Vervallen - 21-076 rvs Bestuurlijke fusie JB West en Intervence
Tekst van het document
raadsvoorstel datum vergadering volgnummer
27 mei 2021 21-076
onderwerp
Bestuurlijke fusie Jeugdbescherming West en Intervence voor de uitvoering van de GIfunctie in Zeeland
behandelen in raadscommissie
Maatschappelijke Zaken
portefeuillehouder
Carla Doorn Sociaal Domein Ellenoor de Fretes en Frank Tillema ellenoor.de.fretes@middelburg.nl, f.tillema@middelburg.nl
programma behandeld door e-mail
Conceptbesluit
De raad besluit: 1. Omwille van de zorgcontinuïteit geen zienswijze in te dienen over de bestuurlijke fusie van Intervence en Jeugdbescherming West. 2. In te stemmen met de incidentele financiële consequenties voor 2021 van de bestuurlijke fusie van Intervence en Jeugdbescherming West en hiervoor een bedrag van maximaal € 1.128.000 incidenteel beschikbaar te stellen en dit te dekken uit de algemene reserve. 3. In te stemmen met de structurele financiële consequenties voor 2022 en verder van de bestuurlijke fusie van Intervence en Jeugdbescherming West en hiervoor een bedrag van maximaal € 223.000 beschikbaar te stellen en dit te verwerken in de begroting 2022. Effect
Met instemmen met een bestuurlijke fusie door de bestuurscommissie onder de door hen beschreven voorwaarden, wordt beoogd de zorgcontinuïteit te borgen voor nu en in de toekomst en rust en duidelijkheid te bieden voor alle betrokkenen. De verwachting is ook dat een professionaliseringsslag wordt bereikt en dat de precaire situatie rondom het zelfstandig functioneren van een regionale GI in Zeeland is beëindigd. Aanleiding
Met instemmen met een bestuurlijke fusie onder de beschreven voorwaarden wordt beoogd de zorgcontinuïteit voor nu en in de toekomst te borgen en rust en duidelijkheid te bieden voor alle betrokkenen. De verwachting is ook dat een professionaliseringsslag wordt bereikt en dat de precaire situatie rondom het zelfstandig functioneren van een regionale GI in Zeeland is beëindigd. De bestuurscommissie inkoop jeugd (onder GR GGD Zeeland) heeft de gedelegeerde bevoegdheid voor het sluiten en beëindigen van contracten binnen de jeugdhulp in Zeeland. Al lange tijd zijn de Zeeuwse gemeenten en Intervence in gesprek over de dienstverlening en de bekostiging van de door Intervence geleverde diensten. In 2019 is daarvoor een bestuursakkoord gesloten met de Raad van Toezicht van Intervence, de Zeeuwse gemeenten en het ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: ministerie JenV). In dat bestuursakkoord is afgesproken dat Intervence gedurende twee jaar (2019 en 2020) een instandhoudingsbijdrage zou krijgen, waarna de organisatie de zorg binnen de gestelde financiële kaders zelfstandig zou moeten uitvoeren. In totaal betaalden de Zeeuwse gemeenten in twee jaar een bedrag voor de instandhoudingsbijdrage van € 1.442.000 (€ 838.000 over 2019 en € 604.000 over 2020). Ook zijn in 2019 de tarieven voor de diensten verhoogd.
Een onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord februari 2019 was dat de Zeeuwse gemeenten Intervence structureel gingen bevoorschotten op basis van toen geldende productiecijfers. Bij de verrekening van 2019 bleek dat Intervence tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 teveel bevoorschot was en dit bedrag moet terugbetalen aan de Zeeuwse gemeenten. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag. Intervence beschikte niet over voldoende eigen middelen dit terug te betalen. Het bedrag dat terugbetaald moest worden, is in de 1
afgelopen maanden gedeeltelijk verrekend met de bevoorschotting. De hoogte van het restantbedrag is op dit moment nog niet exact te geven. In november 2020 zijn de resultaten van het scenario-onderzoek Intervence gepresenteerd in de bestuurscommissie. Op basis daarvan heeft de bestuurscommissie besloten het contract van Intervence voor het jaar 2021 definitief niet te verlengen. Het besluit van de bestuurscommissie hield in dat nieuwe casussen voortaan zouden worden uitgevoerd door de drie andere in Zeeland gecontracteerde GI’s: Briedis, Leger des Heils en William Schrikker Stichting. Na dit besluit is er door de bestuurscommissie een overbruggingsovereenkomst met Intervence gesloten zodat de zorg gegarandeerd is tijdens de afbouw van de organisatie. De andere contractpartijen (Briedis, Leger des Heils, William Schrikker stichting) hebben een intentieovereenkomst ondertekend. Gezamenlijk is o.l.v. een onafhankelijk procesbegeleider een ‘Plan van Aanpak voor de gecontroleerde zorgoverdracht’ opgesteld dat medio februari 2021 is opgeleverd. De Inspecties en Jeugdautoriteit hebben toen geoordeeld dat het reeds opgeleverde plan onvoldoende perspectief bood voor de jongeren en de gezinnen maar ook voor de medewerkers van Intervence. Zij hebben de Minister van Rechtsbescherming (S. Dekker) en de Staatsecretaris van VWS (P. Blokhuis) geadviseerd niet in te stemmen met dit scenario.
