CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Vragen (aanvullend) over GR GGD en VRZ van Martin Bos (BVNL)

Commissie Algemeen Bestuur 19 mei 2026, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Toestemming en instemming ontwerpregeling GR GGD en VR Zeeland (26-063 AB)2.884 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Commissie

Algemeen Bestuur – 19 mei 2026

Agendapunt

8

Onderwerp

Toestemming en instemming ontwerpregeling GR GGD en VR Zeeland

Vragensteller

Martin Bos (BVNL)

Datum ingediend

19 mei 2026

Datum beantwoording Eerste set nadere vragen van het BVNL Middelburg over het Raadsvoorstel Toestemming en instemming Ontwerpregeling GR GGD en VR Zeeland met Drukwerknummer 26-063 voor behandeling in de Raadscommissie Algemeen Bestuur op 19.05.2026 Inleiding: BVNL Middelburg is tegen de voorgestelde samenvoeging van de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland (GGD). Grotere organisaties creëren vaak afstand, verminderen flexibiliteit en verzwakken de verbinding met inwoners en lokale overheden. In plaats van efficiëntie en betere dienstverlening leidt schaalvergroting tot bureaucratie, verminderde verantwoordelijkheid en een gebrek aan maatwerk. Waarom lijden veel bestuurders aan microfobie (angst voor het kleine)? Kleinschaligheid is doorgaans goed. De hedendaagse “cult van het kolossale” heb ik in eerdere debatten ontmaskerd: de blinde voorliefde voor groter, centraler en verder weg, ten koste van de kleine, menselijke en lokale schaal die daadwerkelijk werkt. Het levert de burger én belastingbetaler niets op. Sterker nog dit soort fusies kosten in de regel meer dan dat ze opleveren. En dan hebben we het alleen nog maar over het financiële luik. Schaalvergroting is ook geen oplossing voor bestuurskracht.

Als een organisatie taken onvoldoende uitvoert, moet het bestuur daarop worden aangesproken – niet de organisatie zelf worden opgeheven. En hoewel er – anders dan voor de stad of gemeente – weinig liefde zal zijn bij de burgers voor de Veiligheidsregio en de GGD, men identificeert zich daarmee begrijpelijkerwijs niet, het zijn meer uitvoeringsorganisaties, is het toch zo dat er onder burgers weinig tot geen draagvlak is getoond voor gemeentelijke herindelingen, fusies en opschaling van organisaties. Het is toch weer zo dat de lokale identiteit en nabijheid dreigen te verdwijnen. Immers zoals het er nu naar uitzien verdwijnt de Veiligheidsregio uit Middelburg. Heel slecht! Waar is hier het Middelburgs belang. Middelburg is de hoofdstad en de Veiligheidregio hoort hier. Tal van onderzoeken tonen juist aan dat kleinschaligheid beter is voor democratisch en effectief bestuur. Met de samenvoeging van de Veiligheidsregio en de GGD vergroten we het democratisch deficit. Middelburg en Zeeland verdienen geen verdere centralisatie, maar slagvaardige, herkenbare en dichtbij opererende diensten. Lokaal bestuur dat écht zicht houdt op veiligheid, gezondheid en de noden van onze inwoners. De fractie van het BVNL Middelburg heeft het raadsvoorstel en de onderliggende drukzaken doorgenomen en besproken met deskundigen.

De stukken van het college benadrukken de voordelen van deze fusie (efficiëntie, continuïteit, arbeidsmarkt) maar geven weinig tot geen harde bewijzen, maar gaan grotendeels voorbij aan de schaduwkanten van deze voorgenomen fusie. Vragen: 1. Hoe wordt in de meerjarenraming 2028-2032 exact onderscheid gemaakt tussen de twee strikt gescheiden programma’s (Veiligheid en Publieke Gezondheid) in de programmakosten en -opbrengsten onder Art. 27 lid 1? 2.

