CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Bestemmingsplan - Geohydrologisch onderzoek, Sweco, kenmerk SWNL0262907, d.d. 15 april 2021

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bijlagen 2 t/m 24 - Bijlagen bij bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 20207.093 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport Projectnummer: 377979 Referentienummer: SWNL0275606 Datum: 15-04-2021

Waterpark Veerse Meer Arnemuiden Geohydrologisch onderzoek

Definitief

Opdrachtgever: DAGnl Kerkplein 5 8121 BM OLST

Sweco Velperweg 26 6824 BJ Arnhem Postbus 485 6800 AL Arnhem Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Jeroen van Uden Senior adviseur Geohydrologie M +31 6 51 75 53 47

Verantwoording Titel

Waterpark Veerse Meer Arnemuiden

Subtitel

Geohydrologisch onderzoek

Projectnummer

377979

Referentienummer

SWNL0275606

Revisie

D6

Datum

15-04-2021

Auteur

Jeroen van Uden

E-mailadres

jeroen.vanuden@sweco.nl

Gecontroleerd door

Harrie Gielen

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Ron Buitelaar

Paraaf goedgekeurd

2 (32)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4

1.1

Algemeen ................................................................................................................. 4

1.2

Doelstelling .............................................................................................................. 5

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................ 5

2

Achtergrondinformatie .......................................................................................... 6

2.1

Algemeen ................................................................................................................. 6

2.2

Maaiveldhoogten ..................................................................................................... 6

2.3

Bodemopbouw ......................................................................................................... 6

2.4

Grondwater .............................................................................................................. 8

2.5

Oppervlaktewater................................................................................................... 13

2.6

Kwetsbare gebieden .............................................................................................. 17

3

Planontwikkeling ................................................................................................. 19

4

Invloed grondwaterstanden................................................................................ 22

4.1

Algemeen ............................................................................................................... 22

4.2

Methode ................................................................................................................. 22

4.3

Resultaten .............................................................................................................. 22

4.4

Mitigerende maatregelen ....................................................................................... 24

4.5

Overige maatregelen ............................................................................................. 27

4.6

Conclusie ............................................................................................................... 28

5

Invloed zoet-zout ................................................................................................. 29

5.1

Algemeen ............................................................................................................... 29

5.2

Freshem ................................................................................................................. 29

5.3

Invloed oppervlaktewatersysteem ......................................................................... 31

6

Conclusie .............................................................................................................. 32

Bijlage 1

Modelopbouw

Bijlage 2

Resultaten

3 (32)

1

Inleiding

1.1 Algemeen Het recreatiepark Waterpark Veerse Meer wordt herontwikkeld. Het park krijgt meer voorzieningen en zal gericht zijn op families. Het park krijgt ook een ruimere opzet, waardoor het uitbreidt in noordoostelijke richting. De situering van het vakantiepark is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1

Situering vakantiepark (rood omcirkeld)

Voor de herontwikkeling van het recreatiepark Waterpark Veerse Meer is een participatietraject opgestart voor de landschappelijke inpassing van het park. Dit is enerzijds gedaan met experts van bijvoorbeeld de provincie, Waterschap Scheldestromen en de Zeeuwse Milieu Federatie en anderzijds met de omwonenden. Het resultaat is een landschapsplan met daarin nieuwe kreken (uitbreiding oppervlaktewatersysteem). Door de kreken komt het zoute water uit het Veerse Meer verder landinwaarts. Hierdoor kan de verzilting binnendijks toenemen. Aan de oostzijde en zuidzijde van het vakantiepark is een zoetwaterreservoir gelegen met een beschermde status. Deze zoetwatervoorraad wordt gebruikt voor de besproeiing van omliggende landbouwgronden. In verband met een (geringe) wijziging in het ontwerp en dat er rekening gehouden wordt met de situatie dat de baanrotatie van het vliegveld niet door gaat, is de rapportage ‘Waterpark Veerse Meer Arnemuiden, Geohydrologisch onderzoek’ (Sweco, referentienummer SWNL0262907 d.d. 26-06-2020) aangepast. De aanpassingen zijn in dit rapport verwerkt.

4 (32)

1.2 Doelstelling In dit rapport is gekeken naar de geohydrologische effecten van de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem op de omgeving. Daarnaast is het effect van het zoutwater op de omgeving beschouwd. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is achtergrondinformatie gegeven met betrekking tot de bodemopbouw, grondwater en oppervlaktewatersysteem. Vervolgens is de voorgenomen planontwikkeling beschreven in hoofdstuk 3, waarna de effecten zijn beschreven op basis van een grondwatermodellering (hoofdstuk 4). Tot slot zijn in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

5 (32)

2

Achtergrondinformatie

2.1 Algemeen Ten behoeve van de aanleg van een krekenstelsel dient inzicht te worden verkregen in de opbouw van de bodem, het heersende grondwaterregime en de terreingesteldheid. In dit hoofdstuk is ingegaan op deze aspecten. De geïnventariseerde gegevens zijn afkomstig van de volgende bronnen: [1] Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, Rijkswaterstaat, 2011); [2] Bodemkaart van Nederland (Alterra, 2000); [3] Grondwatergegevens uit DINO-loket (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond) en REGIS II.1 (Regionaal Geohydrologisch Informatiesysteem (NITG-TNO); [4] Proefboring en geohydrologische beschouwing Waterpark Veerse Meer te Arnemuiden (Brontechnologie, kenmerk 0190205DR, d.d. 7 februari 2020). De achtergrondinformatie dient als basis voor de berekeningen in hoofdstuk 3. 2.2 Maaiveldhoogten De hoogte van het huidig maaiveld bevindt zich op circa NAP +0,3 m à NAP +1,7 m. 2.3

Bodemopbouw

Ondiepe bodemopbouw Uit de bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blijkt dat de bodem binnen het deelgebied voornamelijk bestaat uit kalkhoudende zandgronden(Bodemcode ZN40A) en zeekleigronden zonder een minerale eerdlaag( Bodemcode MN22A en Bodemcode MN82A). De eilanden en eilandjes in Het Veerse Meer bestaan voornamelijk uit kalkhoudende zandgronden, het zeer fijne zand bevat weinig organisch materiaal(1-5% lutum). Plaatselijk is een zavel- of kleidek aanwezig. Verder bestaat het gebied uit zeekleigronden, die behoren tot de kalkrijke poldervaaggronden. Ze kenmerken zich door een ondiepe zandlaag ≥ 20 cm of een zandondergrond die begint tussen de 40 en 80 cm. Het is zeer fijn zand met bovenin 3-8% lutum, naar beneden toe neemt het lutumgehalte af (zie figuur 2.1). Ze zijn onderverdeeld naar zwaarte van de bouwvoor. In het zuidwestelijke deel van het gebied kan er een kleilaag voorkomen tot NAP -5 m. Verder richting het noordoosten wordt de deklaag van wisselend zavel of klei, dunner en reikt tot NAP -1 m en NAP -2 m. Diepere bodemopbouw Onder een deklaag van klei, zavel en zand van maximaal NAP -5 m bestaat de ondergrond tot circa NAP -28,5 m uit fijn zand(formatie van Naaldwijk, laagpakket van Walcheren). Hieronder bevindt zich tot circa NAP -30,5 m matig fijn tot zeer grof zand met kleilagen (Eem-formatie).

Vervolgens bestaat de bodem uit een laag met matig fijn tot matig grof zand en klei(formatie van Peize en Waalre) tot circa NAP -48,3 m.

6 (32)

Figuur 2.1

Variaties profielopbouw bij kalkrijke vaaggronden

Schematisatie In de beschrijving van de bodemopbouw is ingegaan op de samenstelling van de bodem. Door middel van een geohydrologische schematisatie wordt een indruk verkregen van de opbouw van de diepere ondergrond en de bijbehorende geohydrologische variabelen. Hierbij worden watervoerende pakketten en slecht doorlatende (scheidende) lagen onderscheiden. In een watervoerend pakket treedt overwegend horizontale grondwaterstroming op, terwijl in een scheidende laag voornamelijk verticale grondwaterstroming optreedt. Watervoerende pakketten worden beschreven met de doorlaatfactor (K-waarde in m/dag), hetgeen het quotiënt is van het aantal meter dat grondwater per dag door het watervoerend pakket zal afleggen (in m/dag). Scheidende lagen worden beschreven met een hydraulische weerstand (c-waarde: in dagen), hetgeen het quotiënt is van de dikte (in m) en de verticale doorlaatfactor (in m/dag) van de laag. De geohydrologische basis is een slecht doorlatende laag, die vanwege de dikte en/of opbouw vrijwel ondoorlatend is. In tabel 2.1 staat de geohydrologische schematisatie weergegeven voor Waterpark Veerse Meer. Deze zijn gebaseerd op REGIS II.2 van TNO-NITG. Tabel 2.1

Overzicht van de geohydrologische formaties en parameters

Diepte (m +NAP) 1,7 à 0,3 tot -1,0 à -5,0 -1,0 à -5,0 tot -24 -24 tot -27 -27 tot -41 -41 tot -42 -48 tot -73 <-73

Samenstelling

Formatie

Geohydr. eenheid

Zand, zavel, klei Fijn tot matig grof zand Klei Matig grof zand Leem Matig fijn tot matig grove zanden Klei

Holoceen Naaldwijk, Walcheren Eem Peize-Waalre Oosterhout Oosterhout

Deklaag Watervoerend pakket

Ruppel

Geohydrologische basis

Scheidende laag Watervoerend pakket Scheidende laag Watervoerend pakket

Doorlaatfactor (m/d)

Weerstand (d) 150-700

5 200 5-10 50-100 15 tot 30 >10.000

* Volgens REGIS is de kleilaag aanwezig van NAP -28,5 m tot NAP -30,5 m

7 (32)

2.4

Grondwater

Grondwatertrappen Als gevolg van seizoensfluctuaties verandert de freatische grondwaterstand en de stijghoogte van het diepere grondwater. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) geeft de range weer, waartussen de grondwaterstand zich gedurende het grootste deel van het jaar beweegt. Dit kan vertaald worden naar een klasse-indeling: grondwatertrappen (Gt). In tabel 2.2 zijn de grondwatertrappen weergegeven, zoals deze in de Bodemkaart van Nederland gehanteerd worden. Tabel 2.2

Grondwatertrappen

Grondwaterstand

Grondwatertrap (Gt)

(cm –mv)

I

II1

III

IV1

V

VI1

VII2

GHG GLG

< 20 < 50

< 40 50 - 80

< 40 80 -120

> 40 80 - 120

< 40 > 120

40 - 80 > 120

> 80 (> 160)

1 een * achter deze Gt-codes betekent ‘droger deel’, dat wil zeggen een GHG tussen 25 en 40 cm –mv. 2

een * achter deze Gt-codes betekent ‘zeer droger deel’, dat wil zeggen een GHG dieper dan 140 cm –mv.

Op de locatie komt grondwatertrap VI voor. Bij een grondwatertrap VI bevindt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich tussen 40 cm en 80 cm beneden maaiveld en ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper dan 120 cm beneden maaiveld. Stijghoogten In de omgeving van de locatie bevindt zich een aantal peilbuizen, waarvan de grondwaterstanden opgenomen zijn in het digitale archief van TNO. De situering is weergegeven in figuur 2.2.

8 (32)

Figuur 2.2

Situering peilbuizen TNO

In tabel 2.3 zijn de karakteristieken van de grondwaterstanden weergegeven van de peilbuizen binnen een straal van 3.500 m. Tabel 2.3

Karakteristieken grondwaterstanden

NITGCode

X-coörd (m)

Y-coörd (m)

Afstand (m)

Diepte filter (m +NAP)

GLG (m +NAP)

Gemiddeld (m +NAP)

GHG (m +NAP)

B48B0157_1

39427

393055

751

-0,88

-0,19

-0,01

0,15

B48B0157_2

39427

393055

751

-17,90

-0,42

-0,24

-0,08

B48B1496_1

38150

392282

782

n.b.

-0,88

-0,61

-0,46

B48B1496_1

38150

392282

782

n.b.

-0,64

-0,57

-0,45

B48B0224_1

37420

393630

1520

-0,73

-0,83

-0,22

0,30

B48B0189_1

38620

390980

1850

-10,34

-0,62

-0,35

-0,08

B48B0246_1

36884

393197

1864

-3,26

-1,62

-1,36

-1,17

B48B0188_1

36770

392320

2006

-15,53

-1,00

-0,87

-0,72

B48B0156_2

38703

390809

2019

-19,82

-0,73

-0,45

-0,08

B48B0156_1

38703

390809

2019

-2,41

-1,00

-0,87

-0,73

B48B0159_1

36540

392260

2244

-3,24

-1,19

-1,03

-0,85

B48B0159_2

36540

392260

2244

-19,12

-1,04

-0,87

-0,68

9 (32)

NITGCode

X-coörd (m)

Y-coörd (m)

Afstand (m)

Diepte filter (m +NAP)

GLG (m +NAP)

Gemiddeld (m +NAP)

GHG (m +NAP)

