MZ 2021.12.01 Bijlage 3. rapport vervolgtoezicht Regio Zeeland
Tekst van het document
Jeugdbeschermingsregio Zeeland Regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd
Utrecht, juli 2021
De accounthoudende wethouder aan het woord namens Jeugdzorgregio Zeeland
Op deze punten uit het rapport zijn we trots: • •
•
•
•
Inzet van de zorgmakelaar. Inzet van Kind in scheiding Zeeland bij de complexe scheidingen Ouders worden tijdig gesproken en zijn betrokken bij het uitzetten van de koers. De Inspecties spreekt over “bij alle GI’s goed toegeruste jeugdbeschermers”, die voorbeelden van de manier kunnen geven waarop zij inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en hoe zij deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. Het werken met wachtlijstbeheer tijdens deze praktijktoets is niet wenselijk, maar wel voldoende.
Met deze punten uit het rapport gaan we aan de slag: • • • •
•
• •
•
Beleidskader voor gezinshuizen Pleegzorg Plus voorzieningen Inkoop forensische zorg is in afstemming met West Brabant West, Hart van Brabant en West Brabant Oost opgepakt. Woonvoorzieningen inclusief een doorlopende begeleiding/ behandeling voor LVB jongeren met psychiatrische problematiek (ook ter preventie van Beschermd wonen/Maatschappelijke Opvang) Actief wachtlijstenbeheer bij GI’s door o.a. structureel afstemming Raad voor de Kinderbescherming en Rechtbank en een Instroomteam die de veiligheid van de kinderen bewaakt. Kind in scheiding Zeeland ook onder de aandacht van GImedewerkers uit Zeeuws Vlaanderen brengen. Doorontwikkeling van het Expertiseteam op basis van de vier pijlers zoals door de VNG opgesteld met als doel structureel en laagdrempelig overleg tussen de partijen als lokale Teams, jeugdhulpaanbieders en GI’s Inzetten op harmonisatie van de toegangsprocessen, met in acht neming van de afspraken uit het “Samenwerkingsprotocol Gemeenten en GI’s”
Wat gaan jeugdigen en ouders hier van merken? Dat passende en noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet.
Samenvatting Dit rapport maakt deel uit van het toezichttraject Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties). In de voortgangsrapportage van oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een doorbraakaanpak voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- en/of reclasseringsmaatregel. Deze aanpak moet ertoe leiden dat elk kind met een dergelijke maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt. Dit rapport van de inspecties geeft antwoord op de vraag of de regio Zeeland hierin is geslaagd. Bevindingen en conclusies Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers Op basis van de praktijktoets kwamen de inspecties tot de volgende conclusie. De regio Zeeland is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. Met name de tijdigheid van het toewijzen van een jeugdbeschermer vraagt aandacht.
Na de praktijktoets zijn de inspecties geïnformeerd dat het de gecertificeerde instellingen (hierna: GI’s) die in Zeeland werkzaam zijn (Briedis, Intervence, Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, William Schrikker Stichting), sinds 1 april 2021 niet meer lukt om aan gezinnen waar een jeugdbeschermingsmaatregel is uitgesproken een vaste jeugdbeschermer te koppelen. Dit komt mede door het wegvallen van Briedis 1 als GI. Tijdig passende hulp De regio Zeeland is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. De doorbraakaanpak in de regio’s heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Het knelpunt in Zeeland zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. In de regio ontbreekt een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van specialistische jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders. Daarnaast wordt de jeugdhulp die de GI nodig acht bij de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel met vertraging ingezet. De oorzaken liggen voornamelijk in het uitgebreide administratieve aanmeldproces. De mate waarin dit aan de orde is verschilt per gemeente.
Hier staat tegenover dat de inspecties ook positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren zien in de regio. Zo zijn de jeugdhulpaanbieders betrokken bij de doorbraakaanpak en is voor bijna alle aangemelde jeugdigen passende hulp gevonden. Vervolg Tijdig een vast jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties verwachten dat de Zeeuwse gemeenten, Intervence en Jeugdbescherming west in gesprek gaan over het huidige tekort aan jeugdbeschermers en op korte termijn komen tot passende verbetermaatregelen. De inspecties volgen dit intensief. Over het vervolg ten aanzien van de landelijk werkende instellingen in deze regio (Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, William Schrikker Stichting en Jeugd Veilig Verder) rapporteren de inspecties op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport. Tijdig passende hulp De geconstateerde positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren, zijn van dien aard dat de inspecties er voldoende van uit kunnen gaan dat de betrokken partijen, onder regie van de
1
Over Briedis is op 1 juni een faillissement uitgesproken en richt zich nu op een overdracht van jeugdbeschermingsmaatregelen naar andere GI’s.
