CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

03. bestemmingsplan Sappemeer Rijksweg Oost 133

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Sappemeer, Rijksweg Oost 13348.060 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie Voor een toetsing aan de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is op basis van het raadplegen van bronnen, gelet op de aard van het plan, een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Er is geen nader onderzoek nodig naar de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Het is niet nodig om een ontheffing van Wnb aan te vragen. In verband met de zorgplicht van de Wnb is het wel nodig om bij de planning van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Wettelijk kader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

Voor kantoorlocaties is een nibm-grens opgenomen van meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, dan wel meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden.

26

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

4.8.2

Toetsing Het planvoornemen betreft het vestigen van het bedrijf Groen-Infra op de locatie Rijksweg Oost 133. Hierbij zal een bedrijfsgebouw van 800 m2 gerealiseerd worden. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 – Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Deze publicatie geeft naast parkeerkencijfers ook kencijfers wat betreft de verkeersgeneratie. Het planvoornemen betreft het toevoegen van (arbeidsextensieve en bezoekersextensieve) bedrijfsbebouwing van circa 800 m2. Gebaseerd op de normen van het CROW zal dit in een weinig stedelijke gemeente in het buitengebied zorgen voor een verkeersgeneratie van maximaal (5,7*8=) 45,6 motorvoertuigenbewegingen per etmaal. Tevens wordt er in het planvoornemen een bedrijfswoning gerealiseerd. Gebaseerd op de normen van het CROW zal een vrijstaand koophuis in het buitengebied zorgen voor een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal zal het planvoornemen dus zorgen voor een maximale verkeersgeneratie van naar boven afgerond 55 verkeersbewegingen per etmaal.

Rek entool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool in 2008 ontwikkeld. De nibm-tool wordt jaarlijks door InfoMil geactualiseerd. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool (versie 2022) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het voornemen kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk.

Achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het plan een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.

27

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2022, welke in maart 2022 zijn gepubliceerd. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometer vak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel.

Luchtconcentratie

Norm

NO2

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

PM2.5

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Figuur 8: Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10

Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2, PM2.5 en PM10.

Stof

2021*)

2025*)

2030*)

NO2

8.599 µg/m3

6.094 µg/m3

5.573 µg/m3

PM2.5

6.489 µg/m3

6.256 µg/m3

5.61 µg/m3

PM10

13.43 µg/m3

12.18 µg/m3

12.13 µg/m3

Figuur 9: Achtergrondniveaus luchtkwaliteit * gegev ens 2021

Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. 4.8.3

Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed woonklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

28

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

4.9

Water

4.9.1

Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.

Waterwet De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. De strategische delen uit het Nationaal Waterplan op grond van de Waterwet zijn opgegaan in de Novi. Daarnaast geldt het Nationaal Water Programma 2022-2027, waarin de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid zijn opgenomen.

4.9.2

Toetsing Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vanwege de wettelijk verplichte watertoets in het kader van de Waterwet aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor wordt het planvoornemen ingediend bij Waterschap Hunze en Aa's. De aanvraag van de digitale watertoets heeft op 1 november 2022 plaatsgevonden. Stukken hieromtrent zijn als bijlage bij deze toelichting opgenomen in Bijlage 5. Onderstaand worden de uitgangspunten kort besproken.

Verhardingstoename Met de onderhavige ontwikkeling wordt er maximaal 1.300 m2 bebouwing mogelijk gemaakt. Naast de extra bebouwing wordt er worst-case uitgegaan van een verhardingstoename van 50 %. Derhalve dient rekening te worden gehouden met in totaal 11.300 m2 aan extra verhard oppervlak. Deze potentiele verhardingstoename kan ervoor zorgen dat het hemelwater versneld tot afstroming komt. Om dit te voorkomen dient elke vierkante meter met 0,08 m3 te worden gecompenseerd in een bergende voorziening: oppervlaktewater en/of waterbergingsvoorziening. Dit betekent dat 904 m3 berging moet worden gerealiseerd. In de nadere planuitwerking wordt hier invulling aan gegeven. 4.9.3

Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.

29

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Wettelijk kader Voor een ruimtelijk initiatief geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (2018) van CROW zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Bij de beoordeling of voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De CROW publicatie heeft voor verschillende variabelen parkeerkencijfers. Dit gebied is geclassificeerd als weinig stedelijk en ligt in het buitengebied. Het gaat om de bouw van een bedrijfsgebouw van circa 800 m2 en de bouw van een bedrijfswoning van circa 200 m2. 4.10.2 Toetsing De vestiging van het bedrijf, inclusief bedrijfswoning, op de locatie Rijksweg Oost 133 leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking van en naar het plangebied. Gebaseerd op de normen van het CROW zal dit in een weinig stedelijke gemeente in het buitengebied zorgen voor een verkeersgeneratie van maximaal (5,7*8=) 45,6 motorvoertuigenbewegingen per etmaal.