Tegelijkertijd hebben zij het advies gegeven om de terugvaloptie van Jeugdbescherming West (hierna: JB West) te onderzoeken. Op 9 april 2021 heeft de bestuurscommissie, om deze stappen te bevestigen, met een vijftal bestuurlijke afspraken met het ministerie ingestemd en sindsdien bevindt Zeeland zich op zogeheten trede 3 (zie bijlage 4 en 5). Als verdere opschaling zou plaatsvinden dan betekent dit dat Zeeland op trede 4 terecht komt d.w.z. een besluit tot een indeplaatsstelling. Daarvan is nu geen sprake. Op verzoek van de bestuurscommissie is JB West de businesscase gaan opstellen en is er door de bestuurscommissie ingestemd met het beschikbaar stellen van € 35.000 ten behoeve van de uitwerking van deze businesscase. Wanneer de uitkomst van de businesscase van JB West niet zou leiden tot een bestuurlijke fusie en daarmee onzekerheid over de borging van de zorgcontinuïteit, is het mogelijk dat dit tot opschaling leidt op de interbestuurlijke interventieladder Jeugd. Parallel aan deze opdracht is door de bestuurscommissie juridisch advies gevraagd aan de Pels Rijcken en Adriaanse van der Weel (zie bijlage 3) vanwege de onrechtmatigheden die bij bestuurlijke fusie werden voorzien binnen de aanbestedingswetgeving. De bestuurscommissie heeft gesprekken gevoerd over mogelijke alternatieven voor het scenario.
Het juridisch advies was om een aanbesteding te starten voor ondersteuning van gecertificeerde instellingen per 2021. De opdracht voor het nader uitwerken van een dergelijk terugvalscenario is niet door de bestuurscommissie gegeven. Er is de afgelopen maanden intensief over de zorgen rondom Intervence gesproken met de Raad van Toezicht en de directeur-bestuurder van Intervence, ministerie van JenV en het landelijke Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd. U bent daar op verschillende momenten over geïnformeerd. Op 15 april heeft JB West de businesscase opgeleverd en gepresenteerd aan de bestuurscommissie (zie bijlage 1). Daarna hebben diverse ambtenaren van de Zeeuwse gemeenten (inhoud, financiën, juridisch, inkooporganisatie jeugdhulp) samen met de advocaat van Adriaanse van der Weel een Zeeuws advies opgesteld (zie bijlage 9). Ongeveer gelijktijdig met het opleveren van de businesscase door JB West werd de bestuurscommissie door Briedis en het ministerie van JenV geïnformeerd over de beëindiging van de certificering door het Keurmerk Instituut (KMI). Eerder dit jaar (eind januari) is het certificaat definitief gemaakt. Na een audit heeft het KMI een nieuw besluit genomen.
De beëindiging van de certificering heeft als consequentie dat de organisatie zes maanden de tijd heeft (en eventueel kan dit worden verlengd met zes maanden) om de dossiers over te dragen aan andere gecontracteerde partijen. Voor Zeeland betekent dit 74 ‘extra’ dwangmaatregelen die ondergebracht moeten worden bij een andere GI en een toenemende druk op de aanwezige partijen in onze regio. De overname van de Zeeuwse dwangmaatregelen van Briedis is in een addendum toegevoegd aan de businesscase van JB West (zie bijlage 2). Door de problemen bij Intervence én door het beëindigen van het KMI keurmerk van Briedis staat de continuïteit van zorg zwaar onder druk. Op 12 mei heeft de bestuurscommissie in haar overleg het ambtelijk advies op de businesscase van JB West 2
besproken). Dit advies beschrijft de risico’s op basis waarvan de ambtenaren de Bestuurscommissie adviseren om onder voorwaarden in te stemmen met de businesscase. De bestuurscommissie heeft, de voor- en nadelen van het ambtelijk advies in overweging nemende, besloten: 1.De bestuurscommissie jeugd besluit in te stemmen met de businesscase van JB West a. onder voorbehoud van de uitkomst van de vrijwillige transparantie; b. onder voorbehoud van de uitkomst van besluitvorming van de gemeenteraden voor financiering c. onder voorbehoud van schriftelijke instemming JB West van mondeling toegezegde kaders voor uitwerking in fase 2 (o.a. Vaart in Veiligheid, samenwerking lokale toegangsorganisaties en evaluatiemoment). 2.De bestuurscommissie jeugd besluit via de colleges van B&W aan de 13 Zeeuwse gemeenteraden een voorstel tot financiering van de bestuurlijke fusie met Intervence door JB West voor te leggen. De bestuurscommissie heeft de colleges van de 13 Zeeuwse gemeenten daarop geadviseerd om de benodigde financiële middelen voor de uitvoering van de businesscase beschikbaar te stellen. Ons college adviseert uw raad om in te stemmen met dit advies. Volledigheidshalve merken we daarbij nog het volgende op.
De bestuurscommissie is een onderdeel van de Gemeenschappelijke regeling Zeeland (GGD) en de deelnemers (de 13 gemeenten) hebben taken en bevoegdheid overgedragen aan het bestuur van het openbaar lichaam. Gevolg is dat het bestuur (en de bestuurscommissie) bevoegd is tot het zelfstandig nemen van besluiten zoals nu aan de orde. Het gevolg hiervan is dat de gemeenten zelf hier geen bevoegdheden hebben. Mocht één of meerdere gemeenten het niet eens zijn met het besluit van het bestuur/de bestuurscommissie dan kan zij dit kenbaar maken, maar als de meerderheid van de deelnemers bij het besluit tot een bestuurlijke fusie blijft zijn alle gemeenten gebonden aan het besluit. Gevolg is ook dat de financiële gevolgen van het besluit ten laste van de deelnemers komen. Deze worden over de deelnemers verdeeld en moeten als verplichte uitgave verwerkt worden in de gemeentelijke begroting. Argumenten
In algemene zin Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor een GI-organisatie, wel het borgen van een kwalitatieve GI-functie. Ondanks dat Intervence een privaatrechtelijke stichting is zullen gemeenten als verantwoordelijken binnen de Jeugdwet bij elke vorm van overname van Intervence (voor het behoud van de GI-functie) betrokken moeten worden en in bepaalde mate verantwoordelijk voor te verrichten inspanningen om dit proces goed te laten verlopen en de continuïteit van begeleiding te borgen. Dit geldt ook in de situatie wanneer gemeenten een aanbesteding zouden uitzetten: ook in die situatie moeten er afspraken gemaakt worden over de gecontroleerde overdracht van dossiers (en de borging van zorgcontinuïteit ten tijde hiervan). Vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid vanuit de Jeugdwet (inhoud) Het college is er binnen de Jeugdwet verantwoordelijk voor dat er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is om de noodzakelijke jeugdhulp in te kunnen zetten (artikel 2.6 lid 1 sub a Jeugdwet). De gemeente heeft de opdracht om de jeugdigen en zijn ouders passende hulp te bieden bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen (artikel 2.5 Jeugdwet).
Dit moet gezien worden in licht van de eis dat het college bij de inzet van gecertificeerde instellingen rekening moet houden met de behoeften en persoonskenmerken van de jongere en zijn ouder(s) en hun godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond (artikel 2.4 lid 3 Jeugdwet). Achtergrond daarvan is dat de hulpverlening in algemene zin effectiever zal zijn als deze beter aansluit bij de identiteit van de jeugdige en zijn ouders. Dit laatste heeft een relatie met de doelgroep GI’s Leger de Heils en William Schrikker Stichting. De borging van bovenstaande verantwoordelijkheden zijn in dit vraagstuk te vinden in de mate van continuïteit van werkgelegenheid in de regio; continuïteit van begeleiding van gezinnen door de koppeling vaste medewerker aan gezinnen; behoud van bestaande kennis en ervaring; en het draagvlak voor inhoudelijke doorontwikkeling voor de toekomstbestendigheid. 1. Er zal een bestuurlijke fusie plaatsvinden van Intervence met JB West. Dit houdt in dat alle medewerkers uit het primair proces overgenomen worden en ook een groot deel van het ondersteunend personeel. Dit borgt de continuïteit van werkgelegenheid voor de medewerkers. 3
2.
3.
4.
5. 6.
Doordat de medewerkers uit het primair proces (die gekoppeld zijn aan de casuïstiek) kunnen aanblijven is de continuïteit van begeleiding voor die gezinnen geborgd. Uw raad heeft meerdere malen benadrukt hoe zeer hieraan wordt gehecht. Met het aanbod van JB West kunnen we bewerkstelligen dat de huidige kennis en vaardigheden op de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregelen behouden blijft en geen verdere afbreuk plaatsvindt. JB West werkt met een vergelijkbare werkmethodiek als Intervence (GGW FFPS), en heeft de methodiek ook verder ontwikkeld. Medewerkers kunnen dus inhoudelijk ook makkelijk overstappen. Binnen JB West is er draagvlak voor de inhoudelijke doorontwikkeling door deelname in het project Vaart in Veiligheid samenhangend met de onlangs gepresenteerde plannen voor de toekomstige (5-10 jaar) kind- en gezinsbescherming. De vormgeving van dit type zorgverlening is dermate specialistisch van aard dat dit vraagt om een provinciale aanpak. Eenduidige besluitvorming onder de Zeeuwse gemeenten is hier van belang. Op basis van de besluitvorming op 12 mei jl.
door de bestuurscommissie heeft JB West (zie bijlage 10 en 11) antwoord gegeven op het gestelde voorbehoud over de samenwerkingsafspraken in het Samenwerkingsprotocol met de gemeenten en de gecontracteerde GI’s, Vaart in Veiligheid, de samenwerking met de lokale wijkteams, de landelijke ontwikkelingen kind- en gezinsbescherming en de in te voeren regionale teams. Daarmee voldoen ze aan de voorbehoud 1c uit het besluit van de Bestuurscommissie. Daarmee is een aantal risico’s verminderd, maar niet volledig verdwenen.
