderzoek is gebleken dat het geluidseffect als gevolg van de verkeersaantrekkende werking beperkt is. De gemiddelde geluidsbelasting neemt met maximaal 0,7 dB toe en blijft onder de drempelwaarde van 1,5 dB. Er zijn geen maatregelen nodig om dit effect te beperken.
37
Invloed op omgeving Naast akoestisch onderzoek ten aanzien van verkeerslawaai, heeft onderzoek plaatsgevonden naar de invloed van het kindcentrum op de omgeving en vice versa. De bevindingen zijn als rapportage opgenomen als bijlage 6b. Voor de planvorming zijn diverse terreinindelingen en gebouwvormen onderzocht om de akoestische invloed te bepalen. Uit het onderzoek is gebleken dat bij de planuitwerking aan bepaalde randvoorwaarden moet worden voldaan om overmatige geluidhinder te voorkomen. Belangrijk onderdeel daarbij is de situering van de speelpleinen, de terreinindeling en de vormgeving van de gebouwen. Het plangebied is relatief groot waarbij maar aan één zijde woonbebouwing gelegen is. Dit geeft voldoende mogelijkheden om bij de invulling van het plangebied de hinder te beperken. De woonomgeving langs de Zuiderkroon kan getypeerd worden als een rustige woonwijk waarvoor een richtwaarde geldt van 45 dB(A) voor de dagperiode. Alleen vanwege zwaarwegende redenen kan een hogere geluidbelasting worden toegestaan. Uit het onderzoek is gebleken dat voor de geluidsbelasting op de nabije woonomgeving de stemgeluiden van de kinderen de grootste geluidsinvloed heeft en dat het geluid vanwege het verkeer/parkeren en de gebouwinstallaties minder invloed heeft. Geadviseerd wordt bij de planuitwerking rekening te houden met de navolgende randvoorwaarden: a.
minimaal 30 meter aanhouden voor de afstand tussen een speelterrein en een woning; Door deze afstand aan te houden blijven de optredende geluidspieken (Lmax) als gevolg van schreeuwende kinderen in de regel onder de maximale waarde van 70 dB(A). b. de speelterreinen verdelen over het plangebied; c. het ‘zwaartepunt’ van het verkeer en de hoofdingang aan de noord-west zijde van het plangebied; d. d. bij de situering van bepaalde speelterreinen gebruik maken van de afschermende werking van de schoolgebouwen; e. aan de zijde van de Zuiderkroon geen harde, rechte en sterk reflecterend gevel toepassen maar bijvoorbeeld een gevarieerde getrapte gevel met geluidsabsorberende en/of verstrooiende gevelmaterialen. Uit het onderzoek is gebleken dat 50 dB(A) haalbaar is mits de hier bovenstaande randvoorwaarden in acht worden genomen. Uit het onderzoek is gebleken dat de voorkeurswaarde van 45 dB(A) voor de gemiddelde geluidsbelasting LAeq ook haalbaar is, maar dat heeft grotere gevolgen voor de terrein- en gebouwindeling. Naast de eerder genoemde randvoorwaarden a t/m e moet dan meer afscherming gecreëerd worden en/of grotere afstanden aangehouden worden. Bijvoorbeeld door: f. De speelterreinen voornamelijk achter het gebouw te situeren; g.
Meer afscherming creëren in de vorm van bijvoorbeeld verdiepte ligging, bodem reliëf, grondwallen, banken, fietsenhokken, bloembakken, minder verharding, kleine groene greenwalls etc. Het vergt nadere stedenbouw-/geluidkundige studie om hiervoor een goed ontwerp te maken. Om zonder afscherming de voorkeurswaarde voor de geluidspieken Lmax van 65 dB(A) te halen is een afstand van 50 meter noodzakelijk.
38
Een geluidsbelasting van 50 dB(A) voor LAeq en 70 dB(A) voor de Lmax is pas toelaatbaat mits gemotiveerd wordt dat maatregelen om de voorkeurswaarde van 45 dB(A) te halen grote nadelen heeft (overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard). Daarom wordt geadviseerd bij de planuitwerking de richtwaarde van 45 dB(A) zoveel mogelijk te benaderen aan de hand van de genoemde randvoorwaarden en het definitief stedenbouwkundig ontwerp door te rekenen op de geluidseffecten. Eventueel kan als tussenstap ook een aparte studie worden uitgevoerd naar een stedenbouwkundig ontwerp dat aan de richtwaarde van 45 dB(A) voldoet (voorkeursontwerp geluid). Dan is inzichtelijk of het ontwerp en de maatregelen aanvaardbaar zijn of niet. Daarna kan besluitvorming plaatsvinden over het definitief ontwerp. Conclusie De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de rand van het plangebied blijven ruim onder de maximale waarde van de Wet geluidhinder. De locatie is qua wegverkeersgeluid geschikt voor de bouw van een kindcentrum. Ten aanzien van andere akoestische aspecten wordt bij de verdere planuitwerking rekening gehouden met de aanbevelingen zoals die zijn verwoord in het rapport dat als bijlage 6b is opgenomen. Het plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.
