CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

05. Bijlagen bij motivering van het wijzigingsbesluit Slochteren - Hoofdweg 200 202

Raadsvergadering 30 oktober 2025, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan Slochteren - Hoofdweg 200/20219.468 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Slochteren- Hoofdweg 200/202 Bijlagen bij de motivering Datum: 30 oktober 2025

Pagina 1 van 2

I Overzicht Documentenbijlagen •

Archeologisch bureauonderzoek

•

Quick Scan flora en fauna

•

Akoestisch onderzoek

•

Bodemonderzoek

•

Participatieverslag

•

Mer-beoordeling

•

Kavelpaspoorten

•

AERIUS-berekening

•

Aanvraag wateradvies

•

Uitgangspuntennotitie

•

Hydrologisch onderzoek

•

Advies Veiligheidsregio

•

Aanvulling quickscan flora en fauna

•

Nota van beantwoording zienswijzen

Pagina 2 van 2

Slochteren, Hoofdweg 200 (Gemeente Midden-Groningen, Gr.)

Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2024-10/11

Slochteren, Hoofdweg 200 (Gemeente Midden-Groningen, Gr.)

Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2024-10/11

Slochteren, Hoofdweg 200 (Gemeente Midden-Groningen, Gr.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende fase Een onderzoek in opdracht van BügelHajema Steekproefrapport 2024-10/11 ISSN 1871-269X Status: Definitief Auteur: J. F. Bajema MA en drs. C. Tulp (senior KNAarcheoloog/-prospector actor reg.nr. 28146404) Autorisatie: R. Rap MA (senior KNA-archeoloog/prospector actor reg. nr. 97236416) Goedgekeurd door de bevoegde overheid, gemeente Midden-Groningen, De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en BRL 4000, en bij dit onderzoek protocol 4002. Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, november 2024 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau adres telefoon internet e-mail kvk

Hooiweg 5, 9801 AJ Zuidhorn 050 – 5779784 www.desteekproef.nl info@desteekproef.nl 02067214

Inhoud Samenvatting Administratieve gegevens van het plangebied 1. Inleiding........................................................................................................................... 1 • 1.1 Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01)..........................................................................1 • 1.2 Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02)..................................................................................2 • 1.3 Beleid (KNA 4.1: LS01, LS02)...................................................................................3 2. Bureauonderzoek (KNA 4.1: LS06)......................................................................................5 • 2.1 Bronnen...................................................................................................................5 • 2.2 Fysische geografie (KNA 4.1: LS04)...........................................................................5 • 2.3 Archeologie (KNA 4.1: LS04)....................................................................................9 • 2.4 Historische geografie (KNA 4.1: LS03).....................................................................10 • 2.5 Archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4.1: LS05)..................................................13 3.

Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05).......................................................................................14 • 3.1 Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01)...............................................................14 • 3.2 Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03).............................................................15 4. Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07)..............................................................................17

Gebruikte bronnen Lijst van figuren en tabellen Appendix: I. Archeologische periodes II. Boorbeschrijvingen III. Boorstaten

Samenvatting Op 7 oktober 2024 is voor een onderzoeksgebied aan de Hoofdweg 200 te Slochteren, gemeente Midden-Groningen, provincie Groningen, een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen. De verstoringsdiepte was ten tijde van het onderzoek nog onbekend, maar zal dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld zijn. In totaal zijn tijdens het onderzoek zes boringen geplaatst. Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld voor onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt van oorsprong in een laag dekzandgebied. Dit was van de steentijd tot midden bronstijd een geschikte plaats voor bewoning. Vanaf het eind van de bronstijd overgroeide het gebied met veen dat na de late middeleeuwen ontgonnen werd. Van deze ontginningen en het daarop volgende landgebruik als akker kunnen resten bewaard zijn gebleven in de bodem. Het plangebied kan opgedeeld worden in twee delen. Het zuidwestelijke deel heeft een hoge verwachting voor de late middeleeuwen – nieuwe tijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van een historische boerderijplaats. Het noordwestelijke deel is door de vele bouw en sloopwerkzaamheden waarschijnlijk verstoord.

Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het zuidwestelijke deel van het plangebied (het onderzoeksgebied). De bodem in het onderzoeksgebied bestaat van boven naar beneden uit 1) een ophogingslaag, bestaande uit een laag bouwzand of verstoorde zandlaag, 2) een bouwvoor, 3) een laag veen, bestaande uit veraard veen met op enkele locaties nog een onderliggende laag intact veen, 4) een dunne spoelzandlaag en 5) schoon dekzand (C-horizont). In het dekzand heeft zich geen podzolbodem ontwikkeld. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische waarden wijzen. De puin- en baksteenspikkels die in de verrommelde bovenste lagen zijn aangetroffen behoren waarschijnlijk tot recente bebouwing.

Selectieadvies door drs. C. Tulp (senior KNA-archeoloog/prospector) Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het onderzoeksgebied. De bodemlagen die eventueel archeologische waarden zouden kunnen bevatten, de podzolbodem in het dekzand (steentijd) en de lagen daarboven (middeleeuwen) zijn niet aangetroffen of verstoord. Door de mate van verstoring/verspoeling in de bodem en vanwege de afwezigheid van een podzolbodem, cultuurlagen en archeologische indicatoren bestaat derhalve geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek voor het onderzochte terrein Hoofdweg 200 te Slochteren. Het is aan de gemeente Midden-Groningen of zij dit advies al dan niet overneemt. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Midden-Groningen. Reactie bevoegde overheid Namens de bevoegde overheid, de gemeente Midden-Groningen, heeft mevr. M. Kenemans (adviseur archeologie Libau) de rapport getoetst en kennisgegeven in te stemmen met bovenstaand selectieadvies. Het plangebied kan worden vrijgegeven wat betreft archeologie.

Administratieve gegevens van het plangebied Provincie

Groningen

Gemeente

Midden-Groningen

Plaats

Slochteren

Toponiem

Hoofdweg 200

Centrumcoördinaat

248.956 / 580.595

Oppervlakte plangebied

Circa 3300 vierkante meter (Onderzoeksgebied: 1080 vierkante meter)

NAP-hoogte maaiveld

Circa 0 m NAP tot -1 m NAP

Huidig grondgebruik

Braakliggend terrein (op recente luchtfoto is bebouwing nog aanwezig)

Soort onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek Verkennende Fase (IVO-O)

Opdrachtgever

BügelHajema

Uitvoerder

De Steekproef bv

Bevoegde overheid

Gemeente Midden-Groningen

Bestemmingsplan

Deels Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde. Dubbelbestemming Waarde archeologie 2, deels geen Waarde archeologie (vastgesteld op 28-06-2012, zie ruimtelijkeplannen.nl).

