CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

03 1 Bijlage MIRT brief voorjaar 2022

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen / Lange Termijn Agenda raad / Toezeggingen14.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

De impact van de huidige ontwikkelingen op de werkzaamheden die nog in de programmering staan, zullen zichtbaar worden in de inkoopplanning van RWS en de voortschrijdende 7-jarige productieplanning van ProRail. Door RWS en ProRail zijn al diverse maatregelen genomen om de voortgang van de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk te borgen. Op 31 mei jl. hebben overheden - waaronder het ministerie van IenW - en brancheverenigingen binnen het Bouwberaad een intentieverklaring getekend om de uitdagingen qu a prijsstijgingen en leveringsonzekerheden gezamenlijk te benaderen met als doel de continuïteit in de sector te borgen. Ontwikkelingen zijn nog steeds gaande en daarmee is de situatie niet stabiel. De situatie en effecten worden nauwgezet geïnventariseerd en gemonitord.

5.2 Rekening houden met de weginfrastructuur bij woningbouw In de motie van het lid Madlener34 wordt de regering verzocht bij het investeren in woningbouw nadrukkelijk rekening te houden met de weginfrastructuur. In antwoord hierop het volgende. Het ministerie van IenW hanteert bij het beleid over ontsluiting van nieuwe woningbouwgebieden een integrale aanpak, waarbij de samenhang tussen de bereikbaarheid op nationaal, regionaal en lokaal niveau centraal staat. Daarom wordt met medeoverheden en andere partners aan ontsluiting van nieuwe woonwijken gewerkt die voorzien in goede bereikbaarheid én in a antrekkelijke woongebieden. Hierbij kijken we naar alle modaliteiten, en dus ook naar de auto. Op 14 januari 2021 is de Kamer geïnformeerd over het Toekomstperspectief Automobiliteit 2040 (TAM).35 Hierin is beschreven dat de auto veel wordt gebruikt en hoog gewaardeerd wordt. Uit de Integrale Mobiliteitsanalyse 2021 (IMA-2021) blijkt ook dat de automobiliteit in de toekomst niet zal afnemen, en zelfs kan toenemen. In de voorgestelde versnellingslocaties voor de woningbouw wordt grotendeels ingezet op een mix van mobilteitsmaatregelen, zoals fiets, OV, auto, hubs om de bereikbaarheid mogelijk te maken. De auto blijft belangrijk, met name op plekken waar het OV niet aanwezig of niet rendabel is.

Autogebruik wordt dus integraal meegenomen bij de woningbouwontwikkeling in samenhang met de andere modaliteiten. Ruimtedruk, milieu en duurzaamheid stellen echter kaders, waardoor gebiedsspecifiek maatwerk en afwegingen nodig zijn. Bij de inzet van de middelen uit het Coalitieakkoord voor de ontsluiting en bereikbaarheid van woningen kijken we niet alleen naar de directe ontsluiting, maar ook naar de bredere gevolgen van ontsluiting op de hoofdnetwerken. We blijven inzetten op het beter benutten van de capaciteit van bestaande infrastructuur en zetten in op een mix van instrumenten om bereikbaarheid van Nederland in de toekomst te kunnen blijven garanderen.

34 35

Kamerstuk 35 925-XII, nr. 21 Kamerstuk 31 305, nr. 324 P agina 19 van 28

5.3 Fiets Nederland staat voor een aantal grote ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, op het gebied van wonen, klimaat, stikstof, verstedelijking, bereikbaarheid, veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en leefbaarheid. Tegelijkertijd neemt de mobiliteit toe. Deze groei in goede banen leiden, is een uitdaging. Een deel van de oplossing kan gevonden worden in de fiets. Fietsen en lopen spelen een belangrijke rol in de (OV-)ketenreis.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

