MZ 2021.24.02 Bijlage 4. concept plan van aanpak
Tekst van het document
Aan: Inspectie Gezondheidszorg&Jeugd (ter beoordeling) Inspectie Justitie&Veiligheid (ter beoordeling) Jeugdautoriteit (ter beoordeling) Cliëntenraad Intervence, tav voorzitter N. de Klerk (ter advisering) Allen via mail toegestuurd. In afschrift (via mail, voor reactie) toegezonden aan: Stichting Intervence (mw. S. Kamermans en dhr. J. van Leijden) Ministerie J&V (Mw. E. Meijer, dhr. E. Bezem en dhr. A. Pont) OZJ (dhr. J. Menting en mw. J. Coens) Partners voor Jeugd/WSS (dhr. P. Croiset ven Uchelen) Leger des Heils LJ&R (Mw. L. Hansum en Dhr. H.M. Don) Briedis Jeugdbescherming (Mw. C. Schenk en dhr. K. van IJzendoorn) Raad voor de Kinderbescherming (Dhr. J. Koeman en mw. B. Gussenhoven) Rechtbank (mw. K. Lavrijssen en dhr. J. Vonk) Bestuurscommissie Jeugd 13 Zeeuwse gemeenten Datum: 5 februari 2021 Betreft: Aanbieding Plan van aanpak Gecontroleerde zorgoverdracht gecertificeerde Instelling Intervence. Geachte Inspecties Gezondheidszorg&Jeugd en Justitie&Veiligheid, geachte Jeugdautoriteit en Cliëntenraad. Namens de 13 Zeeuwse gemeenten stuur ik u hierbij het vertrouwelijke plan van aanpak toe, behorende bij de gecontroleerde zorgoverdracht van gecertificeerde instelling Intervence in Zeeland. Bij de totstandkoming van dit plan van aanpak hebben vele overwegingen en belangen een rol gespeeld.
Wij hebben daarbij als gemeenten voortdurend het belang van jeugdigen, ouders en opvoeders vooropgesteld. Kinderen en hun ouders mogen niet de dupe zijn van een noodzakelijke overdracht van zorgtaken. Niet in de laatste plaats omdat de gezinnen die het betreft zich al in een kwetsbare, overwegend onveilige situatie bevinden. Het is ons er alles aangelegen om tot een gedragen en passende oplossing te komen voor de ontstane situatie door ons besluit om het contract met Stichting Intervence niet te verlengen. Daarbij zijn wij onze gecontracteerde gecertificeerde instellingen erkentelijk voor de inzet om te komen tot een complete puzzel. Uit die inzet spreekt vertrouwen. Daarbij begrijpen wij ook de kritiek van cliënten- en ondernemingsraad van Intervence en de aandacht in de media. Omdat alle betrokkenen gebaat zijn bij een passende en spoedige oplossing, zijn in het meegezonden plan niet alle bestaande vragen exact beantwoord. Bij een operatie als deze is dat in dit stadium ook onmogelijk. Toch hebben wij voldoende bouwstenen verzameld om u een plan voor te leggen, waar wij, in afstemming met overnemende GI’s, achter staan. Dit vertrouwen is gebaseerd op de blik vooruit, de inhoud van de zorg maar ook op uw steun in dit proces voor het borgen van de kwaliteit en continuïteit van zorg.
CONCEPT
Wij beseffen goed dat met het opstellen van het meegezonden plan, we er nog niet zijn. We gaan met al onze partners op zoek naar de verder benodigde zekerheden en antwoorden. Daarbij vragen wij aan u om ons te helpen met uw inzichten en ondersteuning. Het nu toegestuurde concept-plan is vertrouwelijk. Omdat dit nog een concept is verzoeken wij u in het belang van betrokkenen daarom dringend om dit concept ook niet verder te verspreiden. Wij vragen u om uw reactie binnen een week (uiterlijk 12 februari 2021 17.00 uur) toe te sturen naar mail: p.meulenberg@goes.nl tav de procesbegeleider dhr. V. Schouten. De aanvullingen/feedback worden dan verwerkt, het definitieve plan zal op 23 februari 2021 in de namiddag gedeeld worden. Nogmaals benadrukken we hierin dat ons voornaamste uitgangspunt is dat er geen jeugdigen, ouders/opvoeders, professionals en andere betrokkenen tussen wal en schip mogen belanden. Graag gaan wij op korte termijn met u verder in gesprek over het vervolg om te komen tot concrete uitvoering van het plan en de tussenstappen die daarbij nodig zullen zijn. Met dank voor uw betrokkenheid, vriendelijke groet, namens 13 Zeeuwse gemeenten,
J. Werkman, voorzitter Bestuurscommissie Jeugd.
CONCEPT
CONCEPT
Gecontroleerde Zorgoverdracht Jeugdbescherming Zeeland en vereffening Stichting Intervence
Concept Plan van Aanpak
Februari 2021
CONCEPT
CONCEPT
Inhoudsopgave 1
Inleiding ................................................................................................................................................................ 7 1.1
Aanleiding .................................................................................................................................................... 7
1.2
Betrokkenen ................................................................................................................................................ 8
1.3
Doel .............................................................................................................................................................. 8
1.4
Tijdspad........................................................................................................................................................ 8
1.5
Leeswijzer .................................................................................................................................................... 9
1.6
Beknopte samenvatting ............................................................................................................................... 9
Terugvaloptie ...................................................................................................................................................... 10 Deel 1: Gecontroleerde Zorgoverdracht .................................................................................................................... 10 2
3
Stichting Intervence ............................................................................................................................................ 10 2.1
Organisatie ................................................................................................................................................. 10
2.2
Verkorting Veiligheidsketen....................................................................................................................... 10
2.2.1
Vaart in Veiligheid ................................................................................................................................. 10
2.2.2
Safer Caring ........................................................................................................................................... 11
2.2.3
Vrijwillige jeugdbescherming ................................................................................................................ 12
Impact ................................................................................................................................................................. 13 3.1 3.1.1
Relatie jeugdbeschermer – cliënt .......................................................................................................... 13
3.1.2
Rechtelijke uitspraak ter vaststelling van nieuwe GI ............................................................................. 13
3.1.3
Uitgangspunten Cliëntenraad................................................................................................................ 14
3.1.4
Keuzes van de cliënt .............................................................................................................................. 14
3.1.5
Bereikbaarheid ...................................................................................................................................... 14
3.2
Impact op medewerkers ............................................................................................................................ 14
3.2.1
Behoud kennis en expertise .................................................................................................................. 14
3.2.2
Keuze voor een GI.................................................................................................................................. 15
3.3 4
Impact op cliënten ..................................................................................................................................... 13
Impact op kwaliteit en continuïteit van zorg ............................................................................................. 15
Scenario Gecontroleerde zorgoverdracht .......................................................................................................... 15 4.1
Gecontracteerde Gecertificeerde Instellingen .......................................................................................... 15
4.1.1
De totale zorgoverdracht ...................................................................................................................... 15
4.1.2
William Schrikker Stichting (Partners voor Jeugd) ................................................................................ 16
4.1.3
Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering ............................................................................................. 17
4.1.4
Briedis .................................................................................................................................................... 17
4.2 4.2.1
Impact op wettelijke maatregelen ............................................................................................................. 19 Afstemming met partners uit de keten ................................................................................................. 19
CONCEPT
CONCEPT 4.3 4.3.1
Zekerheden ............................................................................................................................................ 20
4.3.2
Onzekerheden ....................................................................................................................................... 20
4.4 5
Beschrijving van risico’s en kansen ............................................................................................................ 20
Randvoorwaarden gecontroleerde zorgoverdracht .................................................................................. 21
Alternatieven ...................................................................................................................................................... 21 5.1