Steekproef projectcode

2024-10/11

Onderzoeksmeldingsnummer

5650458100

Datum veldwerk

7 oktober 2024

Maximale diepte onderzoek

140 centimeter onder maaiveld

Beheer en plaats documentatie

De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed / DANS / Noordelijk Archeologisch Depot

1.

Inleiding Het bureauonderzoek en archeologische verwachting werden eerder dit jaar geschreven door L. Kaal (2024). Deze resultaten zijn hier geciteerd en waar nodig aangevuld.

1.1

Aanleiding en doel (KNA 4.1: LS01) In opdracht van BügelHajema is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd voor het onderzoeksgebied Hoofdweg 200 te Slochteren, gemeente Midden-Groningen, provincie Groningen (zie Figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen een bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische resten. In het bureauonderzoek werd een plangebied onderzocht met een oppervlakte van circa 3300 vierkante meter. Aangezien alleen voor het zuidelijke deel van het plangebied (1080 vierkante meter) een archeologische dubbelbestemming geldt en de bodem in het noordelijke deel vermoedelijk door meerdere bebouwingsfasen is verstoord, werd in het bureauonderzoek geadviseerd alleen het zuidelijke deel door middel van verkennende boringen te onderzoeken (zie Figuur 3; hierna het “onderzoeksgebied”). Het doel van het onderzoek is vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Het doel van het onderzoek is het opstellen van een archeologisch verwachtingsmodel van het gebied aan de hand van de beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie.

Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Daartoe zijn de opbouw en gaafheid van de bodem bepaald.

1

Figuur 1: Slochteren, Hoofdweg 200: Topografische kaart met de ligging van het plangebied. Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van Slochteren. Bron: Opentopo.

1.2

Locatie (KNA 4.1: LS01, LS02) Het plangebied bestaat uit een perceel met een schoolterrein. Het is gelegen aan de zuidkant van Slochteren. Aan de noordwestzijde grenst het terrein aan de Hoofdweg. Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan de Stichtinglaan. In het gebied waar het booronderzoek zal worden uitgevoerd ligt volgens de luchtfoto een parkeerplaats en enkele bijgebouwen. Het schoolgebouw ligt ten noorden van het onderzoeksgebied, in het het gedeelte dat is vrijgegeven (Kaal 2024, 3, Figuur 2; 12). Volgens de informatie van het Kabels en Leidingen InformatieCentrum (KLIC) loopt lopen leidingen en kabels langs de Stichtinglaan, direct ten zuiden van het onderzoeksgebied (Figuur 2; KLIC-melding 24G0666692). Vanaf de Hoofdweg loopt eveneens een internekabel (en vermoedelijk ook andere kabels en leidingen) naar het schoolcomplex. Door het onderzoeksgebied lijken geen kabels en leidingen te lopen. In het meest zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied loopt nog een uiteinde van een elektriciteitskabel.

2

Figuur 2: Slochteren, Hoofdweg 200: Luchtfoto van het onderzoeksgebied met daarop geprojecteerd de KLIC-melding (24G0666692). Bron: PDoK.

1.3

Beleid (KNA 4.1: LS01, LS02)

“Voor het plangebied geldt het Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde (vastgesteld op 28-06-2012, zie ruimtelijkeplannen.nl). Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied geldt in verband met een historische boerderijplaats een Dubbelbestemming Waarde archeologie 2. Het noordoostelijke deel is door de lage verwachting op archeologische resten, als gevolg van een grote hoeveelheid bouw en sloopwerkzaamheden, vrijgegeven van onderzoek (Figuur 3). Dit bestemmingsplan komt overeen met de gemeentelijke verwachtingskaart (Van der Mei, 2020). Voor het gebied met Dubbelbestemming Waarde archeologie 2 geldt dat er bij verstoringen groter dan honderd vierkante meter een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden alvorens de voorgenomen ingreep doorgang kan vinden. Dit houdt in dat er een rapport moet worden opgesteld waarin de archeologische waarden van de gronden die kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. Eveneens moet hierin in voldoende mate zijn aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.” (Kaal 2024, 2) 3

Figuur 3: Slochteren, Hoofdweg 200: Het plangebied opgedeeld in twee zones met verschillende beleidsadviezen. Bron: Opentopo & Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, zie ruimtelijkeplannen.nl.

4

2.

Bureauonderzoek (KNA 4.1: LS06)

2.1

Bronnen Tijdens het bureauonderzoek is de bestaande relevante kennis van het plangebied verzameld. De gebruikte bronnen voor het bureauonderzoek zijn opgenomen in de literatuurlijst. De onderzoeksmethode is afgestemd op het archeologisch beleid van de gemeente Midden-Groningen. Aan de hand van het bureauonderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Voor de paragraaf over de fysische geografie zijn kaarten van de bodem, de geologie, geomorfologie en de fysische geografie bestudeerd, evenals het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voor de paragraaf over archeologie is onder andere ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd. In ARCHIS 3 kunnen vondstmeldingen, archeologische terreinen en eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken worden ingezien. Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie (zoeken.cultureelerfgoed.nl). Het bevat een GIS-systeem waarin de archeologische kaart en aardkundige kaarten geraadpleegd kunnen worden. Rapporten over eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied zijn eveneens bestudeerd. Voor de paragraaf over de historische geografie is onder meer gebruik gemaakt van historische kaarten en de website topotijdreis.nl.