Welke administratieve systemen en grootboekrekeningen worden gebruikt om de verboden budgetoverheveling tussen de twee programma’s (Art. 27 lid 1) te handhaven en te auditen?

1

3.

Hoe worden overheadkosten van de gezamenlijke bedrijfsvoering exact toegerekend aan de twee programma’s in de begroting 2028 en latere jaren?

4.

Wat is de precieze definitie van “kerntaken” in de programmascheiding en hoe wordt dit operationeel getoetst bij de opstelling van de ontwerpbegroting?

5.

Hoe worden de kosten van de veiligheidsdirectie (Art. 1 sub s) en bestuurscommissies toegerekend aan de twee programma’s?

6.

Welke BBV-beginselen (resultaatgerichtheid, baten-lasten) worden expliciet toegepast op de gescheiden programmastructuur?

7.

Hoe wordt de meerjarenraming per programma opgesteld conform de VZG-richtlijn en welke inflatie-index wordt gehanteerd?

8.

Wat is de minimale detailniveau (subprogramma’s) voor de twee programma’s in de ontwerpbegroting?

9.

Hoe worden incidentele versus structurele kosten onderscheiden binnen elk programma?

10. Welke impact heeft de programmascheiding op de presentatie van de balans en de staat van baten en lasten? 11. Hoe worden interne doorbelastingen (bijv. GHOR aan Veiligheid) administratief verwerkt zonder budgetoverheveling? 12. Wat is de verwachte omvang van de gezamenlijke bedrijfsvoeringkosten in 2028 en hoe wordt deze gesplitst? 13. Hoe wordt de kostprijs van gezamenlijke huisvesting (inclusief exogene stijging) exact verdeeld over de twee programma’s? 14. Welke scenario’s voor kostenstijging (rente, inflatie, energie) worden doorgerekend in de meerjarenraming per programma? 15. Hoe wordt de begroting van de GR gekoppeld aan de begrotingen van de 13 gemeenten (Art. 190 Gemeentewet)? 16. Welke toerekeningsmethodiek (activity-based costing of anders) wordt toegepast voor de overhead? 17. Hoe worden reserves per programma gevormd en hoe wordt dit zichtbaar in de begroting? 18. Wat is de verwachte onder- of overbesteding per programma in de eerste drie jaren na inwerkingtreding? 19. Hoe wordt de programmascheiding gecontroleerd in de accountantsverklaring? 20. Welke BBV-paragraaf wordt toegepast op de toelichting bij de programmascheiding? 21. Hoe worden de kosten van de DPG en directeur VR toegerekend? 22. Wat is de exacte bandbreedte van de verwachte “plus op de lasten” in 2028-2030 per programma?

2

23. Hoe wordt de begroting 2028 opgesteld rekening houdend met het uitstel van 2027? 24. Welke aanpassingen in de begrotingscyclus zijn nodig door de gecorrigeerde inwerkingtredingsdatum? 25. Hoe worden de kosten van de cao-harmonisatie en rechtspositie expliciet opgenomen in de programmascheiding? 26. Hoe wordt de ontwerpbegroting vóór 30 april exact opgesteld en welke rol spelen de bestuurscommissies daarbij? 27. Welke criteria bepalen of een begrotingswijziging “geen effect heeft op de bijdragen” (Art. 28 lid 8)? 28. Hoe wordt de zienswijzetermijn van 12 weken precies toegepast bij begrotingswijzigingen met effect op bijdragen? 29. Welke procedure geldt voor spoedeisende begrotingswijzigingen buiten de reguliere cyclus? 30. Hoe worden begrotingswijzigingen na 30 september administratief verwerkt? 31. Wat is de maximale omvang van een begrotingswijziging zonder zienswijze? 32. Hoe wordt de meerjarenraming geactualiseerd bij exogene kostenstijgingen (rente/inflatie)? 33. Welke rapportageverplichting bestaat naar de raden over begrotingsuitvoering per kwartaal? 34. Hoe wordt de ontwerpbegroting 2029 opgesteld in relatie tot de evaluatiebepaling (Art. 49)? 35. Welke invloed heeft de “plus op de lasten” op de begrotingsdiscipline per programma? 36. Hoe worden de kosten van gezamenlijke huisvesting in de begrotingswijzigingen verwerkt? 37.

