Inspraaktekst Johan Melse Terrassenbeleid en Winterstad
Tekst van het document
Inspreking Johan Melse, op raadsvoorstel Terrassenbeleid en regels Winterstad 25-010 Dank u voor de gelegenheid tot inspreken, mijn naam is Johan Melse, burger, dus deel uitmakend van Middelburg als gemeenschap, daarop betrokken. Ik probeer hier dan ook te spreken voor een publiek belang, niet voor mijn privé belang. Het gaat nu over het raadsvoorstel terrassenbeleid en winterstad. Dat presenteert uiteindelijk in de bijlage een aantal concrete regels. Dat is nodig, maar concrete regels zijn natuurlijk geen doel op zich, ze moeten bijdragen aan een groter doel en bedoeling. Ik wil vooral daarover inspreken, met tot slot ook enkele concrete uitwerkingen. Het grotere doel dus - in die zin is het wellicht passend dat de behandeling verschoven is van de commissie Ruimte naar Algemeen Bestuur. Regels voor terrassen, winterstad – en ook parkeren etc – gaan uiteindelijk over de openbare ruimte.
Die wordt in de bijlage een paar keer genoemd: • ‘er lijkt sprake te zijn van een verminderd besef dat de terrassen ‘te gast zijn’ in de openbare ruimte’ (p4) • ‘de openbare ruimte dient zijn openbare karakter te behouden’ (p5) Maar hoe leiden deze regels dan tot een betere openbare ruimte? Hebben we wel helder wat ‘openbare ruimte’ is, hoe je daarover kunt denken’, en hoe we wellicht verschillen in onze opvattingen daarover, en dus ook in wat verschillende partijen nastreven? Wat is dan ‘openbare ruimte’? Recent las ik het boek van Thijs Lijster - Wat we gemeen hebben met in het leesfragment de Inleiding (die helder belang en nut aangeeft van kijken via ‘meenten’). Prikkelend en verhelderend vond ik. Die titel ‘Wat we gemeen hebben’ is bewust dubbel: zowel over de vraag wat ons bindt, hoe we gemeenschap zijn, als om de vraag wat we gemeenschappelijk hebben. Hij keert daarvoor terug naar de ‘meenten’, zoals vroeger bijvoorbeeld de gemeenschappelijke weidegrond: voor iedereen én van niemand in het bijzonder. Maar de meenten zijn niet iets van vroeger, tegenwoordig staan ze weer flink in de belangstelling, bv bij coöperaties, gemeenschappelijke tuinen etc. Belangrijk in dit begrip is dat het niet zozeer om een ding gaat, maar om een ‘praktijk’, een manier van denken en doen, hoe je gezamenlijk omgaat met je omgeving.
Als je met deze bril van de meenten naar de stad, naar de openbare ruimte kijkt, zie je dus betekenisvolle ruimtes. Ruimte die in Middelburg in eeuwen gevormd zijn door generaties voor ons. Publieke, openbare ruimte, voor iedereen, van iedereen, ruimte die niet geprivatiseerd kan en mag worden door enkelen. Ruimtes waar je je thuis zou kunnen voelen, waar je anderen kunt ontmoeten, waar gemeenschap tot uiting kan komen (wat natuurlijk niet altijd spanningsloos verloopt, zoals dat gaat als mensen elkaar ontmoeten..). Met de bril van meenten zie je dus geen lege plekken die iemand kan afpalen ten eigen bate. Ik vraag me dan af of het wel klopt wat de bjlage stelt op p2, als het echt concreet wordt: ‘Ondernemers en gemeente (inwoners?) hebben immers eenzelfde belang: een fraaie en veilige omgeving die aantrekkelijk is voor bewoners en bezoekers.’ Ondernemers willen toch ook winst maken, terwijl het voor gemeenten en inwoners gaat
om een ander soort ‘winst’, van je thuis voelen, verbonden voelen andere inwoners en voorouders, erfgoed etc. En dat kan wel eens botsen. Juist dan is het van belang om de overkoepelende vraag ‘van wie en voor wie is de openbare ruimte’ doordacht te hebben. (En voor de duidelijkheid, ik heb op zich niets tegen geld verdienen, en ik zie ook dat terrassen kwaliteit kunnen toevoegen aan de openbare ruimte, aan Middelburg als gemeenschap.) Drie vragen zijn dus van belang in deze manier van kijken naar de openbare ruimte: 1. Hoe draagt de openbare ruimte bij aan wat ons bindt, aan samen Middelburg zijn? 2. Hoe geven we het gezamenlijk bezitten van de openbare ruimte goed vorm? 3. Kortom: welk praktijk, welke manier van doen hoort daarbij? Dus ook: wie mag er meepraten, hoe wordt er beslist? Als ik van daaruit voorstel en bijlage doorloop, kom ik tot deze punten, vragen, voorstellen: 1. Op p2 raadsvoorstel staat: ‘Het voorliggende document is tot stand gekomen in samenwerking met het bestuur van de KHN’. Dat ondernemers een belangrijk partij zijn zal niemand ontkennen, maar (andere) burgers ook.
Hebben ondernemers door deze samenwerking niet een te grote rol gekregen in het beleid, gezien dat de openbare ruimte een ‘meent’ is, dus van en voor alle Middelburgers is, ruimte die daadwerkelijk openbaar moet zijn? De vele café-‘kerststallen’ lijken dit te illustreren: ze zijn nadrukkelijk aanwezig in de openbare ruimte, qua omvang, uiterlijk, vormgeving, aantal, de facto zijn het uitbreidingen van de caféruimtes. Het is toch vrijwel niet mogelijk deze nog als openbare ruimte te ervaren? Ik hoop dat de vraag naar de openbaarheid, de gemeenschappelijkheid van de stadsruimte goed aan de orde komt in het komende beeldkwaliteitplan en de NRK. 2. De duur van de kerststallen. Op p2 van het voorstel staat dat Winterstad inmiddels 3 maanden is. En op pagina 10 bijlage wordt zelfs 4 maanden genoemd voor de winterterrassen met stallen. Winterstad zelf is overigens nu geen 3 maanden, maar van 27 november tot 18 januari, dus bijna 2 maanden. Daarbij, met de klimaatverandering wordt het steeds warmer en veel eerder lente: Verschillende bomen en planten bloeien dit jaar vijf weken eerder dan halverwege de vorige eeuw gebruikelijk was. Qua weersomstandigheden zijn de stallen zeker in februari onnodig en daarmee ongewenst. Een kortere stallen-duur lijkt me vanuit het oogpunt van de ervaring van openbaarheid van de ruimte kortom zeer gewenst.
Waarom de duur van de winterstallen niet aansluiten bij de 2 maanden van de Winterstad-duur? Gewoonte en eerdere vergunningen lijken me onvoldoende onderbouwing voor een langere periode. 3. Toetsingskader (bijlage p10): in punt 2 en 3 wordt gesproken over ‘zoveel mogelijk’, terwijl de andere punten expliciet een regel aangeven (dit verschil tussen onderdelen van eenzelfde toetsingskader lijkt mij als zodanig al ongewenst?). Het ‘zo veel mogelijk’ levert ongetwijfeld verschillende interpretaties op, wat handhaving ernstig kan bemoeilijken. De bescherming van de openbare ruimte tegen allerhande ‘privatisering’ (cf Lijster), dus het gebruik van de openbare ruimte door een ondernemer ten eigen bate, komt zo in de knel. Maak punt 2 en 3 ook expliciet en concreet, en daardoor beter handhaafbaar.
4. Toetsingskader (bijlage p10): punt 5: ‘afmeting en inrichting van terrassen past bij maat en schaal van plein, straat, gevels’. Gezien de ruimtelijke variatie is het begrijpelijk dat hier ‘passend’ staat. Maar wie bepaalt wat ‘passend’ is, en hoe? Wie mag hierover mee praten? Ter illustratie de Pottenmarkt: het is toch nauwelijks vol te houden dat de afmetingen van terrassen (en winterstallen) daar nu passend zijn. De toenemende oppervlakte van de terrassen richting west lijkt alleen ingegeven vanuit het breder uitlopen van het pleintje. Er blijft vrijwel niets over van de openbare ruimte van het plein, geen ruimte voor ontmoeten, nauwelijks zicht op de cultuurhistorisch waardevolle gevels etc. Zou het niet heel mooi zijn om op de Pottenmarkt de terrassen wat kleiner te maken, bv door de breedte van het begin aan te houden, en in breedte te beperken tot de bijbehorende gevel? Daardoor ontstaat ruimte op het stuk voor de Zaak / Expreszo, voor wellicht een boom met bankje, voor ontmoeten, oid. Een mooie pilot om te laten zien dat bv de resultaten van de NRK-inwonerenquête serieus worden genomen, en passend bij het beleid van de BOSS-visie? Daar kan van geleerd worden om vervolgens te kijken naar hoe de terrassen aan de Markt weer meer openbare ruimte kunnen worden...
Ik hoop dat u hier iets aan heeft, geprikkeld bent door de diepere vraag naar de openbare ruimte, en aangesproken voelt door de concrete punten en vragen. Dank u wel. Johan Melse 06-46257247 mail@johanmelse.nl