2.2

Fysische geografie (KNA 4.1: LS04)

“De diepere ondergrond van het plangebied bestaat uit keileem dat ongeveer 150.000 jaar geleden is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saale-glaciaal (zie Appendix I). Tijdens een groot deel van de laatste ijstijd (het Weichseliën) heerste in Nederland een poolklimaat. Door het ontbreken van begroeiing had de wind vrij spel en kon vanuit het Noordzeebekken dekzand worden afgezet. In dit dekzandlandschap konden jager-verzamelaars rondtrekken en bewoningssporen achterlaten. Tijdens het Holoceen steeg de zeespiegel door het opwarmen van de aarde waardoor de kustlijn landinwaarts bewoog. Door de slechte afwatering in het dekzandlandschap steeg de grondwaterspiegel en ontstonden grote moerassen. Hierdoor trad op grote schaal veenvorming op. Het plangebied raakte rond 1500 vC overgroeid met veen (Figuur 4). De veengebieden zijn vanaf de middeleeuwen op steeds grotere schaal ontgonnen, maar het plangebied ligt nog lang tijd in een veengebied. Op de kaart van 2000 nC is te zien dat het veen is ontgonnen waardoor in het plangebied het dekzand aan het oppervlak ligt. Op de geomorfologische kaart is te zien dat de bodem van het plangebied wordt aangeduid als een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (M53; Figuur 5 rechts). In het geval van dit plangebied zijn het verspoelde dekzanden.

Op de bodemkaart is te zien dat het plangebied bestaat uit een veldpodzolbodem (Hn21; Figuur 5 links). Veldpodzolgronden worden veel aangetroffen in de jonge heideontginningen, gebieden die tot eind negentiende of begin twintigste eeuw met heide waren bedekt. De veldpodzolgronden liggen in lagere delen, zoals afvoerloze laagten, en op lage ruggen met relatief hoge grondwaterstanden. De NAP-hoogte van het plangebied loopt vanaf het noordwesten af van 0 meter NAP naar 1 meter onder NAP richting het zuiden. Het plangebied ligt in een relatief vlak gebied waar de Hoofdweg als een hoogte doorheen loopt (zie Figuur 6).”

5

(Kaal 2024, 4)Figuur 4: Slochteren, Hoofdweg 200: Paleogeografische reconstructies van de omgeving van het plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

6

Figuur 5: Slochteren, Hoofdweg 200: Uitsneden van de bodemkaart en de geomorfologische kaart. Van het witte gebied is geen informatie bekend. Bron: Publieke Dienstverlening op de Kaart.

7

Figuur 6:

Slochteren, Hoofdweg 200: Hoogtekaart met het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.ahn.nl, via Publieke Dienstverlening op de Kaart.

8

2.3

Archeologie (KNA 4.1: LS04)

“In Figuur 7 zijn de bekende archeologische waarden in en rondom het plangebied weergegeven. In Tabel 1 zijn de beschrijvingen weergegeven van de onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied. In het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. Ten noorden en westen van het plangebied zijn er vijf onderzoeken bekend. Een bureau- en booronderzoek naar aanleiding van de aanleg van leidingen in het tracé FoxholSiddeburen leverde ter hoogte van Slochteren mogelijk intacte bodemarchieven op (Mulder & Buitenhuis 2006). Er is een begeleiding geadviseerd, hier is geen verdere informatie over beschikbaar. In de overige bureau- en booronderzoeken werd een verstoorde bodem verwacht en/of aangetroffen.” (Kaal 2024, 8) Tabel 1:

Slochteren, Hoofdweg 200: Overzicht van de ARCHIS-meldingen

Zaaknummer

Omschrijving

Onderzoeksmeldingen 2116654100

Bureauonderzoek naar aanleiding van de aanleg van leidingen in tracé FoxholSiddeburen (Mulder & Buitenhuis 2006). Aaneengesloten booronderzoek zie 2117197100.

2117197100

Booronderzoek naar aanleiding van de aanleg van leidingen in tracé Foxhol-Siddeburen. Bij Slochteren mogelijk een intact bodemarchief uit de steentijd. Begeleiding geadviseerd in het gehele tracé (Mulder & Buitenhuis 2006).

2354462100

Bureau- en Booronderzoek naar aanleiding van de aanleg van een bedrijventerrein. Verstoorde bodem aangetroffen. Geen vervolgonderzoek geadviseerd (Van den Berg & Veenstra 2012).

2363137100

Bureauonderzoek als aanvulling op 2354462100. Geen verder onderzoek nodig (Libau). Geen rapport beschikbaar (Archis).

2429914100

Bureauonderzoek naar aanleiding van de bouw van een loods. Deel van het plangebied heeft een lage verwachting. Het andere deel door landgebruik waarschijnlijk verstoord (Libau). Geen rapport beschikbaar (Archis).

Om dit verwachtingsmodel te toetsen is in het zuidwestelijke deel van het plangebied een booronderzoek uitgevoerd (zie Figuur 10). Hiermee kan de intactheid van het bodemprofiel en de diepte van eventueel archeologisch relevante lagen worden bepaald. In een verkennend booronderzoek worden zes boringen per hectare geplaatst, met een minimum van zes boringen. In het 0,11 hectare grote onderzoeksgebied zijn zes boringen gezet, waarmee een dichtheid is bereikt van 55 boringen per hectare.

9

Figuur 7: Slochteren, Hoofdweg 200: Archeologische waarden in de omgeving van het plangebied. Bron: Archis.

2.4

Historische geografie (KNA 4.1: LS03) Op een uitsnede van de kadastrale minuutplan van 1811-1832 is zichtbaar dat het plangebied in het eerste deel van de negentiende eeuw twee (bij)gebouwen waren gesitueerd in het plangebied (zie Figuur 8). Aan de Hoofdweg, in het noordelijke deel van het plangebied dat is vrijgegeven, was een woning gelegen. Ook in het onderzoeksgebied was een woning gelegen die grensde aan de Stichtinglaan. Dit gebouw werd bewoond door Willem Kornelis. Het overige deel van het plangebied werd in gebruik genomen als (moes)tuin. Ten zuidoosten van het plangebied werd in de tweede helft van de negentiende eeuw de Edsersheerd aangelegd, een armenhuis dat tegenwoordig ook nog dienst doet als zorginstelling voor kwetsbare mensen in de samenleving. 10

“Op het historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied sinds 1880 verschillende fasen van bebouwing heeft gekend (zie Figuur 9). Door deze bouw- en sloopwerkzaamheden kan de bodem in het noordoostelijke deel van het plangebied verstoord zijn. De kaart uit 1880 lijkt niet helemaal accuraat, het plangebied zou een aantal meters zuidoostelijker moeten liggen. Hierdoor kan er ook bebouwing op het zuidwestelijke deel van het plangebied hebben gelegen. Mogelijk houdt deze bebouwing verband met de historische boerderijplaats die op de verwachtingskaart van Van der Mei wordt aangegeven (2020). Het zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt op de historische kaarten sinds 1880 niet bebouwd te zijn geweest. De kaart uit 1985 toont de laatste bebouwingsfase van het plangebied (Figuur 9).” (Kaal 2024, 10)

Figuur 8: Slochteren, Hoofdweg 200: Uitsnede van de kadastrale minuutplan 1811-1832 met daarop geprojecteerd het plangebied (rood). Bron: HISGIS.nl.

11

Figuur 9: Slochteren, Hoofdweg 200: Topografische kaarten uit 1880, 1935, 1965 en 1985. Bron: topotijdreis.

12

2.5

Archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4.1: LS05)

“Het plangebied ligt van oorsprong in een dekzandgebied. Dit was van de steentijd tot midden bronstijd een geschikte plaats voor bewoning. De verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd tot midden bronstijd is in het plangebied daarom hoog. Deze waarden kunnen bestaan uit scherven aardewerk, vuurstenen artefacten, houtskoolconcentraties en grondsporen zoals haardkuilen en paalgaten. Resten hiervan kunnen zijn verstoord door de ontginningen van het veen. Hierbij werd geregeld ook het onderliggende dekzand geraakt. Vanaf het eind van de bronstijd overgroeide het gebied met veen dat na de late middeleeuwen ontgonnen werd. Van deze ontginningen en het daarop volgende landgebruik als akker kunnen resten bewaard zijn gebleven in de bodem. Indicatoren hiervan bestaan uit artefacten van aardewerk, steen, hout, metaal of glas, maar ook grondsporen zoals greppels en (paal)kuilen. Het plangebied kan opgedeeld worden in twee delen. Het zuidwestelijke deel heeft een hoge verwachting voor de late middeleeuwen – nieuwe tijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van een historische boerderijplaats. Het noordwestelijke deel is door de vele bouw en sloopwerkzaamheden verstoord. In het zuidwestelijke deel kan een boerderijplaats verwacht worden. Indicatoren hiervan zijn onder andere grondsporen, funderingsresten en aardewerkscherven.

Mogelijke verstoringen kunnen bestaan uit kabels en leidingen en resten van bebouwing.” (Kaal 2024, 11) Tabel 2: Slochteren, Hoofdweg 200: Specificatie archeologische verwachting. Datering:

Steentijd – midden bronstijd

Late middeleeuwen – nieuwe tijd

Complextype:

Jachtkamp, nederzetting

Boerderijplaats

Omvang:

Vanaf enkele meters

Vanaf enkele tientallen meters

Diepteligging:

Top van het dekzand

Vanaf het maaiveld

Gaafheid en conservering:

Onbekend

Onbekend

Locatie:

Hele onderzoeksgebied

Hele onderzoeksgebied

Uiterlijke kenmerken:

Vuursteenconcentraties, aardewerkscherven houtskoolconcentraties, haardkuilen, paalgaten

Aardewerkscherven, grondsporen, funderingsresten

Mogelijke verstoringen:

Kabels en leidingen, vroegere bebouwing

Kabels en leidingen, vroegere bebouwing

Om dit verwachtingsmodel te toetsen is een booronderzoek uitgevoerd in het zuidwestelijke deel van het plangebied (onderzoeksgebied; zie Figuur 10). Hiermee kan de intactheid van het bodemprofiel en de diepte van eventueel archeologisch relevante lagen worden bepaald. Bij een verkennend booronderzoek worden zes boringen per hectare gedaan, met een minimum van zes boringen. In het 0,11 hectare grote onderzoeksgebied zijn zes boringen gezet, waarmee een dichtheid van circa 55 boringen per hectare is bereikt.

13

3. Veldonderzoek (KNA 4.1: VS05) 3.1

Methoden en technieken (KNA 4.1: VS01) Op 7 oktober 2024 is het inventariserend archeologisch veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. Er zijn zes boringen uitgevoerd (Figuur 10). De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor van zeven centimeter diameter. De boringen zijn gezet tot op een maximale diepte van 140 centimeter beneden maaiveld (boring 2 en 4). De opgeboorde grond is beschreven en onderzocht door de boorvullingen laagsgewijs af te snijden in de boorkop. Op deze wijze is bepaald in welke mate de bodem intact is en wat de kans is op archeologische lagen en/of grondsporen. Gezien de hoge bebouwingsdichtheid vóór de sloop en de verstoringen hiervan zijn de boringen niet in een grid met vaste boor- en raaiafstanden geplaatst. De boringen zijn zo goed mogelijk over het onderzoeksgebied verdeeld (Figuur 10). Echter, in het veld bleek alle bebouwing in het onderzoeksgebied te zijn verwijderd en de bodem geëgaliseerd. In het circa 0,11 hectare onderzoeksgebied is een boordichtheid bereikt van 55 boringen per hectare. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De boorpunten zijn ingemeten en de RD- coördinaten zijn bepaald met behulp van een handheld-GPS. De hoogtes zijn ook bepaald met behulp van het Actueel Hoogtebestand Nederland 3.

De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de Appendix II en III in de vorm van boorstaten en laagbeschrijvingen. In het onderzoeksgebied is geen veldkartering uitgevoerd wegens begroeiing.

Figuur 10. Slochteren, Hoofdweg 200: Boorpuntenkaart. Bron: Pdok (luchtfoto).

14

3.2

Resultaten veldwerk (KNA 4.1: VS02, VS03) In het 0,11 hectare grote gebied zijn zes boringen geplaatst (nummers 1 tot en met 6; Figuur 10 en Appendix II en III).

Bodem Hoewel op de luchtfoto (Figuur 2) nog een school staat afgebeeld, is deze tegenwoordig niet meer aanwezig. Alle bebouwing en verhardingen zijn in het onderzoeksgebied verwijderd. Daarnaast bleek een deel van het plangebied, waar het booronderzoek plaatsvond, te zijn opgehoogd. Dit perceel ligt nu enkele tientallen centimeters hoger dan het omliggende gebied (zie Figuur 11). Dit in tegenstelling tot de situatie die weergeven staat op de hoogtekaart (Figuur 6), waarin dit deel van het onderzoeksgebied juist lager zou liggen dan de omgeving. Omdat de bouw en/of sloop van het voormalige schoolterrein de bodem grotendeels zal hebben verstoord, zijn de boringen rondom de voormalige bebouwing/verhardingen gepland. In boringen 1, 2 en 6 is de bodem opgehoogd met een pakket zand van 20 tot 55 centimeter, bestaande uit bouwzand en verstoord matig siltig zand. In de top van deze opgehoogde laag is al een recente bouwvoor ontwikkeld van 5 tot 20 centimeter dikte. Onder deze ophogingslaag, en in de andere boringen vanaf het maaiveld, werd de oorspronkelijke bouwvoor aangetroffen. Deze bouwvoor bestaat uit sterk humeus, matig siltig, donker bruingrijs zand met daarin baksteenspikkels, plantenwortels, grind (boring 1), schelpmateriaal (boring 4) en brokken veraard veen (boring 3 en 4). De bouwvoor is tussen 20 en 55 centimeter dik.

In alle boringen (behalve in boring 2) werd onder de bouwvoor een laag matig zandig veraard veen aangetroffen, met een dikte van 3 tot 25 centimeter. In boring 1 en 5 werd onder het veraard veen nog een laag (10-30 centimeter) intact zwak kleiig veen aangetroffen. Ten hoogte van boring 4 is de bodem tot 70 centimeter onder maaiveld verstoord, waarna de intacte veenlaag zichtbaar was. In boring 2 werd onder de bouwvoor op een diepte van 75 centimeter de veenlaag waargenomen zonder de voorafgaande laag veraard veen. In bijna alle boringen werd onderin het veen een dun spoelzandlaagje aangetroffen, bestaande uit matig siltig, matig fijn wit zand. Alleen in boring 5 werd geen spoelzandlaagje waargenomen. Hieronder werd het schone dekzand aangetroffen (C-horizont), bestaande uit zwak siltig, matig fijn licht bruingeel zand. Het dekzand werd in het onderzoeksgebied op een diepte van 85-110 centimeter onder maaiveld aangetroffen. Hierin zijn geen indicatoren van podzolering/bodemvorming aangetroffen. Vermoedelijk was dit gebied vroeger te laag en nat om te bewonen. Archeologie Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische grondsporen wijzen. Boven en in het veen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen voor bewoning in de late middeleeuwen en nieuwe tijd.

De puinspikkels die in de bouwvoor zijn aangetroffen zijn zeer waarschijnlijk gerelateerd aan recente bebouwing, zoals het schoolcomplex. Baksteenconcentraties zijn van vroegere bewoningsfasen zijn niet waargenomen. Onder het veen zijn ook geen archeologische indicatoren aangetroffen voor bewoning uit de steentijd of bronstijd. In het dekzand heeft zich geen podzol ontwikkeld. Dit houdt in dat het gebied hoogstwaarschijnlijk te nat was voor menselijke bewoning in die periode.

15

Figuur 11. Slochteren, Hoofdweg 200: Foto van het onderzoeksgebied, genomen vanaf boring 5 in zuidwestelijke richting.

16

4. Conclusies en advies (KNA 4.1: VS07) Op 7 oktober 2024 is voor een onderzoeksgebied aan de Hoofdweg 200 te Slochteren, gemeente Midden-Groningen, provincie Groningen, een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van woningen. De verstoringsdiepte was ten tijde van het onderzoek nog onbekend, maar zal dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld zijn. In totaal zijn tijdens het onderzoek zes boringen geplaatst. Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld voor onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt van oorsprong in een laag dekzandgebied. Dit was van de steentijd tot midden bronstijd een geschikte plaats voor bewoning. Vanaf het eind van de bronstijd overgroeide het gebied met veen dat na de late middeleeuwen ontgonnen werd. Van deze ontginningen en het daarop volgende landgebruik als akker kunnen resten bewaard zijn gebleven in de bodem. Het plangebied kan opgedeeld worden in twee delen. Het zuidwestelijke deel heeft een hoge verwachting voor de late middeleeuwen – nieuwe tijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van een historische boerderijplaats. Het noordwestelijke deel is door de vele bouw en sloopwerkzaamheden waarschijnlijk verstoord.

Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het zuidwestelijke deel van het plangebied (het onderzoeksgebied). De bodem in het onderzoeksgebied bestaat van boven naar beneden uit 1) een ophogingslaag, bestaande uit een laag bouwzand of verstoorde zandlaag, 2) een bouwvoor, 3) een laag veen, bestaande uit veraard veen met op enkele locaties nog een onderliggende laag intact veen, 4) een dunne spoelzandlaag en 5) schoon dekzand (C-horizont). In het dekzand heeft zich geen podzolbodem ontwikkeld. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische waarden wijzen. De puin- en baksteenspikkels die in de verrommelde bovenste lagen zijn aangetroffen behoren waarschijnlijk tot recente bebouwing.

Selectieadvies door drs. C. Tulp (senior KNA-archeoloog/prospector) Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het onderzoeksgebied. De bodemlagen die eventueel archeologische waarden zouden kunnen bevatten, de podzolbodem in het dekzand (steentijd) en de lagen daarboven (middeleeuwen) zijn niet aangetroffen of verstoord. Door de mate van verstoring/verspoeling in de bodem en vanwege de afwezigheid van een podzolbodem, cultuurlagen en archeologische indicatoren bestaat derhalve geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek voor het onderzochte terrein Hoofdweg 200 te Slochteren. Het is aan de gemeente Midden-Groningen of zij dit advies al dan niet overneemt. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Midden-Groningen. Reactie bevoegde overheid Namens de bevoegde overheid, de gemeente Midden-Groningen, heeft mevr. M. Kenemans (adviseur archeologie Libau) de rapport getoetst en kennisgegeven in te stemmen met bovenstaand selectieadvies. Het plangebied kan worden vrijgegeven wat betreft archeologie.

17

Gebruikte bronnen Berg, D. van den & Veenstra, H. 2012. Plangebied Korenmolenweg te Slochteren, gemeente Slochteren; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend/karterend veldonderzoek. RAAP-notitie 4113. Weesp: RAAP Feber, D.J. La, Kaptijn, E., Marinelli, M.G., 2009. Bureau- en inventariserend veldonderzoek op het gasleidingtracé Kolham-Slochteren. OW-Projectnummer 198014. Oranjewoud bv, Heerenveen. Kaal, L. 2024. Slochteren, Hoofdweg 200 (Gemeente Midden-Groningen, Gr.) Een Archeologisch Bureauonderzoek. De Steekproefrapport 2024-04/28. Zuidhorn; De Steekproef. Mei, N., van der, 2020. Beleidsnota archeologie, gemeente Midden-Groningen. Stichting Libau, Groningen. Mulder, S.A. & Buitenhuis, H. 2006. Een archeologisch bureau-onderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) voor het trace van een rioolwaterpersleiding tussen Siddeburen en Foxhol, gemeenten Slochteren en Hoogezand-Sappemeer (Gr.). ARC-rapport 2006-50. Groningen: ARC. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts & J. Bazelmans. 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam: Prometheus. Services: AHN-Viewer. Actueel Hoogtebestand Nederland. Rijkswaterstaat, Adviesdienst Geo-informatie en ICT. ARCHIS 3. HISGIS.nl Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. 2018. Centraal College van Deskundigen Archeologie.

Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDoK). Ruimtelijke Plannen Topotijdreis.

Lijst van figuren en tabellen Figuren 1 Topografische kaart 2 Luchtfoto plangebied met KLIC-melding 3 Beleidskaart 4 Uitsnedes van vier paleogeografische kaarten 5 Geomorfologische kaart en bodemkaart 6 Hoogtekaart 7 Archeologische kaart 8 Kadastrale minuutplan 1811-1832 9 Historische kaarten 10 Boorpuntenkaart 11 Foto onderzoeksgebied

Tabellen 1 Archeologische waarden rondom het plangebied 2 Specificatie archeologische verwachting

Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:

ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC

mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:

8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC

neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:

5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC

bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC

pleistoceen: elsterien saalien wechselien holoceen:

2,5 miljoen - 11.700 BP 465.000 - 418.000 BP 238.000 - 126.000 BP 116.000 - 11.700 BP 11.700 - heden

vC nC BP

= = =

voor Christus na Christus before present; present = 1950

ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:

800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC

romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:

12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC

middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:

450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC

nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:

1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

Algemeen

Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.

Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.

Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.

Appendix II: Slochteren, Hoofdweg 200 - Boorstaten

(mm) -500

(mm) -500

01 02

04 03

05

06

-1000

-1000

-1500

-1500

-2000

-2000

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand Zand, kleiïg

Zand, zwak siltig

leem Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Appendix III: Slochteren, Hoofdweg 200 - Laagbeschrijvingen 01 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248965 : 580581 : -60

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

0 - 30 zand zwak siltig, licht-grijs-Zand: matig fijn, Opm.: Bouwzand 30 - 55 zand matig siltig, donker-grijs-bruin, Zand: matig fijn, Opm.: Verstoord: gevlekt en brokken bouwzand 55 - 75 zand matig siltig, zwak grindig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Doorworteld, puinspikkel 75 - 90 veen matig zandig, donker-grijs-bruin, 7.5YR2/1, Opm.: Veraard veen. Onderaan een zeer dun kleilaagje 90 - 109 veen zwak kleiig, donker-bruin, 10YR2/3, Opm.: Veen 109 - 111 zand matig siltig, grijs, 10YR8/1, Zand: matig fijn, Opm.: Dun spoelzandlaagje 111 - 135 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand 02 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248950 : 580580 : -77

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

0 - 5 zand matig siltig, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Recente bouwvoor 5 - 20 zand zwak siltig, grijs-Zand: matig fijn, Opm.: Bouwzand 20 - 75 zand matig siltig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Doorworteld; zeer droog vanwege bomen. Puinspikkel 75 - 100 veen zwak kleiig, donker-bruin, 10YR2/3, Opm.: Veen, erg droog vanwege boom 100 - 105 zand matig siltig, grijs, 10YR8/1, Zand: matig fijn, Opm.: Dun spoelzandlaagje 105 - 140 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand 03 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248943 : 580569 : -84

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

0 - 50 zand matig siltig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Doorworteld. Veenbrokjes op 50cm 50 - 75 veen matig zandig, donker-grijs-bruin, 7.5YR2/1, Opm.: Veraard veen 75 - 100 zand matig siltig, grijs, 10YR8/1, Zand: matig fijn, Opm.: Spoelzandlaagje 100 - 130 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand

Archeologische indicatoren spoor baksteen

04 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248966 : 580569 : -75

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

0 - 20 zand matig siltig, zwak grindig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor 20 - 30 veen matig zandig, donker-grijs-bruin, 7.5YR2/1, Opm.: Veraard veen, verstoord 30 - 70 zand matig siltig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, Schelpen: spoor schelpmateriaal, Opm.: Verstoord; brokken veraard veen, met geel zand. Puinspikkel 1/2

Appendix III: Slochteren, Hoofdweg 200 - Laagbeschrijvingen Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

70 - 100 veen zwak kleiig, donker-bruin, 10YR2/3, Opm.: Veen 100 - 110 zand matig siltig, grijs, 10YR8/1, Zand: matig fijn, Opm.: Spoelzandlaagje 110 - 140 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand 05 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248982 : 580570 : -83

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

0 - 50 zand matig siltig, zwak grindig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Puinspikkel 50 - 60 veen matig zandig, donker-grijs-bruin, 7.5YR2/1, Opm.: Veraard veen 60 - 85 veen zwak kleiig, donker-bruin, 10YR2/3, Opm.: Veen 85 - 120 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand 06 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 248965 : 580557 : -77

Lithologie Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort

Archeologische indicatoren

0 - 20 zand matig siltig, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Recente bouwvoor 20 - 40 zand zwak siltig, grijs-Zand: matig fijn, Opm.: Bouwzand, met veenbrokken, puinspikkel 40 - 80 zand matig siltig, sterk humeus, donker-bruin-grijs, 10YR1.7/1, Zand: matig fijn, bouwvoor, Opm.: Puinspikkel 80 - 83 veen matig zandig, donker-grijs-bruin, 7.5YR2/1, Opm.: Veraard veen 83 - 90 zand matig siltig, grijs, 10YR8/1, Zand: matig fijn, Opm.: Dun spoelzandlaagje 90 - 125 zand zwak siltig, licht-bruin-geel, 10YR4/6, Zand: matig fijn, C-horizont, dekzand

2/2

Quick scan flora en fauna Hoofdweg 200 en 202-204 in Slochteren

Dillerop natuuradvies

Colofon: Opdrachtgever: Contactpersoon: Veldwerk: Tekst en foto’s: Projectnummer: Datum:

Gemeente Midden-Groningen Dillerop natuuradvies Dillerop natuuradvies FF-256 8 september 2024

natuuronderzoek en ecologische advisering

Postadres: Telefoon: E-mail:

Ir. Mentropweg 15, 9341 AR Veenhuizen 06 info@dilleropnatuuradvies.nl

Dillerop natuuradvies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, noch voor schade voortvloeiend uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Dillerop natuuradvies; opdrachtgever vrijwaart Dillerop natuuradvies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

2

Inhoud 1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Quick scan 1.3 Bronnenonderzoek 1.4 Terreinbezoek 1.5 Expert judgement 1.6 Beknopte beschrijving van de locatie 1.7 Gebiedsbescherming

4 4 4 4 4 4 5 5

2

Wettelijk kader 2.1 Omgevingswet 2.2 Soortenbescherming 2.3 Gebiedsbescherming 2.4 Zorgplicht

6 6 6 6 6

3

Resultaten 3.1 Flora 3.2 Amfibieën, reptielen en vissen 3.3 Zoogdieren 3.4 Vogels 3.5 Dagvlinders, libellen en ongewervelden

8 8 8 8 9 9

4

Conclusies en aanbevelingen

10

5

Literatuur

11

Bijlagen 1 Soortenlijsten beschermde soorten 2 Vrijgestelde soorten per provincie 3 Jaarrond beschermde nesten 4 Houtopstanden 5 Overzichtskaart plangebied

3

1. Inleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van de gemeente Midden-Groningen is door Dillerop natuuradvies een ecologische quick scan uitgevoerd in het kader van de Omgevingswet. Dit in verband met de voorgenomen herontwikkeling (woningbouw) van het terrein waar de voormalige OBS De Wegwijzer SL heeft gestaan (Hoofdweg 200) en daarnaast het gedeeltelijk slopen en/of versterken van café Slochteren (Hoofdweg 202-204) in Slochteren. In bijlage 5 is een overzichtskaart van het plangebied opgenomen. 1.2 Quick scan De quick scan betreft een beoordeling van de huidige aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied, de functie van het plangebied en de directe omgeving van deze soorten en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde soorten. De quick scan vindt plaats op grond van een bronnenonderzoek, een terreinbezoek en een expert judgement. 1.3 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen, zijn diverse regionale en landelijke verspreidingsatlassen en data van relevante soortengroepen en Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd.

1.4 Terreinbezoek De locatie is bezocht op 2 september 2024.Tijdens het bezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Het betreft zicht- en geluidswaarneming en sporenonderzoek (naar nesten, pootafdrukken, holen, uitwerpselen etc.). 1.5 Expert judgement De quick scan is een momentopname, die in beperkte mate uitsluitsel kan geven over de afwezigheid van soorten. De quick scan houdt geen veldinventarisatie in, die meerdere (seizoensgebonden) opnamerondes bevat. Daarom is een expert judgement nodig om de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk voorkomende soorten te beoordelen. Als de beschikbare gegevens onvoldoende zijn om tot een goede beoordeling te kunnen komen, zal dit expliciet in dit rapport worden aangegeven.

4

1.6 Beknopte beschrijving van de locatie Het plangebied (voormalige OBS De Wegwijzer SL) ligt aan de Hoofdweg 200 en café Slochteren aan de Hoofdweg 202-204 in Slochteren in de gemeente Midden-Groningen. Het terrein waar de voormalige school heeft gestaan ligt momenteel braak en is ingezaaid met graszaad. Hoofdweg 202-204 bestaat uit bebouwing, café Slochteren heeft rondom verharding en hekwerk. Tussen beide percelen staat een rij bomen met onder andere grove dennen en beuken en struikvormers, en aan de zuidwestzijde een haag. Het plangebied bevindt zich volgens de topografische dienst Emmen in atlasblok 07-46 en kilometerhok 54.

Slochteren

Plangebied

Bron: google earth

Ligging. 1.7 Gebiedsbescherming Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000gebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, noch van Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van externe werking.

5

2. Wettelijk kader 2.1 Omgevingswet De regelgeving heeft als doel het behoud van soorten en hun leefgebieden en het voorkomen van onnodige schade aan planten, dieren, natuurgebieden en houtopstanden. Ruimtelijke ontwikkelingen maar ook overige werkzaamheden zoals beheer en onderhoud kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen en het provinciale beleid. In planprocedures of bij het aanvragen van een omgevingsvergunning /BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dient een quickscan natuur of een natuurtoets te worden uitgevoerd om inzicht te geven of de activiteit strijdig is met de huidige regelgeving. Als blijkt dat de activiteit mogelijk in strijd is met de huidige regelgeving is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Er kan sprake zijn van soortenonderzoek of een toetsing gebaseerd op gebiedsbescherming.

2.2 Soortenbescherming Voor soortenbescherming geldt dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten. 1. De bescherming van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels , van soorten die genoemd staan in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, zijn beschermd onder artikel 11.37 van de Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Omgevingswet . 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (artikel 11.46) en natuurbeschermingsverdragen. 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in Andere soorten, bijlage A en B (artikel 11.54). Zie bijlage 1 met soortenlijsten.

2.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet (Ow) zwaar beschermd. Volgens artikel 5.1, lid 1 en onderdeel A van de Omgevingswet is het verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geld ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking).

6

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. De ligging en bescherming van de NNN is vastgelegd in de provinciale structuurvisie, welke door de gemeentes wordt uitgewerkt in bestemmingsplannen, conform de Wet Ruimtelijke Ordening. Per provincie kan het NNN een andere benaming hebben, zoals het Gelders natuurnetwerk (GNN); Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en Natuurnetwerk Brabant (NNB). Natuurwaarden buiten het Natuurnetwerk Nederland Ook buiten het NNN zijn grote natuurwaarden aanwezig, behoud, herstel en verdere ontwikkeling van deze natuurwaarden dragen substantieel bij aan de biodiversiteit. 2.4 Zorgplicht De zorgplicht is eveneens verankerd in de Omgevingswet. Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor planten en dieren voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.

Voor meer informatie wordt verwezen naar https://wetten.overheid.nl

7

3. Resultaten 3.1. Flora Op basis van de aanwezige biotoop (braakliggend terrein met ingezaaid gras, bebouwing en verharding) zijn er geen beschermde en/of bedreigde plantensoorten of resten hiervan in het plangebied aangetroffen en op basis van verspreidingsgegevens worden deze ook niet verwacht. Negatieve effecten op planten worden tijdens de werkzaamheden niet verwacht. 3.2 Amfibieën en reptielen Op basis van de terreinkenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens worden geen strikt beschermde amfibieënsoorten verwacht. In de omgeving (sloten en tuinvijvers) komen mogelijk wel algemene soorten voor zoals onder andere gewone pad, bruine kikker en groene kikker. Negatieve effecten worden tijdens de werkzaamheden niet verwacht. Reptielen en vissen zijn hier niet van toepassing. 3.3. Zoogdieren In het plangebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden zijn geen strikt beschermde zoogdieren of sporen daarvan aangetroffen. Het is mogelijk dat een enkel exemplaar van een beschermde soort in het terrein en/of omgeving daarvan kan worden aangetroffen, zoals onder andere huisspitsmuis, veldmuis egel en mol. Strikt beschermde soorten worden op basis van de bevindingen en van geraadpleegde verspreidingsgegevens niet verwacht. Negatieve effecten worden tijdens de werkzaamheden niet verwacht. Er geldt wel een zorgplicht.

Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (Wet natuurbescherming) en daardoor strikt beschermd. In de nabije omgeving van het plangebied komen onder andere de volgende vleermuissoorten voor: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden die van belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Dit zijn: verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Verrblijfplaatsen Aanwezigheid van boombewonende vleermuizen op het terrein is uitgesloten. Tijdens de inspectie zijn geen sporen of geschikte holtes in de aanwezige bomen op en rondom het terrein vastgesteld; negatieve effecten worden tijdens de werkzaamheden niet verwacht. Gebouwbewonende vleermuizen Tijdens de inspectie zijn geen sporen gevonden die erop kunnen duiden dat vleermuizen de bebouwing (Hoofdweg 202-204) als onderkomen gebruiken. De bebouwing bestaat onder andere uit steens muren zonder open stootvoegen, goed sluitende nokvorsten met ondervorst, tot in de dakgoot doorlopende dakpannen, een plat dak met bitumen en een deel van de bebouwing heeft aluminium dakplaten. Daarnaast zijn er geen geschikte ruimtes waargenomen tussen de dakgoten, kozijnen of gevelbetimmering.

Ook de hoge bomenrij vormt een obstakel, aangezien vleermuizen een open aanvliegroute nodig hebben om hun verblijfplaatsen te kunnen bereiken. Er zullen geen negatieve effecten optreden voor vleermuizen tijdens de voorgenomen werkzaamheden.

8

Foerageergebieden De directe omgeving is geschikt als foerageergebied gecombineerd met open plekken, en bomen. Met de voorgenomen werkzaamheden gaat geen significant oppervlak aan foerageergebied verloren; dit zal niet leiden tot wijzigingen in de huidige kwaliteit van het foerageergebied en het openbare en groene karakter in de omgeving van het plangebied blijft behouden. Vliegroutes Bij verplaatsingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied maken vleermuizen vaak gebruik van watergangen en lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren. De huidige bomen en de bebouwing in de omgeving kunnen dienst doen als vliegroutes. Met de voorgenomen werkzaamheden gaat geen significant oppervlak aan foerageergebied verloren; dit zal niet leiden tot belangrijke wijzigingen in de huidige kwaliteit van het foerageergebied. Vleermuizen hebben in de ruime omgeving voldoende foerageergebied tot hun beschikking en het openbare en groene karakter in de omgeving van het plangebied blijft behouden. 3.4. Vogels Tijdens de veldinspectie zijn onder andere de volgende vogelsoorten in de directe omgeving waargenomen: tjiftjaf, merel, winterkoning, koolmees, roodborst houtduif en ekster. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten.

Bij het eventueel verwijderen van de aanwezige beplanting op het terrein zullen ook voor deze diergroep geen negatieve effecten optreden, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Het broedseizoen loopt globaal van ongeveer half maart tot en met half juli, waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is.

3.5. Dagvlinders, libellen en ongewervelden Op basis van de terreingesteldheid en geraadpleegde verspreidingsgegevens worden geen strikt beschermde soorten verwacht; deze zijn ook niet waargenomen. Gezien de aard van de werkzaamheden zullen voor deze diergroepen geen negatieve effecten optreden.

9

4. Conclusies In het plangebied bevinden zich geen strikt beschermde dier- of plantensoorten die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In het kader van de te doorlopen planologische procedure zijn er vanuit de Omgevingswet geen belemmeringen. In het plangebied komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd voor het overtreden van verbodsbepalingen. Er geldt wel een zorgplicht. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, noch van Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van externe werking. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland.

Aanbevelingen Zorgplicht Voor alle in het wild levende dieren geldt de bepaling van de zorgplicht. Deze houdt in dat u bij de uitvoering van werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor planten en dieren, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan planten en dieren te voorkomen. Door een zorgvuldige planning van de werkzaamheden kan de zorgplicht goed worden ingepast in het werk. Er wordt aanbevolen, indien bomen en/of beplanting wordt verwijderd, om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt van ongeveer half maart tot en met half juli, waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is. Bij de toekomstige inrichting van het terrein (nieuwbouw) kunnen voorzieningen, zoals bijvoorbeeld (inbouw)nestkasten worden aangebracht voor vogels en vleermuizen (natuurinclusief bouwen). Dergelijke maatregelen dragen bij aan de instandhouding van ecologisch kwetsbare soorten en op deze manier krijgen toekomstige gebouwen een ‘groener’ karakter’.

10

5. Literatuur Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992; Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Franckh-Kosmos Verlags GMBh & Co. KG, Stuttgart, 2007, Handbuch der Fledermäuse Europas und Nordwestafrikas. Vertaald en bewerkt door Peter Lina, De Fontein|Tirion Uitgevers B.V., Utrecht, 2011, Vleermuizen, Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Vergeer J.W., Boele A. & van Bruggen J. & van Turnhout c. 2023. Handleiding Sovon Broedvogelmonitoring: Broedvogel Monitoring Project en kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16030121/1