Welke BBV-conforme toelichting is vereist bij elke begrotingswijziging? 38. Hoe wordt de bandbreedte van onvoorziene kosten (Art. 31 lid 3) exact gedefinieerd? 39. Welke rol speelt de accountant bij de beoordeling van begrotingswijzigingen? 40. Hoe worden de bijdragen van gemeenten aangepast bij begrotingswijzigingen met effect? 41. Wat is de procedure voor het vaststellen van de definitieve begroting na zienswijzen? 42. Hoe wordt de kasritmiek van de GR afgestemd op de gemeentelijke begrotingskalender? 43. Welke scenario’s voor rente- en inflatiestijging worden in de begroting 2028-2032 doorgerekend? 44. Hoe wordt de impact van cao-harmonisatie op de begroting per jaar zichtbaar gemaakt? 45. Welke minimale reserveaanvulling is vereist bij begrotingsopstelling? 46. Hoe worden de kosten van de bestuurscommissies in de begroting opgenomen?

3

47. Welke herijking van de meerjarenraming vindt plaats bij actualisatie van inwoneraantallen? 48. Hoe wordt de programmascheiding gehandhaafd bij begrotingswijzigingen? 49. Wat is de verwachte omvang van de ontwerpbegroting 2028 voor beide programma’s? 50. Hoe wordt de correctiebrief van 13 mei 2026 financieel verwerkt in de begroting 2028? 51. Hoe wordt het maandelijkse voorschot van 1/12e precies berekend en op welke datum betaald? 52. Welke rentecompensatie geldt bij te late betaling van bijdragen? 53. Hoe wordt de kaspositie van de GR beheerd en welke liquiditeitsbuffer is minimaal vereist? 54. Welke procedure geldt bij weigering van een voorschot door een gemeente (Art. 29 lid 3)? 55. Hoe worden de bijdragen van de 13 gemeenten exact verdeeld over de kasstromen per programma? 56. Welke impact heeft de programmascheiding op de maandelijkse kasuitgaven? 57. Hoe wordt de kasritmiek aangepast aan de exogene kostenstijging huisvesting? 58. Welke bankrekeningen en treasurybeleid gelden voor de GR? 59. Hoe worden incidentele uitgaven (bijv. crisis) gefinancierd uit voorschotten? 60. Welke rapportage over kasstromen wordt maandelijks aan het DB verstrekt? 61. Hoe wordt de liquiditeitspositie per programma gescheiden gehouden? 62. Welke boeterente of sancties zijn er bij structurele achterstand in bijdragen? 63.

Hoe wordt de voorschotregeling afgestemd op de gemeentelijke treasury? 64. Wat is de verwachte piek in kasbehoefte in de eerste zes maanden na inwerkingtreding? 65. Hoe worden de kosten van cao-harmonisatie in de voorschotten verwerkt? 66. Welke buffer is voorzien voor onvoorziene exogene kostenstijgingen? 67. Hoe wordt de jaarafsluiting van kasstromen precies uitgevoerd? 68. Welke rol speelt de accountant bij de kasstroomoverzichten? 69. Hoe worden terugvorderingen van te veel betaalde voorschotten afgehandeld? 70. Welke impact heeft het uitstel naar 2028 op de kasplanning 2027? 71. Hoe wordt de verdeelsleutel toegepast op de maandelijkse voorschotten?

4

72. Welke scenario’s voor betalingsachterstanden worden doorgerekend? 73. Hoe wordt de gezamenlijke huisvesting in de kasstromen gefaseerd? 74. Welke minimale kasreserve per programma is vereist? 75. Hoe wordt de kaspositie gerapporteerd aan de raden? 76. Hoe wordt de minimale omvang van de algemene reserve per programma exact bepaald conform VZGrichtlijn? 77. Welke criteria gelden voor resultaatbestemming zonder zienswijze (Art. 31 lid 3)? 78. Hoe wordt het jaarresultaat per programma toegerekend aan reserves? 79. Welke maximale omvang heeft de egalisatiereserve per programma? 80. Hoe wordt de reserve voor huisvestingskosten exact opgebouwd? 81. Welke herijking van reserves vindt plaats bij herijking van de bijdrageregeling? 82. Hoe wordt het resultaat van de “plus op de lasten” in de reserves verwerkt? 83. Welke BBV-beginselen gelden voor de reservevorming? 84. Hoe worden voorzieningen voor personele frictiekosten in de reserves opgenomen? 85. Welke impact heeft de programmascheiding op de reserveontwikkeling? 86. Hoe wordt de reserve voor cao-harmonisatie precies gevormd? 87. Welke minimale dekkingsgraad is vereist voor de reserves in 2028? 88. Hoe wordt het resultaatbestemmingsvoorstel aan het AB voorgelegd? 89. Welke rol speelt de accountant bij de reservebeoordeling? 90. Hoe worden reserves gebruikt bij exogene kostenstijgingen? 91.

Welke meerjarenontwikkeling van reserves wordt voorgesteld in de begroting 2028? 92. Hoe wordt de egalisatie van lasten over de jaren precies vormgegeven? 93. Welke maximale onttrekking aan reserves is toegestaan zonder zienswijze? 94. Hoe worden de reserves gescheiden gehouden per programma? 95. Welke scenario’s voor reserveaanvulling bij hogere rente worden doorgerekend? 96. Hoe wordt de reserve voor uittreding of ontbinding opgebouwd?

5

97. Welke impact heeft de evaluatie (Art. 49) op de reserveplanning? 98. Hoe wordt de “plus op de lasten” in de eerste jaren geabsorbeerd door reserves? 99. Welke BBV-paragraaf geldt voor de toelichting op reserves? 100. Hoe wordt de vermogenspositie van de GR in de balans gepresenteerd? 101. Hoe wordt de bijdrageregeling exact berekend op basis van de stemgewichten/inwoneraantallen (Art. 9 lid 6)? 102. Welke CBS-peildatum wordt gebruikt voor de herijking van de verdeelsleutel? 103. Hoe vaak vindt herijking van de bijdrageregeling plaats en onder welke voorwaarden? 104. Welke procedure geldt voor de 2/3 meerderheid bij vaststelling van de bijdrageregeling? 105. Hoe wordt de bijdrage van Middelburg precies berekend in 2028? 106. Welke impact heeft bevolkingsgroei of -krimp op de individuele gemeentelijke bijdragen? 107. Hoe worden de bijdragen per programma gescheiden in de bijdrageregeling? 108. Welke minimale en maximale bijdrage per inwoner wordt voorzien? 109. Hoe wordt de bijdrageregeling afgestemd op de gemeentelijke meerjarenbegrotingen? 110. Welke herijking vindt plaats bij de “plus op de lasten” in de beginjaren? 111. Hoe wordt de bijdrage voor gezamenlijke huisvesting precies verdeeld? 112. Welke aanpassingen in de bijdrageregeling zijn nodig door het uitstel naar 2028? 113. Hoe wordt de zienswijzeprocedure op de bijdrageregeling precies uitgevoerd? 114.

Welke scenario’s voor wijziging van de verdeelsleutel worden doorgerekend? 115. Hoe wordt de bijdrage van gemeenten met hoge stemgewichten (bijv. Middelburg) beschermd? 116. Welke indexering geldt voor de bijdrageregeling? 117. Hoe wordt de bijdrageregeling gekoppeld aan de begroting 2028? 118. Welke minimale transparantievereisten gelden voor de bijdrageregeling per gemeente? 119. Hoe worden de kosten van cao-harmonisatie in de bijdrageregeling verwerkt? 120. Welke impact heeft een eventuele uittreding op de bijdrageregeling van de overige gemeenten? 121. Hoe wordt de 2/3 meerderheid precies berekend bij stemming over de bijdrageregeling?