3 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
accounthoudende gemeente, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders binnen de jeugdbeschermingsregio alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht. De inspecties zien daarnaast dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. Zij spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
4 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Inhoudsopgave 1 Inleiding ...........................................................................................................................6 1.1 1.2 1.3
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd ..............................................................6 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel .....................................................6 Opzet van het onderzoek .........................................................................................6
2 De jeugdzorgregio Zeeland .................................................................................................8 2.1 2.2 2.3
Beschrijving jeugdzorgregio Zeeland..........................................................................8 Beschrijving betrokken GI’s ten tijde van uitvoering praktijktoets ..................................8 Onderzoek naar uitvoering functie jeugdbescherming ..................................................8
3 Indruk na de monitoringsfase ............................................................................................ 10 3.1 3.2
Beschrijving doorbraakaanpak ................................................................................ 10 Beeld op basis van monitoring ................................................................................ 10
4 Resultaten van de praktijktoets ......................................................................................... 12 5 Conclusie ........................................................................................................................ 20 5.1 5.2 5.3 5.4
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers ....................................................................................... 20 Vervolg GI’s.......................................................................................................... 20 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ............................ 20 Vervolg passende hulp ........................................................................................... 21
5 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
1 Inleiding Dit rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de inspecties) geeft antwoord op de vraag of elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel 2 in de jeugdbeschermingsregio 3 Zeeland tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt.
1.1 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd In het najaar van 2019 hebben de inspecties in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar geoordeeld dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties oordeelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Daarnaast constateerden zij structurele problemen die ertoe leidden dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond. De inspecties vonden dat er direct stappen moesten worden gezet die ertoe leidden dat kwetsbare kinderen zonder vertraging hulp krijgen. Hierop hebben de inspecties een intensief toezicht traject ingezet.
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling. Hieronder vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling van kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
1.2 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen. De inspecties zagen dat er voor de langere termijn een positieve beweging in gang is gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat de jeugdbescherming en jeugdreclassering nog niet op orde waren. Om die reden hebben de inspecties gevraagd om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbescherming of -reclassering maatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte aanpak. De doorbraakaanpak moest ertoe leiden dat voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer wordt toegewezen, tijdig een gedragen koers is uitgezet en dat tijdig passende hulp wordt ingezet die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. En dat daarmee de uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd.
1.3 Opzet van het onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot en met februari 2021 hebben de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio gemonitord door frequente gesprekken met door de regio aangewezen contactpersonen, de betrokken ambtenaren te voeren. In deze gesprekken werd telkens de stand van zaken omtrent bovengenoemde normen en de doorbraakaanpak besproken. 2 3
Hiermee worden zowel de jeugdbeschermings- als ook de jeugdreclasseringsketen bedoeld. De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam.
6 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Verdiepende praktijktoets In maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit hebben zij gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. In dit rapport staan de resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoets.
7 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
2 De jeugdzorgregio Zeeland 2.1 Beschrijving jeugdzorgregio Zeeland De jeugdzorgregio Zeeland heeft 13 gemeenten en 385.379 inwoners. De Zeeuwse gemeenten kopen via de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland gezamenlijk de jeugdhulp in. Waaronder het specialistisch collectief aanbod, diensten voor de uitvoering van de gemeentelijke toegangen en het uitvoeren van de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Deze inkooporganisatie wordt aangestuurd door een bestuurlijke commissie waar alle gemeenten aan deelnemen. De wethouder van Sluis is de voorzitter van de bestuurlijke commissie. Er zijn drie factoren die een extra uitdaging vormen voor de inkoop en de inrichting van het jeugdhulplandschap. Zeeland is een geografisch uitgestrekt gebied met een krimpende bevolking. Daarnaast is de arbeidsmarkt gespannen door te weinig aanbod van zorgprofessionals, onder meer veroorzaakt door vertrek van hoogopgeleide jongvolwassenen uit de regio. Zeeland werkt met een aantal uitgangspunten voor de jeugdhulp. De belangrijkste is dat de vraag van de jeugdigen en het gezin centraal staat. Binnen de regio wordt een vast tarief per geleverd traject gehanteerd, oftewel productiegericht financieren. Iedere gemeente binnen de jeugdzorgregio hanteert andere procedures voor het aanvragen van de jeugdhulpbepalingen.
In Zeeland is een pilot uitgevoerd in het kader van de landelijke pilots ter verbetering van de jeugdbeschermingsketen. De pilot staat bekend onder de naam vaart en veiligheid en gaat uit van een vloeiende klantroute. Zeeland heeft ervoor gekozen om deze pilot uit te breiden en werkt ernaartoe om dit tot de standaard werkwijze in Zeeland te maken.
2.2 Beschrijving betrokken GI’s ten tijde van uitvoering praktijktoets In Zeeland zijn ten tijde van het toezicht vier GI’s actief, namelijk: Intervence, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna; WSS), Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna; LJ&R) en Briedis 4. Intervence is de regionale GI en biedt jeugdbescherming en jeugdreclassering. Briedis is werkzaam in meerdere regio’s in het land en biedt alleen jeugdbescherming. LJ&R en de WSS zijn werkzaam in heel Nederland. Beide GI’s richten zich op een specifieke doelgroep. LJ&R heeft te maken met gezinnen en jongeren die vastlopen in complexe situaties en met meervoudige problematiek. Het gaat hierbij vaak om langdurige problematiek. De WSS biedt ondersteuning en hulp aan kinderen met een (verstandelijke) beperking of chronische ziekte, en/of aan kinderen van ouders met een beperking.