Alternatief scenario als terugvaloptie........................................................................................................ 21
5.2
Faillissement .............................................................................................................................................. 22
5.2.1
Impact cliënten ...................................................................................................................................... 22
5.2.2
Impact medewerkers ............................................................................................................................. 22
5.2.3
Impact continuïteit van zorg ................................................................................................................. 22
5.2.4
Curator .................................................................................................................................................. 22
Deel 2: Vereffening Stichting Intervence ................................................................................................................... 23 6
Ontbinding en vereffening ................................................................................................................................. 23 6.1
Besluit van ontbinding ............................................................................................................................... 23
6.2
Planning ..................................................................................................................................................... 23
6.3
Voorgenomen besluit(en) waar advies voor wordt gevraagd ................................................................... 24
6.4
Proces van ontbinding en vereffening ....................................................................................................... 25
6.4.1
Algemeen............................................................................................................................................... 25
6.4.2
Voorbereiding ‘Ontbinden en vereffening van de stichting’ ................................................................. 25
6.4.3
Opschonen van de balansverplichtingen .............................................................................................. 25
6.4.4
Inventarisatie verhuurverplichtingen & (onderhoud/service) contracten en overeenkomsten ........... 25
6.4.5
Verkoop locatie Roozenburglaan Middelburg ....................................................................................... 26
6.5
Ontbinding van stichting Intervence.......................................................................................................... 26
6.6
Consequenties van vereffening en ontbinding .......................................................................................... 27
6.6.1
Cliënten ................................................................................................................................................. 27
6.6.2
Medewerkers ........................................................................................................................................ 27
6.6.3
Nadere informatie boventallige medewerkers ..................................................................................... 27
6.7
Financiën .................................................................................................................................................... 27
6.7.1
Kaders businesscase .............................................................................................................................. 27
6.7.2
Financiering businesscase ..................................................................................................................... 28
6.8
Toelichting activiteiten ontbinding en vereffening.................................................................................... 28
6.8.1
Besluitvorming....................................................................................................................................... 29
6.8.2
Adviesaanvraag voor ontbinding stichting indienen medezeggenschapsorganen ............................... 29
6.8.3
Advies van medezeggenschapsorganen ................................................................................................ 29
6.8.4
Overdracht cliënten en medewerkers ................................................................................................... 29
CONCEPT
CONCEPT 6.8.5
Nemen besluit vereffening en ontbinding............................................................................................. 29
6.8.6
Selecteren van een partij aan wie de boeken en stukken na vereffening worden overgedragen ........ 30
6.8.7
Besluit nemen over afwikkeling crediteuren en schulden .................................................................... 30
6.8.8
Deponeren afwikkeling stichting (verslag, inclusief publicatie landelijk dagblad) ................................ 30
6.8.9
Financieel beheer stichting beëindigen ................................................................................................. 30
6.8.10
Documentatie gereed maken voor overdracht aan geselecteerde partij ......................................... 30
6.8.11
Stichting uitschrijven Kamer van Koophandel .................................................................................. 30
6.8.12
Vereffening van Stichting Intervence ................................................................................................ 30
6.9
7
8
Organisatie tijdens de (voorbereidingen voor de) ontbinding en vereffening .......................................... 31
6.9.1
Voorbereiden ontbinding en vereffening Stichting Intervence ............................................................. 31
6.9.2
Dossiers ................................................................................................................................................. 31
6.9.3
Tijdspad vereffening .............................................................................................................................. 31
6.9.4
Risico’s ................................................................................................................................................... 32
Blik op vooruit .................................................................................................................................................... 32 7.1
Ontwikkeling jeugdbeschermingsketen ..................................................................................................... 32
7.2
Koers .......................................................................................................................................................... 32
Bijlagen ............................................................................................................................................................... 33
Bijlage 1: Besluit .......................................................................................................................................................... 34 Bijlage 2: Toelichting overige taken Intervence .......................................................................................................... 36 Vaart in Veiligheid ............................................................................................................................................... 36 Safer Caring ......................................................................................................................................................... 38 Drangcasuïstiek ................................................................................................................................................... 39 Bijlage 3: Terugvalscenario .......................................................................................................................................... 40 Bijlage 4: Draaiboek cliëntenoverdracht en afstemming met de Rechtbank/RvdK .................................................... 41 Bijlage 5: Artikel statuten Intervence ‘Ontbinding stichting’ ...................................................................................... 46
CONCEPT
CONCEPT
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Al lange tijd zijn de Zeeuwse gemeenten en Intervence in gesprek over de dienstverlening en de bekostiging van de organisatie. Er is de afgelopen maanden (2020 en 2021) intensief over de zorgen rondom de GI Intervence gesproken met de Raad van Toezicht en de directeur-bestuurder. Ook het Ministerie van J&V is daarbij betrokken evenals het landelijke Ondersteuningsteam Zorg voor de jeugd (OZJ, in de vorm van procesbegeleiding). Begin 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben. Het doel van het onderzoek was om op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen door de 13 Zeeuwse gemeenten over de contractering van Intervence vanaf 2021. Gemeenten zijn vanuit de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van de GIfunctie in Zeeland. Onderstaande scenario’s zijn in 2020 onderzocht: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. 2. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten.
Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GIwerkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten. Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI of GI’s. Onderstaand een korte beschrijving van de resultaten van het scenario-onderzoek voor de GI-functie in Zeeland: o
Scenario 1. Hierover heeft de Raad van Toezicht van Intervence geconcludeerd dat scenario 1 geen reële optie is. Uit het onderzoek, dat is opgesteld door onafhankelijk adviesbureau EHdK, blijkt dat het niet haalbaar is om de organisatie Intervence te laten voortbestaan op basis van de gestelde kaders (PxQ en zonder instandhoudingsbijdrage) en er geen break-even moment zal ontstaan. Wanneer er wel gekozen zou worden voor scenario 1 betekent dit dat de structurele instandhoudingsbijdrage voor Intervence (die nodig is om Intervence dan in stand te houden) ook betaald zou moeten worden aan de andere gecontracteerde GI’s (door de Europese aanbestedingsregels). Dit zou betekenen dat de tarieven voor de GI’s met 25% omhoog zouden moeten, met een toename van zo’n € 2 miljoen structureel.