De leden Van Ginneken en Bouchallikh 36 roepen op om fietsinfrastructuur een plek en passende lagere drempelbedragen te geven in het MIRT op basis van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets en de ontbrekende schakels op de hoofdfietsroutes daarbij te betrekken, al dan niet uitgaande van cofinanciering door de regio. Het MIRT en het Mobiliteitsfonds is zo opgezet dat het een integrale afweging bevorderd. Bij het ontsluiten van de nieuwe woningen in de grootschalige verstedelijkingsgebieden en daarbuiten is de fiets als modaliteit meegenomen als onderdeel van bredere maatregelen die de mobiliteitstransitie bevorderen. Bij de versnellingsafspraken maken fietsprojecten een onderdeel van de mix van infrastructuurmaatregelen met OV, auto, hubs om de bereikbaarheid mogelijk te maken. De in de motie genoemde drempelbedragen van € 112,5 miljoen en € 225 miljoen hebben specifiek betrekking op de Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-project(pakket)ten. Deze regeling is bedoeld om vanuit het Rijk bij te kunnen dragen aan omvangrijke lokale en regionale projecten en projectpakketten die de bereikbaarheid verbeteren. De voorliggende regeling is nadrukkelijk niet het enige instrument waarmee uitkeringen van het Rijk aan medeoverheden verstrekt kunnen worden.

Er bestaan ook andere regelingen die uitkeringen aan medeoverheden mogelijk maken, voor andere doelen op het gebied van bereikbaarheid en mobiliteit. Bijvoorbeeld de Tijdelijke stimuleringsregeling doelmatig en duurzaam gebruik verkeersinfrastructuur, de Regeling specifieke uitkering snelfietsroutes en de Regeling stimulering verkeersveiligheidsmaatregelen. Iedere regeling heeft een ander doel en eigen (rand)voorwaarden. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan de moties van de leden Van Ginneken en Bouchallikh.

5.4 Strategische afweging onderhoud In het notaoverleg MIRT van 11 april jl. is de toezegging gedaan aan het lid Koerhuis dat voor half mei/juni de Kamer een brief ontvangt over de strategische afwegingen om bestaande infrastructuur te onderhouden. Met deze brief geven we invulling aan de toezegging. Met het Coalitieakkoord is er extra budget beschikbaar gekomen voor de instandhoudingsopgave van RWS en ProRail. Op 17 mei jl. is het Beleidsprogramma van IenW naar de Kamer gestuurd met de plannen voor de inzet van de extra middelen uit het Coalitieakkoord. Voor de korte termijn (periode tot en met 2025) worden de middelen ingezet om de programmering van RWS en ProRail op te hogen. We werken toe naar een stabilisatie van het uitgesteld onderhoud en hiervoor zullen keuzes gemaakt worden. Dit betekent dat in de eerste jaren, ondanks de extra financiële middelen, het uitgesteld onderhoud op de RWS-netwerken niet kan worden ingelopen. De extra middelen uit het Coalitieakkoord zijn daarbij niet toereikend om al onze wensen en ambities op het gebied van beheer en onderhoud en vervanging en renovatie te realiseren. Daarom zal in deze kabinetsperiode kritisch gekeken worden naar het benodigde basiskwaliteitsniveau van de netwerken. Dit betekent 36

Kamerstuk 35 925 A, nr. 53 en 61 P agina 20 van 28

dat er keuzes worden gemaakt over de prestatieniveaus voor instandhouding als ook de (nieuwe) eisen aan de infrastructuur, zoals klimaatadaptatie, circulair en cyberveiligheid (zie 5.4 Meerjarenplan instandhouding infrastructuur).

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

5.5 Meerjarenplan instandhouding infrastructuur In het Beleidsprogramma IenW zoals gedeeld met de Kamer wordt aangegeven dat in lijn met de motie Stoffer c.s.37 wordt toegewerkt naar een meerjarenplan voor instandhouding van de Rijksinfrastructuur. Het plan is gericht op een stabiele langdurige programmering, waarbij op termijn het uitges teld onderhoud kan worden ingelopen. Het versterken van assetmanagement blijft noodzakelijk38. Voor de langere termijn werkt het ministerie van IenW samen met de Kamer, decentrale overheden en overige externe partners toe naar het definiëren van een nieuw kwaliteitsniveau van de hoofdinfrastructuurnetwerken. Bij het in kaart brengen van de keuzes en prioriteringen voor het aangepaste basiskwaliteitsniveau wordt het ministerie van IenW ondersteund door een externe audit. Zoals u bent geïnformeerd wordt de audit voor de RWS-netwerken in 2022 uitgevoerd en de audit ProRail in 2024 39. Middelen, (netwerk) prestaties en risico’s worden weer in evenwicht gebracht en er wordt ook rekening gehouden met het toekomstbestendig maken van onze infrastructuurnetwerken. Het streven is om voor de begrotingsbehandeling van de begroting 2023 het aangepaste basiskwaliteitsniveau op hoofdlijnen gereed te hebben en aan de Kamer voor te leggen. Dit zal het vertrekpunt zijn voor het gesprek met de Kamer.