2.3 Onderzoek naar uitvoering functie jeugdbescherming De Zeeuwse gemeenten zijn sinds 2017 in gesprek met Intervence over financiën. Intervence is een kleine GI in verhouding tot de andere regionale GI’s in Nederland. De bedrijfsvoeringskosten zijn relatief hoog, zeker ook door de geografische ligging van Zeeland. Dit alles heeft er mede toe geleid dat in mei 2020 besloten is onderzoek te gaan verrichten naar de toekomst van de uitvoering van de GI-functie in Zeeland. Er lagen concreet drie scenario’s voor om uit te werken. Het eerste scenario was het continueren van Intervence als zelfstandige GI. Het tweede scenario was gericht op overname of een fusie met een andere GI. Het derde scenario was het stoppen van Intervence en het overnemen van de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregelen door de drie al gecontracteerde GI’s in Zeeland (Briedis, LJ&R en WSS). Gedurende de monitoringsfase nam de bestuurscommissie van de inkooporganisatie op 26 november 2020 het besluit om op basis van het scenario-onderzoek het contract met Intervence niet verlengd werd. Daarmee werd feitelijk overgegaan op scenario drie. Tijdens de monitoringsfase is voor de uitvoering van dit scenario een plan van aanpak gemaakt. 4
Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard. Briedis biedt tot de afbouw en overdracht van jeugdbeschermingsmaatregelen jeugdbescherming.
8 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Op verzoek van het ministerie van Justitie en Veiligheid hebben de inspecties en Jeugdautoriteit dit plan beoordeeld. Daaropvolgend hebben de Zeeuwse gemeenten besloten scenario drie niet verder uit te werken en in gesprek te gaan met Jeugdbescherming west in het kader van scenario twee. Inmiddels is op 4 juni 2021 bekend gemaakt dat Jeugdbescherming west en Intervence een bestuurlijk fusie aangaan, waarmee de continuïteit van de jeugdbeschermingsfunctie in Zeeland is geborgd.
9 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
3 Indruk na de monitoringsfase Tijdens de monitoringsfase van oktober 2020 tot en met februari 2021 voerden de inspecties vijf gesprekken met de programmamanager jeugd, die als contactpersoon is aangewezen voor de accounthoudende regio 5. Vanaf het eerste gesprek was, naast deze contactpersoon, de voorzitter van het expertiseteam van Zeeland aanwezig. Tijdens deze gesprekken bespraken de inspecties en de regio’s de stand van zaken omtrent de doorbraakaanpak. Gedurende de monitoringsgesprekken was het voor de inspecties lastig een goed beeld te krijgen van de voortgang van de doorbraakaanpak, mede als gevolg van de onduidelijkheid over het voortbestaan van Intervence en de onrust die dat veroorzaakte. Om meer zicht te krijgen hebben de inspecties op 7 januari 2021 Intervence bezocht, gesproken met management en professionals en dossiers ingezien.
3.1 Beschrijving doorbraakaanpak Opzet van doorbraakaanpak Stap één van de Zeeuwse doorbraakaanpak was het in beeld krijgen van de kinderen en een analyse maken van de inventarisatie. Stap twee was het bespreken van de casus met het expertiseteam onder leiding van de voorzitter. Er werd hierbij gebruikt gemaakt van een zogenaamd acht stappenplan. De doorbraakaanpak was een aanvullende taak voor het expertiseteam. Voor de doorbraakaanpak zijn aparte bijeenkomsten gepland van het expertiseteam, waaraan de Zeeuwse aanbieders deelnamen, de lokale teams en de GI’s. Als het mogelijk was, schoven ook ouders, jeugdige, mantelzorg en/of volwassenzorg aan. Het expertiseteam was al actief in de toeleiding in het vrijwillig kader bij een aanvraag complexe zorg. De bestaande werkwijze van het expertiseteam is gericht op toekomstbestendige oplossingen. Daar waar dit niet direct geborgd kan worden (doordat er geen zorgaanbod is door gebrek aan medewerkers, wachtlijsten of omdat het aanbod nog gecreëerd moet worden), wordt volgens de regio wel een zo passend mogelijk aanbod gedaan dat in ieder geval verbetering geeft. Vanuit het expertiseteam wordt gemonitord: de jeugdige wordt in beeld gehouden en de voortgang van de hulp wordt bewaakt. Aanpassing gedurende de doorbraakaanpak Bij de start van de doorbraakaanpak bleek dat er een tussenstap nodig was.
De voorzitter van het expertiseteam en de zorgmakelaar van de inkooporganisatie hebben om verheldering gevraagd bij Intervence om te beoordelen welke casussen bij het expertiseteam besproken moesten worden, en welke wellicht al gemakkelijker op een andere wijze opgelost konden worden. Dit bleek lastig om duidelijk te krijgen. Mede doordat Intervence aangaf daar op dat moment geen tijd aan te kunnen besteden. De voorzitter van het expertiseteam heeft dit uiteindelijk inzichtelijk gekregen door zelf de individuele jeugdbeschermers te benaderen. Hier is veel tijd aan besteed.
