CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Vragen aan het college - andere fracties Harry van den Dool (FVD) bijlage 02 Alternatief Minimabeleid zicht op niet-gebruik Bijlagen

Commissie Maatschappelijke Zaken 7 mei 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Vragen aan het college over een alternatief minimabeleid - Harry van den Dool (FVD)12.396 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Binnenlands Bestuur Hoe gemeenten ‘verborgen armen’ kunnen bereiken ‘Maak eens gebruik van een groothandelskrantje van de Makro of de Hanos’. Sigrid Starremans 01 mei 2025 Werkenden met een minimuminkomen komen vaak moeilijk rond, wat kan leiden tot betalingsachterstanden en schulden. Juist deze groep mensen maakt weinig gebruik van de ondersteuningsregelingen van de gemeente. In een grootschalig onderzoek is daarom gekeken naar hoe gemeenten deze ‘verborgen armen’ beter kunnen bereiken. Onder de loep De stadspas, de witgoedregeling, kwijtschelding van de gemeentebelastingen. Zomaar een greep uit het assortiment ‘minimaregelingen’ dat gemeenten aanbieden voor inwoners met een kleine portemonnee. Er is alleen één probleem: een grote groep burgers die recht heeft op deze regelingen maakt er geen gebruik van. In een grootschalig onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), dat van september 2020 tot februari 2025 liep, werd deze groep ‘verborgen armen’ onder de loep genomen. Werkende armen ‘Het gaat om burgers die rond moeten komen van het wettelijk sociaal minimum, maar die niet bekend zijn bij de gemeente’, zegt Lisette Desain. De HvA-onderzoeker is projectleider van het onderzoek. Uit dat rapport blijkt dat 55 procent van de verborgen armen werkt. ‘Ook ouderen met alleen een AOWuitkering of een klein pensioen kunnen in verborgen armoede leven’, aldus Desain.

De onderzoekers hebben echter de focus gelegd op werkende armen. De tien gemeenten die betrokken waren bij het onderzoek gaven namelijk aan dat ze ouderen al goed bereiken met hun ouderen- en welzijnsbeleid. ‘Maar juist de groep werkenden, die zien gemeenten gewoon echt niet. Die vinden hun weg niet naar welzijnsactiviteiten of buurteams’, zegt Desain. Verder gaat het vaak om eenpersoonshuishoudens, met name vrouwen tot 35 jaar en ouderen tussen de 55 en 64 jaar. ‘Hoogopgeleiden lopen het hoogste risico om verborgen arm te zijn’, stelt ze. Van de zzp’ers die in armoede leven, is 87 procent verborgen arm. Dat geldt voor 98 procent van de zelfstandigen met personeel (zmp’ers). Waarom bereiken gemeenten die werkenden armen niet? Desain: ‘Een van de redenen is dat er heel veel armoederegelingen zijn voor deze doelgroep. Soms wel een stuk of dertig. En dat moet je dan maar weten als burger. Veel werkende armen weten überhaupt niet dat deze regelingen bestaan. Of ze menen dat ze alleen bedoeld zijn voor mensen met een bijstandsuitkering. Uit de meting van het Nibud onder werkenden met een laag inkomen kwam naar voren dat 5 procent van de ondervraagden gebruikmaakt van de gemeenteregelingen. Voor de landelijke regelingen is dat 55 procent. Lastig is ook dat er verschillende regels gelden om van die regelingen gebruik te kunnen maken.

Soms ligt de grens bijvoorbeeld bij 101 procent van het wettelijk sociaal minimum. Maar voor andere regelingen is de grens 120 of 140 procent. Die verschillen maken het onoverzichtelijk. Bovendien denken mensen al snel dat als ze bijvoorbeeld kwijtschelding hebben aangevraagd en die niet hebben gekregen, ze ook niet in aanmerking komen voor andere regelingen. Terwijl dat dus niet per definitie zo is. Anderen weten wel dat de regelingen bestaan, maar maken er bewust geen gebruik van. Bijvoorbeeld omdat ze bang zijn dat ze later geld moeten terugbetalen omdat ze wisselende inkomsten hebben. Of vanuit eerdere slechte ervaringen met de gemeente. Ook hoorden we terug dat de gemeentelijke regelingen niet aansluiten bij de behoeften van werkende armen.’ Zijn er opties voor het beter in zicht krijgen van de doelgroep en het overzichtelijker maken van al die regelingen?

‘Wat heel goed werkt, is het koppelen van databestanden, zoals in Amsterdam gebeurt. Dan kun je dus zien: deze mensen hebben wel een stadspas maar maken geen gebruik van andere minimaregelingen. En dan kun je ze vervolgens aanschrijven: “Uit onze administratie blijkt dat u de stadspas hebt, maar dat u andere regelingen nog niet heeft aangevraagd. Mogelijk heeft u daar ook recht op.”’ Opnieuw aanvragen Zo vroeg Amsterdam aan inwoners met een energietoeslag of de gemeente hen mag benaderen met informatie over andere regelingen waar ze mogelijk voor in aanmerking komen. ‘Op die manier maak je de relatie duurzaam. En het is ook een goede manier om burgers te informeren. Sommige regelingen moeten mensen ieder jaar weer opnieuw aanvragen, maar je kunt burgers daar wel in faciliteren door ze daaraan te herinneren.’ Simpel En in Amersfoort is er Geldcheck. ‘Dat is een online tool waarin verschillende regelingen zijn samengebracht om de aanvraagprocedure zo simpel mogelijk te houden. Bij de evaluatie zagen we dat een deel van de mensen die daar gebruik van maakt inderdaad voorheen onbekend was bij de gemeente.’ Jullie hebben ook met werkgevers gesproken. Zijn zij ook een geschikte vindplaats voor gemeenten om met werkende armen in contact te komen? ‘Dat is wat diffuser. Het Nibud heeft een enquête onder werkenden en zzp’ers uitgezet.

Daaruit bleek dat werkgevers niet zo’n goede vindplaats zijn omdat mensen liever niet met hun werkgever over geldproblemen praten. Maar uit een casestudy kwam naar voren dat de werkgever wel een belangrijke speler kan zijn om mensen verder te helpen als ze de Nederlandse taal niet goed spreken. Wat er vaker gebeurt, is dat deze werknemers een werkgever aanspreken omdat ze bijvoorbeeld een brief niet begrijpen. Als blijkt dat er dan problemen zijn, kan de werkgever mensen doorsturen naar het buurteam voor bijvoorbeeld schuldhulpverlening. Gemeenten zouden contact kunnen leggen met grote bedrijven waarvan bekend is dat veel werknemers in een lage loonschaal werken. Denk aan de schoonmaakbranche. Vaak willen werkgevers best een rol pakken, maar weten ze zelf ook niet welke regelingen er allemaal zijn.’

Binnenlands Bestuur

In zes gemeenten gaan deurwaarders actiever letten op problematische schulden. ANP 03 april 2025 In zes gemeenten gaan gerechtsdeurwaarders de komende tijd actiever letten op problematische schulden. Amsterdam, Den Haag, Breda, Nijmegen, Weert en Helmond doen samen met deurwaarderskantoren mee aan een proef. De landelijke aftrap is donderdag in Utrecht. Ketensignalering De proef, die ongeveer anderhalf jaar duurt, geeft invulling aan een motie van voormalig Tweede Kamerlid Hilde Palland (CDA). Zij bepleitte twee jaar geleden een bredere rol van gerechtsdeurwaarders bij onder meer het (vroeg)signaleren van problematische schulden, en ze vroeg om een pilot. In de praktijk doen veel deurwaarders dat inmiddels al, maar deze vorm van 'ketensignalering' is nog niet goed gestructureerd, vindt de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. Doorverwijzen Voorzitter Chris Bakhuis-van Kesteren: 'Wij komen elk jaar met 1,5 miljoen huisbezoeken letterlijk aan de deur en ook achter de deur bij mensen met schulden. We kennen het dossier, zien de situatie ter plekke, gaan het gesprek aan en vragen door. Zo zijn we goed in staat om ons een beeld te vormen van wat er speelt, om in te schatten of er sprake is van problemen en om daarover een veel rijker signaal af te geven.' Ook zegt ze dat deurwaarders bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar schuldhulp.