5.6 Regionale kaarten grootschalige werkzaamheden De motie van De Groot c.s.40 verzoekt de regering om op korte termijn door middel van regionale kaarten toekomstige grootschalige werkzaamheden overzichtelijk in beeld te brengen voor automobilisten, reizigers, vervoerders en schippers. Ook verzoekt deze motie de regering om samen met andere overheden tot een voorstel te komen hoe deze kaarten kunnen worden doorontwikkeld om gebruikers en bestuurders beter inzicht te geven in de meest gevoelige bestaande hoofdinfrastructuur met een groot risico op uitval; en om in het voorstel op te nemen op welke wijze deze informatie gecommuniceerd kan worden naar gebruikers en bestuurders zodat verrassingen minder vaak zullen voorkomen en sturing kan worden gegeven op de minste hinder. De Kamer is geïnformeerd via de Kamerbrief Staat van de Infrastructuur in december 2021 41. De Kamer heeft bij deze brief kaartmateriaal ontvangen die inzicht biedt waar (risico’s op) beperkingen/hinder zijn of worden verwacht. Om ook in de toekomst aan deze motie te voldoen, is ProRail gevraagd om voortaan in het (addendum op het) beheerplan kaarten op te nemen. Voor RWS wordt momenteel bezien hoe hier een meer structureel karakter aan kan worden gegeven. Verwacht wordt dat ook in 2022 vergelijkbare kaarten worden opgeleverd als in 2021.

Het ontwikkelen van kaartmateriaal samen met regionale overheden wordt nog uitgewerkt. Hier zal na de zomer tijdens regionale gespreksrondes invulling aan worden gegeven. Over de voortgang zal, tezamen met het opgeleverde kaartmateriaal, eind 2022 opnieuw aan de Kamer gerapporteerd worden.

Kamerstuk 35 570 A, nr. 63 Kamerstuk 35 570-A, nr.46 39 Kamerstuk 35 925-A, nr. 14 40 Kamerstuk 35 925-XII, nr. 22 41 Kamerstuk 35 925-A, nr. 25 37 38

P agina 21 van 28

5.7 Toepassing en actualisatie Welvaart en Leefomgeving (WLO) scenario’s Naar aanleiding van het Commissiedebat van 25 mei 2022 over de Transportraad informeren we de Kamer over de toepassing en de actualisatie van de toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO) in relatie tot de veranderende goederenstromen als gevolg van de energietransitie.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

De WLO-scenario’s van het CPB en het PBL uit 2015 42 vormen belangrijke bouwstenen binnen het MIRT. Ze omvatten demografische en economische trends en bijbehorende ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De onzekere toekomst wordt zo gevat in twee scenario’s. Deze scenario’s zijn de b asis voor de IMA 2021, die een beeld geeft van de mobiliteitsontwikkelingen en opgaven op de lange termijn, en voor maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s), waarmee de effecten van een maatregel voor de maatschappij in kaart worden gebracht. Het CPB43 heeft er in 2019 op gewezen dat de energietransitie gepaard gaat met grote onzekerheden in de toekomstige omvang van het goederenvervoer. Het vervoervolume kan hierdoor licht of juist sterk toenemen over de tijd. Het CPB geeft aan dat de WLO-scenario’s uit 2015 een goede weergave bieden van de onzekerheid omtrent het toekomstige goederenvervoer. Daarnaast wijst het CPB erop dat het nuttig is om specifiek bij MKBA’s van infrastructuurprojecten voor spoor en binnenvaart, ook aanvullende scenario’s toe te passen. Zo worden de grotere onzekerheden in beeld gebracht. Voor projecten in voorbereiding achten we het van belang om waar relevant rekening te houden met de grotere onzekerheden, bijvoorbeeld door het uitvoeren van gevoeligheidsanalyses.