CONCEPT
CONCEPT o
Scenario 2. Er is in het proces aan verschillende GI’s gevraagd of zij mogelijkheden zien voor overname. Dit is om diverse redenen niet uitvoerbaar gebleken. In het Plan van Aanpak Gecontroleerde Zorgoverdracht wordt met dit scenario rekening gehouden in de vorm van een terugvaloptie.
o
Scenario 3. Voor scenario 3 hebben de drie andere in Zeeland al gecontracteerde GI’s aangegeven dat zij bereid zijn om maatregelen van Intervence over te nemen en de medewerkers uit het primaire proces van Intervence in dienst te nemen.
Met dit scenario is de continuïteit van de zorg voor kinderen en gezinnen zoveel mogelijk gegarandeerd. De risico’s voor de Zeeuwse gemeenten zijn minder groot en ook contractueel zijn er minder risico’s. Bij keuze voor uitrol van dit scenario zijn er na afronding geen vier, maar drie GI’s in Zeeland werkzaam. Op basis van de objectieve feiten uit het scenario-onderzoek heeft de Bestuurscommissie Jeugd (bestaande uit de 13 wethouders Jeugd van de Zeeuwse gemeenten, vanuit een gedelegeerde bevoegdheid, op 26 november 2020 besloten het contract met de Stichting Intervence vanaf 2021 niet te verlengen. Deze keuze leidt tot overgangsperiode waarin de overdracht van maatregelen en, zoveel als mogelijk, de uitvoerende medewerkers op een passende manier geregeld moet worden.
1.2 Betrokkenen Bij het overdragen van zorgtaken en functies zijn altijd vele belanghebbenden. In dit plan van gecontroleerde zorgoverdracht hebben wij extra aandacht voor de impact op cliënten, medewerkers en het totale zorglandschap. Ketenpartners als de gecontracteerde Gecertificeerde Instellingen (GI’s), de Raad voor de Kinderbescherming en de Rechtbank vormen daarbij onderdeel van de oplossing. Van deze partners zal veel gevraagd worden in het faciliteren en mede vormgeven van een gecontroleerde zorgoverdracht.
1.3 Doel Dit plan is opgesteld om, gezien de omstandigheden, de impact van een verschuiving in het landschap zoveel als mogelijk te beperken voor alle betrokkenen. Daarnaast zetten de gemeenten in op de koers van Vaart in Veiligheid, waarbij de ontwikkeling in het zorglandschap ook een kans kan zijn om de veiligheidsketen te verkorten. We trachten daarbij zoveel als mogelijk recht te doen aan de positie van jeugdigen, ouders, verzorgers/opvoeders en medewerkers die betrokken zijn bij Stichting Intervence. De veiligheid van jeugdigen in gezinnen staat te allen tijde voorop. De wettelijke taak van een gecertificeerde instelling staat voor een zeer specifieke en specialistische vorm van zorg en ondersteuning, waarbij de kennis en expertise van medewerkers in dit vak van enorme waarde is.
1.4 Tijdspad Het tijdspad dat is uitgetrokken voor de totale overdracht van zorgtaken van Intervence bedraagt circa zes maanden. Dat is vanaf akkoord voor de uitvoering van het plan van aanpak, tot de overdracht van de laatste maatregel en vereffening van Intervence. Om dit proces goed vorm te geven is het traject opgedeeld in verschillende fases en stappen. Een verdere concretisering van de feitelijke overdracht vindt plaats in overleg met alle betrokkenen en heeft invloed op de haalbaarheid van het voorgenomen en genoemde tijdspad.
CONCEPT
CONCEPT 1.5 Leeswijzer Dit plan van aanpak is tweeledig: de gecontroleerde zorgoverdracht (overdracht van maatregelen en medewerkers) wordt in het eerste deel beschreven, de daaruit voortvloeiende verplichtingen en activiteiten voor ontbinding en vereffening van Stichting Intervence staan in het tweede deel. Deze fasen zijn inhoudelijk, organisatorisch, financieel en juridisch met elkaar verbonden en lopen deels parallel. Het doel van de gemeenten en de overnemende Gecertificeerde Instellingen (GI’s) is om de samenhang en kwaliteit van de jeugdbescherming en -reclassering voor gezinnen en cliënten in de Zeeuwse gemeenten duurzaam te verbeteren. In het eerste deel wordt achtereenvolgend ingegaan op de situatie van de stichting, de impact van de ontwikkelingen en tot slot de uitwerking van het scenario ‘gecontroleerde zorgoverdracht’. Daarin is onderscheid gemaakt in de taken van de gecontracteerde GI’s. Tot slot worden ook twee alternatieve uitkomsten van het overdrachtstraject toegelicht. In het tweede deel staan de planmatige overdracht en vereffening van de stichting uitgewerkt. Het betreft een overzicht van (juridische en financiële) stappen en consequenties die voor een belangrijk deel verder worden geconcretiseerd bij uitvoering van dit plan. Het slotstuk betreft een korte blik vooruit.
1.6 Beknopte samenvatting De Zeeuwse gemeenten hebben na het beoordelen van twee eerdere scenario’s ervoor gekozen het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R), de William Schrikker Stichting (WSS), als onderdeel van Partners voor Jeugd en Briedis Jeugdbeschermers de maatregelen van Intervence over te laten nemen. Volgend op dat besluit hebben de gemeenten op 14 december 2020 het contract met Stichting Intervence per 1 januari 2021 beëindigd. Het besluit is als bijlage (Bijlage 1: Besluit) aan dit Plan van Aanpak toegevoegd. Stichting Intervence zal in scenario 3 aan het overdrachtsproces opvolging geven door de overdracht van cliënten en gezinnen (maatregelen) en de overgang van professionals in goede samenspraak met de overnemende GI’s en de Rechtbank en Raad voor de Kinderbescherming vorm te geven. Op de fase van zorgoverdracht volgt de fase van liquidatie van Stichting Intervence. Deze fase wordt gedurende de zorgoverdracht voorbereid en ingericht. Voor afronding van het gehele proces wordt een periode van zes tot maximaal negen maanden uitgetrokken waarin jeugdbeschermers met de cliënten die zij nu begeleiden, overgaan naar een van de drie organisaties. Voor medewerkers die niet overgaan naar de andere werkgever hanteert Intervence het met werknemersorganisaties overeengekomen Sociaal Plan (2019 -2022).
De Zeeuwse gemeenten zorgen ervoor dat Intervence over middelen blijft beschikken om bij afnemende opbrengsten en kosten de vereffening van de stichting ordentelijk af te ronden. Deze afspraken zijn vastgelegd in een Overbruggingscontract dat loopt tot 1 maart 2021. In dat contract is afgesproken dat Intervence in de daarop volgende periode de maatregelen geleidelijk overdraagt aan haar opvolgers. Voorafgaand daaraan dienen de Inspecties en de Jeugdautoriteit ‘groen licht’ op het Plan van Aanpak te hebben gegeven.
CONCEPT
CONCEPT Terugvaloptie Bij motie van 17 december 2020 verzoekt de Tweede Kamer de regering de Zeeuwse gemeenten ervoor te laten zorgen dat indien de Jeugdautoriteit en de Inspecties geen positief oordeel geven over het Plan van Aanpak er een alternatief scenario beschikbaar is voor de overname van Intervence. Dat scenario is beknopt als bijlage aan dit Plan van Aanpak toegevoegd. Hoewel er vanuit alle betrokkenen wordt ingezet op een goede uitkomst, is dit scenario zoals verzocht opgenomen in het plan van aanpak.