Vanuit financiën 1. Het opstarten van een nieuwe openbare Europese aanbesteding geeft geen garanties op lagere tarieven. Wanneer de businesscase wordt geaccepteerd, betekent dit dat iedere GI die in Zeeland gecontracteerd is, die geharmoniseerde tarieven in rekening mag brengen. Bij het accepteren van de businesscase, waarbij de tarieven worden geharmoniseerd die ook binnen andere inkoopregio’s worden gehanteerd, zullen de structurele lasten iets stijgen. 2. Het is zeer waarschijnlijk dat in een nieuwe aanbesteding de gehanteerde tarieven ook onder druk komen te staan. De bestuurlijke fusie die Intervence en JB West aangaan betekent dat JB West verder doorborduurt op de bestaande situatie van Intervence en de beschikbare zorgprofessionals. Voor de toekomst betekent dit een stabiele zorgstructuur en geeft een oplossing voor de ontstane situatie. Bij een nieuwe aanbesteding zou dit wederom uit onderhandeld moeten worden. 3. JB West is een partij die ook in andere regio’s in Nederland opdrachtnemer is van gemeenten en is dus een ervaren partij. De indirecte kosten die een gecertificeerde instelling altijd heeft voor o.a. ondersteunend (hooggekwalificeerd) personeel en diverse benodigde kwaliteitssystemen zijn al aanwezig binnen JB West.
Voor Zeeland betekent dit dat er sprake is van financieel schaalvoordeel op dit gebied ten opzichte van een GI die zelfstandig opereert zoals Intervence. 4. De hoogte van potentiële claims is aanzienlijk. Door de route van vrijwillige transparantie en de afstemming met Jeugdzorg Nederland, achten wij die kans nagenoeg nihil dat het risico zich manifesteert. Daarom hebben wij de financiële gevolgen hiervan niet in dit raadsvoorstel opgenomen. Vanuit juridisch 1. In essentie moet er een vorm van mededinging plaatsvinden waarbij andere GI’s de mogelijkheid hebben om onder dezelfde voorwaarden aanspraak te maken op de opdracht. Een reële uitzondering waarbij rechtstreekse gunning rechtmatig is, is juridisch niet gevonden. Een strikte voorwaarde aan het genomen besluit tot bestuurlijke fusie kan zijn de toepassing van de vrijwillige transparantie. Het rechtstreeks gunnen aan JB West is onrechtmatig en kan leiden tot een gerechtelijke procedure met als gevolg het ongeldig verklaren van de gunning, het ongeldig zijn van reeds aangegane contracten, het alsnog moeten starten van een aanbestedingsprocedure en uit moeten betalen van schadevergoedingen (die aanzienlijk kunnen zijn). Kortom er zullen dan aanzienlijke juridische en financiële consequenties zijn. Een “tussenweg” is de procedure van de vrijwillige transparantie vooraf.
Dit is een vorm van mededinging waarbij andere GI’s toch de mogelijkheid hebben om onder dezelfde voorwaarden aanspraak te maken op de opdracht. De aanbestedende partij moet dan vooraf gemotiveerd aankondigen dat zij voornemens is rechtstreeks te gunnen aan in dit geval JB West Zeeland. Daarmee worden risico’s beperkt. De markt krijgt bij de vooraankondiging een termijn van 20 dagen om bezwaren kenbaar te maken. Doen zij dit niet, dan is 4
2.
hun positie om vernietiging en schadeclaims met succes in te dienen slechter. Doen zij dit wel dan is de afweging via een kort geding een rechtbank te laten oordelen dan wel terug te vallen op een reguliere aanbesteding. Besluitvorming moet voor 4 juni aanstaande plaatsvinden, zodat JB West Zeeland per 1 juli 2021 maar uiterlijk per 1 oktober 2021 met Stichting Intervence kan fuseren.
Vanuit landelijke overheid en rijksinstanties 1. Een bestuurlijke fusie van Intervence met JB West kan rekenen op draagvlak bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, de Raad van Bestuur en Raad van Toezicht, medewerkers en de cliëntenraad van Intervence. 2. De Minister van Rechtsbescherming heeft de Inspecties en Jeugdautoriteit gevraagd om de businesscase te beoordelen en hem te adviseren. Zowel de Inspecties als Jeugdautoriteit oordelen positief over de businesscase en roepen op tot snelle besluitvorming. Zie hiervoor bijlage 6 en 7. a. De Jeugdautoriteit concludeert dat de voorgelegde concept-businesscase een basis biedt voor de continuïteit van zorg door middel van de in het plan voorgestelde bestuurlijke fusie van Intervence met JB West. Het plan voorziet in een uitwerking op de aangegeven elementen van het gehanteerde toetsingskader. De Jeugdautoriteit adviseert dan ook positief op fase 1 van het plan. b. De Inspecties hebben geconcludeerd dat de businesscase voor fase 1 onder andere voldoende concreet is over wat de transitie voor cliënten betekent en ook voor medewerkers voldoende duidelijkheid en zekerheid biedt, en dat de risico’s voor de kwaliteit van zorg aanzienlijk kleiner zijn in vergelijking tot het eerdere scenario 3b (liquidatie).