Zorgplicht De pilot loopt vooruit op een wettelijke zorgplicht, die de positie moet verstevigen van gerechtsdeurwaarders tussen schuldeisers aan de ene kant en mensen met schulden aan de andere kant. Tegelijk met de proef doet de Hogeschool Utrecht onderzoek naar de beweegredenen van mensen om niet naar de schuldhulpverlening te stappen. Bestuur

Binnenlands Bestuur Toegang tot het recht krimpt, terwijl maatwerk faalt Er is volgens ombudsvrouw Marianne van den Anker op grote schaal sprake van rechtsongelijkheid. Stijn Vos 24 maart 2025 De toegang tot het recht en rechtsbescherming staat onder druk. Sociaal advocaten stoppen ermee, terwijl inwoners door schaarser wordende voorzieningen steeds vaker moet strijden om hun recht te behalen. Marianne van den Anker, ombudsvrouw in Rotterdam, ziet een overheid die zegt dat het anders moet, maar in de praktijk huiverig- en niet in staat is om echt te veranderen. Toegang tot het recht Vorig jaar november signaleerde Ombudsman Rotterdam-Rijnmond (ORR) al dat de toegang tot het recht onder druk staat en dat rechtshulp ongelijk beschikbaar is. De ORR deed onderzoek naar de besteding van de zogenaamde POK-gelden. Een impulsregeling die het rijk sinds 2022 beschikbaar stelt om de dienstverlening van gemeenten aan kwetsbare inwoners te versterken. Het is de nasleep van de toeslagenaffaire en de ambitie die daarna is ontstaan om het in de toekomst beter te doen. POK-gelden In de praktijk blijkt dat de gemeente in de regio Rotterdam niet allemaal evenveel urgentie geven aan de besteding van die nieuwe middelen. In Rotterdam gaat het best goed, vertelt ombudsvrouw Marianne van den Anker. De ombudsfunctie is versterkt, en de gemeente heeft extra sociaal raadslieden aangesteld.

Daarnaast kent de havenstad een aantal grote stichtingen, waaronder Stichting Je goed recht, kunnen mensen met weinig geld naar het juridisch loket, en zijn er vrijwilligers die kwetsbare mensen ondersteunen. Verschillen tussen gemeenten Recent onderzoek uitgevoerd door De Groene Amsterdammer onderstreept opnieuw dat iemands woonplaats grote invloed heeft op de hulpmiddelen die er beschikbaar zijn. Dat er in veel gemeenten niet de voorzieningen zijn die Rotterdam wel kent. Dit terwijl die voorzieningen nog steeds hard nodig zijn. ‘Het begint bij de toegang tot informatie’, zegt Van den Anker. ‘Dat is stap één. De overheid is nog te vaak onbegrijpelijk. Landelijke organisaties lijken dat niet te begrijpen.’ Als je niet weet wat de overheid wel- en niet mag doen, dan weet je ook niet waartegen je bezwaar en beroep kunt indienen. Mensen laten dingen daarom vaak gewoon gebeuren. Marianne van den Anker, ombudsvrouw Rotterdam. Toegang tot informatie Bij de ORR blijven de hulpvragen van mensen die correspondentie van overheidsinstanties niet begrijpen binnenstromen. ‘Jaarlijks organiseert de bibliotheek inloopmoment om Rotterdammers te helpen met het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting. Ook dit jaar is dat weer direct volgeboekt.’ De belastingdienst heeft volgens Van den Anker te weinig het besef dat het voor veel mensen veel te complex is.

‘Daar zien ze alleen de ingevulde aangiften binnenkomen, maar niet dat daar een heel door de gemeenten gesubsidieerd hulptraject aan voorafgaat. En dan moet je maar net mazzel hebben dat je in een gemeente woont waar dit soort hulp beschikbaar is.’ Sociale advocatuur Het aantal sociaal advocaten krimpt al jaren. De commissie Van der Meer, ingesteld door het kabinet om te onderzoeken of de vergoedingen nog wel kloppen, adviseerde begin maart de vergoedingen voor ondersteuning met toeslagen met 35 procent te verhogen. ‘Ik hoop dat het kabinet met de aanbevelingen in de hand wat betreft de sociale advocatuur het tij kan keren. Tegelijkertijd zie je dat heel veel mensen niet eens uitkomen bij een sociaal advocaat, omdat ze simpelweg niet weten waar ze recht op hebben.’ 'Mensen laten dingen gewoon gebeuren' ‘Als je niet weet wat de overheid wel- en niet mag doen, dan weet je ook niet waartegen je bezwaar en beroep kunt indienen. Mensen laten dingen daarom vaak gewoon gebeuren. Daarnaast is het juridisch

loket inmiddels alleen maar beschikbaar voor mensen die echt niks hebben. Als je werkt verdien je vrijwel altijd te veel geld om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand.’ Pleisters Terwijl er de laatste tijd veel aandacht uitgaat naar het afbrokkelen van die gesubsidieerde rechtsbijstand en de lokale verschillen tussen de beschikbaarheid van rechtshulp, is dat volgens de Rotterdamse ombudsvrouw eigenlijk ook een vorm van pleisters plakken. ‘Het is eigenlijk heel vreemd, dat we naar de sociale advocatuur kijken als oplossing voor de fouten van de overheid. Als de overheid gewoon normaal doet, en niet zo achterlijk bureaucratisch, dan is al die rechtshulp niet nodig. Overheden moeten naast inwoners gaan staan, en niet zoals nu veel te vaak er tegenover. Gesprekken, in plaats van procedures. Niet meer escaleren naar de rechter. En investeer in de ombudsfunctie, voor als het echt niet lukt.’ Men is gekneed in rechtmatigheid. Marianne van den Anker, ombudsvrouw Rotterdam. Rechtmatigheidsdenken De welwillendheid die in woorden is ontstaan na de toeslagenaffaire ziet Van den Anker nog lang niet altijd in daden terug. ‘Men is gekneed in rechtmatigheid. Dat is nog steeds de leidende reflex als er iets mis gaat: kijken naar de feitelijke rechtmatigheid en niet met de algemene basisbeginselen van behoorlijk bestuur. Ik zie ook een gebrek aan eigenaarschap.

Mensen worden nog steeds van het kastje naar de muur gestuurd. Echt integraal werken is nog niet wijdverspreid binnen de overheid.’ Maatwerk kost tijd De ombudsvrouw denkt dat het krampachtige vasthouden aan juridische voorwaarden bij het contact met inwoners enerzijds een gewoonte is, maar anderzijds ook een reactie op de toenemende schaarste. ‘De top, het bestuur, zegt: je mag afwijken van wat wij hebben bepaald. Maar maatwerk kost tijd en die tijd hebben ambtenaren niet. Dan is het makkelijk om alleen vanuit een rechtmatigheidsperspectief te kijken. Daarnaast is er de angst om af te wijken.’ Ambtenaren in de knoop Eerder vertelde Cathalijne Dortmans, lid van de spoedcommissie voortgang herstel toeslagen, aan Binnenlands Bestuur dat gemeenteambtenaren ongemak voelen bij het opeens voeren van ruimhartig beleid, terwijl het uitgangspunt lang schaarste is geweest. Dat ging specifiek over de uitzonderingspositie van toeslagenouders, maar Van den Anker ervaart dat ambtenaren sowieso niet makkelijk maatwerk leveren. ‘We horen heel vaak dat de gemeente geen precedent wil scheppen. Dat als ze voor één iemand snel hulp regelen, of voor één schrijnend geval snel een sociale huurwoning bijvoorbeeld, dat ze dat dan voor iedereen moeten doen.’ Rechtsongelijkheid ‘Of ze zeggen: er zijn nog schrijnendere gevallen dus dit geval moet even wachten.

En de inwoner moet daar maar begrip voor hebben. Dat is in onze ogen onbehoorlijk bestuur. Door de schaarste die er is, in het sociaal domein en bijvoorbeeld wat betreft sociale huurwoningen, is er daardoor een hele ongemakkelijke situatie ontstaan. Gemeenten moeten kiezen wie ze helpen, uit een groep die allemaal recht heeft op hetzelfde. Daardoor is er op grote schaal sprake van rechtsongelijkheid.’ Podcast Om aandacht te vragen voor het onderwerp is de ORR eind vorig jaar een podcast gestart, genaamd ‘Wat zeg je?!’. De derde aflevering, met als gasten Carlijn Vervoort, directeur van Stichting Je Goed Recht, en Michiel van Nispen, Tweede Kamerlid voor de SP, gaat over ‘je recht halen’ als inwoner en wat er politiek nodig is om het recht toegankelijker te maken voor iedereen. ‘Ik zou graag zien dat rechtshulp overal beschikbaar is’, zegt Van den Anker. ‘Je moet als inwoner als het ware ergens om de hoek kunnen binnenwandelen om ondersteuning te kunnen krijgen.’

