CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Bestemmingsplan- MER Waterpark Veerse Meer Gecombineerd plan- en projectMER, Tauw 6-5-2021 + oplegnotitie 7-6-2021-VERVALLEN

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bijlagen 2 t/m 24 - Bijlagen bij bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 202034.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Oplegnotitie Contactpersoon

Martijn Gerritsen

Datum

7 juni 2021

Kenmerk

1269443

Aanvulling MER Waterpark Veerse Meer n.a.v. advies Commissie voor de m.e.r.

Aanleiding Ten behoeve van het bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer is een milieueffectrapportage (MER)1 opgesteld. De gemeente heeft de Commissie voor de m.e.r. (hierna Cie. m.e.r.) gevraagd te adviseren over het MER2. In haar voorlopige advies signaleerde de Commissie een aantal tekortkomingen in het MER. Naar aanleiding daarvan is het MER rapport3 (incl. Passende Beoordeling) aangepast en opnieuw ter toetsing voorgelegd aan de Cie. m.e.r.. Op basis van deze tweede toetsing4 signaleert de Cie. m.e.r. nog enkele punten die aanvulling behoeven: •

Verstoring vogels: Er is niet goed onderzocht wat de impact is van de toename aan vaarbewegingen op niet-broedvogels in het beschermd natuurgebied Veerse Meer

•

Stikstofneerslag: Het is niet duidelijk wat de feitelijke stikstofuitstoot is van de agrarische gronden waarmee wordt gesaldeerd. Het is daardoor nog niet duidelijk wat de daadwerkelijke toe- of afname is van stikstofdepositie is op omringende stikstofgevoelige

•

beschermde natuurgebieden Landschap: Er zijn visualisaties gemaakt van het waterpark. Hierin is er geen goed beeld gegeven van het landschappelijke effect van de glijbaantoren.

In deze notitie wordt een nadere invulling gegeven aan bovenstaande punten, zodat voldoende informatie beschikbaar is voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Deze notitie is als oplegger bedoeld bij het meest recente MER en de Passende Beoordeling zoals getoetst door de Cie. m.e.r.. De

1

Milieueffectrapport Waterpark Veerse Meer Gecombineerd plan- en projectMER, TAUW, 26 november 2020

2

Voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r., 22 februari 2021

3

Milieueffectrapport Waterpark Veerse Meer Gecombineerd plan- en projectMER, aanvulling n.a.v. toetsingsadvies,

Cie m.e.r., TAUW, 6 mei 2021 4

Toetsingsadvies Commissie m.e.r, 4 juni 2021

Kenmerk

1269443

toetsingsadviezen zijn als bijlage opgenomen bij deze notitie. Daarnaast wordt in een separate notitie5 ingegaan op het aspect C02. In het MER is enkel een vergelijking gemaakt tussen de plansituatie en de huidige situatie binnen het plangebied (de autonome situatie 2030 in het MER). Voor de volledigheid is ook een vergelijking gemaakt met de situatie waarin de mogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan wel volledig worden benut (de referentiesituatie 2030 in het MER).

Verstoring vogels In deze paragraaf wordt ingegaan op wat het effect is van de extra vaarbewegingen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veerse Meer voor niet-broedvogels in het recreatieseizoen. Hierbij wordt ingegaan op de ruimtelijke en temporele verspreiding van verstoringsgevoelige niet-broedvogels in relatie tot extra vaarbewegingen. Gebruik wordt gemaakt van de recente telgegevens van Deltamilieu Projecten in opdracht van Rijkswaterstaat. Vaarbewegingen en conclusie Passende Beoordeling In de passende beoordeling is uitgegaan van een toename van 264 vaarbewegingen6. Dit was gebaseerd op de extra 82 ligplaatsen welke conform het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden en de verhuur van 50 kleine recreatievaartuigen. De kleine recreatievaartuigen maken echter ook gebruik van de te realiseren ligplaatsen, daarmee vervalt de mogelijkheid voor passanten om gebruik te maken van deze ligplaatsen. Dit betekent dat het bestemmingsplan een uitbreiding van 32 ligplaatsen voor passanten mogelijk maakt en 50 ligplaatsen voor kleine recreatievaartuigen. Uitgaande van twee vaarbewegingen per dag betekent dit een toename van 164 vaarbewegingen. Op basis van dit uitgangspunt is een nadere effectanalyse7 uitgevoerd aan de hand van de recente telgegevens van Deltamilieu Projecten. De conclusie van de Passende beoordeling is op basis hiervan niet gewijzigd.

De toename van extra vaarbewegingen zal dus niet leiden tot significant negatieve effecten. Het doel van voorgenoemde analyse is om deze conclusie nader getalsmatig te onderbouwen.

Stikstofdepositie De Cie. m.e.r. adviseert om de stikstofdepositieberekeningen aan te passen. Gevraagd wordt om in de berekening uit te gaan van de huidige feitelijke bemesting van de agrarische gronden. Indien daarbij aannames moeten worden gedaan, wordt geadviseerd om te kiezen voor relatief lage bemestingswaarden zodat voldoende zekerheid kan worden geboden dat beschermde natuurwaarden niet worden aangetast. Bemestingswaarden Op dit moment zijn geen cijfers bekend over de feitelijke bemesting van de grond. Daarom is een aanname gedaan voor de bemestingswaarden. Zoals geadviseerd door de Cie. m.e.r. is hierbij zekerheidshalve ervan uitgegaan dat niet meer dan 80% van de toegestane hoeveelheid mest en kunstmest wordt toegediend. Dit is 20% lager dan de waarden die bij eerdere het

5

N002-1269443VDA-V01-aqb-NL – 3 juni 2021

6

Passende beoordeling Waterpark Veerse Meer, TAUW, 29 april 2021

7

N003-1269443WLI-V01-baw-NL, TAUW, 7 juni 2021

2/5

Kenmerk

1269443

stikstofonderzoek8 ten behoeve van het aangevulde MER van 6 mei 2021 zijn gebruikt. Op basis van dit uitgangspunt is de stikstofdepostie opnieuw berekend 9. Vervolgens is opnieuw beschouwd of dit leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden en het Natuur netwerk Zeeland (NNZ). Natura 2000 Om de effecten op Natura 2000 gebieden in beeld te brengen is de plansituatie beoordeeld ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Hiervoor zijn stikstofberekeningen uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase als ook een combinatie van beiden. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat alleen in de aanlegfase een kleine stikstoftoename is van 0,02 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Westerschelde en Saeftinghe. Deze kleine toename leidt niet tot een overbelasting van stikstof op dit gebied. Geconcludeerd kan worden dat de planontwikkeling zowel in de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase als bij een combinatie van beiden ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar oplevert op de overbelaste stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen de Natura 2000-gebieden Significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten.

Daarmee is het plan uitvoerbaar voor het aspect stikstofdepositie, op voorwaarde dat het ingezette materieel tenminste voldoet aan de in de uitgangspunten gestelde voorwaarden. NNZ Uit de resultaten van de stikstofberekeningen blijkt dat er in alleen in de jaren 2026 en 2027 op het rekenpunt gelegen op de Lemmerplaat (rekenpunt e, zie ook figuur 1) toenames zijn in stikstofdepositie. Dit komt omdat in 2026 en 2027 de bouwwerkzaamheden voor fase 1b respectievelijk fase 1c aanvangen op redelijk korte afstand van de Lemmerplaat. De tijdelijke toename in 2026 bedraagt 1,59 mol N/ha/jr, de tijdelijke toename in 2027 maximaal 0,28 mol N/ha/jr. Daar tegenover staat dat in de andere jaren van de aanlegfase sprake is van een afname aan stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Gelet op het feit dat de natuurdoeltypen die aanwezig zijn op de Lemmerplaat niet stikstofgevoelig zijn en er slechts lokaal sprake is van een tijdelijke toename aan stikstofdepositie gedurende twee jaar van de aanlegfase, kan worden geconcludeerd dat stikstofdepositie niet zal leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland. Een uitgebreide beschrijving en onderbouwing van bovenstaande conclusies is terug te vinden in het meest recente stikstofdepositie-onderzoek van SWECO van 1 juni 2021.

8

Bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020. Onderzoek stikstofdepositie AERIUS-berekening, SWECO, 26

maart 2021 9

Bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020. Onderzoek stikstofdepositie AERIUS-berekening, SWECO, 1 juni

2021

3/5

Kenmerk

1269443

Figuur 1 Rekenpunten NNZ

Landschap De Cie. m.e.r. vraagt om extra visualisaties te maken van het voorkeursalternatief. De visualisaties moeten een vrij uitzicht hebben op het park, alsmede op kortere afstand. Bijvoorbeeld vanaf de Muidenweg, tussen de Oranjeplaatweg en natuurgebied ‘De Piet’, vanaf de Oranjepolderseweg en ook vanuit Arnemuiden ten zuiden van het waterpark. Geadviseerd wordt om voor de bestaande en nieuwe visualisaties op kaart aan te geven wat de daadwerkelijke plekken zijn van waaruit de visualisaties zijn gemaakt, en waarop tevens de hoogtes van de bestaande groenstructuren en tussenliggende gebouwen zijn weergegeven. Naar aanleiding van het advies van de Cie. m.e.r. zijn nieuwe visualisaties gemaakt10. De visualisaties maken duidelijk dat vanaf verschillende standpunten de glijbaantoren niet of maar zeer beperkt zichtbaar is. Dit leidt, zoals ook in het MER geconcludeerd, niet tot een belangrijke verstoring van de landschappelijke waarden in en rond het plangebied.

10

VISUALISATIES WATERPARK VEERSE MEER, Profielen en fotomontages, Kuiper Compagnons, juni 2021

4/5

Kenmerk

Bijlage 1

1269443

Toetsingsadviezen Commissie voor de m.e.r.

5/5

Waterpark Veerse Meer Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 7 juni 2021 / projectnummer: 3395

Advies over het MER en de aanvulling in het kort Driestar BV wil het bestaande recreatiepark Veerse Meer herontwikkelen en uitbreiden. Het plan is om 887 nieuwe recreatiewoningen en -appartementen te realiseren. Het park bestaat uit twee deelgebieden liggend aan het beschermd natuurgebied Veerse Meer en het beschermd natuurgebied ‘De Piet’. Het totale recreatiepark wordt in negen jaar tijd gerealiseerd. Voordat de gemeente Middelburg over het bestemmingsplan besluit, is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het MER. In haar voorlopige advies1 signaleerde de Commissie een aantal tekortkomingen in het MER. De gemeente heeft het MER aangevuld en de Commissie gevraagd om over de juistheid en volledigheid van het aangevulde MER te adviseren.

Wat blijkt uit het MER en de aanvulling? Het MER laat zien dat er (licht) negatieve effecten voor het milieu en de omgeving zijn te verwachten, zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. De effecten zijn vergeleken met twee referentiesituaties: de autonome situatie in 2030 (huidige invulling plangebied en autonome ontwikkeling buiten het park) en een situatie waarin het park wordt doorontwikkeld binnen de grenzen van het huidige bestemmingsplan. In het MER zijn twee alternatieven onderzocht. Plan ‘driestar 1’ gaat uit van 950 recreatiewoningen/-

appartementen en plan ‘driestar 2’ gaat uit van 887 woningen/appartementen. Ook zijn

varianten voor de ontsluitingsroutes van (bouw)verkeer en het landschappelijk ontwerp onderzocht. Het voorkeursalternatief (887 woningen/appartementen) met als variant ‘compact

eilandenlandschap’ zorgt in de aanlegfase voor onder andere geluidhinder, trillingen door bouwverkeer en verstoring van soorten. In de gebruiksfase leidt het voorkeursalternatief ten opzichte van de autonome situatie 2030 door een toename van verkeer van en naar het park tot extra geluidhinder en een afname van de verkeersveiligheid, verslechtering van de grondwaterkwaliteit en negatieve effecten op beschermde soorten. In het MER worden mitigerende maatregelen beschreven om negatieve effecten tegen te gaan. Het MER verwacht ook positieve effecten, zoals een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In de aanvulling op het MER is onder andere onderzocht wat de milieugevolgen en consequenties voor de uitvoerbaarheid zijn als de draaiing van de start- en landingsbaan van het nabijgelegen vliegveld Midden-Zeeland niet doorgaat. Dit heeft bijvoorbeeld gevolgen voor de geluidsbelasting en de plek waarop recreatiewoningen kunnen komen vanwege de veiligheid. Daarnaast wordt in de aanvulling ingegaan op verstoring van vogels door waterrecreatie, de stikstofneerslag en is de effectbeoordeling van klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis aangepast. Zo leiden de ontwikkelingen ten opzichte van de referentiesituatie tot een absolute toename van CO2-uitstoot.

Tot slot is er een aanvullende notitie gekomen over de vervoersbewegingen van gasten die niet op het park verblijven en zijn de effecten van het voorkeursalternatief op het landschap beschreven. 1

Voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r., 22 februari 2021: https://commissiemer.nl/adviezen/3395

-1-

Wat is het advies van de Commissie? In het aangevulde MER en in de aangepaste bijlagen is op een aantal onderdelen meer milieuinformatie beschikbaar gekomen, wat ook heeft geleid tot aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan. Bijvoorbeeld ruimtelijke beperkingen als de draaiing van de starten landingsbaan van vliegveld Midden-Zeeland niet doorgaat, en het maximeren van de gasten (die niet op het park verblijven) die met de auto naar het recreatiepark komen. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER en de aanvulling nog een drietal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het gaat om de volgende punten: •

Verstoring vogels: Er is niet goed onderzocht wat de impact is van de toename aan vaarbewegingen op niet-broedvogels in het beschermd natuurgebied Veerse Meer.

•

Stikstofneerslag: Het is niet duidelijk wat de feitelijke stikstofuitstoot is van de agrarische gronden waarmee wordt gesaldeerd. Het is daardoor nog niet duidelijk wat de daadwerkelijke toe- of afname is van stikstofdepositie is op omringende stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden.

•

Landschap: Er zijn visualisaties gemaakt van het waterpark. Hierin is er geen goed beeld gegeven van het landschappelijke effect van de glijbaantoren.

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel over de aanvulling toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. Dit advies gaat alleen in op de tekortkomingen van het MER die de Commissie eerder heeft geconstateerd. De aanbevelingen in het eerdere advies van 22 februari 2021 blijven daarmee van kracht.

Figuur 1: Landschappelijk inpassingsplan van Waterpark Veerse Meer zonder de baanrotatie (Bron: aangepast MER, Tauw, 30 april 2021)

-2-

Achtergrond Voor de herontwikkeling en de uitbreiding van recreatiepark Veerse Meer moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Het bestemmingsplan is kaderstellend voor m.e.r.beoordelingsplichtige besluiten (D10 en D16.1) en vanwege het opstellen van een Passende beoordeling. Daarnaast zijn ook nog een aantal vergunningen nodig, zoals een omgevingsvergunning, waterwetvergunning en een natuurbeschermingswetvergunning. Er is daarom gekozen om een gecombineerd plan-/project-MER op te stellen. Het gecombineerde plan-/project-MER is bedoeld als milieu-onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan en de vergunningen voor de uitbreiding van het waterpark. De ontwerpvergunningen zijn echter nog niet beschikbaar. Hierdoor kon de Commissie niet nagaan of het MER ook voor de vergunningen juiste en volledige informatie bevat. De Commissie adviseert de gemeente dit later zelf nog te controleren. Rol van de Commissie m.e.r. De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Middelburg - besluit over het bestemmingsplan.

De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3395 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Referentiesituatie In de MER was uitgegaan van een draaiing van de start- en landingsbaan van het nabijgelegen Vliegveld Midden-Zeeland. Door deze draaiing vliegen de vliegtuigen niet over het Waterpark en recreatiegebieden. De provincie Zeeland en de betrokken gemeenten moeten echter nog een besluit nemen over de draaiing. Hiervoor is een aanpassing nodig van het luchthavenbesluit en wijziging van het bestemmingsplan. Indien de baanrotatie onverhoopt niet doorgaat, dan zijn er andere milieugevolgen te verwachten dan nu is weergegeven en is niet duidelijk of het plan uitvoerbaar is. De Commissie adviseerde om in een aanvulling op het MER aan te geven wat de milieugevolgen zijn als de start- en landingsbaan niet wordt gedraaid, en te motiveren of het plan uitvoerbaar is of dat mitigerende maatregelen dan wel een wijziging van het plan nodig is.

-3-

De aanvulling op het MER heeft twee autonome situaties in beeld gebracht: autonome situatie 2030 met baandraaiing en een autonome situatie 2030 zonder baandraaiing. Deze worden vergeleken met twee varianten van het voorkeursalternatief, een variant met baandraaiing en een variant zonder baandraaiing. Hierdoor wordt duidelijk dat de variant zonder baandraaiing zorgt voor ruimtelijke beperkingen van het voorkeursalternatief. Vanwege veiligheidsrisico’s zijn in een bepaalde zone van het plangebied geen recreatiewoningen mogelijk. Op deze plek worden geen woningen ingepast maar parkeerplekken. Ook zijn er daarnaast lichte verschillen in de te verwachten geluidsbelasting. Hiermee is naar het oordeel van de Commissie voldoende informatie voor de besluitvorming beschikbaar.

Natuur 2.2.1

Verstoring vogels Het Waterpark ligt naast het Natura 2000-gebied Veerse Meer. Dit natuurgebied kent instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten zoals de lepelaar, dodaars en kleine zilverreiger2. Het Waterpark zorgt voor een toename van waterrecreatie ten opzichte van de huidige situatie. In de eerdere Passende beoordeling zijn de effecten van het initiatief onderzocht en opgeschreven. Daarin werd de conclusie getrokken dat (op basis van het huidig gebruik) het gehele gebied dusdanig is verstoord dat de wijziging in de vaarbewegingen met zekerheid niet zal leiden tot aantasting van natuurlijke kenmerken. De Commissie vond deze conclusie niet goed onderbouwd, gezien verstoring gradueel plaatsvindt, waarbij het effect dosis-afhankelijk is. Ook was de toename van het aantal ligplaatsen/afmeerplekken niet begrensd in het ontwerpbestemmingsplan. Het MER en de Passende beoordeling konden daarmee niet de maximale effecten van het plan laten zien. Hierdoor kon niet met zekerheid worden gesteld dat er geen aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. De Passende beoordeling en het MER zijn aangepast. Ook is in het ontwerpbestemmingsplan het maximaal aantal ligplaatsen opgenomen.

Door deze aanvullende informatie is nu duidelijk dat de toename van lig- en aanlegplaatsen en de verhuur van recreatievaartuigen kunnen leiden tot 264 meer vaarbewegingen per dag in het recreatieseizoen. In de Passende beoordeling is aangegeven dat de extra vaarbewegingen niet leiden tot extra verstoring van broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling, zoals de aalscholver en de kleine mantelmeeuw. Deze soorten broeden namelijk op plaatsen waar recreatieboten niet mogen of kunnen komen. Er wordt daarmee voldoende afstand gehouden waardoor er geen verstoring mogelijk is. Er zijn ook instandhoudingsdoelen voor niet-broedvogels. In de Passende beoordeling is aangegeven welke soorten in het gebied aanwezig zijn, welke soorten nu onder de instandhoudingsdoelstellingen zitten en in hoeverre deze soorten mogelijk worden verstoord in het recreatieseizoen en wat dan de gehanteerde verstoringsafstand is. Er wordt geconcludeerd dat er een toename van frequentie van de verstoring is, maar omdat in de huidige situatie al sprake is van algehele verstoring dit niet leidt tot negatieve significante effecten. Ook wordt gesteld dat in het Natura 2000-beheerplan recreatie niet wordt benoemd als een van de knelpunten voor de vogelsoorten. De Commissie merkt op dat volgens het beheerplan voor het Natura 2000-gebied voor een aantal vogelsoorten de oorzaak van knelpunten ‘onbekend’ is.

Dit sluit niet uit dat verstoring

2

Het Natura 2000-gebied kent instandhoudingsdoelen voor in totaal drie soorten broedvogels en 20 niet-broedvogels.

-4-

door recreatie wel degelijk een oorzaak kan zijn. Tevens wordt in datzelfde beheerplan voor de meeste soorten aangegeven dat voldoende rust een belangrijke ecologische randvoorwaarde is. De Commissie constateert dat in de Passende beoordeling geen recente gebiedsspecifieke informatie (bijvoorbeeld telgegevens) is gebruikt over de niet-broedvogels die gebruik maken van het gebied in het recreatieseizoen, en hoe dit zich verhoudt tot de extra vaarbewegingen en de verstoringsafstanden. De Commissie adviseert om dit alsnog in beeld te brengen om zo te bepalen of er sprake is van significante negatieve effecten. Indien negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten beveelt de Commissie aan om in gesprek te gaan met Rijkswaterstaat of er mogelijkheden zijn om de bestaande rustgebieden te vergroten of extra rustgebieden toe te voegen. Dit kan mogelijk een effectieve mitigerende maatregel zijn. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming aan te geven wat het effect is van de extra vaarbewegingen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veerse Meer voor nietbroedvogels. Beschrijf of dit leidt tot extra verstoring van de niet-broedvogels in het recreatieseizoen. Geef de ruimtelijke en temporele verspreiding van verstoringsgevoelige niet-broedvogels in relatie tot extra vaarbewegingen.

Gebruik hierbij recente telgegevens van Deltamilieu Projecten3 in opdracht van Rijkswaterstaat. Indien er sprake is van negatieve effecten, onderzoek welke mitigerende maatregelen mogelijk en effectief zijn.

2.2.2

Stikstofdepositie In het MER is onderzocht wat de stikstofdepositie is afkomstig van het initiatief. De stikstofemissie afkomstig van de bouwfase en de realisatiefase zijn in mindering (‘salderen’) gebracht met onder andere de vermeden stikstofemissie van de stacaravans die verdwijnen en het uit gebruik nemen van de agrarische gronden. Deze gronden verliezen hun agrarische bestemming. Voor de emissie van het (op te heffen) landbouwareaal werd uitgegaan van normen voor toegestane maximale bemesting, in plaats van feitelijke mestgiften in dit gebied die mogelijk lager zijn. Ook was het onduidelijk of bij de aanleg van het park op de gronden direct wordt gestopt met bemesting. Ten slotte was enkel de stikstofdepositie van verkeer tot vijf kilometer van de bron in beeld gebracht, terwijl ook verder dan deze vijf kilometer stikstof kan neerslaan. In een aanvulling op het MER is in de stikstofberekeningen de volledige stikstofdepositie van verkeer gerelateerd aan het recreatiepark meegenomen. De eerder gehanteerde 5 kilometer afkap van de bron voor verkeer in de stikstofberekeningen is daarmee komen te vervallen. Hiermee is naar het oordeel van de Commissie voldoende informatie voor de besluitvorming beschikbaar. Ook is er uitgebreider ingegaan op de bemesting van het landbouwareaal waarmee gesaldeerd wordt.

Vanwege gebrek aan gegevens over het daadwerkelijke feitelijke mestgebruik zijn er aannames gedaan. Dit is gedaan door voor de laatste vijf jaar aan te geven welke gewassen zijn geteeld en wat de maximaal mogelijke gebruiksnorm van mestgebruik voor deze gewassen is geweest. Hierbij zijn ook aannames gedaan over de wijze van toediening. Van deze uitkomsten over de afgelopen vijf jaar is de gemiddelde verwachte stikstofemissie van de landbouwgronden per jaar berekend, en is dit gebruikt voor de saldering.

3

Het gaat hierbij om de gedetailleerde brongegevens die ten grondslag liggen aan de rapportages.

-5-

De Commissie merkt op dat deze saldering alleen correct is als bij de bouw van het park de landbouwgronden direct uit bedrijf worden genomen. Zij constateert daarnaast dat wederom gegevens over het feitelijk, legaal mestgebruik ontbreken, waardoor onduidelijk is of met de juiste stikstofemissie van agrarische gronden is gesaldeerd. Er wordt nu in de saldering van uitgegaan dat het akkerbouwbedrijf altijd van de maximaal mogelijke toegestane bemestingsnormen gebruik heeft gemaakt. Hierdoor wordt de ruimte in de saldering mogelijk overschat en daarmee de effecten op de natuur door stikstofdepositie mogelijk onderschat. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming de stikstofdepositie-berekeningen aan te passen. Ga in de berekening uit van de huidige feitelijke bemesting van de agrarische gronden. Kies, indien daarbij aannames moeten worden gedaan, voor relatief lage bemestingswaarden zodat voldoende zekerheid kan worden geboden dat beschermde natuurwaarden niet worden aangetast.

Klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis In het MER zijn de effecten van het plan op klimaat, duurzaamheid en licht en duisternis niet bepaald ten opzichte van de referentiesituatie zoals gebruikelijk is, maar enkel ten opzichte van de gestelde doelen van de gemeente, zoals verwoord in de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025. Hierdoor is er een vertekend beeld (te positief) gegeven in de presentatie van de milieugevolgen van het plan. In de aanvulling op het MER zijn de effectscores aangepast. Er is nu berekend hoeveel de uitstoot van CO2 zal toenemen ten opzichte van de referentiesituatie, namelijk van 1.140 ton CO2 naar 10.625 ton CO2. Zo scoort het plan op klimaat en energie ten opzichte van de referentiesituatie negatief. De Commissie merkt op dat deze absolute toename van CO2 -op dit moment- de doelstellingen van de gemeente (om in 2025 het energieverbruik te beperken en in 2050 volledig energieneutraal te zijn4) verder weg kan brengen. In het MER wordt wel aangegeven dat het energiesysteem zo wordt ontworpen dat in de toekomst aangesloten kan worden op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie. De aanvulling geeft ook aan dat de totale verlichting in het plangebied zal toenemen. Er worden wel maatregelen genomen om het aantal verlichtingsbronnen en de uitstraling van nieuwe verlichtingsbronnen te beperken. Het effect wordt daarom licht negatief gescoord.

Hiermee is naar het oordeel van de Commissie voldoende informatie voor de besluitvorming beschikbaar gekomen. In de aanvulling is de score van circulair bouwen en materiaalgebruik opnieuw beoordeeld. De bestaande asfaltverhardingen zullen tot asfaltgranulaat worden verwerkt voor nieuw asfalt. Ook wordt gesteld dat er aandacht zal zijn voor duurzaam materiaalgebruik. De aanvulling stelt dat er daarom een licht positief effect is. De Commissie merkt op dat de analyse die is gemaakt op dit beoordelingscriterium een beperkte scope heeft. Het is niet duidelijk welke materialen worden gebruikt en waar deze van afkomstig zijn. De Commissie ziet wel dat er goede intenties zijn en beveelt aan om bij verdere vergunningverlening te onderzoeken of de ambities bijvoorbeeld kunnen landen in het vaststellen van een Milieukostenindicator die scherper is dan de traditionele bouw, of het toevoegen van een 4

Middelburgse Visie Milieu 2019-2025.

-6-

materialenpaspoort. Een materialenpaspoort helpt bij het mogelijk hergebruiken van materialen indien het park wordt vernieuwd of aangepast.

Landschap In het eerdere MER zijn de effecten van het uiteindelijke voorkeursalternatief op het omringende landschap, met inbegrip van de infrastructurele aanpassingen en architectonische keuzes, niet in beeld gebracht. De effecten van het initiatief waren niet in beeld gebracht ten opzichte van de referentiesituatie. Ook waren er geen visualisaties gemaakt van het uiteindelijke voorkeursalternatief, zoals van de hoogte van de gebouwen en de glijbaan. In de aanvulling op het MER is een hoofdstuk landschap toegevoegd. Het voorkeursalternatief is beoordeeld op invloed op het landschap van het Veerse Meer en invloed op het dijkenlandschap. Er is een bijlage toegevoegd met daarin de vier landschappelijke ontwerpen. Er zijn visualisaties gemaakt van het voorkeursalternatief waarin de hoogte van glijbaan vanaf verschillende zichtpunten is weergegeven. Deze visualisaties geven echter een vertekend beeld van de hoge glijbaan in het landschap. De oorzaak hiervan is gelegen in de keuze van de gezichtspunten en de afstand tot bestaande groenstructuren. Ook is op dit moment niet duidelijk en navolgbaar wat de daadwerkelijke hoogtes van de (bestaande) beplantingstroken zijn. De gezichtspunten zijn gekozen op plekken waar er geen vrij uitzicht is op het park. De gezichtspunten met vrij uitzicht op het park, zoals vanuit het zuiden en vanaf de Muidenweg, zijn buiten beeld gebleven.

Het gezichtspunt op het Veerse Meer ligt op zeer grote afstand, waardoor er vrijwel niets lijkt te veranderen aan de horizon. De andere twee liggen zeer nabij groenstructuren, waar sowieso alles achter verdwijnt, hoe groot het ook is. De Commissie hecht zeer aan natuurgetrouwe visualisaties, omdat deze de lezer van een MER veel meer zeggen dan een beschrijving in woorden. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming extra visualisaties te maken van het voorkeursalternatief. Zorg voor visualisaties die een vrij uitzicht hebben op het park, alsmede op kortere afstand. Bijvoorbeeld vanaf de Muidenweg, tussen de Oranjeplaatweg en natuurgebied ‘De Piet’, vanaf de Oranjepolderseweg en ook vanuit Arnemuiden ten zuiden van het waterpark. Geef voor de bestaande en nieuwe visualisaties op een kaart aan wat de daadwerkelijke plekken zijn van waaruit de visualisaties zijn gemaakt, en waarop tevens de hoogtes van de bestaande groenstructuren en tussenliggende gebouwen zijn weergegeven.

Verkeer In het eerdere MER was er uitgebreid en breed onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan op de verkeersdoorstroming, de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de omgeving. Het was echter niet duidelijk in hoeverre de verkeersaantrekkende werking van voorzieningen door gasten die niet op het park verblijven waren meegenomen in de verkeersproductiecijfers. In het bestemmingsplan waren hierover geen regels opgenomen. In een aanvulling op het MER is uiteengezet in hoeverre in de gehanteerde CROW-kencijfers van 2,8 motorvoertuigen per etmaal (mvt) per recreatiewoning rekening is gehouden met bezoekers die gebruik maken van faciliteiten, maar niet verblijven op het park. Ook is

-7-

wederom aangegeven wat de verkeersaantrekkende werking is van een vergelijkbaar recreatiepark, Hof van Saksen, op basis van monitoring. Voor dit park is in het hoogseizoen 1,64 motorvoertuigen per etmaal per recreatiewoning gemeten. De aanvulling op het MER heeft geleid tot het opnemen van een maximaal aantal motorvoertuigen van daggasten per week, namelijk 3115. Dit wordt geregistreerd en op verzoek met het bevoegd gezag gedeeld6. Het maximum van 311 komt voort uit het verschil tussen de worst-case CROWkencijfers (2,8 mvt per etmaal) en de gemiddelde CROW-kencijfers (2,7 mvt per etmaal). Op deze manier is het duidelijk en navolgbaar dat het verkeer van daggasten voldoende is meegenomen in de verkeerscijfers. Hiermee is naar het oordeel van de Commissie voldoende informatie voor de besluitvorming beschikbaar.

5

De Commissie merkt op dat het ontwerpbestemmingsplan een maximum aantal van 300 (motorvoertuigen per week van niet-daggasten) wordt gehanteerd. In het MER wordt gesproken over 311.

6

Met de gemeente is afgesproken dat de inwoners van Arnemuiden, Lewedorp en Wolphaartsdijk gebruik mogen maken van de parkvoorzieningen in de dalperiodes.

-8-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.

Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Annemie Burger (voorzitter) dr. Roeland During Tom Ludwig MA. (secretaris) drs. Kees Vertegaal Ir. Ruud Westerhof Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteiten D10 en D16.1, “voor de aanleg/uitbreiding van het vakantiepark en de ontgronding”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Middelburg. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van Middelburg. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3395 in te vullen in het zoekvak.

Waterpark Veerse Meer Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 22 februari 2021 / projectnummer: 3395

Advies over het MER in het kort Driestar BV wil het bestaande recreatiepark Veerse Meer herontwikkelen en uitbreiden. Het plan omvat 887 recreatiewoningen en -appartementen. Het park bestaat uit twee

deelgebieden liggend aan het beschermd natuurgebied Veerse Meer en het natuurgebied ‘De Piet’. Het totale recreatiepark wordt in negen jaar tijd gerealiseerd. Voordat de gemeente

Middelburg over het bestemmingsplan besluit, is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente heeft de Commissie gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de

G

juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER?

Het MER laat zien er (licht) negatieve effecten voor het milieu en de omgeving zijn te

PI

verwachten, zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. De effecten zijn vergeleken met de autonome situatie in 2030 (huidige invulling plangebied en autonome ontwikkeling buiten het park) en een situatie waarin het park wordt doorontwikkeld binnen de grenzen van het huidige bestemmingsplan. In het MER zijn twee alternatieven onderzocht. Plan ‘driestar 1’

O

gaat uit van 950 recreatiewoningen/-appartementen en plan ‘driestar 2’ gaat uit van 887

woningen/appartementen. Ook zijn varianten voor de ontsluitingsroutes van (bouw)verkeer en het landschappelijk ontwerp onderzocht.

RL

Het voorkeursalternatief (887 woningen/appartementen) met als variant ‘compact

eilandenlandschap’ zorgt in de aanlegfase voor onder andere geluidhinder, trillingen door bouwverkeer en verstoring van soorten. In de gebruiksfase leidt het voorkeursalternatief -ten opzichte van de autonome situatie- door een toename van verkeer van en naar het park tot extra geluidhinder, een afname van de verkeersveiligheid en negatieve effecten op

O

beschermde soorten. In het MER worden mitigerende maatregelen beschreven om negatieve effecten tegen te gaan. Het MER verwacht ook positieve effecten, zoals een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

VO

Wat is advies van de Commissie?

In het MER is veel en relevant onderzoek gedaan, bijvoorbeeld over de verkeerseffecten van de bouwfase en de mogelijke mitigerende maatregelen om de verkeershinder te minimaliseren. De Commissie merkt op dat het MER de uitgangspunten van het initiatief plan Driestar in beeld brengt. Niet alle uitgangspunten worden nu geborgd in het ontwerpbestemmingsplan. Gezien de omgevingsvergunning pas later wordt opgesteld, vraagt de Commissie aandacht voor de borging van deze uitgangspunten, zodat er zekerheid is dat het MER past bij de werkelijke besluiten. De Commissie signaleert daarnaast bij de toetsing van het MER dat essentiële informatie ontbreekt voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het gaat om de volgende informatie:

•

Onzekerheid vliegveld Midden-Zeeland: In het MER is niet beschreven wat de milieugevolgen zijn en/of het plan uitvoerbaar is als de draaiing van de start- en landingsbaan niet doorgaat.

•

Verstoring vogels: Er is niet goed onderzocht wat de impact is van de toename aan vaarbewegingen op vogels in het beschermd natuurgebied Veerse Meer. Ook sluit de effectbeoordeling niet aan bij de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.

-1-

•

Stikstofneerslag: in de stikstofberekeningen zijn enkele verkeerde uitgangspunten gebruikt (verkeer en saldering). Het is daardoor nog niet duidelijk wat de daadwerkelijke stikstofdepositie is op omringende stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden.

•

Klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis: In het MER zijn de effecten van het initiatief op klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis niet afgezet tegenover de referentiesituatie, maar ten opzichte van gemeentelijke doelen. Hierdoor treedt een vertekend (te positief) beeld op.

•

Landschap: De effecten van het voorkeursinitiatief op het landschap zijn niet beoordeeld,

•

Verkeer: Het is niet navolgbaar of, en zo ja, hoe de verkeersproductie van niet-gasten,

zoals de invloed op kenmerkende landschapsstructuren en openheid. die gebruik maken van de voorzieningen op het park, zijn meegenomen in de totale verkeersproductiecijfers. Het MER is bedoeld als milieu-onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan en de

G

vergunningen voor de uitbreiding van het waterpark. De ontwerpvergunningen zijn echter nog niet beschikbaar. Hierdoor kon de Commissie niet nagaan of het MER ook voor de vergunningen juiste en volledige informatie bevat. De Commissie adviseert de gemeente dit

PI

later zelf nog te controleren.

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het

VO

O

RL

O

vervolgtraject.

Figuur 1: plangebied Waterpark met de twee gebieden die worden ontwikkeld (Bron: MER Tauw, 26 november 2020) Achtergrond

Voor de herontwikkeling en de uitbreiding van recreatiepark Veerse Meer moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Het bestemmingsplan is kaderstellend voor m.e.r.beoordelingsplichtige besluiten (D10 en D16.1) en vanwege het opstellen van een Passende beoordeling. Daarnaast zijn ook nog een aantal vergunningen nodig, zoals een omgevingsvergunning,

-2-

waterwetvergunning en een natuurbeschermingswetvergunning. Er is gekozen om een gecombineerd plan-/project-MER op te stellen. De Commissie heeft – naast het MER en de bijlagen – het ontwerpbestemmingsplan (datum 17 december 2020) ontvangen. Zij heeft geen ontwerpvergunningen ingezien. Deze worden in een latere fase opgesteld. Rol van de Commissie m.e.r. De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit

G

geval de gemeenteraad van Middelburg - besluit over het bestemmingsplan. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3395

PI

op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

O

Toelichting op het advies

In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de

RL

Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van Middelburg. In de tekst wordt daarnaast ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de

O

kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Beleidskader

In het MER wordt verwezen naar de ‘Gebiedsvisie 2020-2030 Veerse Meer’. Deze gebiedsvisie

VO

wordt door de provincie Zeeland in samenwerking met verschillende partijen en overheden opgesteld. In deze gebiedsvisie worden in twee fases onder andere afspraken gemaakt over

ontwikkeling van (verblijfs)recreatie. Deze gebiedsvisie is een bouwsteen voor de Zeeuwse Omgevingsvisie en leidt indien gewenst en noodzakelijk tot borging in provinciale

omgevingsverordening. Fase 1 van de besluitvormingsnotitie van de Gebiedsvisie is afgerond en in juli 2020 vastgesteld. In het MER wordt aangegeven dat Waterpark Veerse Meer in de

besluitvormingsnotitie voor fase 11 is opgenomen als een pipelineproject2, gezien een anterieur raadsbesluit. De gemeente heeft aangegeven in een schriftelijke toelichting dat daarmee het project als een pijplijntraject wordt gezien. Dit betekent dat het MER geen onderzoek doet in hoeverre het initiatief past binnen de (ruimtelijke) afspraken die gemaakt

1

Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030: Besluitvormingsnotitie fase 1: https://www.wing.nl/file.php/147/200518%20besluitvormingsnotitie%20gebiedsvisie%20veerse%20meer%2020202030%20fase%201.pdf

2

Pipeline projecten zijn projecten waarvan besloten is dat ze al in een dermate gevorderd stadium zijn dat deze projecten door moeten gaan.

-3-

zijn in de gebiedsvisie Veerse Meer. De Commissie merkt op dat daarmee mogelijk het initiatief kan afwijken van de uitgangspunten en (ruimtelijke) afspraken die worden gemaakt in de gebiedsvisie Veerse Meer.

Referentiesituatie In het MER zijn twee referentiesituaties opgenomen, namelijk de ‘autonome situatie 2030’ en ‘volledige realisatie van mogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan’. De ‘autonome

situatie 2030’ past bij de referentiesituatie zoals bedoeld volgens de MER-systematiek en is daarbij maatgevend voor het inzichtelijk maken van de milieugevolgen. Wanneer voor een nieuwe activiteit al een bestemmingsplan is gemaakt, maar deze is nog niet volledig gerealiseerd (of vergund en wordt daarbij binnenkort gerealiseerd), maakt het bevoegd gezag

G

namelijk een nieuwe afweging wanneer zij het bestemmingsplan met dezelfde activiteit opnieuw vaststelt. De referentiesituatie voor MER is daarom niet vanzelfsprekend het vigerende bestemmingsplan zoals beschreven in de referentiesituatie ‘volledige realisatie van

PI

mogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan’.

In de referentiesituatie moet de huidige legale situatie en de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkeling bij elkaar worden genomen. De autonome ontwikkeling omvat alle ontwikkelingen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ingeval het voorgenomen plan

O

niet doorgaat.

Start en -landingsbaan Vliegveld Midden Zeeland

Een voorwaarde voor de realisatie van de plannen is een draaiing van de start- en

RL

landingsbaan van het nabijgelegen vliegveld Midden-Zeeland. Door deze draaiing vliegen de vliegtuigen niet over het Waterpark en recreatiegebieden. De provincie Zeeland en gemeenten moeten hierover nog een besluit nemen (aanpassing luchthavenbesluit en wijziging van het bestemmingsplan). Gezien het feit dat nog niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze baanrotatie doorgaat, heeft de Commissie in het NRD-advies van 18 juli 2019 geadviseerd

O

om deze baanrotatie niet in de referentiesituatie op te nemen. Hier is in het MER geen opvolging aan gegeven. In de loop van 2021 zal de procedure worden gestart voor het luchthavenbesluit en wijziging van bestemmingsplannen c.q. provinciaal inpassingplan. Een beslissing hierover is dus nog niet genomen en daarom maakt de draaiing nu geen onderdeel

VO

uit van de autonome ontwikkeling3. Het plan van Driestar en het bijbehorende milieuonderzoek passen dus alleen bij doorgang van de baanrotatie. Indien onverhoopt de baanrotatie niet doorgaat, dan zijn er andere milieugevolgen te verwachten4 dan nu is weergegeven. Ook is dan niet duidelijk of het voorkeursplan uitvoerbaar is, terwijl er dan mogelijk al wel een definitief besluit zal zijn genomen over het bestemmingsplan.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming aan te geven wat de milieugevolgen zijn als de start- en landingsbaan niet wordt gedraaid. Motiveer of het plan dan uitvoerbaar is, of dat mitigerende maatregelen dan wel wijziging van het plan nodig zijn.

3

Meerdere zienswijzen benadrukken dat over de rotatie van start- en landingsbaan nog geen besluit is genomen.

4

Te denken valt aan andere veiligheidsrisico’s (externe veiligheid) en geluidhinder die op andere plekken zal optreden.

-4-

Natuur 2.3.1

Soortenbescherming In het MER is beschreven wat de negatieve effecten zijn van het plan op beschermde soorten. De verstoring en de afname van het leefgebied zijn onderzocht, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase. In het eerdere advies van de Commissie is aanbevolen om de effecten op rode lijst soorten te onderzoeken. Te denken valt aan kenmerkende akker- en weidevogels. Deze analyse ontbreekt in het MER. De Commissie verwacht dat de afname van akkergrond kan leiden tot effecten op akkervogels. Tegelijkertijd zal de nieuwe natuur5 leiden tot een positieve bijdrage aan sommige rode lijst soorten. De Commissie verwacht daarmee dat het beschrijven van effecten op rode lijstoorten niet zal leiden tot een andere effectbeoordeling.

G

Zij beveelt wel aan -om voorafgaand aan de besluitvorming over de vergunningen- te onderzoeken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn voor het beschermen van rode lijst soorten.

PI

In het MER is onderzoek gedaan naar de effecten van lichthinder op vleermuizenpopulaties die aanwezig zijn in het plangebied, en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn. De Commissie merkt op dat de toename van lichthinder ook effecten kan hebben op

2.3.2

Gebiedsbescherming

RL

Natura 2000

O

vleermuissoorten, die het gebied gebruiken om te foerageren6.

Het Waterpark ligt naast het Natura 2000-gebied Veerse Meer. Dit natuurgebied kent instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten zoals de lepelaar, dodaars en kleine zilverreiger7. In een Passende beoordeling zijn de effecten van het initiatief onderzocht en opgeschreven.

Toename van waterrecreatie kan leiden tot verstoring van vogels. In de Passende beoordeling

O

is het effect onderzocht van de toekomstige waterrecreatie. De initiatiefnemer wil vijftig kleine (elektrische en/of ongemotoriseerde) recreatievoertuigen laten varen van 1 april tot en met 31 oktober. Ook zal er een toename van het aantal ligplaatsen/afmeerplekken zijn (van

VO

164 nu naar 309 in het plan). In de Passende beoordeling wordt de conclusie getrokken dat (op basis van het huidig gebruik) het gehele gebied dusdanig is verstoord dat de wijziging in de vaarbewegingen met zekerheid niet zal leiden tot aantasting van natuurlijke kenmerken. De Commissie vindt deze conclusie niet goed onderbouwd. Verstoring vindt gradueel plaats, waarbij het effect dosis-afhankelijk is. In andere woorden: een toename van de vaarbewegingen kan dus nog steeds tot extra natuuraantasting leiden. Om hierover zekerheid te verkrijgen is aanvullend onderzoek nodig. In het MER en de Passende beoordeling is aangegeven wat de toename is van het aantal ligplaatsen/afmeerplekken. Dit is echter niet begrensd in het ontwerpbestemmingsplan. Hierdoor kunnen in de toekomst mogelijk meer ligplaatsen/afmeerplekken worden gerealiseerd, wat leidt tot extra verstoring van beschermde (broed)vogels en daarmee

5

Er zal circa 14 hectare nieuwe natuur worden aangelegd. Deze natuur vormt een overgangszone tussen het Waterpark Veerse Meer en het natuurgebied De Piet. De Commissie merkt op dat het MER en het bestemmingsplan verschillend beschrijven wat voor soort natuur(inrichting) er zal komen.

6

In de zienswijze van de Vereniging Bescherm de Delta wordt voor dit effect aandacht gevraagd.

7

Het Natura 2000-gebied kent instandhoudingsdoelen voor in totaal drie soorten broedvogels en 20 niet-broedvogels.

-5-

mogelijk tot negatieve significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het MER/Passende beoordeling laat daarmee niet de maximale negatieve effecten van het plan zien. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming: •

beter te onderzoeken wat het effect is van de extra vaarbewegingen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veerse Meer. Beschrijf in hoeverre de verwachte toename aan vaarbewegingen leidt tot extra verstoring van de aanwezige vogels, en daarmee tot afname van deze soorten. Beschrijf de ruimtelijke en temporele verspreiding van verstoringsgevoelige vogels in relatie tot die van de verwachte veranderingen in vaarbewegingen. te onderzoeken wat de effecten zijn van de maximale mogelijkheden die het

G

•

bestemmingsplan biedt en -indien dit leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerkenaan te geven welke mitigerende maatregelen worden genomen en welke consequenties dit heeft.

het onderzoek moet goed onderbouwd laten zien op welke wijze het plan uitgevoerd

PI

•

kan worden dat aantasting van natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied

Stikstofdepositie Natura 2000

O

Veerse Meer met zekerheid kan worden uitgesloten.

In het MER is onderzocht wat de stikstofdepositie is afkomstig van het initiatief. De stikstofemissie afkomstig van de bouwfase en de realisatiefase zijn in mindering (‘salderen’)

RL

gebracht met onder andere de vermeden stikstofemissie van de stacaravans8 die verdwijnen en het uit gebruik nemen van de agrarische gronden. Deze gronden verliezen hun agrarische bestemming. Voor de emissie van het (op te heffen) landbouwareaal wordt uitgegaan van normen voor toegestane maximale bemesting, in plaats van feitelijke mestgiften in dit gebied die mogelijk lager zijn9. Dit heeft mogelijk tot gevolg dat er een netto toename is van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. Ook is het onduidelijk of bij de

O

aanleg van het park op de gronden direct wordt gestopt met bemesting. Het gebied waar de agrarische gronden liggen worden pas later bouwrijp gemaakt en op gebouwd (2029-2031). De vermeden emissies worden echter wel direct meegenomen (vanaf 2023-2025). Hierdoor

VO

worden effecten op de natuur door stikstofdepositie mogelijk onderschat. De nieuwe accommodaties en voorzieningen zullen deels duurzame energie gebruiken. Echter het koken in de accommodaties zal op gas plaatsvinden, en zullen er gashaarden zijn. Ook de voorzieningen, zoals het zwembad, zullen gedeeltelijk nog gebruik maken van fossiele brandstoffen. In het MER is het gasverbruik ingeschat, en de bijbehorende NOx-

emissie en depositie weergegeven. Het geschatte gasverbruik is door de opdrachtgever aangeleverd, maar niet bijgevoegd aan het MER. Het gasgebruik en de bijbehorende

stikstofemissie hangt af van de uiteindelijke keuze van technieken, apparatuur en isolatie en zal in latere besluitvorming moeten worden geborgd.

8

In de stikstofdepositie berekeningen wordt er nu vanuit gegaan dat de 185 stacaravans niet op een andere plek terugkomen. Dat betekent dat deze niet op een andere plek van het nieuwe bestemmingsplan kunnen terugkomen, omdat anders onterecht wordt gesaldeerd met de verminderde emissie van deze stacaravans.

9

In de zienswijze van de provincie Zeeland wordt ook geadresseerd dat uitgangspunten voor de interne saldering onvoldoende helder zijn.

-6-

Ook verder dan 5 kilometer van de bron kan er stikstofdepositie afkomstig van verkeer neerkomen op Natura 2000-gebieden10. Dit kan voor dit plan betekenen dat de stikstofdepositie hoger uitvalt dan nu is berekend en mogelijk leidt tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming de stikstofdepositie-berekeningen aan te passen. •

Ga in de berekeningen uit van de huidige feitelijke bemesting van de agrarische gronden. Houdt, indien daarbij aannames moeten worden gedaan, rekening met het voorzorgsbeginsel. Geef daarnaast aan wanneer deze gronden niet meer worden bemest. Indien deze gronden nog worden bemest bij de start van het initiatief, neem dit dan mee in de berekeningen. Alle stikstofdepositie afkomstig van het verkeer in beeld te brengen, ook verder dan 5

G

•

kilometer afstand.

Geef aan welke ecologische gevolgen de aangepaste berekening heeft voor het initiatief.

PI

Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)

De beoordeling van geluidverstoring door heien op afwegingszones in delen van het NNZ lijkt niet consistent met de Passende beoordeling11, waarin voor verstoring door piekgeluiden wordt uitgegaan van een zone van 350 meter als maat voor de 70 dB(A) contour. Ook bij de

O

beoordeling van verstoring door extra bezoekers in deze NNZ-zones vanuit het plangebied wordt aangenomen dat dit niet leidt tot onevenredige aantasting van wezenlijke kenmerken omdat recreatie hier reeds is toegestaan. Hierbij wordt niet ingegaan op huidige en

RL

toekomstige bezoekersaantallen en op de eventuele aanwezigheid van verstoringsgevoelige (vogel)soorten. De Commissie verwacht echter niet dat aanpassing van de berekeningen leidt tot andere beoordeling van de milieueffecten, gezien de effecten van deze extra verstoring op (vogel)soorten gering zullen zijn omdat het relatief kleine gebieden betreft.

O

Klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis In het MER zijn de effecten van het plan op klimaat, duurzaamheid en licht en duisternis gescoord. De scores zijn niet afgezet ten opzichte van de referentiesituatie zoals gebruikelijk

VO

is, maar ten opzichte van de gestelde doelen van de gemeente, zoals verwoord in de Middelburgse Visie Milieu 2019-202512. Hierdoor is er een vertekend beeld (te positief) opgetreden in de presentatie van de milieugevolgen van het plan. Een voorbeeld is de zeer positieve score (+++) op ‘licht en duisternis’. Deze is afgezet ten opzichte van de doelen uit de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025, in plaats van de referentiesituatie. De Commissie stelt dat, ook als deze vastgestelde ambities/doelen worden gerealiseerd, er toch een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie kan optreden.

De uitbreiding van het park, met name in deelgebied twee dat nu grotendeels landbouwgebied is, kan tot een toename leiden van licht(uitstraling) en daarmee afname van duisternis. Ook voor klimaat en energie is geen vergelijking gemaakt met de referentiesituatie. Het is daarmee niet duidelijk of de CO2-uitstoot zal toe- of afnemen. Ten

10

Het rapport van de Commissie Hordijk beveelt aan om de afkapgrens voor het berekenen van stikstofeffecten van 5 km voor wegen te laten vervallen, omdat niet verdedigbaar is waarom voor stallen geen afstandscriterium geldt en voor wegen wel.

11

Paragraaf 6.2.2.

12

https://www.middelburg.nl/_flysystem/media/middelburgse-visie-milieu-2019-2025.pdf

-7-

slotte wordt circulair bouwen en materiaalgebruik positief gescoord (++). Het is echter niet duidelijk welke materialen worden gebruikt en waar deze van afkomstig zijn. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de milieueffecten van het voorkeursalternatief te vergelijken met de referentiesituatie. Pas hierop de effectscore aan. Doe dit primair voor de onderdelen klimaat en energie, circulair bouwen en materiaalgebruik en licht en duisternis.

Landschap Uit het planproces valt op te maken hoe belangrijk het landschap is voor het Waterpark. Er is veel gedegen werk verricht. De vier landschapsontwerpen geven invulling aan een Waterpark

G

dat op het Veerse Meer georiënteerd is. In de beoordeling ervan en het bepalen van een voorkeur heeft de inpasbaarheid in het ontwerp van Nico de Jonge een belangrijke rol

PI

gespeeld.

Ondanks het feit dat die vier landschapsontwerpen zijn beoordeeld, constateert de Commissie dat de effecten van het uiteindelijke voorkeursalternatief op het omringende landschap, met inbegrip van de infrastructurele aanpassingen en architectonische keuzes,

O

niet in beeld zijn gebracht. Het voorkeursalternatief kan daarmee mogelijk op onderdelen afwijken van de landschapsontwerpen, die immers in een vroeg stadium in planproces gereed zijn gekomen. De effecten van het initiatief moeten in beeld gebracht worden ten opzichte van de referentiesituatie. Zonder deze informatie is er geen goed beeld gegeven van de

RL

impact op het landschap.

Hetzelfde geldt voor de visualisaties, waarmee effecten op de beleving van het landschap ingeschat kunnen worden. Deze hebben betrekking op de vier ontwerpen, maar niet op het voorkeursalternatief. Keuzes die na het gereedkomen van de ontwerpen zijn gemaakt in het

O

voorkeursalternatief, zoals de bouwhoogtes en de glijbaan13, zijn derhalve niet gevisualiseerd. Deze visuele effecten worden bijvoorbeeld mede bepaald door de hoogte en dichtheid van gebouwen en deze informatie is niet verwerkt in de visualisaties, waardoor een

VO

vertekend beeld kan ontstaan bij de lezer van het MER. Om het overzicht van alle landschappelijke veranderingen ten behoeve van besluitvormers aan te reiken, verdient het de aanbeveling om naast de directe óók de indirecte veranderingen globaal in beeld te brengen. Indirecte veranderingen zijn die veranderingen die nodig zijn voor of een logisch gevolg zijn van de realisatie van het Waterpark, die evenwel door andere actoren worden genomen. Het gaat hierbij onder meer om veranderingen in de ontsluiting van het gebied, van de agrarische structuur, van de draaiing van het vliegveld, van de natte recreatieve infrastructuur en van separaat te vergunnen technische voorzieningen. Een tweede aanbeveling betreft het contrast tussen de vier ontwerpen. Dat er vier verschillende ontwerpen zijn gemaakt is goed te zien, maar onhelder is waarin de ontwerpen van elkaar verschillen als het gaat om de uitgangspunten. Een beknopte typering van die verschillen kan de lezer die niet zo goed bekend is met het ontwerp van Nico de Jonge helpen om de keuze voor de vierde variant te volgen.

13

Meerdere zienswijzen gaan in op de maximale bouwhoogte en de hoogte van de glijbaan.

-8-

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over het bestemmingsplan, de (belevings)effecten van het voorkeursalternatief op het landschap in beeld te brengen. Gebruik daarbij onder andere de beoordelingscriteria: invloed op kenmerkende structuren en invloed op openheid.

Verkeer In het MER is uitgebreid en breed onderzoek gedaan naar gevolgen van het plan op de verkeersdoorstroming, de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de omgeving. Ook zijn de gevolgen van de aanlegfase voor de verkeersafwikkeling zijn in beeld gebracht, en zijn varianten en mitigerende maatregelen onderzocht. Het MER laat goed zien welke verkeersen verkeersmilieueffecten er optreden bij de twee alternatieven ten opzichte van de

G

referentiesituatie. Het MER gaat tevens in op welke knelpunten er zijn te verwachten. Ook geeft het MER inzicht in oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten ten aanzien van de ontsluiting van het recreatiegebied.

PI

Vanwege deze inzichten is er een overleg opgezet tussen de gemeenschappelijke wegbeheerders. De wegbeheerders werken daarin gezamenlijk aan een gebiedsvisie voor de ontsluiting die onderdeel gaat worden van de Gebiedsvisie Veerse Meer. De Commissie constateert dat op dit moment er nog geen helderheid is over een mogelijke

O

oplossingsrichtingen voor de midden en lange termijn. Voor de aanlegfase geeft het MER inzicht in de mogelijke maatregelen om de negatieve effecten van het bouwverkeer te mitigeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10243456/4