Ook concluderen zij dat de businesscase voldoende realistisch is over wat de transitie voor de governance en bedrijfsvoering betekent en dat dit nader wordt uitgewerkt in fase 2. 3. In bijlage 8 doen wij u de brief van Jeugdzorg Nederland toekomen. Hierin stellen zij in het voorstel dat door de bestuurscommissie is uitgewerkt een belangrijke bevestiging zien van een aanpak gebaseerd op een kwalitatief goede hulpverlening aan de gezinnen en kinderen die dat nodig hebben en gericht op continuïteit van de zorgrelaties in de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.
Kanttekeningen
In algemene zin 1. Er is formeel door de bestuurscommissie (in de periode vanaf medio februari 2021 tot heden) geen opdracht gegeven om een terugvalscenario uit te werken. Wanneer er niet werd ingestemd met de businesscase, dan lag het starten van een aanbesteding voor de hand. Dit zou in combinatie met verder instandhouden van Intervence moeten plaatsvinden. De bestuurscommissie is blijven koersen op een potentiele overname door JB West. Er is geen alternatief dat in deze besluitvorming kan worden meegewogen. Er is éen aanbod van JB West zonder een brede uitvraag op de markt. Door middel van de vrijwillige transparantie en de bezwaartermijn van 20 dagen die hiermee samenhangt, wordt de markt wel betrokken en de gelegenheid geboden om bezwaar te maken. 2. In het kader van vrijwillige transparantie kan bezwaar van (een of meerdere) marktpartijen leiden tot het besluit van de bestuurscommissie om (1) een kort geding te voeren of (2) een aanbesteding te starten. Met het besluit zoals geformuleerd kan dus alsnog sprake zijn van een aanbesteding. Het is van belang dat de bestuurscommissie bij het aandienen van bezwaarhebbende opnieuw een afweging maakt over de vervolgstappen. Vanuit de gemeentelijke verantwoordelijkheid vanuit de Jeugdwet (inhoud) 1.
Door het ontbreken van een uitgewerkt terugvalscenario zijn de consequenties van niet instemmen op het gebied van continuïteit van zorg niet te overzien. Wel heeft de bestuurscommissie, mede door de ontstane situatie bij Briedis, signalen ontvangen dat er een acuut tekort is aan kwalitatief geschikt personeel binnen de jeugdbescherming en dat hierdoor (instroom)wachtlijsten (dreigen te) ontstaan voor jeugdigen binnen het dwangkader. Het is daarom aannemelijk dat hier een bepaalde spanning op staat. Verder gaan op een spoor waarvan de volledige consequenties niet in beeld zijn, is een risico. Het gaat in deze type van zorgverlening om jeugdigen en gezinnen waar hulpverlening veelal enige tijd betrokken is en binnen het vrijwillig kader diverse interventies onvoldoende succesvol bleken, en er sprake is van een veiligheidsrisico en/of bedreiging 5
2.
3.
4.
van de ontwikkeling van de jeugdige. In deze situaties heeft de Raad voor de Kinderbescherming haar onderzoekende taak uitgevoerd en de rechtbank een advies aangeboden over al dan niet voortzetten van hulp binnen het dwangkader. Door de situatie bij Briedis en de bestuurlijke fusie van Intervence hebben gemeenten straks éen gecertificeerde instelling voor dwangmaatregelen. De overig gecontracteerde partijen zijn doelgroep GI’s. Wanneer gezinnen ontevreden zijn over de (enige) algemene GI moeten zij mogelijk voor een alternatief uitwijken naar buiten de regio. De keuzevrijheid (voor zover hier sprake van kan zijn) wordt beperkt. De arbeidsmarkt jeugdhulpverlening in Zeeland is de afgelopen jaren kwetsbaar gebleken. Deze problemen zijn niet altijd volledig binnen de regio op te lossen. Dit is, in elk scenario en breder dan alleen de gecertificeerde instellingen, een risico en van invloed op de borging van zorgcontinuïteit. Binnen de jeugdbeschermingsketen in Zeeland werken diverse partijen samen zoals de gemeentelijke toegangen, Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis. In ieder geval sinds het besluit van de bestuurscommissie van november 2020 is er onduidelijkheid voor medewerkers en cliënten over Intervence.
Naast deze onduidelijkheid is er altijd een bepaalde spanning in de samenwerking tussen de gemeentelijke toegangen en de gecertificeerde instellingen als wettelijk verwijzers van jeugdhulp bij dwangmaatregelen. De onduidelijkheden en onrust binnen de keten zijn in ieder geval niet van meerwaarde voor een stabiele samenwerking. Het nemen van een besluit biedt duidelijkheid en zal op termijn ruimte bieden om herstel van vertrouwen in de samenwerking in de regio tot stand te brengen, ervan uitgaande dat dit ten goede komt aan de kwaliteit van zorg.
Vanuit financiën 1. De bestuurlijke fusie die Intervence en JB West aangaan betekent dat JB West een omzetgarantie (pxq) ontvangt van € 7 miljoen over de contractduur van 5 jaar. Deze garantie zorgt ervoor dat mogelijk taakstellingen binnen het sociaal domein moeizamer tot stand zullen komen. Preventieve en wettelijke maatregelen zijn Zeeuws gezien ‘communicerende vaten’ die altijd leiden tot een omzet van 7 miljoen in de businesscase. Intervence heeft de afgelopen jaren, op basis van pxq, een omzet gehaald voor het uitvoeren van wettelijke maatregelen die ligt tussen de € 6 mln en de € 6,5 mln. Als we daarvan uitgaan zal de jaarlijkse aanvulling voor JBwest tussen de € 0,5 mln en € 1 mln liggen. Opgemerkt moet worden dat enerzijds het KMI certificaat van Briedis Jeugdbeschermers is ingetrokken. Dit betekent dat de komende maanden jeugdbeschermingscasussen overgedragen moeten worden aan de andere bestaande GI’s waaronder JB West. Uit het ontvangen Addendum op de businesscase van JB West blijkt dat dit effect heeft op de omzetgarantie en dat de inzet ze nog meer dan eerder berekend zich zal toespitsen binnen de wettelijke maatregelen en minder inzet op kennis en innovatie (lees: preventief). Anderzijds is een tendens zichtbaar van een stijging van de wettelijke maatregelen (bron CBS) in de provincie Zeeland.
Het structureel effect hiervan is moeilijk te bepalen daarom wordt in dit raadsvoorstel voorzichtigheidshalve uitgegaan van de hierboven genoemde bedragen. 2. Voor de bestuurlijke fusie van Intervence vraagt JB west een financiële tegemoetkoming van € 3,8 mln. Met die financiële tegemoetkoming kunnen zij de transitiekosten betalen, het verlies 2021 van Intervence opvangen en een risicobuffer aanleggen. Op die manier verwacht JB west te voorkomen dat zij in dezelfde situatie terechtkomt als Intervence in het verleden en flexibel genoeg is om tegenvallers zelf op te vangen zonder om extra geld van de gemeenten te moeten vragen. JB west heeft dit bedrag berekend op basis van de nu bij haar bekende informatie. Er volgt nog een due diligence (“boekenonderzoek”) en een onderzoek op fiscaal en juridisch gebied. Omdat nog niet bekend is wat er uit die onderzoeken volgt, houden we een bandbreedte aan van minimaal € 3,8 en maximaal € 5 mln. 3. In de businesscase vraagt JB West een eenmalige risicobuffer van 15% van de omzetgarantie van € 7 miljoen, zijnde circa € 1 miljoen. Deze risicobuffer (onderdeel van de 3,8 miljoen) zegt JB West nodig te hebben in het kader van zekerheid omtrent de continuïteit van de wettelijke taak. Verondersteld wordt dat de andere in Zeeland actieve GI’s ook vragen om een dergelijke buffer als JB West deze krijgt.
De financiële impact naast de bovengenoemde € 1 miljoen is dan circa € 750.000. Een voorwaarden van de acceptatie van de businesscase is dat deze alleen kan plaatsvinden onder voorbehoud (uitkomst) van de ‘vrijwillige transparantie’. Het doorlopen van een dergelijk proces verkleind de (financiële) risico’s omdat de verwachting is dat financiële claims (nagenoeg) niet door een rechter toegekend zullen worden. 4. Bij het beschikbaar stellen van de transitiekosten worden de volgende kanttekeningen geplaatst: 6
a.
b.
c.
Per 1 januari 2021 is sprake van een maandelijks oplopende achtergestelde lening. Dit vloeit voort uit de regeling die met Intervence is getroffen (raadsbesluit januari 2021), waarbij wekelijks betaalbatches worden aangeleverd die t.o.v. de begroting van Intervence worden gecontroleerd en op basis waarvan uitbetaling plaatsvindt. Hieruit blijkt dat er maandelijks circa € 100.000 wordt betaald waartegenover geen productie staat. Verondersteld wordt dat in het eerste halfjaar dus sprake is van een opgelopen saldo van de achtergestelde lening van € 600.000. Verder wordt verondersteld dat dit het bedrag is waaraan JB west in de businesscase refereert als zij spreekt over de dekking van het verlies januari – juni 2021 (pagina 8 businesscase). Elke maand waarin de bestuurlijke fusie later tot stand zal komen resulteert in een tekort van € 100.000; Uit de businesscase blijkt onvoldoende op welke wijze rekening wordt gehouden met het resultaat van de afwikkeling van de balans per 30-06-2021, meer specifiek: in één van de grijze kaders staat dat over het verleden wordt afgerekend. Dit betekent volgens ons een schone balans ('wegpoetsen' schuld/vordering en balanswaarde/herwaardering pand/hypotheek). Dit zal verder in fase 2 van de uitwerking van de Businesscase zijn uitwerking moeten hebben.
Naar aanleiding van de advisering omtrent de voorliggende businesscase is de vraag gerezen: wat te doen met het rechtmatigheidsrisico voor de jaarrekening van de GGD (en de onderliggende vraag: wie gaat over de besluitvorming)? Na besluitvorming in de gemeenteraden ligt het voor de hand om de financiële consequenties van de besluitvorming op te nemen in een begrotingswijziging van de begroting GR GGD Zeeland. Hiermee wordt de begrotingsrechtmatigheid gedekt (mits wordt ingestemd). De onrechtmatigheid van het niet aanbesteden wordt hiermee niet afgevangen. Die onrechtmatigheid kan zorgen voor een afkeurend accountantsoordeel bij de jaarrekening van de GR GGD Zeeland. Dit voor ieder jaar waarin de onrechtmatigheid bestaat. Vanaf begrotingsjaar 2021 vindt er een verandering plaats in de verantwoordelijkheden met betrekking tot de rechtmatigheid van de jaarrekening van gemeenten, provincies en gemeenschappelijke regelingen. Niet langer is het de accountant die vaststelt dat in lijn met wet- en regelgeving wordt gehandeld, maar is het algemeen bestuur (college bij gemeenten) aan zet. Het is nog steeds denkbaar dat de rechtmatigheidsverklaring die het algemeen bestuur/college moet afgeven per 2021 wordt doorgevoerd. Het bestuur van de GGD zal verslag doen van de onrechtmatige aanbesteding in de jaarrekening voor 2021.
De accountant zal dan bevestigen dat deze afwijking op getrouwe wijze verslag is gedaan in de jaarrekening van de GGD. Op basis van dit feit hoeft het voor de accountant dan geen punt meer te zijn waarop hij de jaarrekening afkeurt, of de accountant dit zal volgen blijft een onzekerheid.
Vanuit juridisch 1. Vrijwillige transparantie beperkt de risico’s maar neemt deze niet weg. 2. Het aanbod van JB West is het enige aanbod dat vanaf medio februari 2021 is onderzocht danwel is beoordeeld. Er is door de bestuurscommissie geen opdracht gegeven tot het uitwerken van een ander, terugvalscenario. Dit wordt eerder in dit advies ook aangehaald. Het is daarom onduidelijk of en in welke mate andere marktpartijen onder een en dezelfde voorwaarden kunnen leveren danwel een (financieel) gunstiger aanbod kunnen doen aan de Zeeuwse gemeenten. De reacties op een potentiele aanbesteding zijn daarom onduidelijk cq. niet afgetast d.m.v. een brede marktconsultatie. 3. De bestuurscommissie is een onderdeel van de Gemeenschappelijke regeling Zeeland (GGD) en de deelnemers (de 13 gemeenten) hebben taken en bevoegdheid overgedragen aan het bestuur van het openbaar lichaam. Gevolg is dat het bestuur (en de bestuurscommissie) bevoegd is tot het zelfstandig nemen van besluiten zoals nu aan de orde. Het gevolg hiervan is dat de gemeenten zelf hier geen bevoegdheden hebben. Mocht één of meerdere gemeenten het niet eens zijn met het besluit van het bestuur/de bestuurscommissie dan kan zij dit kenbaar maken, maar als de meerderheid van de deelnemers bij het besluit tot bestuurlijke fusie blijft zijn alle gemeenten gebonden aan het besluit.
Gevolg is ook dat de financiële gevolgen van het besluit ten laste van de deelnemers komen. Deze worden over de deelnemers verdeeld en moeten als verplichte uitgave verwerkt worden in de gemeentelijke begroting.
7
Financiën
Wat mag het kosten? Het Middelburgse aandeel van minimaal € 711.000 en maximaal € 1.128.000 in de transitiekosten voor de opbouw van het risicobuffer, exploitatietekort 2021 en eenmalige frictiekosten, beschikbaar te stellen en dit te dekken uit de algemene reserve. In te stemmen met de structurele consequenties door harmonisering van de tarieven uitgaand een gelijkmatige verdeling van het aantal casus betekent dit een hoger jaarlijkse last van € 118.000 tot € 223.000. Deze extra kosten zullen in een tussentijdse begrotingswijziging van de GGD (IJZ) aan de gemeente moeten worden aangeboden en door de gemeente in de begroting 2022 worden verwerkt.
Incidenteel Omzetgarantie (op basis van de huidige omzet Intervence 1a 1b
Harmonisatie tarieven Overnamekosten (afhankelijk van due dilligence) Risicobuffer (risico beperkt door vrijwillige transparantie Claims Middelburgs aandeel (16,01%) incidenteel
Minimaal
Maximaal
500.000
1.000.000
240.000 3.800.000 4.540.000 726.854
395.000 5.000.000 750.000 PM 7.145.000 1.143.915
--1.000.000 3.540.000
-1.000.000 6.145.000
566.754
983.815
900.000 4.440.000
900.000 7.045.000
710.844
1.127.905
Minimaal
Maximaal
80.050
160.100
38.424 118.474
63.240 223.340
Niet besteden middelen besluit januari - Financiering achtergestelde lening Intervence Middelburgs aandeel (16,01%) incidenteel, inclusief het reeds toegekende budget in januari 2021 - Incidentele bijdrage transitieplan overdracht naar andere GI's 2 Middelburgs aandeel (16,01%) incidenteel, inclusief het reeds toegekende budget in januari 2021 en incidentele transitiekosten Structureel 1a Middelburgs aandeel (16,01%) structureel omzetgarantie (zonder effect Briedis) 1b
Middelburgs aandeel (16,01%) structureel harmonisatie tarieven
2 Onderstaande extra kosten komen nu ook ten laste van gemeente Middelburg voortvloeiend uit juridische kanttekening (zie punt 3) In januari is u gevraagd om in te stemmen met een post van € 1,2 miljoen voor de overdracht van de maatregelen van Intervence naar de andere in Zeeland gecontracteerde GI’s. In afwijking op andere gemeenten heeft uw raad besloten dit budget onder voorbehoud van goedkeuring beschikbaar te stellen. Formeel is dit budget dus niet beschikbaar gesteld. IJZ heeft dit bedrag is nog niet volledig gebruikt en dat zal ook niet gebeuren. Wel zijn er kosten gemaakt voor bijvoorbeeld juristen (opstellen van de intentie- en overbruggingsovereenkomsten); de onafhankelijke procesbegeleider en projectondersteuning. Een deel van die kosten is gemaakt door de GI’s. Een ander deel loopt via de exploitatie van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. Het totaal van die kosten zal naar verwachting maximaal € 900K zijn. Hoe gaan we dat financieren? Eenmalige dekking in 2021 uit de algemene reserve en structurele dekking in de begroting 2022. Zijn er significante gevolgen voor het weerstandsvermogen? Claims á € 210.000.000 (is maximale omvang op Zeeuwse niveau). Zoals verwoord in dit voorstel wordt dit risico (voor een groot gedeelte) geëlimineerd door het toepassen van de vrijwillige transparantie. 8
De verwachting is dat de huidige GI’s (William Schrikker en Leger des Heils) geen beroep zullen doen op het gekwantificeerde risicobuffer van € 750.000. Duurzaamheid
Niet van toepassing Communicatie en participatie
Om de regie zelf in handen te houden, vindt communicatie over de bestuurlijke fusie van JB west met Intervence plaats onder verantwoordelijkheid van de bestuurscommissie. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Er zijn verschillende belanghebbenden en zij worden op het juiste moment meegenomen in de voortgang. Ontwikkelingen gaan snel en er moet daardoor ook snel, maar vooral zorgvuldig geschakeld worden tussen alle partijen. Interne en externe communicatie zijn op elkaar afgestemd. Intern (colleges, gemeenteraden) gaat voor extern. Ook in de externe communicatie wordt de juiste volgorde betracht: eerst direct betrokkenen zoals medewerkers GI’s, cliënten, Ministerie, Jeugdautoriteit, Inspecties, GI’s, daarna media. Pro-actief, open en transparant communiceren op basis van feiten. Meenemen in proces en duiding geven over vervolg. Woordvoeringslijn vooraf afstemmen met JB West, Intervence en het ministerie van JenV, met begrip en erkenning van elkaars rollen en verantwoordelijkheden. Woordvoeder namens de Bestuurscommissie is dhr. J Werkman (voorzitter) of diens vervanger dhr. A. Vader (plaatsvervangend voorzitter). Uitvoering
In de businesscase heeft JB West gesteld dat het besluit voor 15 mei 2021 genomen moet zijn. Deze periode is in afstemming met JB West verlengd tot 4 juni 2021. Uitgaande van de bestuurlijke fusie van Intervence en JB West uiterlijk per 1 oktober 2021 betekent dit dat: De afstemming vanuit JB West met ondernemingsraad, vakbonden en cliëntenraad/cliënten van Intervence alvast start, uitgaande van het voorbehoud van de besluitvorming van colleges en raden. De gemeenteraden uiterlijk 4 juni 2021 een besluit genomen moeten hebben. De uitslag van de vrijwillige transparantie in de eerste helft van juni 2021 bekend moet zijn. Op woensdag 26 mei wordt een extra commissievergadering Maatschappelijke Zaken over dit onderwerp georganiseerd. Besluitvorming zal naar verwachting plaatsvinden in de (extra) raadsvergadering van 3 juni. Uiterlijk 4 juni 2021 zullen alle gemeenteraden in Zeeland een besluit over dit onderwerp nemen. Op basis van de uitkomst hiervan, kan de bestuurscommissie de vrijwillige transparantie opstarten. Advies ingewonnen bij adviesorgaan?
De adviesraad sociaal domein van Middelburg is regelmatig tijdens dit proces geïnformeerd. Vanwege het feit dat besluitvorming door de bestuurscommissie plaatsvindt, is er beperkt gelegenheid geweest om de adviesraad op voorhand over ontwikkelingen te raadplegen. Bijlagen
1. Bijlage businesscase JB West 2. Bijlage addendum bij de businesscase JB West 3. Bijlage advies Pels Rijcken 4. Bijlage vastgestelde interbestuurlijke afspraken 5. Bijlage informatie over de interbestuurlijke interventieladder jeugd 6. Bijlage oordeel Jeugdautoriteit 7. Bijlage oordeel Inspectie 8. Bijlage Brief Jeugdzorg Nederland (JZN) aan J. Werkman 9. Bijlage Ambtelijk advies mbt businesscase aan Bestuurscommissie. 10. Bijlage toelichting samenwerking ViV en toegangsorganisaties 9
11. Bijlage aanvullende informatie op toelichting samenwerking ViV en toegangsorganisaties
Middelburg, 20 mei 2021 Burgemeester en wethouders van Middelburg
de secretaris,
mr. A. van den Brink
de burgemeester,
mr. H.M. Bergmann
10