B48E0229_1

40825

394965

3006

-17,40

-0,31

-0,09

0,11

B48E0229_2

40825

394965

3006

-23,60

-0,42

-0,20

0,00

B48E0229_3

40825

394965

3006

-37,40

-0,54

-0,32

-0,12

B48E0230_1

40920

394887

3020

-19,00

-0,25

-0,08

0,08

B48E0230_2

40920

394887

3020

-27,30

-0,40

-0,18

0,01

B48E0230_3

40920

394887

3020

-36,50

-0,52

-0,30

-0,11

B48E0147_1

40760

395080

3045

-18,80

-0,40

-0,18

0,01

B48E0147_2

40760

395080

3045

-27,20

-0,51

-0,30

-0,10

B48E0147_3

40760

395080

3045

-37,40

-0,54

-0,33

-0,13

B48E0231_1

41240

394560

3065

-19,10

-0,26

-0,06

0,11

B48E0231_2

41240

394560

3065

-28,30

-0,39

-0,19

-0,01

B48E0231_3

41240

394560

3065

-37,90

-0,48

-0,28

-0,11

B48E0073_1

41968

393749

3385

-14,20

-0,58

-0,45

-0,31

B48E0073_2

41968

393749

3385

-29,20

-0,85

-0,70

-0,54

B48E0073_3

41968

393749

3385

-44,70

-0,93

-0,78

-0,61

Locatie

38711

392828

n.b. *

: niet bekend : peilbuis met filter op grotere diepte

Peilbuis B48B1496 en B48B0157 bevinden zich het dichtst bij de locatie. In figuur 2.3 zijn de gemeten stijghoogten weergegeven.

10 (32)

Figuur 2.3

Gemeten stijghoogten (m +NAP)

De gemiddelde grondwaterstand is iets lager dan het gemiddelde peil in het oppervlaktewater (zie ook paragraaf 2.4). De wisseling tussen zomer- en winterpeil is terug te zien in de gemeten grondwaterstanden. Bij peilbuis B48B0157_2 zijn geen meetgegevens beschikbaar tussen 1998 en 2007, waardoor hier een rechte lijn is geprojecteerd. Opgemerkt wordt dat op de website van provincie Zeeland (https://kaarten.zeeland.nl/map/grondwaterstanden) geen recentere grondwaterstanden beschikbaar zijn voor de betreffende peilbuizen. Grondwaterstroming De regionale grondwaterstroming wordt vooral bepaald door het peil in het Veerse Meer en door aanwezige polders en kreken. In figuur 2.4 is het isohypsenpatroon weergegeven (bron: www.grondwatertools.nl). Hieruit blijkt dat bij het plangebied globaal sprake is van een grondwaterstroming richting het plangebied. Meer oostelijk van het plangebied is sprake van een westelijke grondwaterstroming vanuit het Veerse Meer richting laaggelegen polders.

11 (32)

Figuur 2.4

Isophypsenpatroon in eerste watervoeren pakket in januari 2000 (www.grondwatertools.nl) en globale grondwaterstromingsrichting (pijlen)

Kwaliteit Om een goed beeld te krijgen van zoet en zout water in de Zeeuwse ondergrond, zijn in 2014 en 2015 metingen verricht. Deze metingen zijn vertaald naar een kaart en te bekijken via https://scheldestromen.nl/interactieve-kaarten. In figuur 2.5 is een uitsnede gegeven van de kaart.

12 (32)

Legenda freshem (m -mv) >25 23,0 - 24,0 22,0 - 23,0 21,0 - 22,0 20,0 - 21,0 19,0 - 20,0 18,0 - 19,0 17,0 - 18,0 16,0 - 17,0 15,0 - 16,0 14,0 - 15,0 13,0 - 14,0 12,0 - 13,0 11,0 - 12,0 10,0 - 11,0 9,0 - 10,0 8,0 - 9,0 7,0 - 8,0 6,0 - 7,0 5,0 - 6,0 4,0 - 5,0 3,0 - 4,0 2,0 - 3,0 2,0 - 1,0

Figuur 2.5

Diepte in m -mv tot zoutgrens (chloride > 1.000 mg/l; bron: Freshem-onderzoek).

De donkere kleuren geven aan dat de concentratie aan chloride hoger dan 1.000 mg/l ondiep aanwezig is (tot < 1 m -mv). Bij de donkergroene kleuren is de zoutwatergrens relatief diep (> 15 m -mv). Hier bevinden zich de zoetwatervoorkomens (zie ook paragraaf 2.5). In het plangebied is overwegend sprake van zoutwater. Ook in de kreek (leggerwater OAF14323) is duidelijk sprake van zoutwater. 2.5

Oppervlaktewater

Waterstanden In 2007 is het peilbesluit Veerse Meer vastgesteld, het grootste gedeelte van het plangebied Veerse Meer valt onder dit peilbesluit (GJP11: Peilbesluit Schenge). In 2007 is vastgelegd dat het winterpeil verhoogd wordt van NAP -0,7 m tot NAP -0,3 m. Deze verhoging heeft plaatsgevonden in de periode van 2008 tot 2012. Het zomerpeil is onveranderd gebleven op NAP 0,0 m. Rijkswaterstaat houdt bij hoe de waterpeilen in de nabijheid van het onderzoeksgebied fluctueren. In figuur 2.6 is de gemeten waterstand weergegeven voor de periode 2000 tot 2019.

13 (32)

Figuur 2.6

Waterstanden meetpunt Oranjeplaat Schenge

In het Veerse Meer is een beperkte ‘getijdewerking’ van circa plus en min enkele centimeters. Deze getijdewerking is in verband met de schaalgrootte niet zichtbaar in figuur 2.6. Uit de meetdata van Rijkswaterstaat is een standaarddeviatie in een zomerpeilperiode van circa 4 cm zichtbaar. Deze standaarddeviatie kan door getijdewerking zijn veroorzaakt, maar ook door opstuwing door de wind. Er kunnen op basis van deze gegevens geen concrete uitspraken worden gedaan over de mate van getijdewerking, wel dat er een geringe getijdewerking aanwezig is.

14 (32)

Polderpeilen Het omliggend oppervlaktewatersysteem wordt beheerd door Waterschap Scheldestromen. In figuur 2.7 zijn de praktijk polderpeilen weergegeven van het peilbesluit Walcheren (westelijk deel) en peilbesluit Schenge (oostelijk deel).

Figuur 2.7

Polderpeilen Peilbesluit Walcheren en Schenge

Ten noorden van het plangebied is polderpeilgebied GPG1388 gelegen. Dit deelgebied is bestemd voor natuurontwikkeling en watert onder vrij verval af op het Veerse Meer. Het oppervlaktewater ter plaatse van het vakantiepark in polderpeilgebied GPG50 staat in openverbinding met het Veerse Meer en heeft dus hetzelfde zomer- en winterpeil. In 2008 is de drainage in het deelgebied geïnventariseerd in het kader van de planvorming wateropgave Schenge waar het peilbesluit en watergebiedsplan de producten van zijn. In figuur 2.8 is weergegeven waar drainage is aangelegd. Het gebied wordt gedraineerd op 1,0 m onder maaiveld.

15 (32)

Figuur 2.8

Aanwezigheid drainage

Waterkwaliteit Rijkswaterstaat houdt bij wat de chlorideconcentratie van het oppervlaktewater is nabij het onderzoeksgebied, namelijk bij het meetpunt Oranjeplaat. In figuur 2.9 is het zoutgehalte over de tijd weergegeven. Het zoutgehalte schommelt tussen de 16.000 mg/l en 14.500 mg/l . In de periode van 23 januari 2020 tot en met 20 februari 2020 is het gemiddelde chloridegehalte circa 15.600 mg/l.

16 (32)

Figuur 2.9

Zoutgehalte meetpunt Oranjeplaat Schenge (in µS/cm).

2.6 Kwetsbare gebieden Als kwetsbaar gebieden zijn aangeduid de grondwater gerelateerde natuurgebieden, gebieden met de functie landbouw/natuur (beide met hun hydrologisch invloedsgebied, de zogenaamde bufferzone van 300 m daarom heen) en grondwater-beschermingsgebieden (inclusief waterwingebieden). In deze gebieden gelden strengere regels. In figuur 2.9 zijn de grondwater gerelateerde natuurgebieden donkergroen weergegeven en de bufferzones met lichtgroen. Gebieden met zoetwatervoorkomens zijn gebieden waar een zoetwaterbel voorkomt met een dikte van minimaal 15 m of waar de zoetwaterbel reikt tot aan de geohydrologische basis. Daarbij wordt water met een gehalte tot 1.500 mg Cl/liter als zoet aangemerkt. In figuur 2.10 zijn de zoetwatervoorkomens blauw gearceerd. Deze bevinden zich oostelijk en zuidelijk bij het plangebied. Voor onttrekkingen geldt altijd registratie- en/of vergunningsplicht op basis van algemene regels. Enkel onttrekkingen voor veedrenking, huishoudelijke en recreatieve doeleinden met een pompcapaciteit < 5m³/u en minder dan 12.000 m³/jaar zijn vrij van registratie- en/of vergunningsplicht, behalve wanneer ze binnen kwetsbaargebied liggen. Dan geldt altijd de registratie- en vergunningsplicht. In figuur 2.10 zijn de geregistreerde onttrekkingen weergegeven door middel van een rode punt.

Op grond van het provinciale beleid moeten de zoetwaterbellen in stand worden gehouden en, indien mogelijk, worden vergroot. Dit wil zeggen dat er niet mag worden ingeteerd op de voorraad zoet grondwater. Er mag daarom niet meer zoet grondwater worden onttrokken dan de jaarlijkse aanvulling (80 mm).

17 (32)

Figuur 2.10

Kwetsbare gebieden (https://scheldestromen.nl/interactieve-kaarten)

Tot slot zijn er lokaal enkele ‘hele lichte kwel’-gebieden aanwezig (figuur 2.10; roze vlakken). Hier is lokaal sprake van hogere grondwaterstanden door de kwel, waarbij het water vooral afgevangen wordt door watergangen.

18 (32)

3

Planontwikkeling

Het plan is om de bestaande park uit te breiden door het in noordoostelijke richting herinrichten van het bestaande park. De berekende effecten zijn destijds verwoord in het rapport Waterpark Veerse Meer Arnemuiden, Geohydrologisch onderzoek (Sweco, referentienummer SWNL0262907, d.d. 26-06-2020). Hierbij is uitgegaan van het schetsontwerp van mei 2020. Het ontwerp is weergegeven in figuur 3.1. Zichtbaar is dat het areaal aan water aanzienlijk vergroot wordt ten opzichte van huidige situatie, waarbij de kreken in contact staan met het Veerse Meer.

Figuur 3.1

Schetsontwerp herinrichting vakantiepark Veerse Meer, ontwerp mei 2020

In dit rapport is uitgegaan van het ontwerp van november 2020. In figuur 3.2 is het schetsontwerp1 weergegeven van het plan. Aan de noordoostzijde zijn de kreken meer recht ten opzichte van het schetsontwerp van mei 2020.

1

Het schetsontwerp kan in detail mogelijk aangepast worden, maar dit betreft aanpassing van de contouren van enkele eilanden in het waterrijke noordelijke deel. Hiervan wordt weinig invloed van verwacht op de grondwaterstanden buiten het plangebied.

19 (32)

Figuur 3.2

Schetsontwerp herinrichting vakantiepark Veerse Meer, ontwerp november 2020

Het polderpeil in het vakantiepark blijft onveranderd op een winterpeil van NAP -0,3 m en een zomerpeil van +0,0 m. Het oppervlaktewater staat in openverbinding met het Veerse Meer. Om de doorspoeling van de bestaande en nieuw te realiseren kreken zo groot mogelijk te maken, zijn de kreken zoveel mogelijk doorlopend. De watergangen hebben een breedte, variërend van circa 8 tot 30 m. De diepte is nog niet bepaald, maar er wordt uitgegaan van circa 1,0 m tot 2,0 m. De eilanden zullen dusdanig hoog worden aangelegd dat deze voldoen aan de noodzakelijke ontwateringseisen. Eén en ander zal in een volgende fase nader uitgewerkt worden. In het noordoostelijk gelegen uitbreidingsgebied komen door de ontwikkeling enkele bestaande watergangen te vervallen. Dit gebied wordt momenteel gedraineerd. Door de ontwikkeling komt de drainage hier te vervallen. Ten opzichte van het oorspronkelijk schetsontwerp zijn in het huidig ontwerp de kreken aan de noordoostzijde in een min of meer rechte lijn getrokken, waardoor de kreken verder van de plangrens blijven. Deze wijziging heeft een licht positief effect ten opzichte van de eerder berekende situatie, omdat hierdoor de effecten op de plangrens kleiner zijn. Daarnaast is een schetsontwerp opgesteld met een variant, waarbij rekening gehouden wordt dat de start- en landingsbaan van het vliegveld niet gedraaid wordt .

Hierdoor is een bomenrij gedraaid in het centrale deel en een kreek iets doorgetrokken langs de plangrens. In figuur 3.3 is het schetsontwerp opgenomen zonder baanrotatie.

20 (32)

Figuur 3.3

Schetsontwerp zonder baanrotatie ter plaatse van het vliegveld

De invloed van het oppervlaktewatersysteem op het omliggende gebied is inzichtelijk gemaakt met een grondwatermodel. In volgende hoofdstukken is ingegaan op de effecten als gevolg van de aanleg van de kreken op de grondwaterstanden en effecten op de zoetwatervoorkomens.

21 (32)

4

Invloed grondwaterstanden

4.1 Algemeen Het grondwaterbeheer door Waterschap Scheldestromen is gericht op duurzaam voorraadbeheer van het zoete grondwater, het zoveel mogelijk voorkomen van verdroging en het tegengaan van verzilting waarbij de kaders afhankelijk zijn van de functies van het water, de aard en de duur van de onttrekking dan wel infiltratie als de locatie daarvan. Bij de ontwikkeling van het plangebied worden er extra watergangen gerealiseerd. Door het oppervlaktewatersysteem wordt het grondwater beïnvloed en kunnen de zoetwatervoorkomens (negatief) worden beïnvloed en kan de verzilting toenemen. In dit hoofdstuk is ingegaan op de invloed van het oppervlaktewatersysteem op de grondwaterstanden binnendijks. Hierbij is ook gekeken naar het invloedsgebied en ligging van de beschermde zoetwatervoorkomens. 4.2 Methode Voor het berekenen van de invloed van het oppervlaktewatersysteem op de grondwaterstand is een grondwatermodel opgesteld. Het model is opgesteld in Modflow en uitgebreid beschreven in bijlage 1. Het grondwatermodel is opgebouwd op basis van REGIS II.2gegevens en uitgevoerde boring in het plangebied. 4.3 Resultaten Met het grondwatermodel is de huidige en toekomstige situatie doorgerekend, waarbij het oppervlaktewatersysteem in detail is opgenomen van het schetsontwerp (zie hoofdstuk 3).

Voor de weerstand van de kreken is uitgegaan van tien dagen, als gevolg van slib en fijne fracties. De berekende stijghoogten in de huidige situatie is weergegeven in figuur 4.1. De figuren zijn in bijlage 2 ook vergroot opgenomen.

Figuur 4.1

Berekende stijghoogte (m +NAP) huidige situatie

22 (32)

Door het realiseren van kreken wordt de drainage-afstand verkleind, waardoor de opbolling afneemt. De berekende stijghoogte is weergegeven in figuur 4.2. Hierbij is de toekomstige situatie in de figuur geprojecteerd. Opgemerkt wordt dat het noordelijk gelegen natuurgebied met kreken niet gerealiseerd zal worden. Uit berekeningen blijkt dat de kreken in dit gebied invloed hebben op de zoetwatervoorkomens (zie ook hoofdstuk 5). Ook als er mitigerende maatregelen worden genomen, blijft deze invloed. Hierop is besloten deze kreken te laten vervallen.

Figuur 4.2

Berekende stijghoogte (m +NAP) toekomstige situatie

De watergangen (breedte varierend van circa 8 tot 30 m worden mogelijk voorzien van beschoeiing uit gerecyclede kunststof om het talud in stand te houden. Deze beschoeiing is deels waterdoorlatend, waardoor deze verwaarsloosbare effecten hebben op de grondwaterstanden. Door het verschil te berekenen tussen de huidige en de toekomstige situatie, is inzicht verkregen in de invloed van de wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem. In figuur 4.3 is het invloedsgebied weergegeven. Daarnaast zijn ook de zoetwatervoorkomens (2019) geprojecteerd. Zichtbaar is dat de grondwaterstand op de rand van het plangebied circa 0,1 m daalt door de ontwikkeling van de kreken. In het noordelijk gelegen uitbreidingsgebied zal de grondwaterstand als gevolg van de ontwikkeling van de kreken dalen (tot 0,2 m). Hierdoor zal de grondwaterstroming richting Veerse Meer toenemen en de zoetwatervoorkomens beïnvloed worden. De drainage-afstand tussen ontwateringsmiddelen neemt in het plangebied af, waardoor de grondwaterstand in het plangebied daalt.

23 (32)

Figuur 4.3

Invloed aanleg oppervlaktewatersysteem met bodemweerstand 10 dagen (zoetwatervoorkomens zijn gearceerd)

Zichtbaar is dat de invloed reikt tot in het oostelijk gelegen zoetwatervoorkomen. Doordat de grondwaterstand daalt, zal de grondwaterstroming richting Veerse Meer toenemen en mogelijk het zoetwatervoorkomen beinvloeden (zie ook hoofdstuk 5). De invloed reikt net tot de rand van het zuidelijk gelegen zoetwatervoorkomen. Een eventuele baanrotatie bij het vliegveld heeft, geohydrologisch gezien, geen invloed op de stijhoogten buiten het plangebied. Omdat de hoofdwatergangen niet gewijzigd worden, blijven de effecten gelijk ten opzichte van het schetsontwerp zonder baanrotatie. Lokaal zijn er geringe invloeden op de stijghoogten (minder dan 0,05 m), omdat de kreek iets in noordelijke richting wordt doorgetrokken. 4.4 Mitigerende maatregelen Het beleid van het waterschap is er op gericht de zoetwatervoorkomens in Zeeland te beschermen. Uit de berekeningen blijkt dat de grondwaterstand ter plaatse van de kreken daalt, waardoor het oostelijk gelegen zoetwatervoorkomen wordt beinvloed. Het zoute water komt dichter bij het zoetwatervoorkomen. Daarnaast wordt het gedraineerde gebied waar nu nog een deel zoetwater is, doorsneden met zoutwater waardoor vermenging op zal treden. Om die reden is gekeken naar mitigerende maatregelen. Hierbij zijn de volgende maatregelen bepaald en doorgerekend: 1. aanbrengen verticaal scherm in noordoostzijde; 2.

peilopzet in het oostelijk deel van de kreken; door de peilopzet vindt er geen verlaging van de grondwaterstand plaats, waardoor de invloed op het zoete water beperkt wordt; 3. aanbrengen van folie onder de kreken ter plaatse van het uitbreidingsgebied; de folie kan in den natte aangebracht worden, waardoor er geen beïnvloeding is van het oostelijke zoetwatervoorkomen door een tijdelijke bemaling.

24 (32)

Onderstaand is ingegaan op de mitigerende maatregelen. 1. Verticaal scherm Een verticaal scherm kan de geohydrologische effecten mitigeren. Met het grondwatermodel is de invloed van een verticaal scherm berekend. Uitgangspunt is dat het scherm tot circa 10 m -mv reikt. In figuur 4.4 is de invloed weergegeven.

0.05 0.2 0.1

0.2 0.1 0.05

Figuur 4.4

Invloedsgebied met verticaal scherm in noordoostelijke zijde (bruine lijn). zoetwatervoorkomens zijn blauw gearceerd.

Geconcludeerd kan worden dat het invloedsgebied reikt tot in het zoetwatervoorkomen en de effecten onvoldoende gemitigeerd worden. 2. Peilopzet in het oostelijk deel van de kreken. Overwogen kan worden om de noordoostelijke kreek op de grens van het plangebied af te dammen en hier een hoger peil op te zetten. Uitgegaan is van een verhoogd peil van 0,35 m ten opzichte van het heersend peil in het Veerse Meer. Door middel van wind- of zonne-energie kan het peil duurzaam opgezet worden. Voor de recreatie met bijvoorbeeld kano’s kan een oversteekplaats worden gecreëerd, zodat kanoers ook hier kunnen varen. Het berekende invloedsgebied is weergegeven in figuur 4.5. Hieruit blijkt dat door het opzetten van het peil in de noordoostelijke kreek, er geen invloed is op de stijghoogte ter plaatse van de zoetwatervoorkomens.

25 (32)

0.05 0.2

0.1

0.2

0.1

0.05

Figuur 4.5

Invloedsgebied bij peilopzet in noordoostelijke kreek (donker gearceerd). zoetwatervoorkomens zijn blauw gearceerd.

Uitgaande van een oppervlak van 12.400 m², een peilopzet van 0,35 m en een weerstand van tien dagen, is het noodzakelijke debiet circa 480 m³/dag (20 m³/uur). Door de weerstand te verhogen (door bijvoorbeeld een kleilaag aan te brengen), neemt dit debiet af. Als de weerstand te hoog wordt (bijvoorbeeld door aanbrengen folie) ,is er geen grondwateraanvulling meer en neemt de werking van de peilopzet af. Onderstaand is deze variant uitgewerkt. Geadviseerd wordt om bij de inrichting van de kreken waar een peilopzet plaatsvindt, rekening te houden met een extra peilopzet van 0,05 m à 0,1 m. Mocht uit de monitoring blijken dat de peilopzet toch onvoldoende is om de effecten te mitigeren, kan een extra peilopzet worden gerealiseerd. 3. Aanbrengen folie Door het realiseren van de kreken, wordt het grondwater dat nu nog deels zoet is, vermengd met zoutwater uit het Veerse Meer. Overwogen kan worden om de noordelijke watergangen te voorzien van een folie (zie donkere kreken in figuur 4.6). Het folie kan op diepte in den natte worden aangebracht, waarna een deel van de afgegraven grond weer op de folie kan worden gebracht om opdrijven te voorkomen. Nadeel is dat de folie op een relatief grote diepte aangebracht moet worden, wat bewerkelijk is en veel ruimte vraagt. De folie moet relatief diep liggen om noodzakelijke beschoeiing en/of steigerpalen aan te kunnen brengen.

26 (32)

Door de folie is er geen contact met het grondwater onder de kreken en kan de doorspoeling van deze kreken (marginaal) afnemen. In figuur 4.6 is de berekende invloed weergegeven bij een folie onder het oostelijk deel van het uitbreidingsgebied.

Figuur 4.6

Invloedsgebied bij folie onder noordelijke kreken (donker gearceerd). zoetwatervoorkomens zijn blauw gearceerd.

Zichtbaar is dat de stijghoogte bij het oostelijk gelegen zoetwatervoorkomen beinvloed wordt. De landbouwfunctie komt hier te vervallen en daarmee naar verwachting ook de aanwezige onttrekking. In plaats van folie, kan ook gebruik worden gemaakt van klei. Echter is geen klei voorradig, waardoor deze extern aangevoerd moet worden. Dit brengt hoge kosten met zich mee en is daarom niet nader uitgewerkt. 4.5 Overige maatregelen In het noordoostelijk deel is in de huidige situatie gedraineerd op 1 m onder maaiveld. Door het afstoppen/verwijderen van de drainage voor natuurontwikkeling in dit gebied zal de grondwaterstand stijgen (door afname drainage afstand). Door het gebied verder op te hogen met zand, zal de grondwateraanvulling verder toenemen en de zoetwatervoorraad in dit gebied verhogen.

27 (32)

De invloed van de drainage bij een gemiddelde neerslag op de berekende grondwaterstanden is gering (< 0,05 m). Uit het onderzoek ‘Freshem’ blijkt echter wel dat hier een geringe zoetwatervoorkomen is (zie ook hoofdstuk 5). Door de ’extra’ grondwateraanvulling door het verwijderen/afstoppen van de drainage en ophoging kan deze zoetwaterlens ter plaatse van het natuurgebied toenemen. Dit ondersteunt het terugdringen/op zijn plaats houden van de zoetwatervoorkomens. 4.6 Conclusie Uit de berekeningen blijkt dat het opzetten van het peil in de noordoostelijke watergang het meest efficifiënt is om invloed op de stijghoogte ter plaatse van de zoetwatervoorkomens te beperken. Daarnaast zorgt het verwijderen van de drainage ter plaatse van het toekomstig natuurgebied voor een geringe toename van de dikte van de zoetwaterlens ter plaatse. Ook het ophogen van het maaiveld zorgt voor een mogelijke toename van de dikte van de zoetwaterlens in het gebied. Door in de uitvoering rekening te houden met een extra peilopzet, kunnen eventuele effecten op basis van de monitoringsgegevens volledig gemitigeerd worden.

28 (32)

5

Invloed zoet-zout

5.1 Algemeen De invloed van het oppervlaktewatersysteem op de huidige grondwaterkwaliteit is in dit hoofdstuk beschreven. De verdeling van zoet, brak en zout grondwater in provincie Zeeland is complex. In grote delen van Zeeland is het ondiepe en diepe grondwater brak tot zout. Op sommige plaatsen komt zoet grondwater voor. Omdat zoet grondwater lichter is dan zout/ brak grondwater, drijft dit zoete grondwater als een zoetwaterbel op het zout/brakke grondwater. De zoetwaterbellen in Zeeland komen vooral voor onder de duinen, de zandige kreekruggen en dekzandgebieden van Zeeuws Vlaanderen. Door opkwellend brak of zout grondwater is ook het oppervlaktewater in grote delen van de provincie brak tot zout. 5.2 Freshem De verdeling van het zoute water in de ondergrond is inzichtelijk gemaakt met het onderzoek ‘Freshem’. Freshem is een onderzoeksprogramma van Deltares, TNO en BGR (Duitse Geologische Dienst), waarvan de resultaten inzichtelijk zijn via https://kaarten.zeeland.nl/map/freshem#. In figuur 5.1 is de zout-brakgrensvlak (1.500 mg/l) ten opzichte van NAP weergegeven op basis van het Freshem-onderzoek. In de figuur is ook de zoetwatervoorkomens (gearceerd) en opgenomen. Legenda Grondwater_Zoetwatervoorkomens

Zeeland_NAP_1500_midden diepte grensvlak (m +NAP) -26 - -25 -25 - -24 -24- -23 -23- -22 -22 - -21 -21 - -20 -20 - -19 -19 - -18 -18 - -17 -17 - -16 -16 - -15 -15 - -14 -14 - -13 -13 - -12 -12 - -11 -11 - -10 -10 - -9 -9 - -8 -8 - -7 -7 - -6 -6 - -5 -5 - -4 -4 - -3 -3 - -2 -2 - -1 -1 - 0

Figuur 5.1

Resultaten Freshem (bij rode/donkere kleuren is het zoet-zout-grensvlak relatief dicht bij maaiveld, bij gele/lichte kleuren relatief diep).

29 (32)

Zichtbaar is dat de onderkant van de zoetwaterlens bij de zoetwatervoorkomens relatief diep zit. Richting kreken en het Veerse Meer komt de onderkant van de zoetwaterlens hoger, richting m 0,0 NAP. In figuur 5.2 is de onderkant van de zoetwaterlens weergegeven in een dwarsprofiel vanaf het Veerse Meer op basis van de resultaten van Freshem 1.500 mg/l (midden).

h

z

Zoet grondwater

Brak / zout grondwater

Situering dwarsprofiel (zwarte lijn)

Figuur 5.2

Dwarsdoorsnede onderkant zoetwaterlens (< 1.500 mg/l), schematisatie grondwaterstand (gestippeld) en maaiveldhoogte (in m +NAP).

De relatie van de hoogte van de zoetwaterlens (h) met de diepte (z) van de zoetwaterlens ten opzichte van het omliggende zoute water, kan worden berekend met behulp van de Ghijben-Herzberg vergelijking:

=

(

−

)

∗ℎ

De verhouding van h en z hangt af van , de dichtheid van zoetwater ( van zoutwater (

), en , de dichtheid

).

30 (32)

Zoetwater heeft een dichtheid van ongeveer 1,000 g/cm3 bij 20 °C en zeewater van ongeveer 1,025 g/cm3. De uitkomst van de vergelijking is dat de verdringing aan de onderkant veertig maal zo groot is als de opbolling aan de bovenkant. 5.3 Invloed oppervlaktewatersysteem Getracht is om met de module Seawat de invloed op de zoet-zout-/waterhuishouding te modelleren. Het programma genereert echter extreem grote outputbestanden (> 90 GB) en heeft extreem lange rekentijden (> 48 uur), waarbij het model vastloopt. Ook is er te weinig ruimtelijke informatie van de zout-zoutverdeling (in mg/l) in 3D. Om deze reden is gezocht naar een andere benadering om de invloed op de zoetwatervoorkomens te bepalen. Gekeken is naar de resultaten van het Freshem-onderzoek. Invloed in plangebied Bij het uitbreidingsgebied van het plangebied (noordelijk van bestaande park) is een zoetwaterlens aanwezig. De onderkant van de zoetwaterlens ligt hier op circa NAP -12 m (zie ook figuur 5.1 en 5.2). Het Veerse Meer is relatief zout (circa 15.600 mg/l, zie paragraaf 2.5). Door het realiseren van de kreken, komt het zoute water in de plaatst van zoetwaterlenzen. Door het dichtheidsverschil en de verticale stroming zal het grondwater hier volledig zout worden. Alleen ter plaatse van de ‘eilanden’ kunnen dunne zoetwaterlenzen ontstaan.

Buiten invloedsgebied Omdat het zoete water verdrongen wordt, zal de zoetwaterlens landinwaarts worden verschoven. Hierdoor neemt de opbolling af en zal de onderkant van de zoet-/brakgrens ook omhoog komen (zie bovenstaande formule). Hierdoor wordt de totale dikte van de zoetwaterlens minder. Het bovenste deel van de bodem blijft echter zoet als gevolg van de vorming van de zoetwaterlenzen (zie ook figuur 5.2). Omdat de beïnvloeding niet reikt tot de zoetwatervoorkomens (zie figuur 4.5) als het peil opgezet wordt, zal de dikte van de zoetwatervoorkomens niet wijzigen.

31 (32)

6

Conclusie

Het recreatiepark Waterpark Veerse Meer wordt herontwikkeld. Het park krijgt meer voorzieningen en zal gericht zijn op families. Het park krijgt ook een ruimere opzet, waardoor het uitbreidt in noordoostelijke richting. In het gebied worden diverse kreken gerealiseerd, waardoor de stijghoogten in het gebied lager worden. De invloed van deze kreken op de stijghoogten reikt tot buiten het plangebied. Dit betekent dat de stijghoogte ter plaatse van de oostelijk gelegen zoetwatervoorkomen beïnvloed wordt zonder mitigerende maatregelen. Om deze invloed te mitigeren, wordt voorgesteld de oostelijke kreek een hoger peil te geven dan het peil in het Veerse Meer (circa 0,35 m hoger (+0,05 m à 0,1 m marge)). Het noodzakelijk debiet om het waterpeil permanent verhoogd te houden ten opzichte van het Veerse Meer, is relatief groot. Door het aanbrengen van een kleilaag op de bodem kan dit debiet gereduceerd worden. Het grondwater ter plaatse van het uitbreidingsgebied zal naar zout worden door menging van water vanuit de kreken met de zoetwaterlenzen ter plaatse. Door het opzetten van het peil wordt de invloed van de ontwikkeling op de omgeving opgegeven, waardoor is het invloed op de zoetwatervoorkomens nihil is. Aan de noordoostzijde komt een natuurgebied. Doordat hier de aanwezige drainage verwijderd/afgestopt wordt, neemt de grondwaterstand in dit gebied toe.

De dikte van de zoetwaterlens zal hier naar toenemen. In combinatie met het ophogen van het maaiveld, kan dit het ertoe leiden dat de invloed op de zoetwatervoorkomens verder gemitigeerd worden. Monitoring van de stijghoogten en geleidbaarheid op verschillende diepten bij de Muidenweg (nabij en in de zuidelijke en oostelijke zoetwatervoorkomens) moet dit uitwijzen.

32 (32)

Bijlage 1

Modelopbouw

Algemeen In deze bijlage is de opbouw van het grondwatermodel beschreven. Voor de modellering van de grondwaterstroming is gebruik gemaakt van de rekencode MODFLOW. MODFLOW is een modulair, driedimensionaal, eindige-differentie programma dat is ontwikkeld door de United States Geological Survey (USGS, Mc Donald & Harbaugh, 1988). Het programma kan zowel stationaire als niet-stationaire stroming simuleren in (verzadigd) freatische, semigespannen en gespannen watervoerende lagen. Als modelschil is gebruik gemaakt van GMS, versie 10.8.3. Deze schil is ontwikkeld door Aquaveo (www.aquaveo.com). Binnen deze gebruikersschil kunnen MODFLOW-invoerfiles worden bewerkt en kunnen de resultaten overzichtelijk worden gepresenteerd. Grondwaterstromingsmodel Modelgrid Het grondwatermodel is opgebouwd uit zeven modellagen. De omvang van het model bedraagt 5,5 bij 4,0 km. Ter plaatse van het plangebied is het rekengrid verfijnd tot 5 bij 5 m. In figuur B1.1 is het modelgrid weergegeven.

Figuur B1.1

Modelgrid

Lagenopbouw Voor de laagopbouw is uitgegaan van Geotop en REGIS II.2. Deze opbouw is gecontroleerd met de uitgevoerde proefboring ter plaatse van het plangebied. De bodemopbouw is relatief complex, waarbij de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren diep in de bodem insnijdt. Deze Formatie is overwegend fijn zandig van opbouw met enkele klei en/of veenlaagjes boven in het pakket. In figuur B1.2 is een doorsnede weergegeven van west naar oost over het plangebied.

Figuur B1.2

Dwarsdoorsnede (west – oost) Geotop 1.3

De volgende modelopbouw en parameters zijn gehanteerd. Tabel B1.1

Overzicht gehanteerde parameters in modelgebied

Laag

Formatie, laagpakket

Textuur

1 2 3 4 5 6 7

Nieuwkoop / Naaldwijk, Wormer Boxtel / Naaldwijk, Walcheren Eem, Naaldwijk. Walcheren Naaldwijk, Walcheren Peize-Waalre Oosterhout, klei Oosterhout

Klei en zandige klei Matig grof / fijn zand Fijn tot matig grof / fijn zand Fijn zand Fijn tot matig grof met leemlaagjes Klei Matig grof zand

Horizontale doorlaatfactor (m/d) 0,15 15,0 / 2,0 5,0 / 2,0 2,0 3,9 tot 7,0 0,05 tot 0,07 14,4 tot 18,8

Verticale doorlaatfactor (m/d) 0,015 3,0 / 0,2 1,0 / 0,2 0,2 0,39 tot 0,7 0,005 tot 0,007 1,4 tot 1,8

In figuur B1.3 is de opbouw van het model in een dwarsdoorsnede weergegeven. Nieuwkoop Naaldwijk, Walcheren

Boxtel Eem Peize-Waalre Oostehout

Figuur B1.3

Modelopbouw dwarsprofiel oost-west

Oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem (dimensionering watergangen en polderpeilen) is opgevraagd bij Waterschap Scheldestromen. In Arcgis zijn de polderpeilen overgenomen op de watergangen en vervolgens ingelezen in het grondwatermodel. Hierbij is in eerste instantie uitgegaan van een weerstand van twee dagen. Het oppervlaktewatersysteem is in figuur B1.4 weergegeven.

Figuur B1.4

Oppervlaktewatersysteem

De waterstanden in het Veerse Meer zijn ontleend aan Rijkswaterstaat.

Onttrekkingen Er bevinden zich enkele agrarische onttrekkingen in het modelgebied. Dit betreffen echter discontinue onttrekkingen met een relatief laagdebiet. De onttrekkingen zijn daarom niet opgenomen in het model. Randvoorwaarden In het model zijn geïnterpoleerde stijghoogten in modellaag 5, 6 en 7 opgegeven op basis van www.grondwatertools.nl. Voor de neerslag is uitgegaan van een effectieve grondwateraanvulling van 0,8 mm/dag. Kalibratie In het modelgebied zijn relatief weinig grondwaterstandsmetingen beschikbaar.

Figuur B1.5

Kalibratieresultaten

In tabel B1.2 zijn de gemeten gemiddelde waarden en de berekende waarden weergegeven. Opgemerkt wordt dat in de nabijheid van het plangebied geen peilbuizen aanwezig zijn en het model bij het plangebied niet optimaal gekalibreerd kan worden.

Tabel B1.2

Kalibratieresultaten

Peilbuis

Type

Gemiddeld gemeten (m +NAP)

Berekend (m +NAP)

Verschil (m)

B48B0156

obs. pt

-0,87

-0,62

-0,25

B48B0156

obs. pt

-0,45

-0,62

0,17

B48B0157

obs. pt

-0,01

-0,05

0,05

B48B0157

obs. pt

-0,24

-0,05

-0,19

B48B0159

obs. pt

-1,03

-1,00

-0,03

B48B0159

obs. pt

-0,87

-0,66

-0,21

B48B0188

obs. pt

-0,87

-0,82

-0,05

B48B0189

obs. pt

-0,35

-0,78

0,43

B48B0224

obs. pt

-0,22

-0,11

-0,10

B48B0246

obs. pt

-1,36

-1,30

-0,06

B48E0040

obs. pt

-0,15

-0,14

-0,01

B48E0073

obs. pt

-0,45

-0,67

0,22

B48E0073

obs. pt

-0,70

-0,78

0,08

B48E0073

obs. pt

-0,78

-0,78

0,01

B48E0135

obs. pt

-0,14

-0,42

0,28

B48E0135

obs. pt

-0,22

-0,42

0,20

B48E0135

obs. pt

-0,32

-0,42

0,10

B48E0135

obs. pt

-0,32

-0,42

0,10

B48E0135

obs. pt

-0,27

-0,41

0,14

B48E0135

obs. pt

-0,08

-0,14

0,06

B48E0135

obs. pt

-0,43

-0,14

-0,29

B48E0135

obs. pt

-0,49

-0,14

-0,35

B48E0135

obs. pt

-0,33

-0,14

-0,19

B48E0213

obs. pt

-0,22

-0,34

0,12

B48E0213

obs. pt

-0,26

-0,34

0,07

B48E0213

obs. pt

-0,04

-0,17

Gemiddelde

0,13 0,015

Om de effecten te berekenen, worden verschil berekeningen gemaakt. Rekening houdend met de resultaten van de modelkalibratie en de verschilberekeningen is het model voldoende gekalibreerd om de effecten te berekenen.

Gevoeligheid Het grondwatermodel is een stationair model waardoor deze vrijwel niet gevoelig is voor een verandering van de doorlaatfactoren. Om de gevoeligheid van het model te bepalen, is de neerslag en weerstand van het oppervlaktewater gevarieerd. In figuur B1.6 is per peilbuis de verandering weergegeven van de afwijking ten opzichte van de gemeten waarden. Zichtbaar is dat enkele peilbuizen vrijwel niet gevoelig zijn voor neerslag en bodemweerstand.

Figuur B1.6

Afwijking tussen gemeten en berekende waarden per peilbuis

De peilbuizen die vrijwel ongevoelig zijn, zijn gelegen bij (grote) oppervlaktewateren waarbij het oppervlaktewaterpeil bepalend zijn. In figuur B1.7 zijn de gemiddelde afwijkingen weergegeven. Hier is ook invloed van de deklaag meegenomen. Hieruit blijkt dat de invloed van de doorlaatfactor van de deklaag nagenoeg geen invloed heeft.

Figuur B1.7

Gemiddelde invloed parameter op kalibratieresultaat

In het algemeen blijkt dat zowel neerslag als bodemweerstand in sloten bepalende factoren zijn. Vooral een hogere neerslag of bodemweerstand heeft invloed op het kalibratieresultaat.

Bijlage 2

Resultaten

Figuur B2.1

Berekende stijghoogte (m +NAP) huidige situatie

Figuur B2.2

Berekende stijghoogte (m +NAP) toekomstige situatie

Figuur B2.3

Invloed aanleg oppervlaktewatersysteem met bodemweerstand 10 dagen (zoetwatervoorkomens zijn gearceerd)

Figuur B2.4

Invloed aanleg oppervlaktewatersysteem met verticaal scherm (zoetwatervoorkomens zijn gearceerd)

Figuur B2.5

Invloed aanleg oppervlaktewatersysteem met verhoogd peil (zoetwatervoorkomens zijn gearceerd)

Figuur B2.6

Invloed aanleg oppervlaktewatersysteem met folie (zoetwatervoorkomens zijn gearceerd)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10243292/2