3.2 Beeld op basis van monitoring Tijdig vaste jeugdbeschermer Binnen Zeeland is geen doorbraakaanpak geformuleerd voor het tijdig inzetten van een vaste jeugdbeschermer. Bij het startgesprek in november 2020 geven Briedis, LJ&R, WSS aan geen wachtlijst te hebben. Begin december hadden Briedis en Intervence beide één casus waarbij er geen vaste jeugdbeschermer was. Vanaf januari 2021 leverden WSS en LJ&R landelijk hun cijfers aan. Briedis gaf aan één casus te hebben zonder vaste jeugdbeschermer. Uit het tussentijds toezicht van de inspecties bij Intervence bleek dat grotendeels werd voldaan aan de norm tijdig een vaste jeugdbeschermer.
5
Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit.
10 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Tijdig een gedragen koers Binnen Zeeland is geen doorbraakaanpak ingezet voor de tijdig gedragen koers. Bij het startgesprek in november 2020 waren de aantallen nog niet bekend. In december 2020 bleek uit het monitoringsgesprek dat drie jeugdigen nog geen plan hadden; dat waren dezelfde jeugdigen die ook geen vaste jeugdbeschermer hadden. De regio Zeeland is van plan om ook deze cijfers te verifiëren, gezien het risico dat medewerkers bij Intervence zouden vertrekken. Uit het toezicht van de inspecties bij Intervence in januari 2021 bleek dat grotendeels werd voldaan aan de norm tijdig een gedragen koers. Tevens had Intervence een plan voor de korte termijn om het vertrek van medewerkers op te vangen. Tijdig passende hulp Het beeld dat de inspecties op basis van de monitoring kregen, was dat in Zeeland de doorbraakaanpak sterk heeft bijgedragen aan het afnemen van het aantal jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel dat wachtte op passende hulp. De oorspronkelijke lijst van 59 jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel die wachtten op passende hulp was in januari 2021 teruggebracht naar 19 jeugdigen (Intervence) en 3 jeugdigen (Briedis). Van LJ&R en WSS waren er geen jeugdigen meer op de wachtlijst. Bij de afronding van de monitoringsfase wachtten nog vier jeugdigen op passende hulp.
Volgens onderzoek van het Bovenregionaal Expertise Centrum zijn in Brabant/Zeeland structurele lacunes in passende hulp op het gebied van multidisciplinaire samenwerking en combinaties van zorg, behandelingen (met verblijf), woonvormen (specifiek gezinshuizen plus), hulp voor LVB in combinatie met andere problematiek en gespecialiseerde ambulante hulp. Daarnaast worden veel lacunes ervaren in het proces om tot passende hulp te komen. Dit klopt met het beeld dat door de contactpersonen is geschetst tijdens de monitoringsgesprekken. Verder kwam het knelpunt naar voren dat GI’s geen goed zicht hebben op de sociale kaart. Stimulerend voor de doorbraakaanpak waren de brede blik van het expertiseteam, de inzet van de zorgmakelaar en dat de jeugdhulpaanbieders actief participeerden in de aanpak van de wachtlijst. Voor de doorbraakaanpak heeft de regio toegezegd dat financiële tekorten in de regio geen rol speelden. Overall waren de tekorten in de regio en de arbeidsmarktproblematiek nog steeds grote knelpunten.
11 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
4 Resultaten van de praktijktoets In dit hoofdstuk geven de inspecties hun conclusies uit de praktijktoets weer per norm. De inspecties hebben in Zeeland 22 dossiers onderzocht, 14 gesprekken met jeugdbeschermers gevoerd en 7 gesprekken met ouders en kinderen. Hieronder gaan de inspecties in op de bevindingen per norm. Er is geen splitsing gemaakt per GI. Daar waar een GI negatief of positief afwijkt, benoemen de inspecties dit.
Bevindingen op basis van de normen Norm 1
Tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel Vast: De jeugdbeschermer blijft gedurende de uitvoering van de OTS verbonden aan het gezin, of de wisseling van jeugdbeschermer vindt voorspelbaar/ op vaste momenten plaats (bijv. na de afronding van het plan van aanpak). Er is hooguit één wisseling wegens verloop of ziekte. Bij wisseling komt het gezin niet bij bureaudienst/ wachtlijstbeheer terecht. Tijdig: Binnen vijf werkdagen nadat de GI in kennis is gesteld is een jeugdbeschermer aan het kind / gezin gekoppeld.
Bevindingen De regio is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Zeeland tijdig een vaste jeugdbeschermer had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 35 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer. Dit was in alle gevallen op orde. De inspecties hebben in totaal 35 casussen beoordeeld op de tijdige beschikbaarheid van een jeugdbeschermer. Dit was in tien gevallen niet op orde. De periode dat gezinnen hebben gewacht waren bij WSS en Intervence variërend van 10-23 dagen. Bij Briedis was dit in alle onderzochte casussen niet op orde en varieerde de wachttijd voor een vaste jeugdbeschermer tussen de 21 dagen en drie maanden. Inmiddels zijn de inspecties geïnformeerd dat het de GI’s sinds 1 april 2021 niet meer lukt om aan het gezin waar een jeugdbeschermingsmaatregel voor wordt uitgesproken een vaste jeugdbeschermer te koppelen. Dit komt doordat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat van Briedis niet heeft verlengd, waar het faillissement van Briedis op volgde.
Op dit moment (juni 2021) is het voor de GI’s in Zeeland niet mogelijk om tijdig een vaste jeugdbeschermer aan een jeugdige te koppelen bij de uitspraak van een maatregel.
12 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Preventieve jeugdbescherming Intervence en Briedis verzorgen ook de preventieve jeugdbescherming in Zeeland. Als de zaak niet langer in het vrijwillig kader begeleid kan worden, kunnen Intervence en Briedis via de Raad voor de Kinderbescherming bij de kinderrechter verzoeken om een jeugdbeschermingsmaatregel in te zetten. Als de preventieve jeugdbescherming omgezet wordt naar een maatregel, blijft dezelfde professional betrokken. ‘Eerst was de jeugdbeschermer als casemanager betrokken in de vrijwillige hulp periode. Toen sprak de rechter de maatregel uit. Ik ben blij dat de jeugdbeschermer betrokken kon blijven, al veranderde zijn rol wel. Maar het scheelt dat we het hele verhaal niet opnieuw hoefden op te dreunen. Want het wordt wel opdreunen als je het al zo vaak aan verschillende mensen hebt moeten vertellen’. Een ouder
Wachtlijstbeheer bij de GI’s Door het personeelstekort komt wachtlijstbeheer voor bij enkele van de betrokken GI’s in Zeeland (Briedis en LJ&R). Wachtlijstbeheer doet geen recht aan de urgentie van een jeugdbeschermingsmaatregel. De inspecties beoordelen het werken met wachtlijstbeheer tijdens deze praktijktoets als niet wenselijk, maar wel als voldoende, als de jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag gaat, in contact is met het gezin en samen met hen werkt aan een gedragen koers. Het wachtlijstbeheer van LJ&R hebben de inspecties in Zeeland beoordeeld als voldoende. Het wachtlijstbeheer van Briedis voldeed in de onderzochte casussen niet. Briedis onderhield onvoldoende actief contact met de jeugdigen en diens ouders. Werkdruk In de interviews geven de meeste jeugdbeschermers aan dat zij werkdruk ervaren. Deze werkdruk is afhankelijk van de complexiteit van de casuïstiek en de caseload. Medewerkers geven aan dat dit gedeeltelijk hoort bij het werk, doordat op onverwachte momenten crisissituaties ontstaan en een beroep op hen wordt gedaan. Andere oorzaken van de werkdruk zijn: de ‘scenariodiscussie’ met de gemeenten, complexiteit van de casuïstiek, complexe scheidingen, ontbreken van passende hulp. De werkdruk zorgt ervoor dat jeugdbeschermers telkens prioriteiten moeten stellen. Een te hoge werkdruk vormt een risico voor verloop.
13 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2
Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ ontwikkelingsbedreiging/ recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaatregel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging/ het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht.
Bevindingen De regio Zeeland is er niet in geslaagd om tijdig een gedragen koers uit te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties niet dat elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Zeeland tijdig een gedragen koers had, maar wel grotendeels. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 19 casussen beoordeeld op de aanwezigheid van een koers, de tijdigheid van deze koers en of er sprake was van een gedragen koers. Slechts in één casus was de koers niet gedragen. Uit de dossiers en gesprekken bij alle GI’s blijkt dat het de jeugdbeschermers niet altijd lukt om binnen zes weken het plan van aanpak af te ronden, maar ouders zijn wel voor die tijd gesproken en betrokken bij het uitzetten van de koers. Uit gesprekken met ouders en de jeugdbeschermers blijkt dat zij ouders spreken over de doelen en het plan van aanpak. Ook blijkt uit de gesprekken dat het uitgangspunt is om de jeugdige te spreken. Waar dat niet is gebeurd, is dat navolgbaar (bijvoorbeeld door de jonge leeftijd van de kinderen).
'Dat ze ook echt interesse had, waardoor het fijn was om te vertellen, dat hielp'.
Een jeugdige In verschillende dossiers die de inspecties hebben ingezien bij Intervence, LJ&R en Briedis, zijn de handelingen en acties die de jeugdbeschermers hebben ingezet niet altijd zichtbaar of navolgbaar. Met name het contact tussen jeugdbeschermer en jeugdige is lastig te vinden in de dossiers. Tijdens de gesprekken met de jeugdbeschermers en de ouders komt naar voren dat in veel gevallen meer is gedaan dan in het dossier staat opgenomen en dat jeugdigen wel zijn gezien en gesproken. ‘Ik had zelf een soort verslag gemaakt over wat er allemaal speelde en ik kon echt merken dat ze dat gelezen had. Ze was goed voorbereid tijdens de eerst keer dat ze bij ons thuiskwam’. Een ouder
14 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bij alle GI’s geven goed toegeruste jeugdbeschermers voorbeelden van de manier waarop zij inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en hoe zij deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. Ze weten regelmatig het gezin zo te motiveren om een doel te willen bereiken, al dan niet met de inzet van hulpverlening.
Casus
Jeugdige van 3,5 jaar. Ouders zitten in een complexe scheiding, die nog complexer geworden is nadat blijkt dat vader niet de biologische vader is. Alle drie de ouders willen het beste voor de jeugdige; zitten in een hevige strijd, maar weten zich redelijk in te houden richting de jeugdige. De jeugdbeschermer maakt hier duidelijke afspraken over. Er wordt hulp ingezet om te onderzoeken wat de beste hoofdverblijfplaats voor de jeugdige gaat zijn.
‘Bij een casus rond complexe scheiding, waar al veel geprobeerd was, heb ik in eerste instantie ingezet op vertrouwen winnen bij één van de ouders, inzicht creëren over wat geen contact hebben met de andere ouder deed met de kinderen. Het heeft uiteindelijk niet gewerkt. Ik dacht echt dat de ouder meer inzicht kreeg in het belang van de kinderen. Maar de ouder heeft net voor de zitting van februari aangegeven toch eenhoofdig gezag te willen en wilde niet meer meewerken aan de hulpverlening. Daarom was verlening van de jeugdbeschermingsmaatregel nodig’. Een jeugdbeschermer
Jeugdbeschermers ervaren in de praktijk moeilijkheden om tijdig te komen tot een gedragen koers in de volgende situaties: Gezinnen zijn soms minder gemotiveerd door wachttijden eerder in de keten (hulp in het vrijwillig kader, Raad van de Kinderbescherming, Rechtbank). Wanneer ouders en het netwerk gedeeltelijk in België verblijven is dit soms lastiger en zorgt grensproblematiek voor vertraging. Uit de gesprekken met de jeugdbeschermers en de ouders komt naar voren dat het lastig is om te komen tot een gedragen koers bij een complexe scheiding. Het al dan niet slagen van begeleiding van een complexe scheiding is mede afhankelijk van de vraag of ouders over en weer emotionele toestemming geven aan het kind voor contact met de andere ouder. Wanneer ouders niet duidelijk toestemming geven aan hun kinderen om vrijuit te kunnen praten en te zeggen wat ze willen, kan het voor kinderen heel lastig zijn om zich echt uit te spreken. Loyaliteit bij de kinderen en onuitgesproken emotionele problemen bij ouders, kunnen ervoor zorgen dat er geen stappen gezet kunnen worden in de hulpverlening. Als de emotionele toestemming ontbreekt, is het lastig voor de jeugdbeschermers de begeleiding goed uit te voeren. Dit vraagt tijd en aandacht om goed in contact te komen, terwijl de jeugdbeschermer deze tijd niet altijd heeft.
15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico.
Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ ontwikkelingsbedreiging/ recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind/ gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
Bevindingen De regio Zeeland is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat de regio er grotendeels in was geslaagd elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Zeeland tijdig passende hulp te bieden. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets niet volledig bevestigd. De inspecties hebben in totaal voor 32 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of passende hulp is ingezet. Dit was voor alle jeugdigen het geval. De inspecties hebben in totaal voor 31 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of de hulp tijdig is ingezet. Dit was voor 23 jeugdigen het geval. Omdat de inspecties kwalitatief onderzoek hebben uitgevoerd en naast het uitdiepen van de casussen ook in algemene zin met jeugdbeschermers en jeugdzorgregio’s hebben gesproken over de passende hulp, kunnen zij een duiding en een richting geven van de knelpunten en de bevorderende factoren bij de tijdige inzet van passende jeugdhulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel.
Casus
Bij een baby van drie maanden oud is sprake van zorgen op gebied van opvoedingsvaardigheden van ouders, agressieregulatie en huiselijk geweld. Voordat de baby is geboren, is al hulpverlening ingezet gericht op veiligheid, huisvesting en financiën. Een veiligheids- en een signalerings-plan zijn opgesteld waarbij er iedere dag (ook in het weekend) bezoek door verschillende mensen (professionals en netwerk) plaatsvindt. Tevens is veel hulp ingezet, waaronder verlengde kraamzorg. Dit heeft tot op heden geleid dat veiligheid van de jeugdige bij ouders thuis is gewaarborgd en plaatsing in ouder-kind huis niet nodig is gebleken. Alle partijen (ouders, netwerk, hulpverlening en gemeente) hebben hierbij samengewerkt met als doel: de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige waarborgen.
16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bevorderende factoren Niet alleen zoeken naar beschikbare hulp Meerdere jeugdbeschermers van alle GI’s benoemen de inzet en hulp van de zorgmakelaar als helpend en positief. De regio heeft geïnvesteerd in deze nieuwe functie van zorgmakelaar bij de inkooporganisatie Zeeland. Deze zorgmakelaar heeft als opdracht om verwijzers te helpen snel passende en beschikbare hulp in te zetten. De zorgmakelaar heeft goede kennis van de sociale kaart Zeeland breed en heeft zicht waar hulp beschikbaar is. De jeugdbeschermers benaderen de zorgmakelaar om te vragen mee te kijken. De zorgmakelaar was ten tijde van de monitoringsfase net gestart en heeft door de doorbraakaanpak versneld de regio goed leren kennen. Tevens waren er positieve ervaringen met het expertteam en matched care Zeeland 6. ‘Ik heb de zorgmakelaar gebeld. Dat vond ik een heel veilig gesprek. Ze heeft mooie mogelijkheden aangegeven die ik zelf nog niet kende. Prettig’. Een jeugdbeschermer
Soms is hulp al ingezet of aangevraagd in het vrijwillig kader. Deze kan dan doorlopen of starten gedurende de jeugdbeschermingsmaatregel.
Casus
Jeugdige (15 jaar) uit een éénoudergezin waarbij de ouder een belast verleden heeft en er sprake is van hechtings-en traumaproblematiek, naast kind-eigen problematiek. Er is sprake van een moeizame en wisselende band tussen ouder en jeugdige. De jeugdige liep steeds weg en hield zich niet meer aan afspraken. Ook de ouder hield zich niet aan afspraken. Toen is de casus van preventieve jeugdbescherming door de rechter omgezet naar een jeugdbeschermingsmaatregel. Tegelijkertijd is een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd en toegekend. De aanvraag voor een plaatsing op de groep was al aangevraagd in de fase van preventieve jeugdbescherming en er was daardoor direct plek in plaats van plaatsing op de wachtlijst.
Belemmerende factoren Hiaten in het zorglandschap en wachtlijsten Uit de monitoringsfase bleek dat er hiaten zijn in het zorglandschap. Deze werden bevestigd in de praktijktoets. Specifiek werd duidelijk dat er een tekort is aan gezinshuizen, pleeggezinnen plus, woonaanbod van 18- naar 18+ en forensische zorg. Maar ook: behandel- en woongroepen voor oudere jeugd/tieners, algeheel aanbod in Zeeuws-Vlaanderen, uitstroommogelijkheden voor gesloten jeugdzorg en LVB in combinatie met gedragsproblematiek.
Casus
Een jeugdige van een jaar oud, waarbij sprake is van complexe problematiek bij ouders die risico’s met zich meebrengt t.a.v. de opvoeding en verzorging van het kind. Het kind verblijft in een netwerkpleeggezin en het toekomstperspectief is nog onduidelijk. Om dit perspectief te kunnen bepalen is hulpverlening voor ouders nodig. Het kost een aantal maanden om de juiste aanbieder te vinden die deze hulp kan bieden en dat deze ook daadwerkelijk kan starten. Wat betreft een goed hulpaanbod voor complexe scheidingen 7 blijken er verschillen te zijn binnen Zeeland. In Zeeuws-Vlaanderen gaven jeugdbeschermers aan dit aanbod niet makkelijk in te kunnen zetten, terwijl voor jeugdigen en ouders in de rest van Zeeland juist een ruim aanbod beschikbaar is.
Een samenwerkingsverband tussen zes zorgaanbieders dat maatwerkoplossingen maakt en in samenspraak met de jeugdige en diens gezin en netwerk, de juiste zorg biedt. 7 Kind in scheiding Zeeland (KisZ) is een hulpaanbod voor heel Zeeland, gefaciliteerd en wordt gezamenlijk betaald door de Zeeuwse gemeenten. 6
17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bij specialistische J-GGZ (zowel onderzoek als behandeling) is onvoldoende hulp beschikbaar. Dit leidt tot wachttijden variërend van 3 tot 9 maanden.
Casus
Jeugdige (15 jaar) met ouders met GGZ-problematiek en verslaving. Er is sprake van kindeigen problematiek en PTSS. De jeugdige blowt en gaat niet naar school. Voor de behandelopname bij de jeugd-GGZ was een wachtlijst, terwijl het wel heel slecht ging met de jeugdige. Door de geografische ligging van Zeeland is het ontbreken of niet beschikbaarheid zijn van hulp in de regio om een andere reden een probleem. Voor hulp buiten de regio moet een jeugdige of zijn gezin uitwijken naar één van de andere eilanden dan wel in de buurt van Dordrecht of Rotterdam of in Brabant. De jeugdige en/of de ouders hebben dan lange reistijden. Daar komt bij dat de bovenregionale jeugdhulpaanbieders recent hebben aangegeven dat de jeugdigen uit de eigen regio’s ‘voor’ gaan op buiten regionale jeugdigen. Administratief proces Het administratief proces van de jeugdhulpbepaling naar een toewijzing van de gemeente kan lang (enkele weken) duren. Tevens is dit proces verschillend per gemeente en de jeugdbeschermers ervaren dat dit veel tijd in beslag neemt. De jeugdhulpbepalingen moeten bij het juiste perceel en met de juiste codes worden aangeleverd. De jeugdzorgregio geeft aan dat het uitgangspunt de beste hulp voor de kinderen is, geld mag daarbij niet doorslaggevend zijn.
‘Wat tegenvalt is dat de gemeenten veel werken met percelen en codes. Het vraagt allemaal veel meer administratie’. ‘Het beleid is versnipperd bij de gemeenten, bij elke gemeenten moet je op een andere manier kenbaar maken wat je wilt. Bij onderaannemers is er sprake van bepaalde codes die niet duidelijk herleidbaar zijn, dat leidt tot veel bureaucratie’. ‘Met gemeente de discussies over bepalingen over hoeveel uren dat zijn. Je moet de hulpverlening verantwoorden en welke code, daar heb ik niet voor geleerd’. Drie jeugdbeschermers
De inspecties benoemen in het rapport uit 2019 dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht) 8. Dit overleg is niet bedoeld om te komen tot overeenstemming over de bepaling van de jeugdhulp door de GI, de GI heeft hierin de eindverantwoordelijkheid. Goede samenwerking en gezamenlijke besluitvorming op casusniveau tussen gecertificeerde instelling moet gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Het overleg dient plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim.
Exclusievoorwaarden en contra-indicaties 8 Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 684, F; Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 684, F p.45 e.v.
18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
De exclusievoorwaarde of contra-indicaties van de jeugdhulpaanbieders zijn niet altijd duidelijk voor de jeugdbeschermers. De jeugdige wordt dan aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder die de noodzakelijke hulp niet kan bieden. Ook dit leidt tot vertraging van de inzet van passende hulp voor de jeugdige.
19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
5 Conclusie 5.1 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om ervoor te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer heeft en dat voor elk kind met een maatregel tijdig een gedragen koers is uitgezet. De inspecties hebben in maart 2021 een praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat Zeeland voor wat betreft de jeugdigen met een maatregel niet aan de norm voldoet. De conclusie van de inspecties voor Zeeland zijn gebaseerd op de verdiepende praktijktoets die in maart 2021 is uitgevoerd. Inmiddels zijn de inspecties geïnformeerd dat het de GI’s sinds 1 april jl. niet meer lukt om aan het gezin waar een jeugdbeschermingsmaatregel voor wordt uitgesproken een vaste jeugdbeschermer te koppelen. Dit komt doordat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat van Briedis niet heeft verlengd, waar het faillissement van Briedis op volgde. Op dit moment (juni 2021) is het voor de GI’s in Zeeland niet mogelijk om tijdig een vaste jeugdbeschermer aan een jeugdige te koppelen bij de uitspraak van een maatregel.
5.2 Vervolg GI’s De inspecties gaan ervan uit dat de Zeeuwse gemeenten en Intervence/Jeugdbescherming west hierover in gesprek gaan en op korte termijn komen tot passende verbetermaatregelen. De inspecties volgen de ontwikkelingen in Zeeland intensief. Over de landelijk werkende instellingen (LJ&R en WSS) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport.
5.3 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ontvangt. De inspecties hebben in maart 2021 een verdiepende praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties hebben waardering voor de inspanningen die de regio Zeeland heeft verricht bij het vormgeven en uitvoeren van de doorbraakaanpak. Tegelijkertijd stellen de inspecties vast dat de regio niet aan de norm voldoet. De doorbraakaanpak in de regio heeft nog onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd, de jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Een ondertoezichtstelling wordt hooguit voor een jaar uitgesproken. De inspecties vinden het niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten.
Dit beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten en kan leiden tot verergering van de problematiek. Een maatregel kán worden verlengd, maar de inspecties vinden het niet acceptabel wanneer deze verlenging het gevolg is van niet tijdige inzet van hulp. Het knelpunt in Zeeland zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. Het is de inspecties gebleken dat het in de regio ontbreekt aan een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van specialistische jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders.
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Voor een jeugdhulpbepaling voor een jeugdige met een maatregel is geen beschikking van de gemeente nodig. Het is de inspecties echter gebleken dat (een aantal gemeenten in) de regio het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig heeft ingericht dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Afhankelijk van de gemeente wordt de jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel of machtiging uithuisplaatsing niet zonder vertraging ingezet. De oorzaken liggen voornamelijk in het, door jeugdbeschermers ervaren, uitgebreide administratieve proces. Hier staat tegenover dat de inspecties de volgende positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren zien in de regio: Voor bijna alle jeugdigen op de lijst van de doorbraakaanpak is met de doorbraakaanpak passende hulp gevonden. De jeugdhulpaanbieders zijn betrokken bij de doorbraakaanpak. Binnen de regio is verbeterkracht en -ruimte aanwezig.
5.4 Vervolg passende hulp De geconstateerde positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren, zijn van dien aard dat de inspecties er voldoende van uit kunnen gaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende gemeente, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders binnen de jeugdbeschermingsregio alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht. Concreet verwachten de inspecties: Dat de regio de doorbraakaanpak voortzet voor kinderen met een maatregel die nu wachten op passende hulp. Dat gemeenten het mogelijk maken dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging inzet. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt en dat de noodzakelijk geachte hulp niet wordt vertraagd door het administratieve proces bij de gemeente. Dat de regio zorgt voor structureel en laagdrempelig overleg tussen de partijen als lokale teams en GI’s, niet als stap in het beoordelingsproces, maar als inhoudelijke afstemming om te komen tot passende hulp.
Dat de regio binnen drie maanden een plan maakt dat leidt tot een toereikend aanbod voor de meest complexe hulpvragen: integrale maatwerk oplossingen, waaronder jeugd-GGZ en specialistische 24-uurs zorg. De inspecties zien daarnaast dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. Zij spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Duidelijk. Onafhankelijk. Eerlijk. www.igj.nl
22 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid