CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

03. Bijlage 1. M.e.r.-beoordelingsnotitie Sappemeer, Middenstraat

Raadsvergadering 27 november 2025, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Middenstraat Sappemeer3.649 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo Opdrachtgever:

Gemeente Midden-Groningen

Onderwerp:

project-mer-beoordeling woningbouw Diverse locaties Programma vrijkomende (school)locaties

Datum:

20 juni 2025

1.

Inleiding

1.1

PLANIDEE EN PLANLOCATIE

Projectnummer:

P002857

Het project betreft het realiseren van maximaal 95 woningen op een vijftal voormalige schoollocaties. Op twee locaties worden per binnenplanse omgevingsvergunning 2 respectievelijk 4 extra woningen toegestaan, dat het aantal op 101 laat uitkomen. Het plangebied heeft betrekking op de volgende locaties: •

Kerkstraat 15 te Zuidbroek;

•

Middenstraat 27a te Sappemeer;

•

Multatulistraat 26-28 te Hoogezand;

•

Aalbersestraat 2 te Hoogezand;

•

Oudeweg 74 te Westerbroek.

Het plangebied ligt in de rest van de bebouwde kom, met uitzondering van de locatie in Zuidbroek, welke in het centrum is gelegen. De directe omgeving van de locaties bestaat veelal uit andere woningen, maatschappelijke bestemmingen en bedrijvigheid. In geval van Zuidbroek zijn dat evenals centrumbestemmingen. In geval van Westerbroek is het buitengebied nabij gelegen (de locatie zelf ligt wel in de bebouwde kom). 1.2

AANLEIDING

In het kader van het Scholenprogramma zijn veel basisscholen verhuisd naar nieuwgebouwde kindcentra. Veel oude schoolgebouwen zijn daardoor leeg komen te staan. In het kader van het Programma vrijkomende (school)locaties worden deze gebouwen veelal gesloopt en wordt aan deze percelen een nieuwe functie toegekend. Gelet op de grote woningbouwopgave die de gemeente Midden-Groningen heeft voor de komende jaren zal aan deze percelen veelal een woonfunctie worden toegekend. Zo ook aan de hierboven genoemde locaties. Het gemeentelijk omgevingsplan van Midden-Groningen bestaat vooralsnog uit het

omgevingsplan van rechtswege. Voor deze locaties is dit het geldende bestemmingsplan en de bruidsschat. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader, dat nu op de voormalige maatschappelijke functie is gericht. Hiervoor moet het planologisch regime gewijzigd worden, dan wel moet hierop worden afgeweken. Er is gekozen voor een realisatie via een wijziging van het omgevingsplan. De wijziging heeft betrekking op het wijzigen van de huidige maatschappelijke functie naar een nieuwe woonfunctie. Het opstellen van een project-mer-beoordeling is hiervoor noodzakelijk. De activiteit die hierbij mogelijk zal worden gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen, maar wordt in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. Dat betekent dat voor die projecten geen directe project-mer-plicht geldt. Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

Omdat het project zal leiden tot een gehele functiewijziging van het plangebied, waarbij een maatschappelijke bestemming wordt getransformeerd naar woningen, is het opstellen van een project-mer beoordeling noodzakelijk. 1.3

INITIATIEFNEMER EN BEVOEGD GEZAG

De gemeente Midden-Groningen is de initiatiefnemer in het op gang brengen van deze ontwikkeling en heeft opdracht gegeven voor het opstellen van de wijziging van het Omgevingsplan, waar deze project-mer-beoordeling onderdeel van uit maakt. Gemeente Midden-Groningen is daarnaast ook het bevoegd gezag. 1.4

PLANOLOGISCHE INPASSING

In het plangebied gelden tot op het moment van inwerkingtreding van de wijziging op het omgevingsplan diverse bestemmingsplannen als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. De gronden in het plangebied kennen de volgende bestemmingen en aanduidingen: •

Kerkstraat 15 te Zuidbroek: De locatie heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Dorpen Menterwolde’ de bestemming ‘Maatschappelijk' met een bouwvlak. Daarnaast gelden de bestemmingen ‘Centrum’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’.