Tevens wordt er in het planvoornemen een bedrijfswoning gerealiseerd. Gebaseerd op de normen van het CROW zal een vrijstaand koophuis in het buitengebied zorgen voor een maximale verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal zal het planvoornemen dus zorgen voor een maximale verkeersgeneratie van naar boven afgerond 55 verkeersbewegingen per etmaal. De weg waarop het plangebied is ontsloten, de Rijksweg Oost, heeft voldoende capaciteit om deze verkeersgeneratie aan te kunnen.

De vestiging van het bedrijf, inclusief bedrijfswoning, leidt ook tot een toename van de parkeerbehoefte. Gebaseerd op de normen van het CROW zal dit in een weinig stedelijke gemeente in het buitengebied zorgen voor een parkeerbehoefte van maximaal (1,3*8=) 10,54 parkeerplekken. Tevens wordt er in het planvoornemen een bedrijfswoning gerealiseerd. Gebaseerd op de normen van het CROW zal een vrijstaand koophuis in het buitengebied zorgen voor een maximale parkeerbehoefte van 2,8 parkeerplekken. In totaal zal het planvoornemen dus zorgen voor een maximale parkeerbehoefte van 14 parkeerplekken. Deze parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. 4.10.3 Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie in het plangebied en de omringende wegen. De parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen erf. Wat betreft verkeerseffecten wordt het planvoornemen dan ook uitvoerbaar geacht.

30

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

4.11

M.e.r.-beoordeling

4.11.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

4.11.2 Toetsing en conclusie Het plan maakt de realisatie van een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning mogelijk. In onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. is voor stedelijke ontwikkelingsprojecten als grenswaarde een aantal van 2.000 woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer opgenomen. Het plan is daarmee dusdanig kleinschalig van aard en omvang dat het ruimschoots onder de drempelwaarden voor ontwikkelingen blijft, zoals die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het planvoornemen geen significante effecten op de omgeving heeft. Gezien de afwezigheid van die effecten is een m.e.r.-beoordeling dan ook niet nodig. In dit geval is de gemeente niet de initiatiefnemer. Daarom is er wel een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De notitie is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. De gemeente neemt hierover separaat een besluit.

31

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische toelichting

Plansystematiek Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wro bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Bro is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: 1. een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; 2. de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd.

Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het op grond van artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro.

Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

5.2

Bestemmingsregels In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.

32

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

5.2.1

Inleidende regels Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.

5.2.2

Bestemmingsregels Er zijn twee bestemmingen opgenomen in dit plan, te weten: Artikel 3 Bedrijf; Artikel 4 Leiding - Gas.

De bestemming Bedrijf is opgenomen ten behoeve van de vestiging van het bedrijf Groen-Infra b.v., inclusief de bijbehorende bedrijfswoning. De bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Kleinschalige bomenopkwekerij ten behoeve van het bedrijf is toegestaan. Ten aanzien van de bedrijfswoning is een specifieke regel opgenomen naar aanleiding van het akoestisch rapport (zie paragraaf 4.5). Er is geregeld dat de gevel van de bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' (aldus de zuidgevel) moet zijn voorzien van een dove gevel vanaf de derde bouwlaag, tenzij achter dit geveldeel een niet-geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd. Dit is in zowel de bouw- als gebruiksregels gewaarborgd.

Aangaande de schets uit paragraaf 2.2 voor de toekomstige situatie is het volgende doorvertaald in de planregels en op de verbeelding. De zuidzijde van het plangebied (de voorkant) blijft onbebouwd. Hier is geen bouwvlak opgenomen. Ook is een verbod opgenomen voor (buiten)opslag voor de voorgevel van de bedrijfsbebouwing, dan wel het verlengde daarvan. De kaprichting van de bedrijfsloods staat haaks op de weg. Dit is zodanig geregeld in de planregels. Aan de noordkant (de achterkant) van het perceel wordt de bedrijfswoning geplaatst. Hiervoor is de aanduiding 'bedrijfswoning' opgenomen. Deze aanduiding is zodanig geplaatst, dat de bedrijfswoning buiten de geluidscontouren van de sportvelden wordt gebouwd. Ook zijn de afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen uit de figuur in acht genomen. Ook voor de kaprichting van de bedrijfswoning is geregeld dat deze haaks op de weg staat.

De dubbelbestemming Leiding - Gas is opgenomen voor de bestaande leiding die door een klein deel van het plangebied loopt (in het zuiden).

Hieronder volgt een algemene toelichting hoe een bestemming is opgebouwd.