Deel 1: Gecontroleerde Zorgoverdracht 2 Stichting Intervence 2.1 Organisatie Intervence is een van de gecontracteerde gecertificeerde instellingen in Zeeland. Zij voert wettelijke maatregelen uit op basis van de Jeugdwet. Dit zijn maatregelen als (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS), (voorlopige) voogdijmaatregelen (VOVO/Voogdij) en jeugdreclasseringsmaatregelen (JR) die door een rechter worden opgelegd. Intervence maakt onderdeel uit van de veiligheidsketen en werkt samen met onder meer andere GI’s, de Raad voor de Kinderbescherming, Rechtbank en de lokale toegang. Het is in omvang de grootste GI in de provincie Zeeland en voert in totaal 541 beschermings- en nog eens 84 jeugdreclasseringsmaatregelen uit.1
2.2 Verkorting Veiligheidsketen Daarnaast speelt de organisatie een rol in de Verkorting van de Veiligheidsketen. Een traject dat is ingericht na conclusies uit het van Montfoort-onderzoek met een Zeeuwse uitwerking in 2019. In onze provincie is fors ingezet op de verkorting van die keten door beter en vaker samen te werken. Dit met als voornaamste doel om wachttijden te verkorten en sneller toe te komen aan verbetering van de veiligheid van jeugdigen.
2.2.1 Vaart in Veiligheid De gemeenten achten de voortgang van Vaart in Veiligheid (ViV) van groot belang. ViV is een nieuwe inrichting van de jeugdhulp- en beschermingsketen die als doel heeft om: “Eén klantroute, opgezet vanuit de werkwijze 1 Gezin, 1 Plan, van eerste vraag tot en met maatregel en het afschalen daarvan, één vloeiende lijn, waarbinnen de veiligheid van het kind centraal staat en de perspectieven van het kind, de ouder en de professional als belangrijke uitgangspunten worden meegenomen. Dit doen we door ons te richten op een ander werkproces in de veiligheidsketen, gekoppeld aan de lokale toegang, het CJG en de wijkteams”.
ViV kent een projectplan dat is vastgesteld door alle betrokken partners. Intervence heeft hierin namens de vier in Zeeland gecontracteerde GI’s opgetreden. De drie overnemende GI’s hebben allen aangegeven zich volledig achter ViV te scharen en ook formeel hiermee in te stemmen. Zij hebben hiermee hun deelname toegezegd. Ook de cliëntenraad van Intervence heeft zich uitgesproken en
1
Peildatum 2-2-2021
CONCEPT
CONCEPT hardgemaakt voor de continuïteit van dit project. Jeugdigen, ouders en medewerkers die betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling van de werkwijze onderschrijven het belang van voortzetting. Om ViV in de huidige ‘vaart’ voort te kunnen zetten moet er actief op worden geïnvesteerd door de overnemende partijen. Het projectteam ViV zal hiervoor een actieplan opstellen, dat in de pilotperiode kan worden uitgevoerd. Deelname aan project- en stuurgroep namens de overnemende GI’s is daarin essentieel. Vanuit Intervence zal een warme overdracht vanuit de Stuur- en de Projectgroepleden naar de betrokkenen van de overnemende GI’s plaats vinden. De betrokkenen van Intervence nemen daar zelf de regie in. In de bijlage (Bijlage 2) staan de afspraken over de voortzetting, kansen en risico’s van ViV verder uitgewerkt.
2.2.2 Safer Caring Naast de nadrukkelijke rol in de verbetering van de veiligheidsketen, draagt Intervence ook bij aan het project Safer Caring. De Zeeuwse gemeenten hechten veel waarde aan het beschikbaar hebben van veilige pleegzorg voor Zeeuwse jeugdigen. Dit betreft dan veilige pleegzorg vanuit- en voor alle leden van het (pleeg)gezin. Doel van Safer Caring is om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het aantal breakdowns in de pleegzorg. Safer Caring kan een bijdrage leveren aan het bevorderen van de stabiliteit van de plaatsing voor een pleegkind. De Zeeuwse gemeenten hebben in 2018 daarom ingestemd met het advies van Stichting Pleegoudersupport Zeeland om de benadering van Safer Caring als uitgangspunt te omarmen, financieel en inhoudelijk te ondersteunen, en te implementeren als “Zeeuwse werkwijze”. De essentie van deze vernieuwende werkwijze ligt vooral in het positioneren van pleegouders in de kring, het zorgteam, rondom het kind. Dit gebeurt o.a. door: - Het samenwerken in het zorgteam op basis van gelijkwaardigheid; - Gedeelde besluitvorming in het zorgteam; - Het zorgteam maakt één plan; - Risico’s worden proactief besproken. 2.2.2.1 De rol van Intervence Binnen het project Safer Caring zetten jeugdbeschermers van Intervence zich in voor een veilig opgroeien leefklimaat voor jeugdigen in pleeggezinnen.
Safer Caring is een benadering (visie, kennis, houding en gedrag) en heeft effect op de wijze van uitvoering van de taken van de jeugdbeschermers in de betreffende pleeggezinnen. De jeugdbeschermers zijn getraind in deze benaderingswijze en het werken in zorgteams. Van groot belang is dat de gecontracteerde GI’s in Zeeland allen hebben aangegeven ook deze benadering te onderschrijven en verder te willen implementeren binnen de organisatie. Met de overgang van medewerkers naar andere organisaties hoeft er daarmee geen kennis en kunde verloren te gaan. Het Werkdocument Safer Caring (Plan van aanpak 2018) en de notitie Werken in Zorgteams (2020) voor de implementatie van Safer Caring blijven van kracht. Daar komen in dit plan van aanpak geen wijzigingen op. Die pleeggezinnen die momenteel al werken met een zorgteam, blijven volgens deze werkwijze begeleid, ook wanneer de gezinnen overgaan naar een andere GI. Ook bij nieuwe pleegzorgplaatsingen wordt in Zeeland gewerkt met een zorgteam rondom het pleegkind.3
3
Nadere toelichting op Safer Caring is terug te vinden in bijlage 2
CONCEPT
CONCEPT
2.2.3 Vrijwillige jeugdbescherming Hoewel er wettelijke taken van GI’s zijn vastgelegd in de Jeugdwet, speelt Intervence ook een rol in het vrijwillig kader. Situaties waarin er veiligheidsrisico’s bestaan, maar inzet zonder inmenging van de Rechter kan volstaan worden soms door Intervence opgepakt. Deze trajecten worden ook wel ‘drang’ of ‘preventieve jeugdbescherming’ genoemd. Deze termen zijn niet opgenomen in de Jeugdwet, die slechts onderscheid maakt tussen vrijwillige jeugdhulpverlening en kinderbeschermingsmaatregelen. In die wet is nadrukkelijk vastgelegd dat GI’s uitsluitend kinderbeschermings- en reclasseringsmaatregelen mogen uitvoeren, maar dat zij geen jeugdhulp mogen aanbieden. “Kenmerkend is dat aan drang-trajecten geen onderzoek of uitspraak van een rechter vooraf is gegaan. Er zijn echter wel voorwaarden voor ouders aan verbonden: drang-trajecten zijn niet vrijblijvend. Vaak zijn drang-trajecten de laatste kans om een jeugdbeschermingsmaatregel te voorkomen.”4 Daarnaast werd tot noch toe soms een drangtraject ingezet om ten tijde van het raadsonderzoek, naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel, de veiligheid van het kind te waarborgen. Drang kan ook nog ter afschaling worden ingezet. Ook dat is zeldzaam.
Naar aanleiding van het onderzoek door bureau VanMontfoort (December 2019) hebben de 13 Zeeuwse gemeenten besloten dat de “drangcasussen” (vanaf nu spreken we over vrijwillige jeugdbescherming) vanaf 2022 niet meer belegd worden bij de GI’s. Dit past ook bij de landelijke ontwikkelingen hierover. We gaan hierbij uit van de onderstaande definities voor ‘dwang” en ‘drang” (Bron: rapport Preventieve Jeugdbescherming in Zeeland, december 2019. VanMontfoort): • Vrijwillig kader: In het vrijwillig kader wordt jeugdhulp op vrijwillige basis door of voor gezinnen verzocht en geaccepteerd. Betrokkene(n) moet(en) hun toestemming verlenen voor de uitvoering van deze jeugdhulp. • Gedwongen kader: In het gedwongen kader kan door middel van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel (bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, voogdij en jeugdreclassering) jeugdhulp worden ingezet zonder dat hiervoor de toestemming van de betrokkene(n) nodig is. De jeugdige wordt onder toezicht gesteld van een GI. De GI houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de ouder(s) hulp en steun wordt geboden zodat de concrete ontwikkelingsbedreiging die tot de ondertoezichtstelling heeft geleid, wordt weggenomen. 2.2.3.1 Stand van zaken Op dit moment zijn er nog zo’n 100 gezinnen die vrijwillige jeugdbescherming ontvangen vanuit de GI Intervence.
De meerderheid van deze trajecten lopen binnen de duur van de voorziene overdrachtsperiode af. Voor de casussen die voor een langere periode met een vrijwillige maatregel onder Intervence vallen moet op korte termijn een oplossing gevonden worden. Hier biedt het traject van de gecontroleerde zorgoverdracht een belangrijke inhoudelijke kans. De Zeeuwse gemeenten zetten in op een sterk onderscheid tussen vrijwillig en verplicht. De gecontracteerde GI’s stellen dat er in een kortdurend traject door een GI onderzocht moet worden of er een maatregel 4
Bron: Nederlands Jeugd Instituut (NJI)
CONCEPT
CONCEPT moet worden aangevraagd of dat er inzet vanuit de vrijwillige jeugdhulp passend is.5 In de bijlage (Bijlage 2) staat een passage opgenomen over de procesafspraken rondom de overdracht en uitstroom van ‘drangcasuïstiek’. 2.2.3.2 Complexiteit volledige zorgportefeuille De volledige zorgportefeuille, de taken en de rollen in de veiligheidsketen moeten worden overgedragen in het plan van gecontroleerde zorgoverdracht. Dat maakt deze operatie omvangrijk en complex. Tegelijkertijd hebben de Zeeuwse gemeenten vertrouwen in de doorontwikkeling van de keten, ondanks het verdwijnen van Intervence als partner in het veld. Dat staat verder toegelicht in paragraaf 4; het beoogde scenario van gecontroleerde zorgoverdracht.
3 Impact Het onderzoek naar de nut en noodzaak van het gecontroleerd overdragen van zorgtaken heeft inzage gegeven in de impact van een dergelijke ontwikkeling. De specifieke en specialistische zorg en ondersteuningstaken van een GI hebben altijd impact op het leven en de situatie van jeugdigen, ouders/verzorgers en andere betrokkenen. Dit plan van aanpak zou niet compleet zijn zonder een doorkijk naar die impact en de (on)mogelijkheden om die impact te beperken. De Zeeuwse gemeenten kunnen niet genoeg benadrukken dat het uiteindelijk gaat om de zorg en het welzijn van jeugdigen en gezinnen. 3.1 Impact op cliënten In zorg- en vaktermen spreekt men over cliënten. Gemeenten spreken graag van, en vooral met, jeugdigen en ouders die te maken hebben met jeugdzorg. In dit plan staan jeugdigen en ouders met een maatregel centraal die onder de verantwoordelijkheid van Intervence wordt of zou worden uitgevoerd (hierna: cliënten). 3.1.1 Relatie jeugdbeschermer – cliënt De overdracht van zorgtaken zou kunnen impliceren dat er sprake is van wisselende jeugdbeschermers. Voor gemeenten staat voor de relatie tussen jeugdbeschermer en cliënten voorop dat er zoveel als mogelijk moet worden aangestuurd op continuïteit. Dat betekent dat in de overname van zorgtaken, medewerkers en cliënten door andere GI’s het principe van behoud van relatie jeugdbeschermer-cliënt leidend is.
Toch erkennen de gemeenten dat een lange periode van onduidelijkheid over het overdragen van zorgtaken ook zijn weerslag kent op de cliënten. Het is ons allemaal daarom enorm aangelegen om aan die onzekerheid en onduidelijkheid zo snel als mogelijk een einde te maken. 3.1.2 Rechtelijke uitspraak ter vaststelling van nieuwe GI Een bijkomend effect van zorgoverdracht door een GI is de aanpassing van de rechtelijke beschikking. Hierin wordt in de regel opgenomen welke GI belast is met de uitvoering van de maatregel. De gemeenten zetten in op een natuurlijk moment van aanpassing van deze beschikking, bij verlenging van een maatregel. Daarnaast wordt er actief ingezet op de juiste toewijzing van nieuwe maatregelen aan gecontracteerde GI’s die de zorgtaken van Intervence zullen overnemen. Daarmee trachten de
5
De WSS houdt hierin een maximale termijn van 1 jaar aan. In de praktijk blijkt een periode van 3 maanden voor een specifieke doelgroep ((L)VB) vaak tekort.
CONCEPT
CONCEPT gemeenten de impact van aanpassen van beschikkingen door de gecontroleerde zorgoverdracht zoveel als mogelijk te beperken. Overigens is dit ook een belangrijk aandachtspunt voor de RvdK en de Rechtbank (zie paragraaf 4.2.1). Er is afgesproken dat de geleidelijke overgang van cliënten gemonitord wordt zodat er, waar nodig, bij problemen of risico’s bijgestuurd kan worden. Daartoe stemmen de betrokken GI’s in proces steeds af met de gemeenten.
3.1.3 Uitgangspunten Cliëntenraad De Cliëntenraad (CR) van Intervence heeft bevestigd dat de fase voorafgaand aan de gecontroleerde zorgoverdracht bij cliënten zorgt voor onzekerheid. Die zorg is krachtig geuit. De CR stelt dat het plan voor gecontroleerde zorgoverdracht te weinig houvast biedt om die onzekerheid weg te nemen. Daarnaast vindt de raad dat gemeenten de CR onvoldoende betrokken heeft bij de voorbereiding van dit plan. Met de CR is gedeeld dat de gemeenten eveneens op het standpunt staan dat gecontroleerde zorgoverdracht niet mag leiden tot risico’s voor cliënten. De keuze om in korte tijd zorgoverdracht van Intervence naar de drie GI’s in gang gezet is er mede op gericht de periode van onzekerheid zo kort mogelijk te laten duren. De betrokkenheid van de CR bij de verdere concretisering en uitvoering van dit plan is voor de gemeenten evident en van belang. Vervolggesprekken zijn nodig om hier verdere afspraken over te maken.
3.1.4 Keuzes van de cliënt Cliënten kunnen bezwaren kenbaar maken over de GI waaraan hun begeleiding wordt toegewezen. Dat kunnen zij informeel doen bij de jeugdbeschermer die vervolgens over het bezwaar in gesprek zal gaan. Als een bezwaar niet in dialoog kan worden weggenomen kan formeel bezwaar worden gemaakt bij de rechter.
3.1.5 Bereikbaarheid Behalve Intervence zelf is geen van de overnemende GI’s gevestigd in Zeeland. Zij maken wel gebruik van ruimten en voorzieningen in Zeeland waar de cliënt ontvangen kan worden, doorgaans in een locatie waar Intervence gevestigd is (Middelburg, Terneuzen). Voor de gemeenten staat vast dat de GI’s moeten zorgdragen voor voldoende bereikbaarheid en beschikbaarheid. Het aanhouden van fysieke locaties is daarbij onderdeel van de overdracht. De inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGZJ) heeft hier nadrukkelijk aandacht voor gevraagd en ziet toe op dit aspect bij de feitelijke zorgoverdracht.
3.2 Impact op medewerkers Door het verdwijnen van een grote werkgever voor jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ontstaat er onzekerheid en onrust. Die onzekerheid komt voort uit een onbekende toekomst, geen duidelijkheid over voortzetting van contracten en het behoud van de eigen caseload. De gemeenten erkennen deze onduidelijkheid. Het is er dan ook alles aangelegen om aan die onduidelijkheid zo snel mogelijk een einde te maken.
3.2.1 Behoud kennis en expertise In dit plan wordt uitgegaan van een evenwichtig aantal maatregelen over een langere periode. De overdracht van zorgtaken van Intervence betekent een overdracht van verantwoordelijkheid voor de uitvoering van wettelijke maatregelen. De gemeenten zien deze specifieke expertise en achten deze waardevol. Kennis, kunde en ervaring dienen te worden behouden om kwaliteit van zorg in deze tak van
CONCEPT
CONCEPT sport te kunnen blijven bieden. Dat betekent dat deze vakbekwame jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders in al die casussen nodig zullen blijven. Toch betekent een overdracht van zorgtaken niet automatisch een overdracht van al het personeel van Intervence. Voor medewerkers die in overheadfuncties werkzaam zijn, hanteren de GI’s de CAOafspraak om hen van werk naar werk te begeleiden. Dat zou overigens ook werk bij een overnemende partij kunnen zijn. Bij verdere concretisering en uitwerking van het scenario van gecontroleerde zorgoverdracht wordt duidelijk in welke gevallen dat aan de orde is. Het Sociaal Plan 2019-2022 wordt door Intervence toegepast als daartoe aanleiding is. De Ondernemingsraad van Intervence (OR) heeft haar zorgen over het opheffen van de organisatie en het beoogde scenario in dit plan geuit. Medewerkers hebben de grote behoefte om meer zekerheid te kunnen ontlenen aan een dergelijk plan.
3.2.2 Keuze voor een GI Een vraag die sterk leeft is of medewerkers de keuze voor één van de drie GI’s zelf kunnen maken. Omdat het behoud van de relatie cliënt – jeugdbeschermer leidend is kan de medewerker geconfronteerd worden met een overgang die hij of zij niet wenselijk acht. In die gevallen zal in goed overleg een oplossing gevonden moeten worden die recht doet aan beide principes. Behoud van de relatie en een passende verdeling van maatregelen onder de gecontracteerde GI’s.
3.3 Impact op kwaliteit en continuïteit van zorg Samenvattend betekent het plan van gecontroleerde zorgoverdracht voor alle betrokkenen veel. Cliënten, medewerkers en andere betrokkenen hebben in het voortraject in verschillende vormen kenbaar gemaakt veel waarde te hechten aan zorgvuldigheid. Dit alles vanuit de overtuiging dat de kwaliteit en continuïteit van zorg voorop moet staan. De gemeenten willen deze kwaliteit en continuïteit zo goed als mogelijk borgen. De IGZJ ziet toe op die kwaliteit en is medetoetser van het plan van de overdracht. Daarnaast houdt de Jeugdautoriteit voortdurend vinger aan de pols om een dekkend zorglandschap te kunnen blijven borgen. Gemeenten spannen zich tot het uiterste in om, ondanks alle onzekerheden en impact, de kwaliteit en continuïteit voor alle betrokkenen te borgen. In paragraaf 4.2.2 staat verder toegelicht wat de uitvoering van het plan voor gevolgen kent voor lopende en nieuwe maatregelen.
4 Scenario Gecontroleerde zorgoverdracht 4.1 Gecontracteerde Gecertificeerde Instellingen Zeeland kent een GI-landschap bestaande uit 4 gecontracteerde GI’s. Met het overdragen van zorgtaken van Intervence blijven er nog 3 GI’s gecontracteerd. Dat zijn de William Schrikker Stichting, Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering en Briedis. De huidige contracten met die partijen lopen nog tot het einde van 2021, waarna er nieuwe contracten moeten worden gesloten. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de verdeling van zorgtaken van Intervence naar de 3 overgebleven GI’s en het plan van die GI’s om de nieuwe instroom van cliënten en medewerkers goed te kunnen stroomlijnen.
4.1.1 De totale zorgoverdracht Op basis van wat gedateerde cijfers is er een conceptverdeling gemaakt van maatregelen per GI. Daarbij is de intentie uitgesproken voor het overnemen van circa 650 maatregelen. De GI’s hebben met de
CONCEPT
CONCEPT gemeenten de volgende verhouding afgesproken: Briedis 450, LJ&R 150 en WSS 50. Dat is gebaseerd op een afspiegeling van de cliënten met een maatregel. Op dit moment zijn er nog 541 kinderbeschermingsmaatregelen en 84 jeugdreclasseringszaken bij Intervence.6 LJ&R en WSS zijn als landelijk werkende GI’s sinds jaar en dag actief betrokken in jeugdbescherming in Zeeland. In alle gemeenten voeren zij maatregelen uit en werken zij samen met het voorliggend veld en Rechtbank en Raad voor de Kinderbescherming. Zij voeren daarbij alle maatregelen en jeugdreclasseringstaken uit en zijn in staat met de overgang van de medewerkers in het primair proces, een derde deel van de maatregelen van Intervence over te nemen. In de dagdagelijkse praktijk werken deze GI’s al samen met Intervence bij het overdragen van casussen. Omdat het om relatief beperkte aantallen gaat is de instroom goed inpasbaar in de verschillende organisaties. Voor overname van de resterende twee derde van de maatregelen is Briedis een essentiële GI in het scenario. Briedis werkt als landelijke GI maar voert in Zeeland het grootste deel van haar werkzaamheden uit. In de rest van het land is Briedis kleiner waardoor de organisatie demografisch vooral een ‘Zeeuwse’ GI is. De jeugdbeschermers van Briedis werken als zelfstandige en zijn lid van de coöperatie Briedis.