•

Middenstraat 27a te Sappemeer: De locatie heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Woongebieden’ de bestemming ‘Maatschappelijk’ en ‘Groen’. Daarnaast geldt een bouwvlak en een aangeduide maximum bouwhoogte van 6 meter. Tot slot ligt over een deel van het perceel de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – weg’ en ‘geluidzone – spoor’.

•

Multatulistraat 26-28 te Hoogezand: De locatie heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Woongebieden’ de bestemming ‘Maatschappelijk’. Daarnaast geldt een bouwvlak en een

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

2

aangeduide maximum bouwhoogte van 6 meter. Tot slot ligt over een deel van het perceel de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – spoor’. •

Aalbersestraat 2 te Hoogezand: De locatie heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Woongebieden’ de bestemming ‘Maatschappelijk’. Daarnaast geldt een bouwvlak en een aangeduide maximum bouwhoogte van 6 meter. Tot slot ligt over een deel van het perceel de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – weg’.

•

Oudeweg 74 te Westerbroek: De locatie heeft op grond van het 'Bestemmingsplan Buitengebied’ de bestemming ‘Maatschappelijk' met een bouwvlak. Daarnaast gelden de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Verkeer’. De dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristieke bebouwing' geldt ook voor de bebouwing aan het lint aan de Oudeweg. Deze dubbelbestemming is niet meer opgenomen in het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten. Tot slot geldt de gebiedsaanduiding 'dorpsgebied', dat aangeeft dat het perceel onderdeel is van de bebouwde kom.

Dit juridisch-planologisch regime is niet passend voor de beoogde ontwikkeling. Daarom zal een wijziging op het omgevingsplan worden vastgesteld waarmee een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor het toekomstig gewenst woongebruik en het bouwen wordt geboden. 1.5

PROCEDURELE ASPECTEN1

Het bevoegd gezag beslist over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Zie hiervoor artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. Uitkomst mer-beoordeling: er moet een mer gemaakt worden Als het project mogelijk aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dan beslist het bevoegd gezag dat er een mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De aanvrager wordt gewezen op bezwaar en beroepsmogelijkheden. Er moet eerst een MER worden uitgevoerd voordat het bevoegd gezag kan beslissen over de aanvraag. Totdat het MER is opgesteld en ingediend, laat het bevoegd gezag een eventuele aanvraag buiten behandeling. Het bevoegd gezag neemt de beslissing op de mer-beoordeling en de motivering ook op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend

1

https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/project-mer-beoordeling/

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

3

Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en wijst de aanvraag af, omdat er geen MER bij de aanvraag zit (artikel 16.49, lid 4 Omgevingswet). Het bevoegd gezag stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De motivering van de beslissing wordt opgenomen in het besluit. Uitkomst mer-beoordeling: er hoeft geen mer gemaakt te worden Als aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, beslist het bevoegd gezag dat er geen mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. Het bevoegd gezag neemt de bijbehorende motivering later op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de project-mer-beoordeling met de motivering op in het (ontwerp)besluit op de aanvraag. Dit staat in artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. 1.6

INHOUDELIJKE EISEN AAN DE MER-BEOORDELING

In de beoordeling worden de milieueffecten van het voornemen beschreven. In de praktijk wordt de beoordeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (aanmeldnotitie). Deze beoordeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer-richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Een mededeling moet een beschrijving bevatten van: •

het project: de fysieke kenmerken en de locatie;

•

de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;

•

wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

In de beoordeling kan ook een beschrijving opgenomen worden van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen. Een mer is dan niet nodig, zie artikel 11.10, lid 3, van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU2). De initiatiefnemer levert deze informatie vaak aan bij het bevoegd gezag. De 3 hoofdcriteria zijn:

2

https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2011/92

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

4

1.

de kenmerken van het project;

2.

de plaats van het project;

3.

de kenmerken van de potentiële effecten.

2. Beoordeling Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

Hoofdthema 1: Kenmerken van het project A.

De omvang en het ont-

J.11 ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw

werp van het gehele pro-

van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit

ject.

onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt

Nee

in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. B.