Binnenlands Bestuur

Aandeel mensen in diepe armoede blijft toenemen Steeds meer werkenden vallen ruim onder de armoedegrens. Dat vraagt om gerichter beleid, aldus Anna Custers, Lector Armoede Interventies. Stijn Vos/18 maart 2025 Uit de meest recente ramingen van het CPB blijkt dat het aandeel mensen in diepe armoede verder zal toenemen de komende jaren. Volgens Anna Custers, Lector Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam, laat deze ontwikkeling van de ‘armoede-intensiteit’ duidelijk zien dat het armoedebeleid van de overheid werkende armen slecht bereikt. Nieuwe methode In oktober vorig jaar werd door het Nibud, CBS en CPB de nieuwe methode om armoede te meten gepresenteerd. Tegelijkertijd werden er cijfers gepubliceerd waaruit bleek dat de ernst van de armoede waarin mensen verkeren, of ‘armoede-intensiteit’, tussen 2018 en 2023 gemiddeld is toegenomen. Steeds meer mensen die vlak onder de armoedegrens leefden kwamen daar uiteindelijk uit. De groep die ver onder de armoedegrens leeft is echter gelijk gebleven. Ramingen Uit nieuwe ramingen door het CPB blijkt nu dat dit nog verder zal toenemen in 2025 en 2026. Tegelijkertijd voorspelt het CPB dat het aantal mensen onder de armoedegrens verder blijft dalen, naar 2,9 procent van de bevolking in 2026. Anna Custers, lector Armoede Interventies aan de Hogeschool van Amsterdam, verbaast zich niet over deze cijfers.

‘Het is een ontwikkeling die al wat langer bekend is. Die wordt nu onderstreept doordat we inzicht in armoede-intensiteit meenemen als we het hebben over armoede.’ Onderscheid is belangrijk ‘Het maken van een verdeling die laat zien hoe ver iemand onder de armoedegrens leeft is namelijk heel belangrijk. Je wil niet alleen weten wat er vlak onder of vlak boven die armoedegrens gebeurt, maar juist ook wat er gebeurt met de mensen die veel dieper in de armoede zitten. We zien nu duidelijk: de groep die 30 procent onder de armoedegrens zit blijft daar steken.’ Gevolg van beleid Custers wijst op de nuance dat het aantal mensen in diepe armoede in absolute aantallen niet toeneemt, en dat volgens de ramingen naar verwachting ook niet zal doen. Maar die groep blijft wel even groot, terwijl het aantal mensen in relatief lichte armoede krimpt. ‘Het is een duidelijk gevolg van het beleid dat de overheid heeft gevoerd, met primair generieke armoederegelingen: de verhoging van het minimumloon en daaraan gekoppelde uitkeringen, de verhoging van de huurtoeslag en de verhoging van het kindgebonden budget.’ De groep mensen die in diepe armoede verkeert bestaat inmiddels grotendeels uit wat we noemen ‘werkende armen’. Bijstandsgerechtigden beter bereikt ‘Wat we zien is dat deze regelingen best goed terecht zijn gekomen bij de groep armen die een bijstandsuitkering ontvangt.

Zij zijn al goed in beeld bij de instanties, en zij vinden dan ook vaker de ondersteuning waar ze recht op hebben. Daardoor bestaat de groep mensen die in diepe armoede verkeert inmiddels grotendeels uit wat we noemen ‘werkende armen’. Mensen met een inkomen uit werk, die toch niet genoeg verdienen om rond te komen.’ Weinig zicht van te voren Volgens de lector Armoede Interventies is het dan ook geen bewuste keuze geweest van de overheid om zich te richten op de groep met de minste te overbruggen afstand tot het sociaal minimum. ‘Het is een

onbedoeld effect geweest, of sterker nog, ik denk dat de overheid vooraf weinig zicht heeft gehad op de gevolgen van het verruimen van regelingen.’ Inflatiecrisis ‘Tijdens de inflatiecrisis, die in 2022 begon, zag je het heel duidelijk. De overheid zag dat uit de ramingen van het CPB bleek dat er een grote toename in het aantal armen zat aan te komen, wilde daar iets aan doen, en ging bij zichzelf na welke knoppen ze had om aan te draaien. Daardoor kwam er een energieplafond, een energietoeslag en de minimumloonverhoging (waarmee de bijstandsuitkering ook steeg red.).’ 'Vraagt om specifiek beleid voor werkende armen' 'Dat die regelingen goed terecht zijn gekomen bij de bijstandsgerechtigden, maar niet bij de werkende armen, was toen eigenlijk geen aandachtspunt. De bijstand was jarenlang niet meer gecorrigeerd voor koopkrachtverlies, daar ging destijds de aandacht naar uit. Dat is gelukt. Nu zie je alleen dat armoedeproblematiek niet enkel iets is van de bijstandsgerechtigden. Het vraagt ook om specifiek beleid voor werkende armen.’ Niet-gebruik Door het rijk, maar ook op gemeenteniveau, wordt veel gedaan om niet-gebruik van regelingen tegen te gaan. Het blijft volgens Custers echter een complex probleem. ‘Eigenlijk hebben we in Nederland al aan alles gedacht. Voor vrijwel alle problematiek die je kunt bedenken is er een regeling. Toch is er structureel niet-gebruik.

Dat zegt ook iets over het systeem dat we hebben.’ Het systeem Veel van de werkende armen die, zo blijkt uit de cijfers, maar beperkt geholpen zijn door het armoedebeleid van de laatste jaren, hebben bijvoorbeeld recht op aanvullende bijstand om hun inkomen aan te vullen. ‘Maar er is tot wel 35 procent niet-gebruik. Veel werkende armen hebben te maken met wisselende inkomsten. Dat betekent dat ze bij betere maanden plots hun uitkering weer moeten inleveren. Vaak gaat het ook om een relatief klein bedrag, en er zijn allerlei voorwaarden waar je aan moet voldoen.’ Onduidelijkheden Tegelijkertijd wijst Custers er ook op dat er, ondanks dat nu ten minste duidelijk is welke groep er vooral tussen wal en schip valt, ook nog relatief veel onduidelijk is over armoede-intensiteit. ‘We weten bijvoorbeeld nog niet precies in hoeverre de diepte van armoede wordt bepaald door niet-gebruik. Er zijn ook andere factoren, zoals het stagneren van lonen aan de onderkant van het loongebouw en de relatieve achteruitgang die daaruit ontstaat. En hoge woon- en energielasten spelen ook een rol in de laatste armoedecijfers. Dit zouden we dus nog verder moeten uitdiepen.’ Nieuwe ramingen helpen Volgens Custers zijn er voor zover zij weet momenteel geen regelingen of wetsvoorstellen in de maak die specifiek gericht zijn op het verbeteren van de positie van werkende armen.

Er is wel aandacht voor, maar er wordt voornamelijk gefocust op het terugdringen van niet-gebruik, zowel op lokaal als landelijk niveau. ’Het is in ieder geval een positieve ontwikkeling dat armoede-intensiteit voortaan als belangrijke factor wordt meegenomen in de ramingen van het CPB. Dit helpt om scherper armoedebeleid te formuleren en om telkens af te kunnen wegen welke groepen met welk beleidsinstrument het beste bereikt kunnen worden.’

Gemeente.nu

CPB: ruim 1 miljard aan toeslagen onbenut 11 maart 2025 DOOR NIOBE MOEN Mensen maken lang niet altijd gebruik van de toeslagen waar ze recht op hebben. Zo bleef volgens het Centraal Planbureau (CPB) in 2021 ruim 1 miljard euro aan huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget onbenut. Vooral onder zelfstandigen en net-gepensioneerden is de groep die geen gebruik maakt van toeslagen relatief groot, zo bericht het CPB. Onder bijstandsgerechtigden is dit aandeel juist relatief klein. Niet-gebruik in kaart Het bureau onderzocht in hoeverre het recht op toeslagen onbenut blijft. Bij het kindgebonden budget is het niet-gebruik in de periode 2016-2021 afgenomen van bijna 15 naar 8,5 procent. Hierbij speelt een hersteloperatie uit 2018 mogelijk een rol. Voor de huurtoeslag steeg het niet-gebruik over de periode 2018-2021 van 10 naar 12 procent, waarschijnlijk omdat vanaf 2020 meer mensen recht kregen op de toeslag. Voor zorgtoeslag liep het niet-gebruik op van bijna 11 naar ruim 12 procent. Zelfstandigen en net-gepensioneerden Bij alle toeslagen blijken zelfstandigen relatief vaak geld te laten liggen. Van de zelfstandigen die recht hebben op huurtoeslag vraagt ruim 25 procent deze niet aan. Bij de zorgtoeslag ligt dit percentage op 20 procent, en bij het kindgebonden budget op 13 procent.

Meer dan de helft van de zelfstandigen die de zorgtoeslag niet aanvragen, had recht op het maximale bedrag per maand (107 euro in 2021). Ook net-gepensioneerden blijken lang niet altijd huur- en zorgtoeslag aan te vragen. Bijna 1 op de 5 huishoudens met een recent gepensioneerde maakt volgens het CPB geen gebruik van de huurtoeslag als zij er recht op hebben. Hierbij gaat het om een mediaan bedrag van 67 euro per maand. Bij de zorgtoeslag maakt 1 op de 6 geen gebruik van de zorgtoeslag, met een mediaan bedrag van 62 euro. Hoogte toeslag speelt een rol Het niet-gebruik van toeslagen is het hoogst bij bedragen van maximaal 50 euro per maand. Hoe hoger het bedrag per maand waar iemand recht op heeft, hoe lager het niet-gebruik is, zo constateert het planbureau. Dit is ook het beeld bij bijstandsgerechtigden. Slechts 1 tot 2 procent van de bijstandsgerechtigden die recht hebben op het kindgebonden budget of een toeslag, laat dit liggen. Voor bijstandsgerechtigden geldt dat ze recht hebben op een hoog toeslagbedrag en daardoor direct een belangrijk deel van hun besteedbaar inkomen missen, in het geval dat ze de toeslag niet aanvragen. Hier speelt ook mee dat bijstandsgerechtigden vaak in beeld zijn bij gemeenten en daardoor vaak goed worden bereikt. Toeslagen langdurig onbenut Bij alle toeslagen maakt een deel van de rechthebbenden jarenlang geen gebruik van een toeslag.

Vooral bij de zorg- en huurtoeslag ligt dit aandeel relatief hoog. Bij het kindgebonden budget ligt het lager. Hier vraagt meer dan de helft van de huishoudens de toeslag alsnog aan na één jaar. Dit kan overigens om forse bedragen gaan. Huishoudens die 4 jaar lang geen huurtoeslag aanvragen, missen gemiddeld 150 euro per maand. Gericht beleid Bij sommige groepen kan het niet-gebruik mogelijk dalen door mensen gericht te informeren, zo schrijft het CPB. ‘Beleid om niet-gebruik binnen het huidige stelsel verder tegen te gaan, kan mogelijk gericht worden op zelfstandigen. Dat is een groep die bij alle toeslagen een relatief hoog percentage niet-gebruik heeft. Het gaat om substantiële bedragen en er is sprake van relatief veel langdurig niet-gebruik.’ Een ander advies is mensen te informeren over de huurtoeslag via private verhuurders, omdat het nietgebruik relatief hoog is. Voor huur- en zorgtoeslag kan beleid zich daarnaast richten op gepensioneerden, omdat deze groep relatief eenvoudig te bereiken is. Dit betreft evenwel een kleine groep niet-gebruikers.

Onbenut recht

Een onderzoek naar het niet-gebruik van de huur- en zorgtoeslag en het kindgebonden budget

Het totale niet-gebruik van toeslagen laat

Deze publicatie gaat in op de ontwikkeling en

een wisselend beeld zien. Het percentage

mate van niet-gebruik van de huur- en

rechthebbenden dat de huur- en

zorgtoeslag en het kindgebonden budget tot

zorgtoeslag niet aanvroeg, is licht

en met 2021. De toeslagen zijn in het leven

gestegen tussen 2018 en 2021, maar bij

geroepen om de meest kwetsbare groepen

het kindgebonden budget is het gedaald.

ɕbUbW]YY`hYcbXYfghYibYb"8]hcbXYfncY_

Bij alle toeslagen is er een relatief hoog

draagt bij aan het inzicht in hoeverre de

niet-gebruik onder zelfstandigen. Het

groepen voor wie de toeslagen bedoeld zijn

niet-gebruik onder bijstandsgerechtigden

ook daadwerkelijk bereikt worden.

is juist relatief laag. Ook zien we bij alle toeslagen dat het niet-gebruik hardnekkig is: een deel van de rechthebbenden maakt jaar na jaar geen gebruik van de toeslag. De omvang van die groep langdurige

CPB - maart 2025

niet-gebruikers verschilt wel per toeslag. AUf^UbJYfVYf_ AUiX<cɘUbX  Bente Presse, Eugène Verkade

Zicht op niet-gebruik van toeslagen Toeslagen zijn bedoeld om financieel kwetsbare mensen te ondersteunen. Dit onderzoek brengt voor drie toeslagen in beeld of huishoudens voor wie ze bedoeld zijn, ze ook gebruiken

Huurtoeslag

Kindgebonden budget

Zorgtoeslag

% van mensen of huishoudens dat recht heeft op een toeslag, maar hier geen gebruik van maakt (niet-gebruik)

10

2021 2018

12

11

2021 2018

12

15

2021 2016

9

niet-gebruik in aantallen in 2021

196.000 huishoudens

679.000 personen

99.000 huishoudens

+47.000 sinds 2018

+109.000 sinds 2018

-42.000 sinds 2016

doorsnee bedrag per maand dat deze huishoudens of personen missen door geen gebruik te maken van de toeslag €108

2018

€77

2021

2018

€70

2018

2021

€72

2021

‘Doorsnee’ houdt in dat de helft van de mensen dit bedrag of minder mist. De andere helft mist dit bedrag of meer

€67 €84

Conclusies

Hoe lager het bedrag waar mensen recht op hebben, hoe hoger het aantal mensen dat geen gebruik maakt van een toeslag

Onder zzp’ers is het niet-gebruik van toeslagen relatief hoog. Een op de vier vraagt geen huurtoeslag aan

Langdurig niet-gebruik

deel dat t/m 2021 niet gebruikt deel dat na 2018 wel gebruikt

niet-gebruikers in 2018 huurtoeslag

We zien bij volwassenen een hoger niet-gebruik in het jaar van een grote verandering zoals een eerste kind of pensioen

Onder jongeren tot 23 jaar is het niet-gebruik van de zorgtoeslag laag

We hebben niet onderzocht waarom mensen geen gebruik maken van toeslagen

Beleid

45%

zorgtoeslag kindgebonden budget

Het niet-gebruik is laag onder mensen in de bijstand, maar als zij een toeslag missen is het effect groot

56% 30%

Het komt vaak voor dat wie in het eerste jaar geen gebruik maakt van een toeslag, dat daarna ook niet doet. Bij de zorgtoeslag is dit aandeel het grootst. Huurders missen in doorsnee het meest: €150 per maand

Het totale niet-gebruik is mogelijk te verlagen door netgepensioneerden en zzp’ers gerichter te informeren

© Centraal Planbureau, Den Haag 2025 7D6DI6@=75H=9¿CbVYbihfYW\h

Pagina &van '(

Samenvatting Dit CPB-onderzoek laat zien hoeveel mensen of huishoudens geen gebruik maken van de huurtoeslag, zorgtoeslag of het kindgebonden budget terwijl ze daar wel recht op hebben. We noemen dit ook wel nietgebruik: mensen of huishoudens hebben recht op een toeslag, maar ontvangen deze om welke reden dan ook niet. Hierdoor lopen zij het risico om onder het sociaal minimum te belanden. Het is daarom relevant om in kaart te brengen hoe hoog het niet-gebruik precies is, gelet op verschillende kenmerken. Niet-gebruik van de huurtoeslag en het kindgebonden budget is al eerder onderzocht in een CPB-studie uit 2019 (Berkhout et al., 2019). Niet-gebruik van de zorgtoeslag hebben we nog niet eerder geanalyseerd. De resultaten geven antwoord op de vraag in hoeverre de toeslagen de groepen bereiken voor wie ze bedoeld zijn. Het niet-gebruik van de zorg- en huurtoeslag is licht gestegen en het niet-gebruik van het kindgebonden budget is gedaald. Het totale niet-gebruik van toeslagen laat dus een wisselend beeld zien. Het niet-gebruik van de huurtoeslag nam in de periode 2018 tot en met 2021 toe van 10% naar 12% van de huishoudens met recht op huurtoeslag. Tegelijk nam het doorsnee bedrag dat deze huishoudens niet aanvroegen af van 108 naar 77 euro per maand. Dit is het gevolg van de verruiming van de inkomensgrenzen in 2020.

Het aantal huishoudens met recht op huurtoeslag nam daardoor toe, maar de nieuwe groep huishoudens had wel recht op lagere bedragen. Bij het kindgebonden budget nam het niet-gebruik in de periode 2016 tot en met 2021 af van bijna 15% naar 8,5%. Mogelijk speelt de hersteloperatie uit 2018 1 hierbij een rol. Het niet-gebruik van de zorgtoeslag is door de jaren heen licht gestegen van bijna 11% tot iets meer dan 12% van de personen die er recht op hadden. Bij alle toeslagen is het niet-gebruik relatief hoog onder zelfstandigen en relatief laag onder bijstandsgerechtigden. Het niet-gebruik onder zelfstandigen varieert in 2021 van bijna 13% bij het kindgebonden budget tot ruim 25% bij de huurtoeslag. In absolute aantallen gaat het vooral bij de zorgtoeslag om een grote groep, namelijk 98 dzd personen in 2021. Bijstandsgerechtigden hebben bij alle toeslagen een zeer laag niet-gebruik. Voor bijstandsgerechtigden geldt wel dat zij direct een belangrijk deel van hun besteedbaar inkomen missen wanneer zij een toeslag niet aanvragen. Daarnaast kent de huurtoeslag een hoog niet-gebruik onder gepensioneerden en het kindgebonden budget een laag niet-gebruik onder eenoudergezinnen. Bijna één op de vijf huishoudens met een recent gepensioneerde maakt geen gebruik van de huurtoeslag.

Bij het kindgebonden budget ligt het niet-gebruik van eenoudergezinnen met ruim 5% laag in vergelijking met het totaal. Door de alleenstaande ouderkop missen zij wel zo’n 265 euro per maand als zij de toeslag niet aanvragen. De alleenstaande ouderkop is een vast extra bedrag voor alleenstaande ouders. Bij de zorgtoeslag is het lage niet-gebruik onder jongeren tot 23 jaar, thuiswonende kinderen en studenten opvallend. Het percentage niet-gebruik ligt hoger naarmate het bedrag afneemt waar een huishouden recht op heeft. Het niet-gebruik is bij alle toeslagen het hoogst onder huishoudens die recht hebben op maximaal 50 euro per maand. Dat dit veel huishoudens betreft is niet direct zorgelijk, want het gaat over het algemeen om huishoudens met een wat hoger inkomen. Over het algemeen geldt: hoe hoger het bedrag per maand, hoe lager het niet-gebruik. Bij alle toeslagen zien we dat een deel van de rechthebbenden jaar op jaar geen gebruik maakt van een toeslag terwijl ze er wel recht op hebben. De omvang van deze groep verschilt wel per toeslag. Bij de zorgtoeslag en de huurtoeslag is het langdurige niet-gebruik hoog. Bij het kindgebonden budget ligt het lager.

1 In de periode 2013-2019 ontving een aantal ouders ten onrechte geen kindgebonden budget. Zij hebben dit bedrag met een herstelreactie alsnog toegekend gekregen.

7D6DI6@=75T=9 – Cnbenut recht

Pagina 3 van 34

Het bedrag dat deze huishoudens mislopen als zij de toeslag vier jaar lang niet aanvragen, is bij de huurtoeslag ongeveer 150 euro per maand. Bij het kindgebonden budget en de zorgtoeslag liggen de niet-aangevraagde bedragen respectievelijk rond de 130 euro per maand en rond de 80 euro per maand. Gepensioneerden en paren vormen bij de huur- en zorgtoeslag de grootste groepen. Bij het kindgebonden budget betreft het voornamelijk paren en ouders tussen de 45 en 54 jaar. Voor alle drie de toeslagen geldt dat het aantal huishoudens dat de toeslag alsnog aanvraagt snel afneemt naarmate zij langer niet-gebruiker zijn. Bij sommige groepen kan het niet-gebruik mogelijk worden verminderd door mensen gericht te informeren. Beleid om niet-gebruik binnen het huidige stelsel verder tegen te gaan, kan mogelijk gericht worden op zelfstandigen. Dat is een groep die bij alle toeslagen een relatief hoog percentage niet-gebruik heeft. Het gaat om substantiële bedragen en er is sprake van relatief veel langdurig niet-gebruik. Verder kan worden geprobeerd om mensen actief te informeren over de huurtoeslag via private verhuurders, omdat het niet-gebruik ervan in deze sector relatief hoog is. Voor huur- en zorgtoeslag kan beleid daarnaast ook gericht worden op net gepensioneerden, omdat deze groep relatief eenvoudig te bereiken is. Het gaat wel om een kleine groep niet-gebruikers.

Overigens is het niet mogelijk om individuele huishoudens te benaderen op basis van dit onderzoek, omdat we geanonimiseerde data hebben gebruikt met vastgestelde inkomens uit het verleden. Huishoudens die worden geïnformeerd moeten de huur- of zorgtoeslag daarnaast zelf aanvragen, omdat hiervoor actuele gegevens nodig zijn.

7D6DI6@=75H=9¿CbVYbihfYW\h

Pagina 4 van 34

Kabinet wil mensen actief wijzen op regelingen om bestaanszekerheid te vergroten PERSBERICHT/Nieuwsbericht | 21-02-2025 | 14:30 Het kabinet wil ervoor zorgen dat UWV, SVB en gemeenten mensen actief kunnen benaderen om hen te wijzen op uitkeringen en andere (sociale) voorzieningen waar zij recht hebben. Daarom moet het wettelijk mogelijk worden bepaalde gegevens met elkaar te delen. Het kabinet wil zo de bestaanszekerheid vergroten en armoede terugdringen. Vervolgens gaan uitvoeringsorganisaties ook hulp bieden bij het aanvragen van een regeling. Het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening dat dit regelt van minister Van Hijum van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat vandaag voor advies naar de Raad van State. Te veel mensen weten niet dat zij recht hebben op een uitkering of voorziening vanwege hun inkomen of zijn bang om die aan te vragen uit angst dat ze iets moeten terugbetalen. Daardoor komen mensen mogelijk onder het sociaal minimum terecht en neemt het risico op geldzorgen, armoede en schulden toe. Door middel van het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening wil minister Van Hijum het mogelijk maken dat de uitvoeringsorganisaties UWV, SVB en gemeenten mensen actief wijzen op hun rechten en financiële ondersteuning. Ook kunnen zij gewezen worden op hulp bij het vinden van een baan of het oplossen van problematische schulden.

Minister Van Hijum: “Te vaak ervaren mensen de overheid met alle verschillende regelingen en toeslagen als een doolhof waarin ze de weg helemaal kwijtraken. Ik wil ervoor zorgen dat mensen beschikbare hulp weten te vinden. Daar ligt een grote verantwoordelijkheid voor de overheid. We moeten actief naar mensen toe om hen te wijzen op financiële ondersteuning. Zo krijgen we ook beter in beeld waar mensen mee te maken hebben en kunnen we bijvoorbeeld helpen met het oplossen van schulden of iemand weer naar werk begeleiden. Dit vergroot niet alleen de bestaanszekerheid, maar ook het vertrouwen in de overheid.” Nu is het zo dat mensen moeten weten of ze ergens recht op hebben. Uitvoeringsorganisaties mogen daar niet actief op wijzen. Om de bestaanszekerheid te vergroten en armoede terug te dringen, wil minister Van Hijum daar verandering in brengen. Hij werkt hierin samen met gemeenten die al voorlopen op de wet en zelf actiever proberen mensen te wijzen op een bepaalde regeling. Het gaat bijvoorbeeld om de bijstandsuitkering, de Toeslagenwet en de AIO (aanvullende inkomensvoorziening ouderen). Door het ook in de wet te verankeren wordt dit straks een stuk makkelijker en kunnen meer mensen geholpen worden. UWV, SVB en gemeenten kunnen mensen informeren en hen vervolgens ook helpen met de aanvraagprocedure.

Uitvoeringsorganisaties kunnen vanwege privacyregels op dit moment niet zien of mensen vanwege hun inkomen of financiële situatie recht hebben op een uitkering of sociale voorziening. Door het wetsvoorstel is dit straks wel mogelijk. De minister benadrukt dat regels voor het uitwisselen van persoonsgegevens in deze wet heel goed zijn afgebakend. Het wordt alleen gebruikt om mensen te wijzen waar zij recht op hebben, en dus niet voor handhaving.

Commentaar: Register Specialistisch Case Management

Overheid moet actief gaan wijzen op uitkering en voorzieningen https://www.register-rsc.nl/kennisplatform/nieuwsbrief-april-2025/overheid-moet-actief-gaanwijzen-op-uitkering-en-voorzieningen/

Om mensen actief te kunnen wijzen op het recht op een uitkering of voorziening, moeten UWV, SVB en gemeenten meer ruimte krijgen om onderling gegevens uit te wisselen. Het kabinet wil de wet wijzigen om dit mogelijk te maken. Volgens de regering ontvangen te veel mensen nu geen financiële ondersteuning omdat ze hun rechten niet kennen, zich schamen of bang zijn dat ze later terug moeten betalen. Dit blijkt uit een persbericht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) over het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening. Hierover is intussen ook een internetconsultatie gestart. Door instanties vaker gegevens uit te laten wisselen en mensen proactief te laten informeren, wil het kabinet de bestaanszekerheid vergroten en armoede terugdringen. Volgens het persbericht ervaren veel mensen alle regelingen en toeslagen nu als een doolhof waarin ze de weg kwijt raken. Het kabinet wil ervoor zorgen dat iedereen die hulp nodig heeft deze ook werkelijk krijgt. Privacyregels hinderen proactieve voorlichting Op dit moment verhinderen privacyregels vaak dat overheidsinstanties mensen actief op hun rechten kunnen wijzen. Doordat de instanties gegevens niet onderling mogen delen, hebben de medewerkers die er werken meestal geen volledig zicht op iemands inkomen en financiële situatie.

Hierdoor kunnen ze ook niet beoordelen of de persoon in kwestie wellicht voor een uitkering of voorziening in aanmerking komt. Alles komt zo aan op wat burgers zelf weten over hun rechten en de regels rond voorzieningen. Maar dat is voor velen een te complexe opgave. Meer uitwisseling moet dienstverlening verbeteren Het wetsvoorstel moet verandering brengen in deze situatie, door uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat medewerkers van deze instanties mensen waar nodig ook gaan helpen bij het aanvragen van bijvoorbeeld een uitkering, toeslag of voorziening. Deze dienstverlening moet er ook voor zorgen dat instanties een beter beeld krijgen van waar mensen mee te maken hebben. Ze kunnen dan bijvoorbeeld helpen met het oplossen van schulden, of iemand weer naar werk begeleiden. Dit moet niet alleen de bestaanszekerheid, maar ook het vertrouwen in de overheid vergroten. Het kabinet benadrukt dat de nieuwe wet het gebruik van gegevens duidelijk afbakent. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om uitgewisselde informatie te benutten om te handhaven en boetes op te leggen.

Binnenlands Bestuur

‘Gemeenten moeten actiever naar armoede op zoek’ Mensen die in armoede leven wantrouwen vaak de overheid. Hoe kom je ze als gemeente bij hen binnen? Martin Hendriksma 17 februari 2025 Ruim een half miljoen Nederlanders leven in armoede, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Gemeenten proberen die armoede te bestrijden met verschillende beleidsinstrumenten. Maar bereiken ze daarbij wel de mensen die het echt nodig hebben? Want wie zijn die mensen? En waar hebben die in de praktijk het meeste behoefte aan? Necker onderzocht het armoedebeleid en de lokale inzet op het tegengaan van ongelijkheid in negen gemeenten. Weinig vertrouwen Uit het onderzoek blijkt dat een groot deel van de mensen die in armoede leven weinig tot geen vertrouwen heeft in de overheid. Eerder onderzoek van Citisens (De staat van betrokkenheid) laat zien dat dit voor ongeveer 33 procent van alle Nederlanders geldt. Opvallend is dat gemeenten meer vertrouwen krijgen dan andere overheidsinstituties: 58 procent van de mensen geeft aan wel vertrouwen te hebben in hun eigen gemeente. De regering moet het doen met een karige 33 procent. Netwerk Gemeenten zetten steeds meer in op het versterken van het sociale netwerk van de eigen inwoners. Maar het onderzoek laat zien dat lang niet iedereen zo’n netwerk heeft. Zo geeft meer dan de helft aan niemand te kennen die veel weet van overheidsregelingen of geldzaken.

Ook beschikt de helft niet over iemand in zijn of haar netwerk van wie ze 2.500 euro zouden kunnen lenen en missen ze mensen om bij te rade te gaan voor medisch advies. Vakmensen Wat in het onderzoek opvalt, is het verschil tussen een ‘theoretisch netwerk’ en een ‘praktisch netwerk’. Mensen met armoedeproblematiek hebben vaak geen contact met bijvoorbeeld artsen of politici, en ook niet met mensen die hen financieel kunnen helpen of wegwijs kunnen maken in overheidszaken. Tegelijkertijd kennen zij dan weer wel vakmensen, zoals timmerlieden, of mensen die boodschappen voor hen kunnen doen als ze ziek zijn. Opzoeken Inwoners die baat kunnen hebben bij armoederegelingen nemen vaak zelf niet de eerste stap naar (mogelijke) ondersteuning. Dit betekent dus dat gemeenten hen actief moeten opzoeken. Deze inwoners wonen niet gelijkmatig verspreid over de wijken maar vooral in sociale huurwoningen, vaak geconcentreerd in bepaalde buurten. Dit biedt gemeenten de kans om hen gericht op te zoeken en met een speciale aanpak te ondersteunen. Lokale ambassadeurs Toch blijkt uit het onderzoek dat dit gericht opzoeken en ondersteunen in de praktijk nog weinig gebeurt. Het zou bijvoorbeeld kunnen met (lokale) ambassadeurs in de samenleving en door aanwezig te zijn op plekken waar deze groep vaak komt.

Daarnaast kun je mensen preventief informeren bij belangrijke levensgebeurtenissen, zoals scheiding, huwelijk of het bereiken van een bepaalde leeftijd. De inzichten zijn verzameld door onderzoek in negen gemeenten: Maastricht, Nissewaard, Alblasserdam, Druten, Assen, Hoorn, Oisterwijk, Venray en Diemen. Daarnaast deed Necker een kwalitatieve evaluatie van het armoedebeleid, de beschikbare regelingen en de uitvoering. Ook onderzoek onder het Citisenspanel (6.178 invullers) droeg bij aan de inzichten.

Binnenlands Bestuur

Kabinet: schuldhulp niet te afwachtend, bereik wel beperkt Volgens minister Van Hijum wordt er wel degelijk proactief gehandeld door gemeenten. Tegelijkertijd wordt een grote groep niet geholpen. Stijn Vos 23 januari 2025 Het kabinet is het niet eens met de stelling dat schuldhulpverlening te afwachtend te werk gaat. Dat blijkt uit antwoorden van minister Eddy van Hijum en staatssecretaris Jurgen Nobel op vragen die Kamerlid Esmah Lahlah stelde naar aanleiding van een publicatie door Binnenlands Bestuur. Het kabinet erkent wel dat een grote groep mensen die baat zou hebben bij schuldhulpverlening daar geen gebruik van maakt. 2,47 procent In het artikel van 29 november schreef Binnenlands Bestuur op basis van berekeningen door Maarten Bergman, opleider in de schuldhulpverlening, dat jaarlijks slechts 2,47 procent van de huishoudens met geregistreerde schulden schuldenvrij wordt via een schuldregeling. Bergman stelde in het artikel ook dat de schuldhulpverlening te grote drempels heeft voor schuldenaren en dat de hulpverlening te afwachtend is ingeregeld. Het aantal huishoudens met problematische schulden is de afgelopen 30 jaar met een factor 3 toegenomen. Kamervragen GroenLinks-PvdA Kamerlid Esmah Lahlah stelde hierop vragen aan het kabinet.

Ze wilde onder andere weten hoe de minister de cijfers beoordeelt en wat het kabinet wil gaan doen om de cijfers substantieel te verbeteren. De minister begint zijn antwoorden met de opmerking dat in het artikel onterecht wordt gezegd dat slechts 2,47 procent van de huishoudens jaarlijks schuldenvrij wordt. Dat dit in het artikel zou staan is onjuist: daarin staat enkel dat deze zeer kleine groep mensen jaarlijks schuldenvrij wordt via een schuldregeling. Ook in de rest van het artikel wordt enkel ingegaan op het gebrek aan slagkracht van schuldregelingen. Andere manieren De minister vervolgt zijn beantwoording door te zeggen dat inwoners ook op andere manieren schuldenvrij kunnen worden, bijvoorbeeld door zelf betalingsregelingen te treffen. Hoewel de minister zegt dat dit steeds vaker gebeurd zegt hij daarna ook dat hierover helemaal geen cijfers over bekend zijn. Het aantal aanmeldingen voor schuldhulpverlening is wel gestegen, met maar liefst 62 procent. Toch heeft het niet kunnen voorkomen dat er inmiddels 720.000 huishoudens in de financiële problemen zitten. Vroegsignalering Volgens de minister ligt het in ieder geval niet aan de afwachtende houding van schuldhulpverleners. Daarover kan staatssecretaris Jurgen Nobel wel cijfers presenteren.

‘Uit recente cijfers van Divosa blijkt dat in 2024 naar verwachting circa 695.000 inwoners met een betalingsachterstand proactief een hulpaanbod hebben gekregen van de gemeente, waarbij de gemeenten met ruim 132.000 inwoners in contact is gekomen’, aldus Nobel. Gemeenten doen steeds meer met vroegsignalering en het kabinet werkt daarnaast aan het wetsvoorstel ‘proactieve dienstverlening’ waarmee gemeenten meer middelen krijgen om in iemands gegevens te kijken om te bepalen of iemand misschien baar heeft bij schuldhulpverlening. Groep niet geholpen

Tegelijkertijd moet ook het kabinet toegeven dat, ondanks dat er door gemeenten al veel gedaan wordt om de groep met schulden vroeg te bereiken, dit nog vaak niet lukt. In het bijzonder geldt dat voor mensen met gestapelde problematiek en complexe hulpvragen, omdat er sprake is van een versnipperd stelsel van loketten en regelingen. ‘Het feit dat regelingen verschillende definities en voorwaarden kunnen hebben of dat ze soms op een onbedoelde wijze op elkaar door werken draagt hier niet aan bij.’ Veel onderzoeken dit jaar De minister geeft aan momenteel in gesprek te zijn met de VNG en Divosa over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten en het verbeteren van het armoedebeleid. Daarnaast wordt de Kamer dit jaar nog geïnformeerd over het Nationaal programma Armoede en Schulden, een evaluatieonderzoek naar vroegsignalering, een onderzoek naar de effecten van de verkorting van de minnelijke schuldentrajecten van 36 naar 18 maanden en het project Data Delen Armoede en Schulden.

Binnenlands Bestuur

Evaluatie minimabeleid in de WVOLV-gemeenten Drempels voor inwoners verlagen en sturingsmogelijkheden verbeteren. Purpose 02 december 2024 Voor de Rekenkamer van gemeenten Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg (WVOLV) evalueerde Purpose het minimabeleid, de uitvoering daarvan en de sturingsmogelijkheden door de gemeenteraden. Na een kwalitatief onderzoek dat bestond uit interviews en deskresearch was het advies van Purpose om drempels voor inwoners te verlagen en de mogelijkheden voor sturing te verbeteren. Onderzoek vanuit vier perspectieven Purpose heeft voor de evaluatie van minimabeleid in de WVOLV-gemeenten vier perspectieven bij elkaar gebracht: 1. Inwoners 2. Hulpverleners en adviesraden 3. Ambtenaren en wethouders 4. Bureau-onderzoek De interviews gingen over de beleving en waardering van het minimabeleid, de situatie in de gemeenten, hoe de uitvoering geregeld is en wat aanbevelingen zijn voor verbetering. Voor de deskresearch maakte Purpose gebruik van bestaande onderzoeken, beleidsplannen, aanwezige data en raadsinformatiesystemen. Ruim aanbod minima, aanvraag kan makkelijker Purpose leverde een visuele rapportage op met verhalen van inwoners, zowel in tekst als in geluidsfragmenten.

Zij concludeerde dat de WVOLV-gemeenten een compleet pakket regelingen aanbieden, maar inwoners behoefte hebben aan meer aanbod voor de participatie van volwassenen. Inwoners waren blij met de regelingen, maar ervaarden wel drempels in de aanvraag ervan. Inwoners waren soms niet bekend met het aanbod, hadden moeite met het vinden van de informatie en met de hoeveelheid stukken die aangeleverd moesten worden bij de aanvraag. Er was ook ruimte voor verbetering in het sturingsmodel voor de gemeenteraden. Er lijkt ook ruimte voor verbetering van bekendheid en bereik van de regelingen. Advies: meer sturing, minder drempels Purpose adviseerde de gemeenten om de effectiviteit van het armoedebeleid te verhogen door het stellen van concrete doelen, het wegnemen van drempels voor inwoners en het zorgen voor meer sturingsinformatie. De hoofdaanbevelingen waren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Verlaag drempels die inwoners ervaren in de uitvoering Ontwikkel doelgroepgerichte communicatie om bekendheid en bereik te vergroten Formuleer beleidsdoelen SMART en verbind aan concrete activiteiten Onderzoek verhoging van de inkomensgrens voor bepaalde regelingen Zorg voor regelmatiger sturingsinformatie gekoppeld aan de doelen Werk aan een klantgerichte cultuur bij consulenten

Meer oog voor de mens Binnen alle gemeenteraden heeft het rapport geleid tot gesprek over de toereikendheid van de minimaregelingen en mogelijkheden om met name het proces van aanvragen beter in te richten, met meer oog voor de mens.

Leven op sociaal minimum is niet overal hetzelfde 29 november 2024 DOOR ANNEMIEKE DIEKMAN De grotere rol van gemeenten in het minimabeleid sinds 2015, heeft onbedoeld geleid tot ongelijkheid in de inkomensondersteuning. ‘Het Rijk is aan zet,’ zegt zowel het Nibud dat hier onderzoek naar uitvoerde als de VNG in een reactie. Het rapport Verschillen in gemeentelijk minimabeleid van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) toont aan dat het uitmaakt als minima in de ene of andere gemeente wonen. Dat gaat dwars in tegen het recht van iedere Nederlander op dezelfde basisvoorzieningen. Eerder dit jaar constateerde vakbond FNV dit ook al in een onderzoek. Niet genoeg om rond te komen In Nederland leven 540.000 mensen onder de armoedegrens en nog eens 1,2 miljoen daar net boven. Zij zijn vaak voor een groot deel van hun inkomen afhankelijk van toeslagen en andere vormen van inkomensondersteuning. Dat brengt een grote mate van onzekerheid met zich mee, concludeerde vorig jaar de Commissie sociaal minimum. De Commissie stelde vast dat huishoudens met een laag inkomen tussen de 200 en 500 euro per maand tekortkomen. Ook merkt de commissie op dat de verschillen tussen gemeenten aanzienlijk zijn, zowel wat betreft de gehanteerde inkomensgrenzen als de hoogte van de ondersteuning.

Dit terwijl deze huishoudens van Delfzijl tot Terneuzen eenzelfde bedrag zouden moeten krijgen wat nodig is om te kunnen rondkomen. ‘Het kan niet zo zijn dat de gemeentegrens bepaalt of je ergens recht op hebt,’ zegt Nibud-directeur Arjan Vliegenthart. Verschillen energietoeslag Vanuit de gedachte dat lokale overheden dichter bij hun inwoners staan dan de landelijke overheid, kregen gemeenten in 2015 meer verantwoordelijkheid en vrijheid om inwoners inkomensondersteuning te bieden. Op verzoek van gemeenten zelf rekende het Nibud het door hen vastgestelde en uitgevoerde minimabeleid door van 20 gemeenten in het jaar 2023. Een van de toeslagen die gemeenten verstrekken, is de individuele inkomenstoeslag. Deze toeslag is bij wet geregeld en zou met dezelfde hoogte en onder dezelfde voorwaarden verstrekt moeten worden in elke Nederlandse gemeente. Bijvoorbeeld de energietoeslag, die mensen met een laag inkomen tijdens de energiecrisis in 2022 en 2023 bij hun gemeente konden aanvragen. Maar wat blijkt: in sommigen gemeente kwamen inwoners met een inkomen tot 120 procent van het sociale minimum in aanmerking in andere gemeenten tot 150 procent.

Vliegenthart: ‘In de ene gemeente ontving je dus geen energietoeslag als het inkomen 130 procent van het minimum was, in de andere gemeente wel.’ ‘Niet uit te leggen’ ‘Gemeenten hebben sinds 2015 ontzettend veel op hun bordje gekregen,’ vervolgt de Nibud-directeur. ‘We zien dat ze heel veel doen om hun inwoners daar waar nodig financieel te ondersteunen. Tegelijkertijd moeten ze ook keuzes maken in wat ze wel en niet kunnen doen. Dat leidt soms tot verschillen tussen gemeenten, zoals bijvoorbeeld de verschillende voorwaarden die golden voor de energietoeslag.’

Het lokale minimabeleid heeft in toenemende mate een structurele vorm aangenomen. Met als doel het aanvullen van oplopende tekorten bij huishoudens die op of rond het sociaal minimum leven. Voor het Nibud is de omvang van de ontstane verschillen onbestaanbaar en niet uit te leggen aan de inwoners om wie het gaat. Het instituut verwacht de komende jaren (met het ‘ravijnjaar 2026 voorop’) dat bezuinigingen op het gemeentefonds de verschillen tussen gemeenten alleen maar verder zullen vergroten. ‘Dat vraagt om een herziening van de uitgangspunten van de taakverdeling tussen Rijk en gemeenten.’ Basis op orde Het Rijk moet zorgen dat de basis op orde is. Oftewel dat het inkomen van burgers voldoende is om de minimaal noodzakelijke uitgaven te kunnen doen, aldus het Nibud. Op deze manier verdwijnt de wildgroei aan inkomensondersteunende regelingen, die per gemeente kunnen verschillen en die zelfs binnen één gemeente door verschillende organisaties kunnen worden uitgevoerd. Voor gemeenten is het geruststellend dat inwoners via landelijke regelingen voldoende inkomen ontvangen, zij kunnen hun focus verleggen naar maatwerk én naar de kwetsbaarste mensen die door hun persoonlijke omstandigheden financiële problemen blijven houden.

VNG: Rijk is aan zet De VNG sluit zich aan bij de oproep van Nibud: ‘Het Rijk moet de basis verzorgen, zodat gemeenten het benodigde en aanvullende maatwerk kunnen leveren.’ Het voelt voor Marianne van der Sloot, wethouder Den Bosch en actief voor de VNG, als de omgekeerde wereld. Het Rijk is verantwoordelijk voor een sociaal minimum, benadrukt ze. ‘Daar vallen gaten, daar moet het gebeuren. Gemeenten en lokale maatschappelijke organisaties zetten alles op alles om hun inwoners te helpen, en geven daar eigen middelen aan uit. Zonder die inzet is een toereikend inkomen om van rond te komen en mee te doen helemaal onbereikbaar. Het Rijk is nu aan zet,’ aldus Van der Sloot. Samen stappen zetten De VNG en de betrokken bewindspersonen stemmen af hoe ze de gedeelde ambities op het gebied van bestaanszekerheid haalbaar en uitvoerbaar kunnen maken. ‘Dit bespreken we vanuit de verantwoordelijkheden tussen de rijksoverheid en gemeenten. We willen graag stappen zetten op het borgen van bestaanszekerheid, nu en op de lange termijn.’ Samen met lokale maatschappelijke partners zetten gemeenten zich volgens Van der Sloot keihard in om passende hulp en ondersteuning te bieden. ‘Zonder die inzet leven inwoners nog verder onder het bestaansminimum.’

Binnenlands Bestuur

Slechts fractie huishoudens geholpen door schuldregeling Van de 730.000 huishoudens met geregistreerde problematische schulden werden er in 2023 maar 15.000 schuldenvrij door schuldhulp. Stijn Vos 29 november 2024 In het gunstigste geval wordt jaarlijks 2,47 procent van huishoudens met geregistreerde problematische schulden in Nederland schuldenvrij via schuldregelingen. Dat blijkt uit berekeningen door Maarten Bergman, opleider in de schuldhulpverlening. Het aantal mensen dat elk jaar problematische schulden krijgt is groter. Toename Het aantal huishoudens met problematische schulden is de afgelopen jaren dan ook flink toegenomen. Volgens de laatste cijfers betreft het inmiddels 9 procent van de Nederlandse huishoudens. Zo’n 730.000 gezinnen. In 30 jaar tijd is het aantal huishoudens met problematische schulden met een factor drie toegenomen, aldus Divosa. Oorzaken Er zijn allerlei factoren die de toename van het aantal mensen met problematische schulden kunnen verklaren. Een recent rapport van de HvA wijst bijvoorbeeld naar de verleidingen van internet en de rol van de overheid en die van de Dienst Toeslagen in het bijzonder. Ook een steeds flexibelere arbeidsmarkt, de toename van eenpersoonshuishoudens en het achterblijven van het bestaansminimum spelen mee. Bereik Maar ook de cijfers over de uitstroom geven weinig aanleiding voor een feeststemming.

Zo schetst Bergman van Aries Solutions Schuldhulpverlening op basis van verschillende bronnen. Van de 730.000 huishoudens met problematische schulden die het CBS registreert bereiken jaarlijks nog geen 80.000 een NVVK schuldhulpverlener. 2,47 procent Van iets meer dan 15.000 huishoudens worden de schulden ook daadwerkelijk opgelost. Zo kan worden opgemaakt uit het jaarverslag van de NVVK en de jaarlijkse monitor WSNP van de Raad voor de Rechtspraak. In totaal wordt per jaar dus slechts 2,47 procent van de huishoudens met geregistreerde problematische schulden schuldenvrij. Dit is volgens Bergman in het gunstigste geval. Afwachtend 'Ik ben niet verbaasd over de cijfers', zegt Bergman. 'Wel verbaast het me dat niemand in het werkveld lijkt te beseffen dat ze zo weinig slagvaardig zijn.' Volgens de schuldhulpverlener is een fundamentele herziening nodig van de sector. 'Er zijn te strenge procedures voordat iemand met schulden wordt toegelaten. Dat schrikt bij voorbaat af. En daarnaast is het te afwachtend. Men zit in een kantoor te wachten tot iemand zich meldt voor schuldhulp. Dat werkt niet.'

Binnenlands Bestuur

Nibud: ongelijkheid tussen gemeentelijke regelingen voor armsten De verschillen lijken samen te hangen met de hoeveelheid bijstandsgerechtigden in een gemeente. ANP 28 november 2024

Tussen de regelingen van verschillende gemeenten voor de armste inwoners zitten grote verschillen. Tot die conclusie komt het Nibud na een vergelijking tussen twintig gemeenten. Voor mensen die afhankelijk zijn van toeslagen om rond te komen is dit volgens de voorlichter voor geldzaken onrechtvaardig. Toeslag Een voorbeeld van een gemeentelijke regeling is de individuele inkomenstoeslag, die gemeenten uitkeren aan mensen die lange tijd een laag inkomen hebben ondanks pogingen meer te verdienen. Wie die toeslag kan krijgen, verschilt per gemeente. Zo kun je in de ene woonplaats de toeslag aanvragen als je inkomen even hoog is als het bijstandsniveau, terwijl dat in andere plaatsen al kan als je 110 of 130 procent van de bijstandsnorm verdient. Ook verschilt het per gemeente of koppels met of zonder kinderen evenveel krijgen als alleenstaanden, of meer. Aanzienlijk De verschillen zijn aanzienlijk. Voor een paar met oudere kinderen vond het Nibud dat de individuele inkomenstoeslag in het ongunstigste geval 120 euro per jaar bedraagt, terwijl dat in de gemeente met de ruimste regeling oploopt tot 960 euro. Het gemiddelde ligt op 616 euro. Kinderen Ook bij gemeentelijke regelingen voor kinderen, zoals bijdragen voor onderwijs, sport of cultuur, ziet het Nibud verschillen.

In de ene plaats hebben huishoudens hier pas recht op als ze maximaal 110 procent van de bijstandnorm verdienen, terwijl dat elders ook geldt voor gezinnen met inkomens tot 150 procent van die norm. Ruimhartig De verschillen lijken samen te hangen met de hoeveelheid bijstandsgerechtigden in een gemeente. Als er meer mensen zijn in de bijstand, zijn gemeenten minder ruimhartig met hun toeslagen voor de minima. ‘Nieuwe balans’ Volgens het Nibud wijzen de grote verschillen er ook op dat de decentralisatie van inkomensondersteuning voor ongelijkheid zorgt. Sinds 2015 hebben gemeenten er meer verantwoordelijkheden bij gekregen op dat vlak. Maar de regering zou er volgens het budgetinstituut goed aan doen een ‘nieuwe balans’ te zoeken. Daarbij zou de Rijksoverheid de meeste taken op zich moeten nemen, zodat de verschillen verdwijnen. Basisvoorzieningen ‘Dat je, ondanks het landelijke karakter van een regeling, in de ene gemeente een lager bedrag ontvangt dan in de andere rijmt niet met het gegeven dat alle huishoudens met een laag inkomen recht hebben op dezelfde basisvoorzieningen’, oordeelt Nibud-directeur Arjan Vliegenthart. Bestaanszekerheid Gemeenten vinden dat de landelijke overheid verantwoordelijk is voor een basis aan bestaanszekerheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15502604/1