Bestemmingsomschrijving Hier worden de aan de gronden toegekende functie(s) omschreven, waar nodig onderverdeeld

33

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

in hoofdfunctie(s) en daaraan ondergeschikte functies. De bestemmingsomschrijving bevat behalve functie(s) ook inrichtingsaspecten: de gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan bij sommige bestemmingen het behoud van bepaalde karakteristieke waarden worden nagestreefd, zoals cultuurhistorische waarden. De gronden worden dan, naast bijvoorbeeld de woonfunctie, tevens bestemd voor het behoud en het herstel van de in het gebied voorkomende cultuurhistorische waarden. Hiervoor worden gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen gebruikt. Bouwregels De bouwregels geven de bebouwingsbepalingen waaraan bouwwerken moeten voldoen. Dit kunnen zijn bepalingen ten aanzien van hoogte, horizontale diepte, breedte, oppervlakte, bouwgrenzen, afstanden tot perceelsgrenzen et cetera. Voor een deel gebeurt dit door middel van een verwijzing naar een aanduiding op de verbeelding. Vergunningsplichtige bouwactiviteiten worden aan deze bepalingen getoetst. Vergunningsvrije bouwwerken behoeven niet aan de bouwregels te voldoen. Het gebruik van dergelijke bouwwerken is overigens wel weer onderworpen aan de bepalingen van het bestemmingsplan (zie gebruiksbepalingen).

Afwijken van de bouwregels Hier wordt aangegeven van welke bouwregels het bevoegd gezag (in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders) een omgevingsvergunning voor het afwijken van bepaalde regels in het bestemmingsplan kan verlenen. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De afwijkingsbepalingen kunnen worden opgenomen om een bepaalde flexibiliteit of verruiming van het bestemmingsplan mogelijk te maken, maar waarvoor om welke reden dan ook een nadere afweging per geval gewenst is. De criteria en afwegingskaders zijn opgenomen in dit artikel zelf en zijn zo objectief mogelijk geformuleerd. In ieder geval zijn de algemene afwijkingsvoorwaarden als opgenomen in Hoofdstuk 3 van toepassing. Specifieke gebruiksregels Artikel 2.1 van de Wabo regelt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met de bepalingen van -onder meer- een bestemmingsplan. In beginsel is uit de bestemmingsomschrijving af te leiden wat wel of niet is toegestaan. In aanvulling daarop geven de specifieke gebruiksregels voor bepaalde gevallen een nadere uitwerking of extra duidelijkheid wat wel of juist niet is toegestaan binnen de bestemming. In sommige gevallen zijn voorwaarden opgenomen waaronder een bepaalde activiteit is toegestaan.

Soms wordt daarbij verwezen naar beleidsregels die als bijlage zijn toegevoegd en zodoende onderdeel van het bestemmingsplan zijn.

Afwijken van de gebruiksregels Er kan ook een omgevingsvergunning voor het afwijken van het gebruik worden verleend ten behoeve van een concrete vorm van gebruik van gronden en of bouwwerken op basis van artikel 3.6 Wro.

34

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Een dergelijke afwijkingsbepaling kan worden opgenomen om een bepaalde flexibiliteit of verruiming van het bestemmingsplan mogelijk te maken, maar waarvoor om welke reden dan ook een nadere afweging per geval gewenst is. De criteria en afwegingskaders zijn opgenomen in de regels van de betreffende bestemming en in ieder geval in de algemene regels en zijn zo objectief mogelijk geformuleerd. In een aantal gevallen wordt voor de criteria verwezen naar de beleidsregels die als bijlage van de regels zijn opgenomen. Wijzigingsbevoegdheid De wijzigingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wro en geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de betreffende bestemming op de aangegeven punten te wijzigen. Soms wordt verwezen naar een reeds bestaande bestemming of naar een bestemming die nog niet in het plan voorkomt, maar al wel als bijlage bij de regels is opgenomen. Ook komt het voor dat nog geen verwijzing naar een specifieke bestemming is opgenomen, maar dat de bepalingen aanwijzingen en regels bevat voor de wijziging. 5.2.3

Algemene regels De Anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. Verder bestaan de algemene regels ook uit de 'Algemene bouwregels', 'Algemene gebruiksregels', 'Algemene afwijkingsregels', 'Algemene wijzigingsregels' en de ''Overige regels'. Deze regels sluiten aan bij hetgeen ter plaatse al gold.

5.2.4

Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden/ Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Tot slot bevat Hoofdstuk 4 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

6.1

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gepaard gaan met het voornemen worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade. Schade, toegebracht door deze planologische wijziging, zal worden verhaald op de aanvrager van het (bouw)plan middels een gesloten planschadeovereenkomst tussen gemeente en aanvrager.

35

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de overlegpartners. Van de provincie Groningen is een vooroverlegreactie ontvangen. Deze vooroverlegreactie is als bijlage 7 opgenomen. De provincie Groningen heeft een aantal opmerkingen. De opmerkingen zijn waar nodig verwerkt in de toelichting en de regels van het bestemmingsplan. Tevens heeft in een vroegtijdig stadium overleg plaatsgevonden met de omwonende eigenaren. De omwonenden zijn content met de ruimtelijke ontwikkeling. Hierna zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage worden gelegd als onderdeel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb op grond van artikel 3,10 lid a Wabo. Eenieder kan een zienswijze indienen.