De cumulatie met andere

In de directe omgeving zijn geen andere ontwikkelingen voor-

projecten.

zien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cumulatie van ef-

Nee

fecten met andere projecten. C.

Gebruik van natuurlijke

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van reali-

hulpbronnen.

satie van de gebouwde omgeving zal in principe plaatsvinden op

Nee

een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER zou moeten worden uitgevoerd. Reguliere woonbebouwing wordt doorgaans gerealiseerd met onder meer steenachtige materialen, beton, staal, glas en hout. Het gaat hierbij om grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. D.

De productie van afval-

Afvalstoffen komen vrij en/of ontstaan als gevolg van normaal

stoffen.

gebruik van bebouwing. Bouwafval kan bij de aanleg - evenals

Nee

afval in de gebruiksfase - op de gebruikelijke wijze worden ingezameld en verwerkt. Het gaat hierbij om afvalsoorten die geschikt zijn voor hergebruik. Over het algemeen kan ruim 90% van het bouwafval worden ingezet als grondstof voor nieuwe producten. Het is daarom essentieel om bouwafval goed te scheiden. Dit begint op de bouwplaats. E.

Verontreiniging en hinder.

Aanlegfase: enkel tijdens de bouw.

Nee

Gebruiksfase: er vindt toename van verkeer als gevolg van het planvoornemen met consequenties voor geluid en luchtkwaliteit in de directe omgeving van de planlocatie plaats maar dit leidt, gelet op de afstand tot omliggende functies, niet tot relevante milieueffecten. Gelet op de omvang van het plan draagt het

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

5

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

planvoornemen namelijk slechts in ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit. Een eventuele toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebied als gevolg van het planvoornemen is middels een AERIUS-berekening in beeld gebracht. Hieruit komt naar voren dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. De milieueffecten die vanuit de omgeving op het plangebied optreden (zoals geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai en functies in de directe omgeving) zijn bestudeerd. Hierbij is geen sprake van schadelijke effecten. De standaardwaarde wordt overschreden bij enkele woningen, maar de grenswaarde niet. Het gezamenlijk geluid wordt voor deze woningen geregeld in het omgevingsplan. Bij de woningen kan worden voldaan aan het binnen niveau. F.

Het risico van zware onge-

Binnen en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen

vallen

gelegen

en/of

rampen,

waarvan

een

plaatsgebonden

risicocontour

Nee

of

waaronder rampen door

invloedsgebied van het groepsrisico over het plangebied gesitu-

klimaatverandering.

eerd is. Dit geldt niet voor de twee locaties Middenstraat Sappemeer en Multatulistraat Hoogezand. Deze twee locaties zijn nader onderbouwd in de motivering die bij het ruimtelijk besluit hoort. Er wordt voor de toetsing aan het aspect externe veiligheid hiernaar verwezen. Met het planvoornemen zelf worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

G.

Risico’s voor de menselijke

Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ontwikkeling moge-

gezondheid.

lijk met effecten op de volksgezondheid (zoals hinderveroorza-

Nee

kende objecten/activiteiten). Hoofdthema 2: Plaats van het project A. B.

Het bestaande (en goed-

De locaties van het plangebied betreffen (voormalige) schoollo-

gekeurde) grondgebruik.

caties. In het plangebied bevonden zich de schoolgebouwen.

Relatieve rijkdom aan en

Het plangebied heeft beperkte ecologische waarde. De meest

de kwaliteit en het regene-

nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn:

ratievermogen van de na-

- Zuidlaardermeer, gelegen op een afstand van minimaal 1 km;

tuurlijke hulpbronnen van

- Drentsche Aa-gebied, gelegen op een afstand van minimaal 7,8

het gebied.

km.

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

Nee Nee

6

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

Hierbij dient wel te worden vermeld dat het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied niet stikstofgevoelig is. De gebieden worden niet negatief beïnvloed. Er bestaat namelijk geen directe ecologische relatie tussen het plangebied, de aard van het project en de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied als beschermd natuurgebied is aangewezen. Een AERIUS-berekening heeft dit uitgesloten. Met betrekking tot de invoergegevens van de AERIUS-berekening is uitgegaan van een elektrische kraan op de locatie Multatulistraat 26-28 Hoogezand. C.