Daarnaast is in de IMA 2021 rekening gehouden met veranderende goederenstromen door in de basisprognoses uit te gaan van minder fossiele brandstoffen44. Deze basisprognoses vormen ook de basis voor nieuwe modelberekeningen bij de MIRT projecten. Het PBL werkt samen met onder andere het CPB aan een nieuwe WLO. Aanleiding hiervoor is onder meer het aangescherpte internationale klimaatbeleid. De publicatie wordt verwacht in 2024. Vervolgens zullen de modellen geschikt gemaakt worden, zodat de nieuwe WLO de basis voor de doorrekeningen van de mobiliteitsontwikkelingen en het mobiliteitsbeleid vormt. 5.8 Fossiele en niet-fossiele toekomst zeehavens Op 24 mei 2022 heeft het lid Kröger om een reactie gevraagd op het artikel in Trouw 45 over het Investico onderzoek. Hierbij informeren wij de Kamer hoe de klimaatdoelen in het Nederlandse goederen- en havenbeleid worden meegenomen en over de duurzame toekomstperspectieven van de Nederlandse zeehavens. De havens van Rotterdam, Amsterdam en North Sea Port hebben in reactie op het Investico onderzoek aangegeven dat zij van mening zijn dat investeringen van het Rijk in haveninfrastructuur, zoals de zeesluis IJmuiden en de nieuwe sluis Terneuzen, hard nodig zijn en dat ook blijven.

Enerzijds voor vervanging en renovatie van bestaande infrastructuur, anderzijds omdat een afname van fossiele ladingstromen volgens de havens zal leiden tot nieuwe, duurzame goederenstromen die ook investeringen vergen.

C PB/PBL (2015), Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau. 43 C PB (2019), Energietransitie en Goederenvervoer in de WLO. 44 IenW (2021), Achtergrondrapportage Goederenvervoer integraal 45 Het Rijk ondermijnt klimaatdoelen met havenplannen | Trouw 42

P agina 22 van 28

Het onderzoek van Investico benoemt dat de overheid bij investeringen in infrastructuur voldoende rekening moet houden met het klimaatbeleid en de gevolgen van klimaatverandering. Zoals hierboven is aangegeven is wordt rekening gehouden met veranderende goederenstromen door in de prognoses uit te gaan van minder fossiele brandstoffen. De aanleg van infrastructuur heeft echter vaak een lange doorlooptijd. De analyses voor bijvoorbeeld de zeesluis in IJmuiden en de sluis in Terneuzen zijn opgesteld vóór 2012. Dat was in een periode ruim voor het klimaatakkoord van Parijs, toen de prognoses voor verduurzaming van vervoer en goederen anders waren. Zeeschepen worden bovendien steeds groter en de oude Noordersluis in IJmuiden is uit 1912 en moest vervangen worden.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

De Havennota 2020-203046 gaat uit van meer recente inzichten en constateert dat de sector door de energietransitie nieuwe goederenstromen moet aanboren. Dat biedt kansen voor een duurzame economie. Zoals is aangegeven in de Goederenvervoeragenda47 maakt het ministerie van IenW zich hier met o.a. duurzaam goederenvervoer sterk voor. Met inzet van duurzame brandstoffen, laadinfrastructuur, walstroom-elektriciteit voor zeeschepen, batterij-elektrische binnenvaart en de modal shift naar water, spoor en buisleidingen draagt het kabinet (met o.a. het Europese Fit for 55 pakket) hier verder aan bij. De Nederlandse zeehavens zien ook volop kansen in niet-fossiele goederen- en energiestromen. De havens hebben het voordeel van de strategische ligging, met veel windparken voor de kust die de productie van groene waterstof mogelijk maakt. Ook de mogelijkheid van het importeren van groene waterstof om industrie en transport te verduurzamen pakken de havens voortvarend op. Recent heeft Havenbedrijf Rotterdam samen met gemeente Rotterdam, provincie ZuidHolland en meer dan 70 in de EU gevestigde bedrijven een propositie bij de Eurocommissaris voor Klimaat aangeboden, met als doel om in 2030 4,6 mln. ton groene waterstof te importeren en produceren. De havenvisie 2030 van Havenbedrijf Rotterdam houdt ook sterk rekening met een groene toekomst.

In de verschillende scenario’s voor ontwikkeling van de goederenstromen tot 2040 wordt de snelheid waarmee de wereldwijde energietransitie tot stand komt nadrukkelijk meegewogen. Havenbedrijf Amsterdam geeft in de Visie 2030 aan dat zij geen nieuwe kolen- en/of minerale olieterminals in het havengebied wil laten vestigen en heeft zich tot doel gesteld dat de op- en overslag van kolen in 2030 volledig is afgebouwd. Het Havenbedrijf Moerdijk wenst in 2030 het knooppunt van duurzame logistiek en chemie te zijn. Moerdijk zet in op kustvaart en spoorvervoer om de modal shift naar spoor en water te stimuleren. Groningen Seaports streeft ernaar om van de regio Delfzijl/Eemshaven een waterstof hub te maken en zet daarom in o p versnelde ontwikkeling van elektriciteit uit wind op zee en aanlanding in de haven. En in de Vlaams-Nederlandse delta ziet North Sea Port ontwikkelmogelijkheden in offshore-wind en waterstofproductie - en consumptie. 5.9 Afbouwpad naar nul CO2-uitstoot Het onderzoek naar een afbouwpad naar nul CO 2 uitstoot in 2030 bij de aanbestedingen van infrastructuurprojecten loopt en wordt meegenomen binnen de uitwerking van de strategie “Naar klimaatneutrale en circulaire rijksinfrastructuur projecten”48. Uw Kamer wordt later dit jaar geïnformeerd over de uitkomsten.

Kamerstuk 31409, nr. 306 Kamerstuk 34 244, nr. 2 48 Kamerstuk 32 813, nr. 750. 46 47

P agina 23 van 28

5.10 Plan Bureau Leefomgeving onderzoek naar vervoersarmoede Eerder is de Kamer gemeld dat de PBL-publicatie over vervoersarmoede in het najaar van 2021 naar de Kamer zou worden gezonden in reactie op de motie van De Hoop c.s.49. Vervolgens is aangegeven dat de publicatie medio 2022 gereed zou komen. Helaas heeft het PBL onlangs gemeld dat de beoogde publicatiedatum wederom wordt verschoven, nu naar oktober 2022. De reden voor de vertraging is onderzoekstechnisch van aard: het matchen van verschillende datasets was moeilijker dan voorzien, aldus het PBL. In de reactie op de genoemde PBLpublicatie zullen we ingaan op de woningbouwopgave conform de toezegging op 11 april 2022 in het Notaoverleg MIRT aan het lid Bouchallikh. De reactie op de PBL-publicatie zal later volgen, omdat deze nog afstemming vergt met andere departementen, medeoverheden en stakeholders.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

5.11 Verkeersongevallenregistratie In de Kamerbrief van 19 april jl.50 is een toelichting gegeven op verkeersongevallencijfers uit het Bestand geRegistreerde Ongevallen Nederland (BRON). In BRON zijn gegevens over verkeersongevallen opgenomen die onder andere door de politie zijn geregistreerd. In de brief is toegezegd dat RWS bekijkt of bij het presenteren van geregistreerde ongevallencijfers uit het BRON van specifieke wegen in plaats van de administratieve wegnummers uit het Nationaal Wegenbestand, voortaan de wegnummers zoals vermeld op de hectometerpaaltjes langs de weg vermeld kan worden. Dit blijkt geval te zijn, omdat zowel het administratieve wegnummer als het wegnummer zoals getoond op de hectometerpaaltjes in BRON worden opgeslagen en handmatig kunnen worden uitgelezen. De geregistreerde ongevallen op de kruispunten van de betreffende wegnummers worden voortaan eveneens meegenomen, ook wanneer het ongeval door de politie wordt geregistreerd op het kruisende wegvak van een andere wegbeheerder. Voor het verklaren van eventuele verschillen met eerder gepresenteerde ongevallencijfers op specifieke N-, A- of E-wegen, zal bij het presenteren van toekomstige ongevallencijfers aan uw Kamer inzichtelijk worden gemaakt welke ongevallen zijn geregistreerd op de onderliggende administratieve wegnummers en welke ongevallen kruispuntongevallen betreffen.

Dit komt overeen met de manier waarop het aantal in BRON geregistreerde verkeersdoden op Rijks -Nwegen is gepresenteerd in de Kamerbrief van 19 april jl. Om deze selectie- en presentatiewijze van verkeersongevallen voor andere gebruikers van BRON te verhelderen, zal een extra toelichting worden gegeven in de producthandleiding van BRON. Deze actie komt bovenop de reeds in gang gezette acties, zoals genoemd in de Kamerbrief van 19 april jl., om de kwaliteit van de verwerking van ongevallengegevens te verbeteren. Zo wordt met de implementatie van de nieuwe ICT data -omgeving van BRON, naar verwachting in de loop van volgend jaar, het verwerken en uitlezen van ongevallengegevens meer geautomatiseerd. 5.12 Verkeersongevallen op N-wegen De motie van het lid Madlener51 verzoekt om een top 10 van N-wegen waar de meeste ongevallen gebeuren, op te nemen in het MIRT-Overzicht. Voor een goede indicatie van de verkeersonveiligheid is het van belang om naast cijfers over het absolute aantal ongevallen, ook te kijken naar de hoeveelheid verkeer op de betreffende wegen. Daarmee kan het aantal ongevallen per gereden voertuigkilometer (risicocijfer) in beeld worden gebracht. Verkeersveiligheid is een Kamerstuk 35 925-XII, nr. 37 Kamerstuk 29 398, nr. 1001 51 Kamerstuk 35 925-XII, nr. 18 49 50

P agina 24 van 28

van de prioriteiten in deze Kabinetsperiode. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie en wordt ook gekeken naar het risicocijfer op de betreffende wegen. Omdat het onderzoek dat hiervoor benodigd is naar verwachting dit najaar kan worden afgerond, is het niet mogelijk de gevraagde top 10 op te nemen in het MIRT-Overzicht van dit jaar. De Kamer wordt daarom dit najaar separaat geïnformeerd over de onderzoeksresultaten, waarna deze worden opgenomen in het volgend jaar te publiceren MIRT-Overzicht.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

5.13 Hulpteams bij ongevallen filebestrijding In het Notaoverleg MIRT van 11 april jl. is toegezegd de Kamer voor het zomerreces te zullen informeren over de resultaten van de hulpteams in het kader van filebestrijding bij ongevallen. Helaas lukt dat niet binnen deze termijn. De reden hiervoor is dat het verwerken van onderliggende technische informatie meer tijd in beslag neemt dan verwacht. De Kamer wordt zo spoedig mogelijk geïnformeerd. 5.14 Onderzoek verkeersveiligheid N50 De uitvoering van de motie van het lid Geurts 52, waarin de regering verzocht wordt om op de N50 onderzoek te doen naar de aanhoudende ongevallen en hierbij de verschillende opties van infrastructurele maatregelen te bezien die ervoor kunnen zorgen dat de kans op ernstige ongelukken afneemt, is in volle gang. De verwachting is dat het onderzoek dit najaar gereed is , waarna de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd zal worden. Over de tijdelijke maatrelen bent u geïnformeerd in paragraaf 4.3.8. 5.15 Onderzoek invloed andere weggebruikers op veiligheid van e-bikers De motie van de leden Peter de Groot en Geurts53 verzoekt, om samen met de fietsersbond, fietsleveranciers en andere stakeholders te onderzoeken welke invloed andere weggebruikers hebben op de veiligheid van fietsers in het algemeen en e-bikers in het bijzonder.

Bij dit onderzoek wordt het recente rapport van VeiligheidNL over oorzaken van fietsongevallen meegenomen Rapportage (snor- brom) fietsongevallen 2020-2021 (veiligheid.nl) Daarnaast wordt op korte termijn een rapportage verwacht waarin in kaart wordt gebracht op welke punten de beleidslijnen op de korte- en lange termijn bijgesteld kunnen worden om de fietsveiligheid te verbeteren. Deze zal ook betrokken worden bij de uitvoering van de motie. Dit maakt dat de eerdere ambitie om rond de zomer van 2022 de Kamer te informeren over deze motie nu is bijgesteld naar het najaar van 2022. 5.16 Stand van zaken gehandicaptenvoertuigenkader Eerder is aangegeven dat de Kamer voor de zomer van 2022 geïnformeerd zal worden over de stand van zaken van het gehandicaptenvoertuigenkader 54. Naar aanleiding van de gesprekken met betrokken partijen, wordt onderzocht welke regelgeving omtrent gehandicaptenvoertuigen in andere (Europese) landen wordt gehanteerd. De uitkomsten hiervan worden pas in het najaar verwacht en gebruikt om het gehandicaptenvoertuigenkader verder vorm te geven. Hierna zal de Kamer geïnformeerd worden.

Kamerstuk 35 570-A, nr. 82 Kamerstuk 29 398, nr. 949 54 Kamerstuk 29 398, nr. 975 52 53