6

122. Welke rol spelen de bestuurscommissies bij de bijdrageregeling? 123. Hoe wordt de bijdrageregeling jaarlijks geactualiseerd? 124. Welke BBV-conforme toelichting is vereist bij de bijdrageregeling? 125. Hoe worden de bijdragen gefaseerd betaald in het eerste jaar? 126. Welke gevolgen heeft de programmascheiding voor de bijdrageregeling? 127. Hoe wordt de bijdrage voor Veilig Thuis precies verdeeld? 128. Welke herijking vindt plaats bij actualisatie van CBS-cijfers? 129. Hoe wordt de “plus op de lasten” verdeeld over de gemeenten? 130. Welke minimale waarborg is er voor de stabiliteit van de bijdrageregeling? 131. Wat is de actuele bandbreedte van de exogene kostenstijging huisvesting (rente + inflatie) in de meerjarenraming 2028-2032? 132. Hoe worden de meerkosten door cao- en rechtspositieharmonisatie precies gekwantificeerd per jaar? 133. Welke fasering van de “plus op de lasten” wordt voorzien in 2028-2030? 134. Hoe wordt de gezamenlijke huisvesting financieel gefaseerd (bouw, inrichting, exploitatie)? 135. Welke scenario’s voor rentestijging (1-3%) worden doorgerekend in de huisvestingskosten? 136. Hoe wordt de impact van inflatie op personele en materiële kosten exact berekend? 137. Welke buffer is voorzien voor onvoorziene exogene kostenstijgingen? 138. Hoe worden de meerkosten in de beginjaren precies verdeeld over de gemeenten? 139.

Welke herijking van de huisvestingskosten vindt plaats vóór 1 januari 2028? 140. Hoe wordt de cao-harmonisatie gefinancierd zonder taakstellingen op primaire processen? 141. Welke kostenraming geldt voor de overgang van privaatrecht naar publiekrecht? 142. Hoe worden de frictiekosten van personeel in de begroting opgenomen? 143. Welke impact heeft het uitstel op de totale investeringskosten huisvesting? 144. Hoe wordt de “plus op de lasten” zichtbaar gemaakt in de begroting per gemeente? 145. Welke meerjarenraming geldt voor de totale meerkosten 2028-2032? 146. Hoe worden de kosten van de Q&A- en correctieontwikkelingen verwerkt?

7

147. Welke scenario’s voor hogere energiekosten in de gezamenlijke huisvesting worden gehanteerd? 148. Hoe wordt de arbeidsmarktpositieverbetering financieel gekwantificeerd? 149. Welke besparingen op lange termijn worden exact doorgerekend tegenover de korte-termijnmeerkosten? 150. Hoe wordt de bandbreedte van de totale kostenstijging door harmonisatie berekend? 151. Welke impact heeft de rentestijging op de kapitaallasten van huisvesting? 152. Hoe worden de kosten van de BOR- en OR-procedures in de begroting verwerkt? 153. Welke fasering geldt voor de investeringen in gezamenlijke systemen en ICT? 154. Hoe wordt de exogene kostenstijging jaarlijks geactualiseerd? 155. Welke minimale besparing op bedrijfsvoering wordt vereist om de meerkosten te compenseren? 156. Hoe wordt de impact op de primaire processen (gezondheid/veiligheid) financieel gemonitord? 157. Welke scenario-analyse geldt voor hogere inflatie (3-5%)? 158. Hoe worden de meerkosten van de uitgestelde inwerkingtreding precies berekend? 159. Welke reserve is voorzien specifiek voor cao- en rechtspositierisico’s? 160. Hoe wordt de totale financiële impact op de Zeeuwse gemeenten in de meerjarenraming gepresenteerd? 161. Hoe wordt de uittreedsom exact berekend inclusief frictie- en desintegratiekosten? 162. Welke 10% risico-opslag wordt toegepast op de uittreedsom en hoe wordt deze gekwantificeerd? 163.

Hoe wordt de alternatieve berekening via afnemende eigen bijdrage (100%-20%) exact toegepast? 164. Welke kapitaallasten van huisvesting worden meegenomen in de uittreedsom? 165. Hoe worden personele overnamekosten (gekapitaliseerd) berekend bij uittreding? 166. Welke minimale uittreedsom geldt voor een gemeente met 11 stemgewichten? 167. Hoe wordt de desintegratiekostencomponent precies gekwantificeerd? 168. Welke scenario’s voor uittreding na 5 jaar worden financieel doorgerekend? 169. Hoe wordt de voorlopige uittreedsom (Art. 42 lid 4) berekend? 170. Welke impact heeft uittreding op de reserves van de GR? 171. Hoe worden de kosten van ontbinding (Art. 47) exact geraamd? 172. Welke liquidatiekosten voor personeel worden voorzien bij ontbinding?

8

173. Hoe wordt de vermogensverdeling bij uittreding precies berekend? 174. Welke herijking van uittredingskosten vindt plaats bij actualisatie van huisvestingskosten? 175. Hoe worden de meerkosten door uittreding verdeeld over de overige gemeenten? 176. Welke minimale termijn voor betaling van de uittreedsom geldt? 177. Hoe wordt de 10% risico-opslag vrijgegeven of terugbetaald? 178. Welke financiële waarborgen bestaan voor continuïteit van taken bij uittreding? 179. Hoe wordt de uittreedsom gekoppeld aan de bijdrageregeling? 180. Welke meerjarenraming geldt voor mogelijke uittredingskosten? 181. Hoe wordt de accountantscontrole per programma precies uitgevoerd? 182. Welke controleverordening geldt voor de GR en hoe wordt deze afgestemd? 183. Hoe wordt de tussentijdse rapportage over financiële uitvoering aan raden vormgegeven? 184. Welke key performance indicators (KPI’s) gelden voor de financiële beheersing? 185. Hoe wordt de impact op de begroting van Middelburg exact berekend voor 2028-2032? 186. Welke paragraaf in de Middelburgse begroting bevat de GR-bijdrage? 187. Hoe wordt de financiële risicoanalyse van de GR opgenomen in de Middelburgse paragraaf weerstandsvermogen? 188. Welke audittrail geldt voor de toerekening van kosten aan Middelburg? 189. Hoe wordt de jaarrekening van de GR geïntegreerd in de Middelburgse verantwoording? 190.

Welke minimale rapportagefrequentie geldt voor de financiële positie aan de raad? 191. Hoe wordt de “plus op de lasten” specifiek voor Middelburg gekwantificeerd? 192. Welke scenario’s voor hogere bijdragen door exogene kosten worden voor Middelburg doorgerekend? 193. Hoe wordt de programmascheiding zichtbaar in de Middelburgse begroting? 194. Welke rol speelt de rekenkamer van Middelburg bij de controle van de GR-bijdragen? 195. Hoe wordt de langetermijnefficiëntie financieel gemonitord en gerapporteerd? 196. Welke minimale besparingsdoelstelling geldt voor de gezamenlijke bedrijfsvoering? 197. Hoe wordt de financiële impact van de evaluatie (Art. 49) precies voorbereid?

9

198. Welke BBV-conforme presentatie geldt voor de GR in de Middelburgse jaarrekening? 199. Hoe wordt de totale financiële druk op de Zeeuwse gemeenten (inclusief Middelburg) jaarlijks geactualiseerd? 200. Welke meerjarenraming van de totale GR-lasten voor Middelburg (2028-2035) wordt voorgesteld inclusief alle scenario’s?

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16961995/1