Het

opnamevermogen

Ten behoeve van het project zijn ecologische onderzoeken uit-

van het natuurlijke milieu,

gevoerd. Uit de ecologische toetsing komt het volgende naar vo-

met in het bijzonder aan-

ren.

Nee

dacht voor gevoelige gebieden.

Hoogezand, Zuidbroek, Sappemeer Voor Kerkstraat 15, Middenweg 27A, Aalbersestraat 2 en Multatulistraat 26-28 geldt dat zich in het plangebied geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In de directe omgeving van het plangebied komen mogelijk wel algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. En zullen geen effecten optreden, mits men zich houdt aan de zorgplicht. In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Westerbroek Voor de locatie Oudeweg 74 geldt dat zich mogelijk zwaar beschermde gebouwbewonende vleermuissoorten bevinden, die door de voorgenomen sloopwerkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. De sloop van de school kan mogelijk leiden

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

7

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

tot vernietiging van één of meerdere verblijfplaatsen van vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuizen en hun functionele leefomgeving (verblijfplaatsen, belangrijke vliegroutes en foerageergebieden) zijn strikt beschermd. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen kon met deze inspectie niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is daarom noodzakelijk en zal duidelijk moeten maken of en zo ja welke soorten daadwerkelijk aanwezig zijn en of een ontheffing in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is. In het plangebied komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd voor het overtreden van verbodsbepalingen. Er geldt wel een zorgplicht. Voor Westerbroek geldt ook dat noch in het plangebied, noch in de directe omgeving daarvan jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) zijn aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. Aanbevelingen Voor alle in het wild levende dieren geldt de bepaling van de zorgplicht.

Deze houdt in dat u bij de uitvoering van werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor planten en dieren, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan planten en dieren te voorkomen. Door een zorgvuldige planning van de werkzaamheden kan de zorgplicht goed worden ingepast in het werk. Er wordt aanbevolen, indien de enkele solitaire bomen op het schoolterrein worden verwijderd, om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt van ongeveer half maart tot en met half juli, waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is. De werkzaamheden dienen bij voorkeur plaats te vinden in de daglichtperiode, opdat verstoring van de omgeving door verlichting wordt voorkomen ten behoeve van bijvoorbeeld foeragerende vleermuizen in de omgeving etc.

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

8

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

Bij de toekomstige inrichting van het terrein (nieuwbouw) kunnen voorzieningen, zoals bijvoorbeeld (inbouw)nestkasten worden aangebracht voor vogels en vleermuizen (natuurinclusief bouwen). Dergelijke maatregelen dragen bij aan de instandhouding van ecologisch kwetsbare soorten en op deze manier krijgen toekomstige gebouwen een ‘groener’ karakter’. Oplegnotitie ecologie In verband met de uitgevoerde quick scans en een gewijzigde beleidslijn van de Wet natuurbescherming, welke per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet, is beoordeeld in hoeverre de conclusies uit de quick scans nog van toepassing zijn. Op basis van de bevindingen uit de rapportages waarin geen bijzonderheden zijn vastgesteld, kan geconcludeerd worden dat de conclusies uit de quick scans nog steeds van kracht zijn en dat vervolgonderzoek(en) niet noodzakelijk is/zijn, met name omdat de scholen al zijn gesloopt, de terreinen braak liggen en er geen noemenswaardige veranderingen zullen optreden ten aanzien van flora en/of fauna. Het is ook niet aannemelijk dat zich in de tussentijd eventueel beschermde soorten zich hebben gevestigd, omdat de braakliggende terreinen (liggend in woonwijken) bestaan uit gras (geen geschikt habitat) dat intensief wordt onderhouden door maaiwerkzaamheden. Er is daarom geen reden om de onderzoeksresultaten uit de quick scans te herzien.

Nader ecologisch onderzoek vleermuizen Westerbroek Momenteel wordt een nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen op de locatie in Westerbroek uitgevoerd. Zodra dit onderzoek gereed is, wordt deze bijgevoegd en verwerkt in deze paragraaf. Gebiedsbescherming Alle locaties maken geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander wettelijk beschermd gebied beschermd. Er is geen sprake van externe werking. De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

9

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

functioneren van Natuurnetwerk Nederland. Een AERIUS-berekening sluit dit uit; zie onder 2B. Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect A.

De aard, de orde van

De effecten als gevolg van het bouwproject zullen beperkt blij-

grootte en het ruimtelijk

ven. De locaties zijn gelegen in de rest van de bebouwde kom,

bereik van de effecten (bij-

met uitzondering van de locatie in Zuidbroek, welke in het cen-

voorbeeld geografisch ge-

trum is gelegen. De directe omgeving van de locaties bestaat

bied en omvang van de

veelal uit andere woningen, maatschappelijke bestemmingen en

bevolking die getroffen

lichte bedrijvigheid. In geval van Zuidbroek zijn dat evenals cen-

kan worden).

trumbestemmingen. In geval van Westerbroek is het buitenge-

Nee

bied nabij gelegen (de locatie zelf ligt wel in de bebouwde kom). Op basis van het huidige planologische regime zijn al bebouwing en stedelijke functies mogelijk in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. In de directe nabijheid zijn diverse functies aanwezig. De afstand tussen de woningen die zicht kunnen hebben op de woningbouw is acceptabel en de woningen worden met een zorgvuldige architectonische uitwerking, op een goede manier ingepast in het straatbeeld. Het plangebied ligt verder op grote afstand van gebieden met beschermde natuurwaarden (zie 2B). Het bereik van het planvoornemen reikt niet tot Natura 2000-gebied. B.

Het grensoverschrijdende

Van grensoverschrijdende milieueffecten is geen sprake.

Nee

De intensiteit en de com-

De potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leef-

Nee

plexiteit van het effect.

omgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling

karakter van het effect. C.

van het plangebied. Het effect is beperkt tot het plangebied en de nabije omgeving. Relevante milieuaspecten voor onderzoek zijn erfgoed, bodem, natuurwaarden, externe veiligheid, geluidhinder, water, bedrijvenhinder en luchtkwaliteit. In de motivering bij het ruimtelijk besluit is nader op deze aspecten ingegaan waaruit geen redenen blijken om aan te nemen dat sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocatie. D

De waarschijnlijkheid van

De effecten duren zo lang de planlocatie voor de toekomstige

het effect, de verwachte

functie in gebruik zal zijn. De effecten zijn uitsluitend omkeer-

aanvang,

baar door het gebruik te beëindigen en de hiertoe gerealiseerde

de

duur,

de

Nee

bebouwing op te ruimen. Omdat mag worden uitgegaan van een

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

10

Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Noodzaak m.e.r.-procedure

E.

F.

frequentie en de omkeer-

duurzaam gebouwde omgeving, gaat het hierbij dan ook in ze-

baarheid van het effect.

kere zin om een onomkeerbare ontwikkeling.

De cumulatie van effecten

In de directe omgeving zijn geen andere ontwikkelingen voor-

met de effecten van an-

zien. Er is in die zin dan ook geen sprake van cumulatie van ef-

dere projecten.

fecten met andere projecten.

De mogelijkheid om de ef-

Er zijn als gevolg van het planvoornemen geen effecten op de

fecten doeltreffend te ver-

omgeving te verwachten waarvoor op voorhand mitigerende

minderen.

maatregelen aan de orde zijn.

Nee

Nee

3. Conclusie In deze m.e.r-beoordeling zijn de gevolgen van de realisatie van 95 woningen op een vijftal voormalige schoollocaties. Op twee locaties worden per binnenplanse omgevingsvergunning 2 respectievelijk 4 extra woningen toegestaan, dat het aantal op 101 laat uitkomen. De studie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft een relatief geringe omvang. Wanneer geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ bestaan voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Uit voorliggende motivering kan worden opgemaakt dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd kan worden, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.-procedure zinvol maken. Een m.e.r.- procedure wordt niet noodzakelijk geacht.

datum 20-06-2025

projectnummer P002857

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16152751/2