P agina 25 van 28

5.17 N33 en bruggen De motie van het lid Koerhuis 55 verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de provincie Groningen en Groningen Seaports hoe het knelpunt van de N33 en de bruggen op te lossen, en de Kamer hierover voor juni dit jaar te informeren. Eind vorig jaar zijn al gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt met de gemeente en provincie Groningen en provincie Friesland over de bruggen over de Hoofvaarweg Lemmer Delftzijl. Hierover is de Kamer met de brief van 16 december 2021 geïnformeerd 56. Daarnaast is voor het verder verbeteren van de verkeersveiligheid op Rijks-N-wegen door dit Kabinet € 200 miljoen beschikbaar gesteld. In het kader van deze aanpak wordt ook gekeken naar mogelijke verkeersveiligheidsmaatregelen op de N33. In november is de Kamer geïnformeerd 57 dat het overleg met de provincie over de N33 Zuidbroek Appingedam nog gaande is, nadat hier een tekort is ontstaan doordat de provincie Groningen een deel van de budgetten van deze projecten heeft ingezet voor de Zuidelijke Ringweg Groningen. Voor dit project is nog geen oplossing voorhanden.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

5.18 Aanpak vaarweg Maastricht In 2018 is uit onderzoek gebleken dat de invaart van het Julianakanaal ten hoogte van Maastricht gevaarlijk is voor grotere schepen, de zogenoemde klasse Vb, gedurende periodes van hoge afvoeren (ca. 2 maanden per jaar). Diep geladen en grote schepen moeten hierdoor blijven wachten of omvaren en hebben daardoor reistijdverlies. De vaarroute is daardoor onbetrouwbaar en kan voor langere tijd gestremd zijn wat tot schade leidt in de hele economische keten. Daarnaast zijn er andere beperkingen op de vaarweg zoals de moeilijke passeerbaarheid van de diverse bruggen in Maastricht en het eenrichtingsverkeer voor grote schepen in delen van het Julianakanaal. Daarom zijn maatregelen nodig om veilige toelating van klasse Vb-schepen (doel van het project Maasroute fase 2b) ook bij hogere afvoeren mogelijk te maken. In september 2021 heeft het ministerie van IenW opdracht gegeven voor de planvorming voor drie nautische veiligheidsknelpunten bij de invaart van het Julianakanaal in Maastricht. Het juridisch kader is hier de Omgevingswet. Hierbij hoort ook afstemming met de gemeente Maastricht over het oplossen van de nautische knelpunten tussen de Wilhelminabrug en Noorderbrug in relatie tot de toekomst van de spoorbrug bij Maastricht (de Lanakerbrug).

Over het laatstgenoemde heeft de Kamer begin dit jaar een motie van De Hoop, Van der Molen en Dassen58 aangenomen. De aanvraag van de sloopvergunning is kort na de indiening van de motie ingetrokken. In samenwerking met de gemeente Maastricht wordt een gezamenlijk toekomstbeeld opgesteld, zodat zowel de gemeente als de Kamer een goede afweging kunnen maken. In de tussentijd nemen partijen geen onomkeerbare stappen. Dit najaar ontvangt de Kamer meer informatie over dit project en de geboekte voortgang ten aanzien van het toekomstbeeld. 5.19 Rijn tussen Koblenz en Karlsruhe Het ministerie van IenW onderschrijft het belang van de motie Koerhuis en Minhas 59 om het knelpunt van de Rijn tussen Koblenz en Karlsruhe met de Duitse regering te bespreken om te verzoeken de vergroting van de vaardiepte van het genoemde traject spoedig op te pakken. De aanpak van dit project is eerder meerdere malen op ambtelijk niveau vanuit Nederland bij de Duitse collega’s aanhangig gemaakt. Kamerstuk 35 925 A, nr. 44 Kamerstuk 35 925-A, nr. 20 57 Kamerstuk 35 925-A, nr. 24 58 Kamerstuk 29 984, nr. 959 59 Kamerstuk 35 925 A, nr. 42 55 56

P agina 26 van 28

De vergroting van de vaardiepte van het exacte knelpunt, zijnde het 50 kilometer lange ondiepe traject tussen St. Goar en Wiesbaden, is al opgenomen in het “Bundesverkehrswegeplan 2030” (BVWP) van de Bondsregering. Destijds heeft het ministerie van IenW in de schriftelijke reactie op dit plan reeds het belang van het wegnemen van dit vaarwegknelpunt expliciet benoemd als significant voor Nederland en ook de gehele Rijn. Deze vergroting van de vaardiepte verbetert immers de bereikbaarheid van het achterland vanuit onze zeehavens. Tevens laat het BVWP een zeer positieve MKBA zien met aanzienlijke maatschappelijke baten voor zowel Duitsland als Nederland voor onder andere de havens en de binnenvaart.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

5.20 Verbinding naar Aken Afgelopen periode is uitwerking gegeven aan de motie van het lid Geurts-Minhas60 die oproept om kansen te onderzoeken om de verbinding Eindhoven-Aken op de korte termijn te realiseren op de bestaande infrastructuur. Het rapport is als bijlage toegevoegd bij deze brief. Uit het onderzoek blijkt dat er aan de randen van de dag 61 mogelijkheden op het spoor zijn voor een verbinding Eindhoven – Aken. Deze ruimte ontstaat doordat zowel NS als Arriva in hun huidige dienstregeling aan de randen van de dag minder rijden. Wel zijn er uitwerkingsvragen op het gebied van governance, dienstregeling en financiën die zorgvuldig opgepakt dienen te worden. De provincie Limburg pakt, in samenwerking met provincie Brabant en het ministerie van IenW, het voortouw in het beantwoorden van de uitwerkingsvragen en is bereid om voor het gebied van de regionale concessie (Heerlen – Aken) financieel bij te dragen aan deze verbinding. Zowel NS als Arriva zijn bereid mee te werken aan de nadere uitwerking en ook zal de Duitse vervoersautoriteit NVR betrokken worden. De beantwoording van de uitwerkingsvragen zal onder andere inzicht bieden in de haalbaarheid en het tijdspad tot de mogelijke introductie . Limburg, Brabant en IenW benadrukken dat de huidige afspraken over de introductie van de Drielandentrein naar Luik en de tweede sneltrein naar Aken prioriteit hebben.

Dit in lijn met de motie Boulakjar-Alkaya 62 die oproept om, onafhankelijk van nader onderzoek, in te zetten op het realiseren van de tweede sneltrein Maastricht – Heerlen – Aken. De gefaseerde aanpak uit 2020 blijft onverminderd staan met als stip op de horizon: de IC-verbinding richting Aken gedurende de gehele dag. Capaciteitsuitbreiding op Eindhoven CS is hiervoor een cruciale bouwstap. Daartoe wordt de studie ‘Toekomstvast spoor zuidoost Nederland’ uitgevoerd. Komende periode zal verdere uitwerking worden gegeven aan de IC -verbinding naar Aken, waaronder de benodigde infrastructurele maatregelen. 5.21 Bus Rapid Transit verbinding Breda–Gorinchem–Utrecht In het notaoverleg MIRT van 11 april jl. is aan het lid Van Ginneken toegezegd de studie naar een innovatieve en hoogwaardige busverbinding tussen BredaGorinchem-Utrecht voor de zomer met de Kamer te delen. Bijgaand treft u deze studie aan. Op basis van de conclusies van de studie wordt deze maand samen met de provincies Noord-Brabant, Utrecht en Zuid-Holland, gemeente Breda en het netwerk U10 een intentieovereenkomst afgesloten, die gepubliceerd zal worden in de Staatscourant. Hierin spreken de betrokken partijen af zich in te

Kamerstuk 29 984 nr. 933 Dit betreft de tijdvensters na 20.00 uur in de avond en voor 8.00 uur in de ochtend. In het weekend brede ochtend (za tot ca. 9.30 zo tot ca. 11.30) 62 Kamerstuk 29 984 nr. 934 60 61

P agina 27 van 28

spannen om alle benodigde maatregelen uit te werken om in het najaar van 2023 tot een investeringsbeslissing te kunnen komen.

Ministerie van Inf rastructuur en Waterstaat

Ten slotte Met deze brief hebben we de Kamer geïnformeerd over de versnellingsafspraken voor de bereikbaarheid van nieuwe woningen, zoals besproken in de BO’s Leefomgeving, over kostenbeheersing, het moderniseren van het MIRT en de stikstofopgave. Ook is inzicht gegeven in de voortgang van het lopende MIRTprogramma, en de op moties en toezeggingen. We werken slagvaardig aan de uitvoering van de ambities uit het Coalitieakkoord om Nederland bereikbaar, veilig en leefbaar te houden. Hiertoe blijven we ook de komende jaren het MIRT gebruiken, om opgaven te agenderen, te bespreken, afwegingen en keuzes te maken en investeringsbeslissingen te nemen. In het najaar bespreken we tijdens de BO’s MIRT de ontwikkelingen in het MIRT, de verdere keuzes en prioritering van lopende projecten en programma’s en ook de besteding van de middelen voor de bereikbaarheid van nieuwe woningen.

Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Mark Harbers

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

drs. V.L.W.A. Heijnen

P agina 28 van 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13151938/1