4.9 Verkeer en parkeren Beleidskader Bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. De CROW-parkeernorm (publicatie 317-2012) biedt daarvoor de kaders. Hierin is per functie gecombineerd met de ligging van het plangebied een normering van toepassing. Deze wordt gehanteerd voor onderliggend plan. Binnen de systematiek van de CROW wordt onderscheid gemaakt in verschillende typen functies. Onderwijs en kinderdagverblijven komen apart aan bod, waarbij geldt dat de grootste parkeer- en verkeersdruk ontstaat door het brengen en halen van kinderen. Hierbij is sprake van piekmomenten, wordt rekening gehouden met kiss and ride zones en wordt onderscheid gemaakt in verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen) en parkeerbehoefte. Ten aanzien van het parkeren van fietsen wordt een norm gehanteerd van 1 m² ruimte ten behoeve van het stallen per fiets. Analyse plangebied Ten behoeve van onderliggend plan is een verkeerskundige analyse uitgevoerd. De analyse maakt inzichtelijk welke verkeerskundige consequenties het kindcentrum met zich mee brengt en/of welke verkeersmaatregelen gewenst zijn. De analyse is als bijlage 7 van deze toelichting opgenomen. Parkeerbehoefte Het nieuwe Kindcentrum vervangt drie basisscholen en één kinderopvang.
Met behulp van de CROW Rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ is per basisschool en voor de kinderopvang berekend hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn voor het brengen en halen van leerlingen. Daaruit blijkt dat er totaal 29 parkeerplaatsen nodig zijn voor het brengen en halen van leerlingen. Dubbelgebruik van parkeerplaatsen is door de aanwezigheid van één functie en het samenvallen de begintijden niet mogelijk. Een deel van het personeel komt ook met de auto. Uitgaande van 42 werknemers tijdens het maatgevende moment zijn hiervoor 28 parkeerplaatsen benodigd.
39
Naast het realiseren van parkeervoorzieningen voor auto’s, is ook parkeergelegenheid voor fietsen benodigd. Uitgangspunt is dat kinderen van het kinderdagverblijf niet zelfstandig met een eigen fiets naar de opvang fietsen. Het aantal stallingsplaatsen is gebaseerd op het aantal leerlingen en werknemers dat zelfstandig per fiets komt en gaat (dus niet meerijdt op de fiets van een ouder/verzorger). Op basis van onderliggend initiatief, wordt geschat dat in de huidige situatie circa 25% van de leerlingen een eigen fiets stalt bij de school en dat het om 33% van de werknemers gaat. Dit komt neer op 130 stallingsplaatsen voor leerlingen en 15 voor werknemers. Gezien het feit dat in de nieuwe situatie de afstand naar de school voor de meeste leerlingen wat toe neemt, wordt er van uit gegaan dat het percentage fietsgebruik toeneemt en het lopend naar school gaan afneemt. Er wordt van uit gegaan dat in de nieuwe situatie circa 40% van de leerlingen een eigen fiets bij de school stalt. Vanuit robuustheid wordt aanbevolen om circa 10% extra fietsenstallingen te creëren. Dit komt neer op totaal circa 220 stallingsplaatsen voor leerlingen en 17 stallingsplaatsen voor werknemers. Tevens wordt aanbevolen om ruimte voor een ‘wachtstalling’ voor ouders/verzorgers te creëren.
Verkeersgeneratie Het aantal leerlingen/werknemers voor het kindcentrum blijft ongeveer gelijk met de huidige situatie van de afzonderlijke locaties. Dit betekent dat de hoeveelheid schoolverkeer in Woldwijck ongeveer gelijk blijft, maar dat de verkeerstromen in de wijk Woldwijck wel wijzigen. De invoering van een continurooster op de basisscholen leidt tot een afname van het aantal autobewegingen met circa 25%, omdat de verkeersbewegingen tussen de middag vervallen. De verschillende bassischolen hebben eenzelfde begintijd, maar wel gespreide eindtijden. In de huidige situatie brengt de parkeercapaciteit en bijbehorende verkeersmanoeuvres soms problemen met zich mee. De drie invalswegen van Woldwijck (Van Limburg Stirumlaan, Andromeda en Van der Duyn Maasdamweg) hebben ongeveer een gelijke intensiteit van circa 2.700 mvt/etmaal. De wegen zijn op sobere wijze ingericht als 30 km/h wegen. Het kindcentrum heeft de volgende verkeerskundige consequenties: -
-
verkeersgeneratie: circa 300 mvt/schooldag (circa 100 bewegingen autoverkeer minder dan in de huidige situatie door invoering continurooster); parkeerbehoefte: o 29 parkeerplaatsen t.b.v. brengen/halen; o 28 parkeerplaatsen t.b.v. personeel; fietsenstalling: o 220 stallingsplaatsen t.b.v. leerlingen; o 17 stallingsplaatsen t.b.v. personeel; o 100 stallingsplaatsen t.b.v. wachtruimte ouder/verzorgers.
Het autoverkeer van/naar het kindcentrum verspreidt zich over de drie wijkontsluitingswegen. Fietsverkeer maakt vooral gebruik van de Zuiderkroon en de Andromeda. De hoeveelheid verkeer neemt verhoudingsgewijs het meest toe op de Zuiderkroon. Met name in de buurten neemt de hoeveelheid schoolverkeer af. Woldwijck-Midden en Oost liggen op loopafstand van het kindcentrum. Voor Woldwijck-West en Gorecht heeft de fiets de meeste potentie. Op de Zuiderkroon, Van Limburg Stirumlaan en Andromeda is een aantal aanvullende verkeersmaatregelen wenselijk om te voorzien in een veilige verkeerssituatie.
40
Bij de nadere invulling van de schoolomgeving is er een aantal aandachtspunten, waarbij gescheiden verkeerstructuren, het parkeren t.b.v. brengen/halen, de verkeersveiligheid vanuit kinderperspectief en de organisatie/educatie belangrijke pijlers zijn. Conclusie Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling van het kindcentrum heeft verkeerskundig onderzoek plaatsgevonden. Hierbij is op basis van het voorziene programma inzichtelijk gemaakt hoe de verkeerskundige situatie zich zal moeten verhouden tot de omgeving en hoeveel parkeercapaciteit benodigd is. De feitelijke behoeften op basis van de scholen en kinderopvang die zich gaan vestigen in het kindcentrum zijn daarbij meegewogen. Op basis hiervan zijn aanbevelingen gedaan over de wijze waarop met parkeren en verkeersafwikkeling omgegaan dient te worden. Hier wordt in de verdere planuitwerking invulling aan gegeven. Indien dat gebeurt is het plan op basis van de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.
4.10 Vormvrije m.e.r. - beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Indien de gemeente initiatiefnemer is (zoals in onderliggend geval) hoeft het bevoegd gezag géén aanmeldnotitie op te stellen.
In het kader van de transparantie is echter wel een aanmeldnotitie opgesteld, omdat de gemeente ook in onderliggend geval de beslissing moet nemen over de vraag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Om deze beslissing te nemen, moet dezelfde informatie worden vergaard als een particulier of ondernemer en moet deze informatie ook aan dezelfde beoordelingscriteria worden getoetst. Daarom is voor onderliggend plan een aanmeldnotitie opgesteld. Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
41
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2000 of meer woningen. Conclusie en vervolg De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Een analyse op basis van de beschikbare onderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan leert dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen zijn. Dit is vertaald in een aanmeldnotitie (bijlage 8). In de aanmeldnotitie zijn de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven. Het bevoegd gezag heeft op basis van de aanmeldnotitie besloten dat geen milieueffectrapportage opgesteld moet worden voor onderliggend plan.
42
5. Planuitgangspunten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk vormt een uiteenzetting van verschillende uitgangspunten die in het bestemmingsplan hun doorwerking vinden. Enerzijds heeft dit betrekking op beleidsregels die door het college zijn vastgesteld en anderzijds gaat het om aspecten die op grond van het rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte) en/of het provinciaal beleid (Provinciale Omgevingsverordening) onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan.
5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Onderliggend plangebied betreft een overloopgebied vanuit de woonwijk Woldwijck dat getypeerd kan worden als stedelijk groen en als zodanig functioneel tot het stedelijk gebied kan worden gerekend. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Functies die in de jurisprudentie worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, zijn onder andere accommodaties voor maatschappelijke functies zoals een school, zorgcomplex, sportfaciliteiten of een crematorium. Onderliggend plan betreft zodoende een stedelijke functie. Daarnaast dient een toets aan de ladder plaats te vinden als de ontwikkeling nieuw is. Ook dit is het geval. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarom een motivering op basis van de ladder gegeven. Art. 3.1.6 lid 2 Bro formuleert dit als volgt: ‘De toelichting bij een (bestemmings)plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. In hoofdstuk 3.1.3 is onderliggend plan getoetst aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
Hieruit blijkt dat met het realiseren van het KC een invulling wordt gegeven aan een behoefte.
5.3 Beleidsregels 5.3.1 Proces Voor een aantal ruimtelijke thema’s zijn beleidsnotities en/of regels opgesteld die als afwegingskader en als input voor nieuwe bestemmingsplannen gelden. De beleidsregels vormen het afwegingskader voor het verlenen van medewerking voor een omgevingsvergunning voor het (binnenplans) afwijken van de bestemmingsregels of een bestemmingswijziging. In de bestemmingsregels wordt volstaan met een verwijzing naar de relevante beleidsregels of eventueel een beperkte weergave van de inhoud. 5.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan Binnen onderliggend bestemmingsplan komt in de regels de volgende beleidsregel naar voren: -
(ho)reca en ondersteunende (ho)reca
5.4 Ruimtelijke kwaliteit 5.4.1 Algemeen Het nieuwe bestemmingsplan vervangt de huidige bestemming Bos door een maatschappelijke bestemming. Op basis van deze bestemming is het mogelijk een Integraal Kindcentrum met bijbehorende ruimten te realiseren. Bij de uitwerking van het plan dient rekening gehouden te worden met de omgeving. Zowel vanuit functionaliteit als vanuit verschijningsvorm. In de regels van het bestemmingsplan zijn daarom regelingen opgenomen die een goede afstemming op de omgeving waarborgen.
43
5.4.3 Doorwerking ruimtelijke kwaliteit in regels Om de ruimtelijke kwaliteit vanuit het bestemmingsplan te borgen en aansluiting te vinden op de omgeving, zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: -
Het plangebied ligt op de overgang van het stedelijke en het landelijke gebied; Het plangebied functioneert als uitloopgebied van Woldwijck; Het omliggende Zuiderkroonbos heeft landschappelijke waarde; Ten noordoosten van het plangebied wordt de groenstructuur het plangebied ‘ingetrokken‘; De woningen tegenover de Zuiderkroon zijn deels georienteerd richting het plangebied, deels staat de bebouwing er haaks op. Hier dient rekening mee te worden gehouden; De Zuiderkroon is een wijkontsluitingsweg met een breed profiel; Het plangebied kent beperkingen door de ligging ten opzichte van een manege en de aanwezigheid van hogedruk waterleiding;
Omdat een Integraal Kindcentrum wordt gerealiseerd dat is gebaseerd op een behoefte, is de maximaal noodzakelijke programmering van het plan vertaald in de regels.
5.5 Duurzaamheid Gelet op de toekomstbestendigheid en hoge onderwijskwaliteit speelt een aantal specifieke kenmerken van de schoolgebouwen een rol bij de transitievoorstellen die vooral in de nadere uitwerking van de bouwplannen tot uiting moeten komen: -
-
'frisse scholen' duurzaamheid energiezuinig ontwerp
Het concept 'frisse scholen' geeft vorm aan de kwaliteit van een goed binnenklimaat. Duurzaamheid in deze context betreft vooral de duurzame gebouwkwaliteit qua materiaalkeuze, maar ook duurzaam in onderhoud en gebruiksduur van het gebouw, flexibiliteit qua gebruik, gasloos en energieneutraal. Het 'energiezuinig' zijn van het gebouw geeft de kwaliteit weer voor wat betreft de energieprestatie. Het streven is om een zo energiezuinig mogelijk gebouw te realiseren. Inzoomend op de flexibiliteit vraagt het op deze locatie om passende huisvesting aansluitend op de (toekomst)visie van de scholen en kinderopvang. Hier hoort een eenvoudig aanpasbaar gebouw bij, waarbij de gebouwconstructie zo weinig mogelijk invloed heeft op de indeling (beperken dragende wanden en ruimtebepalende constructieve delen).