Voor de overname van maatregelen en medewerkers Intervence realiseert Briedis naast de coöperatie ook een BV die jeugdbeschermers (en andere functies) in loondienst neemt. Hierdoor is een arbeidsrechtelijk gelijkwaardige overgang van medewerkers van Intervence naar Briedis geborgd. Briedis doet hiermee een maximale inspanning om dit plan te laten slagen. Het uitgangspunt is om jeugdigen, ouders en opvoeders niet de dupe te laten worden van de gecontroleerde zorgoverdracht.
4.1.2 William Schrikker Stichting (Partners voor Jeugd) De WSS voert op jaarbasis ruim 200 jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen uit voor de Zeeuwse gemeenten en heeft twaalf jeugdbeschermers beschikbaar. De medewerkers zijn in alle gemeenten actief, in samenwerking met wijkteams, medewerkers van Intervence en WSS en kennen het Zeeuwse jeugdbeschermingsveld goed. De WSS richt zich daarbij op haar doelgroepen met specifieke problematiek en omstandigheden en op Jeugdreclassering. In de praktijk zijn de afgrenzingen van de doelgroepen zodanig dat de 50 extra maatregelen die in het scenario worden overgenomen van Intervence, vanuit de expertise van de WSS goed begeleid kunnen worden. De WSS zal deze instroom geleidelijk laten verlopen en de daarbij passende formatie van 4 fte jeugdbeschermers van Intervence in dienst nemen. Als de omstandigheden om versnelling van het overnemen van maatregelen vragen, kan de WSS ook dat opvangen. 4.1.2.1 Inwerkprogramma De WSS gebruikt een doorontwikkeld organisatiebreed inwerkplan voor (nieuwe) jeugdbeschermers dat overal in de organisatie wordt toegepast en is gericht op het omgaan met de systemen, werkwijzen, procedures en protocollen van de WSS. De norm Verantwoorde Werktoedeling wordt toegepast. De organisatie hanteert ‘leerlijnen’, een systeem van waarmee de professionele ontwikkeling en integratie geborgd wordt.
Gedurende het 1e half jaar zullen medewerkers van Intervence ondersteund bij het gewend raken aan de nieuwe organisatie door een vaste medewerker van de WSS.
6
Peildatum 2-2-2021
CONCEPT
CONCEPT 4.1.2.2 Registratiesysteem WIJZ In het werkveld van GI’s is het gebruik van registratiesysteem WIJZ veel voorkomend. Nieuwe medewerkers ontvangen bij de organisatie een training om WIJZ te gebruiken. Ook Intervence heeft de toegang tot WIJZ ingeregeld, maar nog niet volledig geïntegreerd in het werkproces. Voor de instromende medewerkers van Intervence wordt op maat bekeken of training en wegwijs in het systeem noodzakelijk is. De WSS heeft WIJZ goed geïntegreerd met de overige systemen. 4.1.3 Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering LJ&R voert op jaarbasis ruim 100 jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen uit in Zeeland. Voor de regio Zeeland / West Brabant / Zuid Hollandse Eilanden zijn 30 jeugdbeschermers actief. LJ&R zal geleidelijk maximaal 150 maatregelen van Intervence gaan overnemen met daaraan gekoppelde formatie van naar schatting 12,5 fte. LJ&R heeft een specifieke benadering voor haar doelgroep. Landelijk geldt dat LJ&R ook zo’n 20-30% niet-doelgroep specifieke casuïstiek onder zijn hoede heeft. LJ&R is goed instaat alle instromende medewerkers van Intervence een gedegen inwerkproces te bieden waardoor zij hun professionele carrière voort kunnen zetten ten behoeve van Zeeuwse kinderen en gezinnen.
Voor casussen die niet tot de gebruikelijke doelgroep behoren is in eerste instantie afgesproken voor jeugdreclasseringszaken en spoedzaken met de WSS te kijken welke GI het meest passend is. 4.1.3.1 Inwerkprogramma LJ&R hanteert een algemeen inwerkprotocol waarin werkwijzen, procedures en protocollen worden overgedragen. Afhankelijk van ervaring kunnen delen aangepast worden en is er extra aandacht voor individuele aandachtspunten in dit integratieproces. Met nieuwe medewerkers wordt een dag besteed aan alle werkvormen en aan de visie en missie van het Leger des Heils. Het team in Zeeland heeft een coach (senior-medewerker) die het inwerken voor zijn rekening neemt. 4.1.3.2 Registratiesysteem WIJZ Ook voor LJ&R geldt dat medewerkers worden getraind in het gebruik van WIJZ. Tijdens de inwerkperiode wordt er nadrukkelijk ook gecoacht en ondersteund bij het gebruik van het systeem. Ook hier geldt dat WIJZ goed geïntegreerd is met de overige systemen en dat op maat bekeken wordt of training voor medewerkers van Intervence noodzakelijk is. 4.1.4 Briedis Briedis is als landelijke GI in zeven jeugdzorgregio’s werkzaam met een accent op Zeeland. Twee derde van het aantal gezinnen/kinderen wordt in Zeeland begeleid.
De organisatie kenmerkt zich door een platte organisatievorm die naast een coöperatie van zelfstandig werkende jeugdbeschermers ook een BV kent, die op 1 april 2021 formeel en materieel binnenkomende casussen en medewerkers in loondienst over kan nemen. Omdat Briedis met het overnemen van de maatregelen groeit, wordt de organisatie daarop ingericht. Briedis neemt gefaseerd de rol van generieke GI van Intervence over. In de eerste fase van de overdracht zal Briedis geen JR-zaken en voorlopige ondertoezichtstellingen (VOTS) overnemen. Op jaarbasis zijn er 150 JR-zaken en VOTS die overgenomen kunnen worden door het LJ&R en de WSS. In de verdere fases van overdracht gaat Briedis ook die zaken oppakken. Dat kan op het moment dat medewerkers, woonachtig in Zeeland, bij Briedis in loondienst treden. Briedis BV zal twee derde van de maatregelen van Intervence gaan overnemen. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde caseload van 15 maatregelen per fte. Op basis van de eerste verdeling (450 voor Briedis) zou dat een totaal aantal medewerkers van 30 betekenen. De praktijk laat zien dat het aantal maatregelen afneemt en dat gedurende de uitvoering en realisatie van het plan dit aantal bijgesteld moet worden. Vooralsnog is niet
CONCEPT
CONCEPT de verwachting dat het totaal aantal maatregelen (en dus aantal benodigde professionals) significant afneemt. 4.1.4.1 Het ontwikkelplan De groei van de organisatie van Briedis gaat niet zonder slag of stoot. De organisatie zal moeten zorgdragen voor: -
een leidend kwaliteitssysteem dat op orde is; een duidelijke organisatiestructuur; en een loondienstverband voor nieuwe medewerkers; het laten aansluiten van registratiesystemen op de systemen van partners in de keten; een haalbare fasering van instroom met behoud van kwaliteit van zorg
4.1.4.2 Organisatiestructuur Briedis stelt vast dat een snelle groei uitvoerbaar is door de stabiele organisatorische opbouw van de BV. Er is nagedacht over de gevolgen voor medewerkers bij overdracht. BV Briedis is 100 % dochter van de coöperatie. Op uiterlijk 31 maart is zij technisch en procesmatig volledig ingericht om personeel aan te nemen dan wel over te nemen. De CAO Jeugdzorg is van toepassing. Er zijn overeenkomsten met leveranciers & verzekeraars. De BV levert deze diensten (in dit geval menskracht) conform haar statuten en mag net als de coöperatie geen winst maken. In de BV worden ook de HRM functies ondergebracht (HRM-adviseur evenals de (tijdelijke) inzet van manager / teamleider(s). 4.1.4.3 Loondienst Briedis was tot kortgeleden een organisatie waar vooral ZZP’ers werkzaam waren. Er zijn mensen in dienst, maar dat betreft nu nog ondersteunend personeel. Er is al eerder de keuze gemaakt om ook loondienstverband mogelijk te maken voor mensen in het primaire proces en daartoe is gekozen om daarvoor de al eerder opgerichte Briedis B.V. in gebruik te nemen. Zij is de ‘formele werkgever’ van alle collega’s die kiezen voor een loondienstverband. 4.1.4.4 Registratiesysteem en aansluiting op systemen van partners Briedis werkt actief met dossierapplicatie eLand. Deze applicatie is volledig CORV-capabel, op hetzelfde niveau als alle andere GI’s.
Sinds medio 2019 is zij staat om het JB CORV verkeer af te handelen (VTO's). Dat is nog niet het geval voor JR-berichtenverkeer. In gezamenlijkheid met de afdeling service & beheer van JZN wordt op korte termijn een impactanalyse gemaakt met als doel (uiterlijk 3e week februari) een antwoord te hebben op de ‘what-if’ vragen: • • •
Briedis blijft werken met eLand Briedis over gaat op Wijz Er een combinatie mogelijk is.
Daartoe worden zowel functionele, (migratie) technische als financiële aspecten in beeld gebracht. 4.1.4.5 Het normenkader Briedis is gecertificeerd voor het nieuwe normenkader 2.0 per 10 januari 2021.
CONCEPT
CONCEPT 4.1.4.6 Gefaseerde groei Briedis heeft de organisatie ingericht op gefaseerde groei. Dit betekent dat het leidende kwaliteitssysteem op orde is, structuren staan en huidige professionals klaar staan nieuwe cliënten en collega’s te ontvangen om een zachte landing te garanderen. In de eerste transitiefase is het van groot belang dat nieuwe collega’s die naar Briedis komen de tijd en ruimte krijgen om te reflecteren op hun nieuwe omgeving, zodat hun ervaring mee wordt genomen naar de volgende ‘tranche’ kinderen en collega’s. Briedis kan alleen verantwoord groeien als de groei gefaseerd is en exponentieel verloopt.
Daarbij heeft Briedis een inwerkprogramma opgesteld met een planning, aangepast op de verwachtte instroom na overdracht. De organisatie heeft laten zien in korte tijd te kunnen voldoen aan de eisen voor certificering. De organisatie werkt met autonome teams en een ledenafvaardiging uit de coöperatie (Veldregiegroep) die samen met de Bestuurder richting geeft aan de koers van de organisatie. Het aantal kinderen dat wordt begeleid door Briedis is hard gegroeid sinds het ontstaan. Toch is fasering noodzakelijk. Het is een voorwaarde. Datzelfde geldt voor de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel, naar gelang de kwantitatieve toename van het aantal kinderen waarover Briedis de maatregel uitvoert. Om de groei te begeleiden heeft Briedis naast de Bestuurder een regiegroep projectmanagement ingericht ten behoeve van de kwaliteitsborging.
4.2 Impact op wettelijke maatregelen 4.2.1 Afstemming met partners uit de keten Door de overdracht naar de andere GI’s verwacht de Rechtbank veel druk op de agenda. De GI’s inventariseren voorafgaand welke zaken zij verwachten en stemmen over de planning af met de Raad en de Rechtbank. Het triageprotocol, dat is opgemaakt in afstemming met de Rechtbank, RvdK, GI’s en gemeenten blijft van kracht totdat Briedis in staat is om de volledige capaciteit te leveren.
CONCEPT
CONCEPT 4.2.1.1 Zorg vanuit de Rechtbank Er is vanuit de Rechtbank de zorg geuit dat zij zelf capaciteit tekort komen om een groot aantal verzoeken tot wijziging van gecertificeerde instelling in een korte tijd te behandelen. Daarover worden afspraken gemaakt tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Justitie en Veiligheid (J&V). De mogelijkheid wordt onderzocht om deze verzoeken in een bulk te kunnen afhandelen.
4.3 Beschrijving van risico’s en kansen In Zeeland zetten we in op maatwerk dat past bij het gezin en de regio. Met de verschuiving van het GIlandschap als gevolg van de gecontroleerde overdracht zien wij impact en risico’s. Zoals gesteld is de grootste transitie de overdracht van maatregelen en professionals van Intervence naar Briedis. Dat brengt onzekerheden met zich mee. Net zoals die er zijn bij de overdracht van zorgtaken naar andere GI’s. Toch biedt een dergelijke verandering ook kansen voor de inhoud van zorg. In deze paragraaf worden de zekerheden en onzekerheden samengevat.
4.3.1 Zekerheden In het plan van gecontroleerde zorgoverdracht van Intervence naar de drie andere gecontracteerde GI’s zijn er zekerheden en kansen op inhoudelijk en randvoorwaardelijk vlak. Grofweg is dit: ❖ De verdieping op Vaart in Veiligheid, met een grotere rol voor de innovatiekracht van Briedis als generieke GI ❖ Het breedgedragen uitgangspunt van behoud relatie cliënt-jeugdbeschermer ❖ Het breedgedragen uitgangspunt van behoud van ervaring, kennis en kunde van vakbekwame professionals van Intervence ❖ Het behoud van de contractuele afspraken en tariefstelling voor GI’s in Zeeland ❖ De afwending van inhoudelijke, juridische en financiële consequenties van een dreigend faillissement ❖ Er komt een einde aan onzekerheid en onduidelijkheid voor cliënten en medewerkers bij het verlieslatende construct van Intervence. ❖ Een gelijkwaardig GI-landschap ❖ De focus op kwaliteit en continuïteit van zorg, onder toezicht en met ondersteuning van IGZJ en JA
4.3.2 Onzekerheden Zoals eerder aan de orde gesteld zijn er in dit plan ook onzekerheden. Vragen waarop geen kort of adequaat antwoord gegeven kan worden. Dat is onvermijdelijk bij processen met deze omvang en belangen. Toch is het belangrijk die onzekerheden te benoemen, als onderdeel van het proces van gecontroleerde zorgoverdracht: -