36

Sappemeer, Rijksweg Oost 133

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

5

Bijlage 1

Advies externe veiligheid Omgevingsdienst

6

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

19

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

80

Bijlage 4

Beknopte natuurtoets Rijksweg Oost

189

Bijlage 5

Aanvraagformulier watertoets

198

Bijlage 6

Aanmeldnotitie m.e.r-beoordeling

205

Bijlage 7

Vooroverlegreactie provincie Groningen

213

3

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

4

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Bijlagen toelichting

5

Sappemeer, Rijksw eg Oost 133 (ontw erp)

Bijlage 1

6

Advies externe veiligheid Omgevingsdienst

Advies externe veiligheid Extern Advies Datum

19-12-2022

Aan

Zaaknummer

Z2022-009277

Opsteller

Bevoegd gezag

Midden-Groningen

Collegiale toetser

Kenmerk BG

Onderwerp

Advies externe veiligheid voor realiseren van een hoveniersbedrijf inclusief woonhuis aan de Rijksweg Oost te Sappemeer

1. Inleiding De gemeente Midden-Groningen heeft de Omgevingsdienst Groningen gevraagd om voor het realiseren van een hoveniersbedrijf inclusief woonhuis aan de Rijksweg Oost te Sappemeer de situatie voor het aspect externe veiligheid inzichtelijk te maken. In het huidige bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld (202202-03) heeft het plangebied (gelegen naast Rijksweg Oost 137 te Sappemeer) de bestemming Agrarisch Glastuinbouw. Een initiatienemer is voornemens om hier een hoveniersbedrijf inclusief een woonhuis te vestigen. Deze wijziging past niet in het vigerende bestemmingsplan en hierdoor dient het aspect externe veiligheid mee te worden genomen in de op te stellen ruimtelijke onderbouwing.

1.1 Ligging plangebied In onderstaande Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. is in het rood het plangebied, hoveniersbedrijf inclusief een woonhuis aan de Rijksweg Oost te Sappemeer weergegeven.

Figuur 1: Plangebied, hoveniersbedrijf inclusief woonhuis aan de Rijksweg Oost te Sappemeer In hoofdstuk 2 worden de achtergronden van het externe veiligheidsbeleid besproken. Hierin worden onder andere de begrippen plaatsgebonden risico (PR), groepsrisico (GR) en de verantwoordingsplicht toegelicht. Hoofdstuk 3 bevat het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de relevante risicobronnen voor het

Advies externe veiligheid

bestemmingsplan beschreven en in hoofdstuk 5 wordt de groepsrisico verantwoording beschreven. En als laatste wordt in hoofdstuk 6 de conclusie opgenomen.

2. Externe Veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

2.1. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6/jaarcontour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Dit betekent dat beperkt kwetsbare objecten alleen zijn toegestaan als daarvoor voldoende motivatie is gegeven.

2.2. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet grafisch op een kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de z.g. fN-curve.

Figuur 2: Weergave plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico

2.3.

Verantwoordingsplicht

In de wet -en regelgeving is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Aandacht aan de verantwoording moet worden gegeven wanneer het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt of wanneer het groepsrisico (significant) toeneemt. De oriëntatiewaarde is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar men mag hiervan wel goed onderbouwd afwijken.

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 2/12

Advies externe veiligheid

Bij de verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van deze kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten zoals mogelijke bronmaatregelen, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer ook het advies van de Veiligheidsregio Groningen is ingewonnen.

Figuur 3: Elementen verantwoordingsplicht groepsrisico

3. Beleidskader Om de externe veiligheidsrisico’s te beheersen heeft de rijksoverheid een aantal besluiten opgesteld die leidend zijn voor externe veiligheidstaken van de provincie en gemeenten. Het gaat daarbij om wet- en regelgeving waarin risiconormen zijn gesteld voor respectievelijk inrichtingen, transport van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

3.1 Risicobedrijven Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) bevat veiligheidsnormen voor bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies rekening te houden met de externe veiligheid als ze een milieuvergunning verlenen of een bestemmingsplan maken.

3.2 Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is vergelijkbaar met het Bevi en bevat risiconormen voor transportroutes (spoor, weg en waterwegen). Op basis van het Bevt moet rekening worden gehouden met het Landelijk Basisnet (verder: Basisnet) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uitgangspunt van het Basisnet is dat door het vastleggen van veiligheidszones de gebruiksruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkelingen op elkaar kunnen worden afgestemd. Provincies kunnen een eigen Basisnet vastleggen; dat is ook binnen de provincie Groningen het geval. 3.2.1. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats via het spoor, over de weg en het water. Met het Basisnet water, weg en spoor worden risicoplafonds vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld. In het Basisnet wordt een maximum opgelegd aan de PR 10-6. Deze PR 10-6 kan daarmee niet meer ongelimiteerd groeien. De plaatsgebonden risico contour vormt de grens van de gebruiksruimte voor het vervoer en tevens de grens van de veiligheidszone. Een veiligheidszone is een zone langs wegen, hoofdspoorwegen en/of binnenwateren waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan.

Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn hier alleen in uitzonderingsgevallen toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het hart van de spoorbundel, het midden van de weg of op de referentiepunten gelegen op de begrenzingslijnen van de vaarweg. In het kader van de ruimtelijke ordening dient de afstand die voor de veiligheidszone in het Basisnet is vastgesteld te worden gehanteerd en wordt niet meer

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 3/12

Advies externe veiligheid

berekend. Het groepsrisico daarentegen dient wel te worden berekend en wordt daarbij de maximale benutting van groeiruimte voor het vervoer toegepast die in de bijlage van het Basisnet is vastgelegd. Daarnaast moet voor bepaalde transportmodaliteiten met veel vervoer van zeer brandbare en toxische vloeistoffen in het Basisnet rekening worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter aan weerszijden van de spoorbaan (en erboven) en 30 meter gemeten vanaf de rechter rand van de rijstrook van de (rijks)weg of het spoor waarbinnen, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Plasbranden kunnen ontstaan wanneer brandbare vloeistoffen ten gevolge van een ongeluk of calamiteit kunnen weglekken uit een tankwagen/wagon en tot ontbranding kunnen komen. 3.2.2. Provinciaal basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het provinciaal basisnet Groningen is het antwoord op de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen waarin een borging van risicoafstanden als gevolg van transporten van gevaarlijke stoffen wordt aangekondigd. Het doel is om deze transportroutes vast te leggen en een systeem te creëren waarbij rekening kan worden gehouden met de dynamiek van transport en toekomstige groei.

Om dit te bereiken zijn in de Geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2022) rondom een aantal aangewezen transportroutes (de grotere weg-, spoor- en waterinfrastructuur) veiligheidszones opgenomen. Onderstaand worden de zones weergegeven: •

Veiligheidszone 1 provinciale wegen: Zone langs wegen in verband met plaatsgebonden risico (PR max) provinciale wegen. Gemeten vanaf het midden van de buitenste weg kanten;

•

Veiligheidszone 2 invloedsgebied provinciaal basisnet Groningen: Bevat een nadere verantwoording van het groepsrisico en biedt inzicht in de manier waarop rekening is gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Groningen. Wordt gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute;

•

Veiligheidszone 3 transport: Veiligheidszone rondom wegen en spoorwegen in verband met de bescherming van minder zelfredzame personen. Deze zone is bepaald op 30 meter gemeten vanaf de buitenste wegkanten van de wegen vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer.

3.3 Buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn de normen voor externe veiligheid in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vastgelegd. De regels voor buisleidingen zijn op basis van het Bevb uitgewerkt in de Ministeriële regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Ook het Bevb is op dezelfde wijze opgesteld als het Bevi. Het Bevb stelt verplicht om bij onder andere het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de externe veiligheidsaspecten. 3.3.1.

Belemmeringenstrook

In elk bestemmingsplan wordt ruimte gereserveerd voor onderhoud aan de leiding door middel van een belemmeringenstrook van minimaal 4 of 5 meter aan weerszijden van de leiding met een bouwverbod en een aanlegvergunningenstelsel. De afstand wordt gemeten vanuit het hart van de leiding. Voor een hogedrukaardgasleiding die valt onder de werkingssfeer van het Bevb (inwendige diameter ≥ 50 mm, druk 16 bar tot en met 40 bar) geldt een belemmeringenstrook van 4 meter. Voor aardgasleidingen met een druk > 40 bar bedraagt de belemmeringenstrook 5 meter.

4. Ruimtelijke inventarisatie 4.1 Hoveniersbedrijf, inclusief woonhuis Rijksweg Oost te Sappemeer Een initiatiefnemer in de gemeente Midden-Groningen heeft het voornemen om een hoveniersbedrijf inclusief een woonhuis te realiseren aan de Rijksweg Oost te Sappemeer. Dit initiatief past niet in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld 2022-02-03. In dit bestemmingsplan heeft de planlocatie de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw.

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 4/12

Advies externe veiligheid

4.2 Risicovolle inrichtingen Binnen/ nabij het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen waarvan het invloedsgebied is gelegen over het plangebied.

4.3 Risicovolle transportroutes In de nabijheid van het plangebied is de volgende risicobron die invloed heeft op het plangebied geïnventariseerd. Soort

Risicobron

Wet- en regelgeving

Transport

Rijksweg A7

Rijksbasisnet

Tabel 1: Risicobron 4.3.1.

Plaatsgebonden risico transport

De Rijksweg A7 Knp. Europaplein- afrit Veendam kent, ter hoogte van het plangebied, volgens het Basisnet een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter. Hiermee wordt dan voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico. 4.3.2. Plasbrandaandachtsgebied Basisnet/ Veiligheidszone 3 transport Geconsolideerde Omgevingsverordening juni 2022 4.3.2.1 Plasbrandaandachtsgebied Basisnet In het Basisnet is een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter aangegeven (gemeten vanaf de rand van de infrastructuur). Het bevoegd gezag vermeldt de redenen die ertoe hebben geleid om in dat gebied nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toe te laten, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. In de regeling Basisnet is voor de Rijksweg A7 Knp. Europaplein- afrit Veendam aangegeven dat hier geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig is. Hierdoor is dit aspect niet relevant. 4.3.2.2 Veiligheidszone 3 transport Geconsolideerde Omgevingsverordening juni 2022 In de Omgevingsverordening is opgenomen dat voor de rijksweg A7 een veiligheidszone 3 transport geldt. Voor deze zone geldt een afstand van 30 meter. Een plan voorziet niet in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen binnen deze 30 meter. De afstand van het plangebied tot aan de rijksweg A7 bedraagt circa 40 meter.

De veiligheidszone 3 transport van de rijksweg A7 reikt niet tot in het plangebied. Hierdoor is dit aspect niet relevant. 4.3.3.

Groepsrisico transport

Algemeen In de Handleiding risicoanalyse transport (HART, versie 1.2, 11 januari 2017, Rijkswaterstaat) is bepaald tot welke afstand bevolking invloed kan hebben op het resultaat van het groepsrisico. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens. Volgens de handleiding is voor de berekening van het groepsrisico inzicht nodig in de personendichtheden binnen het invloedsgebied van de maatgevende stof ter hoogte van het plangebied. In onderstaande Tabel 2 is de maatgevende stof, het invloedsgebied en de afstand van het onderhavige plangebied tot de Rijksweg A7 weergeven: Traject

Maatgevende stof

Invloedsgebied

Afstand tot locatie in m

(m) Rijksweg A7

Zaaknummer Z2022-009277

GF3

355

Circa 40 Pagina: 5/12

Advies externe veiligheid

Tabel 2: Maatgevende stof, invloedsgebied en afstand tot plangebied In artikel 8 van het Bevt staat dat wanneer een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 200 meter van een transportroute, het groepsrisico dient te worden verantwoord. Indien het plangebied is gelegen op een grotere afstand dan 200 meter, maar wel binnen het invloedsgebied van de transportroute, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het plangebied ligt binnen 200 meter van de rijksweg A7 en binnen het invloedsgebied van de rijksweg A7. Gelet hierop geldt een verantwoording van het groepsrisico. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld 2022-02-03, is aangegeven dat het berekende groepsrisico van oa de rijksweg A7 onder de oriënterende waarde is gelegen. In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw. In de nieuwe situatie zal het bedrijf een hoveniersbedrijf met woonhuis worden. Een glastuinbouwbedrijf in de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw is arbeidsintensiever dan een hoveniersbedrijf met woonhuis waar de werkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden.

Gezien vorenstaande zal het berekende groepsrisico van de rijksweg A7 niet significant veranderen en daarom wordt een berekening van het groepsrisico niet zinvol geacht en is derhalve achterwege gelaten.

4.4 Risicovolle transportleidingen In het plangebied bevindt zich een risicovolle transportleiding met een werkdruk van 40 bar of hoger van de Gasunie welke relevant is voor externe veiligheid. 4.4.1.

Uitgangspunten

De risicoberekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma CAROLA versie 1.0.0.52 en parameterbestand 1.3. CAROLA is in opdracht van de Nederlandse overheid ontwikkeld, specifiek ter bepaling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van aardgasbuisleidingen. 4.4.2.

Leidinggegevens

Voor de berekening van het groepsrisico is het invloedsgebied en de begrenzing van het plangebied bepalend. Er is uitgegaan van de begrenzing van het plangebied, zoals weergegeven in figuur 1Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Op basis van deze begrenzing van het plangebied is door de N.V. Nederlandse Gasunie een opgave gedaan van de aanwezige leidingen. De relevante leidinggegevens, zoals beschikbaar gesteld op 26 oktober 2022 door de Gasunie, zijn in onderstaande tabel 3 weergegeven. Plangebied Rijksweg Oost

Leidingnaam

Diameter

Druk

Invloedsgebied

[mm]

[Bar]

1% letaal [m]

100% letaal [m]

40

70

50

N-508-50

168

Exploitant Gasunie

Tabel 3: Leidingparameters aardgasleiding 4.4.3.

Hoveniersbedrijf met woonhuis Rijksweg Oost te Sappemeer

De leiding N-508-50 is vanwege de omvang van het invloedsgebied bepalend voor het groepsrisico en is in onderstaande Figuur 4 weergegeven.

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 6/12

Advies externe veiligheid

Figuur 4: relevante risicovolle transportleiding 4.4.4.

Bevolkingsgegevens

Op basis van de door de leidingexploitant geleverde leidingdata en de begrenzing van het plangebied is in overeenstemming met de Handleiding Bevb het relevante interessegebied langs de buisleiding vastgesteld. De gegevens over het aantal personen binnen het invloedsgebied is met behulp van de BAG populatieservice opgehaald en medio oktober 2022 ontvangen. De BAG populatieservice levert populatiebestanden voor groepsrisicoberekeningen met Safeti.NL, RBMII en CAROLA. 4.4.5.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het product dat via de buisleiding wordt getransporteerd, de druk van de leiding, de diameter alsmede de diepteligging van de leiding. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn door de Gasunie de leidingdata ter beschikking gesteld. Uit de risicoberekeningen met het programma CAROLA blijkt dat de aanwezige ondergrondse aardgasleiding geen PR 10-6 contour heeft. Buisleidingen met een druk tot 40 bar moet rekening worden gehouden met een belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding van 4 meter. Buisleidingen met een druk van 40 bar of meer hebben een belemmeringenstrook van 5 meter. Binnen de belemmeringenstrook mag niet worden gebouwd. Op grond van het Bevb levert deze buisleiding geen knelpunt voor het plaatsgebonden risico op. 4.4.6. Groepsrisico In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Midden-Groningen (vastgesteld 2022-0203) heeft het plangebied de bestemming Agrarisch - Glastuinbouw en is aangegeven dat het berekende groepsrisico van oa de rijksweg A7 onder de oriënterende waarde is gelegen. In de Handreiking verantwoording groepsrisico is voor glastuinbouw geen aanwezigheid van personen aangegeven. Het is aannemelijk dat de glastuinbouw arbeidsintensiever is dan het realiseren van een hoveniersbedrijf met bedrijfswoning.

Hierbij valt te denken aan het hoogseizoen in de glastuinbouw waar meer personen aanwezig zullen zijn voor het oogsten dan bij een hoveniersbedrijf waar de werknemers voornamelijk op locatie aan het werk zijn. Gezien vorenstaande, dat een glastuinbouwbedrijf arbeidsintensiever is dan een hoveniersbedrijf waar de werkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden, zal het berekende groepsrisico niet significant veranderen en daarom wordt een berekening niet zinvol geacht en is derhalve achterwege gelaten. Verantwoording groepsrisico

5.1 Risicovolle transportroutes In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is in artikel 8 eerste lid opgenomen dat indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 7/12

Advies externe veiligheid

gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan op: a.

1°.

De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en

2°.

De als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft;

b.

het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde;

c.

de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en

d.

de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.

Het eerste lid, van artikel 8, kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat: a.

het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of

b.

1°.

Het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en

2°.

De oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden.

Indien toepassing wordt gegeven aan het hierboven weergegeven tweede lid van artikel 8, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan. In artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

De verantwoordingsplicht van het groepsrisico wordt integraal voor het gehele plan ingevuld.

5.2 Risicovolle transportleiding In het Besluit externe veiligheid buisleidingen is in artikel 12 eerste lid opgenomen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 8/12

Advies externe veiligheid

van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. In de toelichting bij het besluit wordt vermeld: a)

De aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken;

b)

Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar;

c)

Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico mede veroorzaakt;

d)

Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan;

e)

De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst;

f)

De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;

g)

De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.

De verantwoordingsplicht van het groepsrisico wordt integraal voor het gehele plan ingevuld.

5.3 Dichtheid personen Het invloedsgebied van de rijksweg A7 bedraagt 355 meter aan weerszijde van de weg en is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied in o.a. de bestemmingen agrarisch - glastuinbouw, sport, bedrijf en wonen. Binnen het invloedsgebied van de risicovolle transportleiding N-508-50 bevinden zich in de huidige situatie o.a. de bestemmingen agrarisch - glastuinbouw, sport, bedrijf en wonen. Het invloedsgebied van de risicovolle transportleiding N-508-50 bedraagt 70 meter en is gelegen over onderhavig plan. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld 2022-02-03, is aangegeven dat het berekende groepsrisico van oa de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50 onder de oriënterende waarde is gelegen. In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw. In de nieuwe situatie zal het bedrijf een hoveniersbedrijf met woonhuis worden. Een glastuinbouwbedrijf in de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw is arbeidsintensiever dan een hoveniersbedrijf waar de werkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden. Gezien vorenstaande zal deze wijziging in personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het berekende groepsrisico van de rijksweg A7 en risicovolle transportleiding N508-50.

5.4 Omvang groepsrisico Als gevolg van de planontwikkeling wijzigt het aantal personen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is aangegeven dat het berekende groepsrisico van oa de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50 onder de oriënterende waarde is gelegen.

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 9/12

Advies externe veiligheid

Als gevolg van de planontwikkeling wijzigt het aantal personen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50. Een glastuinbouwbedrijf in de enkelbestemming Agrarisch Glastuinbouw is arbeidsintensiever dan een hoveniersbedrijf waar de werkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden.

5.5 Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Bronmaatregelen zijn gericht op verlaging van het groepsrisico van een calamiteit bij een risicobron. Bronmaatregelen zijn echter niet te treffen in de onderhavige ruimtelijke procedure.

5.6 Mogelijkheden voor ontwikkelingen met lager groepsrisico Varianten waardoor het groepsrisico niet of in beperkte mate toeneemt, zijn: •

Geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50 bron maatregel);

•

Het plangebied op grotere afstand van de risicobronnen situeren;

•

Andere functies binnen het plangebied met een lagere personendichtheid.

Voor het eerste punt kan worden opgemerkt dat dit in het kader van deze procedure niet kan worden beslist. Wat betreft het tweede aandachtpunt geldt dat voor invulling van het plangebied gekozen is op andere gronden dan alleen het aspect externe veiligheid. De keuze voor dit alternatief wordt in de ruimtelijke onderbouwing toegelicht en komt hier niet verder aan de orde. Ten aanzien van het laatste punt kan worden gesteld dat hier specifiek gekozen is voor een invulling van een hoveniersbedrijf met een woonhuis.

5.7 Advies Veiligheidsregio Groningen Op 23 november 2022 Veiligheidsregio Groningen uw kennisgeving ontvangen met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing voor het advies externe veiligheid voor realiseren van een hoveniersbedrijf. Dit in het kader van vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hierbij stelt u Veiligheidsregio Groningen in de gelegenheid tot het uitbrengen van advies. Ruimtelijk besluit/Omgevingsvergunning Veiligheidsregio Groningen heeft een beoordeling gedaan op de aanwezigheid van externe risicobronnen en de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor de planontwikkeling. Daarbij zijn we tot de volgende conclusies gekomen: •

Op de planontwikkeling zijn geen significante externe veiligheidsrisico’s van invloed;

•

In relatie tot de planontwikkeling adviseren wij om op het gebied van bestrijdbaarheid een adequate bluswatervoorziening van het plangebied te realiseren in het plangebied. De primaire bluswatervoorziening bestaat over het algemeen uit onder- of bovengrondse brandkranen, maar kan ook gerealiseerd worden met open water als dit toereikend is qua capaciteit en afstand ten opzichte van de ontwikkeling. Voor de hoeveelheid, ligging en capaciteit van de vereiste brandkranen verwijs ik u tevens naar het document “Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019”. Wij helpen uiteraard graag mee in het concreet maken van de implementatie van de bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid van het plangebied.

Zaaknummer Z2022-009277

Pagina: 10/12

Advies externe veiligheid

Toetsing Bouwbesluit De nieuwe ontwikkeling kan in het kader van de omgevingsvergunning later nog door de Veiligheidsregio beoordeeld moeten worden op de activiteit ‘Bouwen’. Deze beoordeling vindt plaats op andere veiligheidsaspecten zoals brandcompartimentering, vluchtroutes, bluswater, bereikbaarheid en overige brandpreventieve voorzieningen. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Indien u naar aanleiding van deze mail nog vragen heeft, kunt u natuurlijk contact met mij opnemen.

5. Conclusie De Omgevingsdienst Groningen heeft een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het realiseren van een hoveniersbedrijf met woonhuis aan de Rijksweg Oost te Sappemeer. Hiervoor is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van risicovolle inrichtingen, risicovolle transportassen en risicovolle transportleidingen beoordeelt. De belangrijkste constateringen en te nemen maatregelen voor de verantwoording van het groepsrisico kunnen als volgt worden samengevat. •

In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle (Bevi) inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied reikt tot over het plangebied;

•

De rijksweg A7 heeft volgens het landelijk Basisnet geen plaatsgebonden risico. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico;

•

In de regeling Basisnet is voor de rijksweg A7 opgenomen dat voor het weggedeelte nabij het plangebied geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Hierdoor is dit aspect niet relevant;

•

In de geconsolideerde omgevingsvergunning juni 2022 is voor de rijksweg A7 aangegeven dat hier een veiligheidszone 3 transport aanwezig is. De afstand van het plangebied tot aan de Rijksweg A7 bedraagt circa 40 meter. De veiligheidszone 3 transport van de Rijksweg A7 reikt niet tot in het plangebied. Hierdoor is dit aspect niet relevant;

•

De rijksweg A7 heeft een invloedsgebied van 355 meter en ligt over het plangebied;

•

De risicovolle transportleiding N-508-50 heeft geen plaatsgebonden risico 10-6 contour buiten de belemmeringenstrook;

•

Voor de risicovolle transportleiding N-508-50 moet rekening worden gehouden met een belemmeringenstrook, aan weerszijden van de leiding, van 4 meter;

•

Met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen door de risicovolle transportleiding N-508-50 geldt een invloedsgebied (1% letaliteit) van 70 meter.

Groepsrisico •

Voor de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50 is in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied aangegeven dat het berekende groepsrisico van oa de rijksweg A7 en de risicovolle transportleiding N-508-50 onder de oriënterende waarde is gelegen. In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw. In de nieuwe situatie zal in het plangebied een hoveniersbedrijf met woonhuis worden gerealiseerd. Een glastuinbouwbedrijf in de enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw is arbeidsintensiever dan een hoveniersbedrijf waar de werkzaamheden voornamelijk op locatie plaatsvinden. Gezien vorenstaande zal deze wijziging in personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het berekende groepsrisico van de rijksweg A7 en risicovolle transportleiding N-508-50 en derhalve is een risicoberekening van het groepsrisico niet zinvol geacht en is achterwege gelaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12956562/1