44
6. Juridische planbeschrijving 6.1 RO standaarden en regels 2012 6.1.1 Algemeen Onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden alle planologische visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene maatregelen van bestuur (Wro-instrumenten) digitaal vervaardigd en op elektronische wijze beschikbaar gesteld. Ten behoeve van de eenheid en de uitwisselbaarheid zijn er standaarden en regels ontwikkeld. Sinds 1 oktober 2012 gelden de RO standaarden en regels 2012 (ter vervanging van de RO Standaarden en regels 2008). Sinds 1 juli 2013 moeten deze verplicht worden toegepast. De RO standaarden en regels 2012 vervangen de RO standaarden 2008. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt er naast een digitaal bestemmingsplan ook een volledige analoge verbeelding van het bestemmingsplan op papier vastgesteld (de vroegere plankaart). Als de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. In het Bro zijn ook regels opgenomen over de inhoud van een bestemmingsplan. In paragraaf 3.1 staan een aantal verplichte en facultatieve onderdelen voor de bestemmingsplanprocedure. Daarnaast staan in paragraaf 3.2 een aantal verplichte standaardregels voor bestemmingsplannen. Door de standaardisering en digitalisering is het bestemmingsplan duidelijker voor de gebruiker van het bestemmingsplan.
Burgers en ondernemers kunnen snel een juist beeld krijgen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meer locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen sterk verbeterd en kunnen verschillende afzonderlijke plannen in grotere samenhang worden bezien. Dit is met name van belang voor partijen die betrokken zijn bij planvoorbereiding, planmonitoring en planbeoordeling. In de onderstaande alinea's worden de onderdelen van de RO Standaarden en regels die voor bestemmingsplannen van belang zijn verder toegelicht. 6.1.2 IMRO 2012 Het Informatie Model Ruimtelijke Ordening IMRO 2012 is de codetabel voor de digitale Wroinstrumenten, die wordt gebruikt bij het opstellen en uitwisselen van digitale plannen tussen organisaties in het veld van de ruimtelijke ordening en ook naar andere werkvelden. 6.1.3 IMROPT 2012 IMROPT 2012 maakt het mogelijk om de teksten van ruimtelijke instrumenten objectgericht op te bouwen. IMROPT 2012 beschrijft de wijze waarop objectgerichte planteksten worden opgebouwd en uitgewisseld binnen de RO Standaarden 2012. Toepassing van IMROPT 2012 is verplicht wanneer de bronhouder ervoor kiest de planteksten in objectgerichte vorm (XML) beschikbaar te stellen.
6.1.4 SVBP 2012 De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012) maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw van de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan.
45
Ten opzichte van de SVBP 2008 zijn de eisen voor de analoge verbeelding (de papieren plankaart) versoepeld, in paragraaf 6.1.7 wordt hier op ingegaan. Met het oog op de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen is het belangrijk dat er eenheid is in de wijze waarop de diverse functies in bestemmingen worden ondergebracht. Eenduidigheid in de naamgeving van bestemmingen is daarbij een vereiste. Daarom is een lijst met mogelijke in een plangebied voorkomende functies opgesteld. Deze functies zijn gegroepeerd binnen zogeheten hoofdgroepen van bestemmingen. Deze hoofdgroepen van bestemmingen spelen een grote rol bij de naamgeving en de verbeelding van een bestemmingsplan. De naam van een in een bestemmingsplan op te nemen bestemming begint altijd met de naam van de hoofdgroep. De systematiek van hoofdgroepen laat het toe een bestemming te specificeren en slechts één of enkele functies van een hoofdgroep binnen een bestemming mogelijk te maken. Een bestemming hoeft dus niet alle bij een hoofdgroep aangegeven functies te bevatten. 6.1.5 STRI 2012 De STRI 2012 beschrijft hoe ruimtelijke plannen en besluiten beschikbaar gesteld moeten worden. Deze standaard is (eveneens) wettelijk verankerd in een Ministeriële regeling. Deze standaard is nodig om drie redenen: 1.
waarborgen van de bruikbaarheid en interoperabiliteit van de Wro-instrumenten door middel van het vaststellen van technische vormvereisten; 2. waarborgen van de vindbaarheid en raadpleegbaarheid van de Wro-instrumenten door middel van het vaststellen van regels rondom de elektronische beschikbaarstelling; 3. waarborgen van de rechtszekerheid door middel van het vaststellen van vereisten rondom integriteit, authenticiteit en volledigheid van de Wro-instrumenten. 6.1.6 Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen IMRO 2012 is normstellend voor de codering van ruimtelijke instrumenten. IMRO 2012 is van belang voor applicatiebouwers en als referentie voor andere IMRO 2012-gerelateerde documenten. IMRO 2012 wordt beschreven zonder in te gaan op de praktische toepassing van het model voor het coderen van digitale ruimtelijke instrumenten. Alle voor dit toepassingsdoel benodigde informatie over bestemmingsplannen is opgenomen in toelichtingen, de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen (PRBP 2012) en de Praktijkrichtlijn voor Planteksten (PRPT 2012). Deze PRBP is naast toelichting op de IMRO 2012 ook een toelichting op de SVBP 2012. 6.1.7 Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart Er is ook een Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart.