Bijlage 2 Vlissingen inspectierapport 2021-2022 met handtekening met omslag
Tekst van het document
9) Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden Vergroten grip en sturing bij de samenwerkingsverbanden sociaal domein en werk & inkomen is van belang. Op basis van opdracht 3.4 dienen hiervoor concrete instrumenten in kaart te worden gebracht. Te denken valt hierbij aan: • De Raden kunnen op nagenoeg hetzelfde moment een besluit nemen en alle informatie met elkaar delen. Daartoe worden vergadercycli op elkaar afgestemd en daarnaast wordt alle informatie (inclusief zienswijzen) voor alle raden ontsloten in bestaande raadsinformatiesystemen. Raden kunnen op deze manier hun krachten bundelen en er kan richting het samenwerkingsverband meer bereikt worden • Een systeem van ‘adoptiegriffiers’. Koppels van een aantal griffiers hebben elk een samenwerkingsverband onder hun hoede. Zij hebben direct contact met het bestuur ervan en bespreken wat er de komende periode aan zit te komen en op welke momenten inbreng van de raden wordt verwacht. Raden kunnen dan goed en eerder in positie worden gebracht. • Twee keer per jaar worden voor de raadsleden regio-brede bijeenkomsten gehouden waarin de samenwerkingsverbanden centraal staan. Samenwerkingsverbanden kunnen zich presenteren en aangeven waar hun behoefte ligt. Hiermee vergroot je de kennis van de raadsleden over de samenwerkingsverbanden en daarnaast zijn er ook onderlinge contacten tussen raadsleden van verschillende gemeenten.
• Uiteindelijk kan ernaartoe worden gegroeid dat besluitvorming ten aanzien van samenwerkingsverbanden in regionaal verband, met raadsleden en portefeuillehouders uit alle betrokken gemeenten, plaatsvindt. • Ook zou ernaartoe kunnen worden gegroeid dat raadsleden uit verschillende gemeenten vooraf de koppen bij elkaar steken om samen een amendement in te dienen of zelfs ten aanzien van de samenwerkingsverbanden een verenigde vergadering van alle raden via een regioraad in het leven te roepen. Van belang hierbij is dat per 1 juli 2022 de Wet op de gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is gewijzigd. Doel hiervan is het vergroten van de democratische legitimiteit van gemeenschappelijke regelingen, in het bijzonder het versterken van de controlerende en
56
kaderstellende rol van de volksvertegenwoordiging. De wijzigingen van de Wgr zijn onder te verdelen in drie categorieën: 1. De versterking van de positie van gemeenteraden bij besluitvorming in gemeenschappelijke regelingen. 2. De introductie van aanvullende controle-instrumenten voor gemeenteraden. 3. Het verbeteren van de positie van gemeenteraden met betrekking tot het functioneren van de regeling. In het kader van deze wetswijziging heeft het ministerie van BZK onderzoeken uitgevoerd naar de knelpunten die gemeenten ervaren bij het toepassen van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en de Gemeentewet. Een belangrijk knelpunt dat uit beide onderzoeken naar voren komt, is dat raadsleden het gevoel hebben onvoldoende invloed te kunnen uitoefenen op samenwerkingsverbanden. De crux voor meer invloed op en sterkere betrokkenheid bij de samenwerking, ligt in de verbinding tussen gemeenteraden onderling. Daarom heeft BZK een menukaart samengesteld, die dient ter inspiratie en ondersteuning bij deze onderlinge afstemming. In deze menukaart staan instrumenten die ook in het kader van artikel 12 door Vlissingen en de regio Zeeland gebruikt kunnen worden om grip en sturing te vergroten.
Vlissingen dient deze instrumenten in kaart te brengen en te onderzoeken of deze ook bij de samenwerkingsverbanden waar Vlissingen aan deelneemt behulpzaam zijn bij het vergroten van de grip en sturing. Voor een verdere toelichting en voor de stand van zaken zie opdracht 3.4 in bijlage 4.1.
4.5
Totaal taakstellingen van de maatregelen en realisatie daarvan In onderstaande tabel wordt voor de maatregelen zoals beschreven in de vorige paragraaf waarvoor een taakstelling is ingeboekt deze taakstelling voor de periode 2021-2026 vermeld. Ook staat in de tabel welke bedragen reeds gerealiseerd zijn (2021 op basis van Jaarrekening 2021, vanaf 2022 stand Tweede bestuursrapportage 2022). Onder de tabel staat een korte toelichting bij de gerealiseerde bedragen. In hoofdstuk 5 bij de bepaling van het relevant tekort (paragraaf 5.4) wordt inzicht geven wat deze taakstellingen betekenen voor het begrotingssaldo over die periode.
57
Tabel 4.5
Taakstellingen maatregelen sociaal domein en werk & inkomen 2021-2026 (bedragen x € 1.000) Nummer Maatregel Begrotingspost 2021 2022 1 Herijking uitvoering participatiewet en invulling adviezen Orionis 785 1.215 2 Maatregelen jeugdzorg 1.500 1.750 3 Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie 1.800 4 Inrichten lokale toegang 900 5 Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021 4.500 1.000 Totaal taakstelling
1 2 3 5 2 5 3 1 2 3 3 5 1 2 3 3 5
Gerealiseerde bezuinigingen 1) Orions ( 1e Begrotingswijziging 2021 en Begroting 2022 Orionis) 2) Inkoop jeugd 3) ROAT 4) Mantelzorgwaardering 5) Aframen kosten PGB-jeugd 6) Geen indexering subsidies 7) Gunning Wmo aanvullende zorg 8) Orions (2e Begrotingswijziging 2021 Orionis) 9) Extra middelen jeugdzorg 10) Uitvoeringslasten buurtteams 11) Aframen kosten PGB-Wmo 12) Vrijval diverse budgetten 13) Jaarrekening 2021 Orionis 14) Afrekening Inkoop jeugd (Jaarrekening 2021 GGD) 15) Lagere lasten Wmo voorzieningen 2022 16) Incidentele voordelen 2022 17) Incidentele inzet niet benutte budgetten 2022
Begroting 2021: post 3.5, 5e Begrotingswijziging 2021, Eerste Berap 2022: post 3.15 Eerste Berap 2021: posten 3.1.2 en 3.2.15, Eerste Berap 2022: post 3.15 Begroting 2022: post 3.3.16, Eerste Berap 2022: post 3.15 Begroting 2022: post 3.5.6, Tweede Berap 2021: post 3.3.5, Eerste Berap 2022: post 3.15 Begroting 2022: post 3.3.29, Tweede Berap 2021: post 3.1.2, Eerste Berap 2022: post 3.15 1e begrotingswijziging 2022, Eerste Berap 2022: post 3.15 Eerste Berap 2022: post 3.2 17e Begrotingswijziging 2021 Tweede Berap 2021: post 3.1.10: Meicirculaire 2021 extra middelen jeugdzorg Eerste Berap 2022: post 3.15 Jaarrekening 2021, Eerste Berap 2022: post 3.15 Jaarrekening 2021 11e begrotingswijziging 2022 Tweede Berap 2022: post 3.10 Tweede Berap 2022: posten 3.8 en 3.9 Tweede Berap 2022
Totaal gerealiseerd Totaal resterende taakstelling
2023 3.120 2.000 3.100 900
2024 4.411 2.000 3.100 900
2025 4.411 2.000 3.100 900
2026 4.411 2.000 3.100 900
6.785
6.665
9.120
10.411
10.411
10.411
2.051 200
1.215 200 169 115 100 46 1.300
1.720 200 169 118 100 46 2.600
2.111 200 169 121 100 46 2.600
2.111 200 169 121 100 21 2.600
2.111 200 169 121 100 21 2.600
150
150
200 150
200 150
200 150
112 97
592 208 150 3.513
159 342 320 145 2.405 6.922
6.664
5.103
5.697
5.672
5.672
0
0
4.017
4.714
4.739
4.739
2021: o.b.v. Jaarrekening 2021 2022 e.v. : stand Tweede bestuursrapportage 2022
Toelichting gerealiseerde bedragen: 1) Orions (1e Begrotingswijziging 2021 en Begroting 2022 Orionis) Het (meerjarig) voordelige saldo voortkomend uit de eerste begrotingswijziging 2021 Orionis Walcheren en begroting 2022 Orionis Walcheren voor de gemeente Vlissingen, zijnde voor 2021 = € 785.170, 2022 = € 1.214.662, 2023 = € 1.720.327 en vanaf 2024 = € 2.110.979, is ten gunste van de gemeentelijke taakstelling op het cluster Inkomen en participatie in het kader van artikel 12 geboekt. Deze voordelige saldi hebben betrekking op de geraamde rendementsverbetering van de totale bedrijfsvoering van GR Orionis Walcheren, inclusief het Werkleerbedrijf (SW-bedrijf). Daarnaast is ook het voordelige saldo van de jaarrekening 2020 Orionis Walcheren van € 1.266.000 incidenteel ten gunste van de gemeentelijke taakstelling 2021 gebracht. Dit voordelige jaarrekeningresultaat heeft met name te maken met niet gemaakte kosten als gevolg van de Coronapandemie door minder reintegratietrajecten, minder kostenvergoedingen aan klanten, minder opleidingskosten personeel, uitgestelde investeringen en minder kosten bedrijfsrestaurant. Daarnaast waren er minder uitkeringslasten doordat de ontwikkeling van het klantenbestand gunstiger verliep dan begroot. 2) Inkoop jeugd Deze besparing heeft te maken met de inrichting van het regieteam binnen de gemeentelijke toegang met ingang van 1 januari 2021.
Dit is de eerste stap binnen de ontwikkeling van de integrale toegang. Het doel is te komen tot een toegankelijke, betaalbare, toekomstbestendige en zo optimaal mogelijk functionerende uitvoering en organisatie van de toegang in de gemeente Vlissingen. Het regieteam is vooralsnog ingepast in het huidige team Wmo en jeugd. Het inrichten van het regieteam wordt bekostigd vanuit de daardoor
58
vrijkomende middelen voor de inkoop. Daarnaast wordt hiermee een bezuiniging gerealiseerd van € 200.000 m.b.t. de inkoop jeugd. 3) ROAT De beëindiging van de coördinatie van de wijknetwerken door de Stichting ROAT (Reach Out And Touch) per 1 januari 2022 levert een structurele bezuiniging op het product Wmo maatwerk dienstverlening 18+ van € 169.435 per jaar. 4) Mantelzorgwaardering De ondersteuning van mantelzorgers wordt vanuit de Buurtteams verzorgd. De Mantelzorgwaardering is in 2021 voor het eerst in een andere vorm en voor een lager bedrag uitgegeven via tegoedbonnen ter waarde van € 35 te besteden bij lokale ondernemers. Door de verbreding van de toegang (inclusief toegang BW) is er vanuit mantelzorgondersteuning ook meer aandacht voor mantelzorgers en naasten van inwoners met een psychische kwetsbaarheid. Structureel levert dit een bezuiniging op van € 121.000. 5) Aframen kosten PGB-jeugd In de afgelopen jaren zijn de uitgaven voor PGB-jeugd aanzienlijk gedaald. Het budget is daarom in 2021 € 97.000 en vanaf 2022 structureel met € 100.000 afgeraamd. 6) Geen indexering subsidies Besloten is om geen indexatie toe te passen op de subsidies in het sociaal domein en deze subsidies tevens met 10% te korten. Voor het jaar 2021 is dat niet meer mogelijk.
Besloten is om een eenmalige korting van 10% toe te passen op de subsidies in het sociaal domein in de jaren 2022, 2023 en 2024. Daarover is een vooraankondiging verzonden aan de subsidierelaties in het sociaal domein, behalve aan die organisaties gerelateerd aan de reorganisatie van het voorliggend veld: de buurtteams. Ook is besloten om in de jaren 2022, 2023 en 2024 af te wijken van de VZG-norm voor indexatie van subsidies, voor zover deze indexatie hoger is dan 0%. Totale bezuiniging is € 46.000 aflopend naar € 21.000 per jaar. 7) Gunning Wmo aanvullende zorg In de periode juli tot en met december 2021 heeft de gemeente Vlissingen een aanbestedingsprocedure doorlopen voor de aanvullende zorg binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Besloten is de opdracht ‘Wmo aanvullende zorg’ te gunnen aan twee hoofdaannemers en de raamovereenkomst en de daaruit voortkomende ontwikkelovereenkomst ‘Wmo aanvullende zorg’ vast te stellen. Met ingang van de nieuwe raam- en ontwikkelovereenkomst vindt lumpsumfinanciering (budgetplafond) plaats aan de hoofdaannemers. Dit komt in de plaats van PxQ-financiering. Aan het lumpsumbudget is een budgetplafond verbonden dat in principe niet overschreden mag worden. Hierdoor wordt per 01-07-2022 een uiteindelijk structurele bezuiniging gerealiseerd van € 2,6 miljoen per jaar.
De voorzieningen kortdurend verblijf en persoonlijke verzorging maken geen deel uit van de opdracht. 8) Orions (2e Begrotingswijziging 2021 Orionis) De 2e Begrotingswijziging 2021 resulteert voor GR Orionis Walcheren in een voordelig saldo. Dit komt met name door incidenteel in 2021 niet besteden van bestaande budgetten en door extra geld uit het gemeentefonds (TONK, Coronacompensatie en participatie). Conform uitgangspunt 4, zoals beschreven in paragraaf 4.2, zijn de baten als gevolg van extra geld van het Rijk (gemeentefonds) geen (gedeeltelijke) structurele realisatie van de taakstelling. De taakstelling is gebaseerd op concrete maatregelen die de lasten moeten verminderen. Deze extra baten komen rechtstreeks ten gunste van het tekort sociaal domein en werk & inkomen (zie ook posten A2 en A8 tabel 5.1, paragraaf 5.2). Het niet besteden van bestaande budgetten in 2021 is wel een incidentele realisatie van de taakstelling 2021. Dit
59
betreft een bedrag van € 591.678 en bestaat met name uit minimabeleid, BUIG, participatiebudget, onderzoekskosten en overige goederen en diensten). 9) Extra middelen jeugdzorg Via de meicirculaire 2021 gemeentefonds heeft Vlissingen extra middelen gekregen m.b.t. de jeugdzorg. De baten zijn rechtstreeks ten gunste gebracht van het tekort sociaal domein en werk & inkomen. De door Vlissingen op grond hiervan geboekte extra lasten zijn gecorrigeerd en dienen via O&O onderbouwd te worden. Zie voor de systematiek ook posten A2 en A8 in paragraaf 5.2. Zoals eerder aangegeven zijn conform het uitgangspunt 4, zoals beschreven in paragraaf 4.2, de baten als gevolg van extra geld van het Rijk (gemeentefonds) geen (gedeeltelijke) structurele realisatie van de taakstelling. De taakstelling is gebaseerd op concrete maatregelen die de lasten moeten verminderen. Indien Vlissingen extra Rijksmiddelen toch incidenteel wil inzetten voor de realisatie van de taakstelling in een bepaald jaar dan dient hier expliciet via O&O toestemming voor te worden gevraagd aan de inspecteur. Ten aanzien van de resterende extra middelen jeugdzorg over 2021 van € 208.400 is de inspecteur akkoord gegaan om deze over 2021 eenmalig in te zetten voor de realisatie van de taakstelling. Zie ook post C26, paragraaf 5.4.
10) Uitvoeringslasten buurtteams Dit betreft een besparing vanaf 2024 van € 200.000 als gevolg van de inzet van de buurtteams nieuwe stijl, waarvoor het college in juni 2022 definitief akkoord heeft gegeven. Dit wordt in 2024 zichtbaar in de vorm van een krimpende vraag naar maatwerkvoorzieningen. 11) Aframen kosten PGB-Wmo In de afgelopen jaren zijn de uitgaven voor PGB-Wmo aanzienlijk gedaald. Het budget is daarom vanaf 2021 structureel met € 150.000 afgeraamd. 12) Vrijval diverse budgetten Het realiseren van een taakstelling betreft een daling van de lasten. Extra baten uit het gemeentefonds betreffen geen structurele realisatie van de taakstellingen en worden conform de uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 4.4 gelijk ten gunste gebracht van het tekort sociaal domein en werk & inkomen. Indien Vlissingen extra Rijksmiddelen toch incidenteel wil inzetten voor de realisatie van de taakstelling in een bepaald jaar dan dient hier expliciet via O&O toestemming voor te worden gevraagd aan de inspecteur. Voor 2021 wordt eenmalig toegestaan de volgende extra Rijksmiddelen incidenteel in te zetten voor de realisatie van de taakstelling dat jaar via de vrijval van de betreffende budgetten: • Decembercirculaire 2020, specifiek Vlissingen (€ 96.625, begrotingswijziging 2021).
• Decembercirculaire 2020, coronacompensatie sociaal domein en werk & inkomen (€ 679.000, Begrotingswijziging 2021). • Meicirculaire 2021, hogere kosten centrumgemeentetaken (€ 841.200, Tweede bestuursrapportage 2021 post 3.1.10) • Septembercirculaire 2021, specifiek Vlissingen (€ 764.560, Tweede bestuursrapportage 2021 post 3.1.12). • Decembercirculaire 2021, hogere kosten centrumgemeentetaken (€ 1.131.145, jaarrekening 2021). In totaal een bedrag van € 3.512.530. 13) Jaarrekening 2021 Orionis Het financiële resultaat van Orionis over 2021 is € 295.000 positief (voordelig ten opzichte van de laatst gewijzigde begroting). Belangrijkste component hierin is het voordeel op de uitkeringslasten: ruim € 450.000 meer voordeel dan begroot. Dit komt vooral door de meevallende klantontwikkeling aan het einde 2021. Het jaarrekeningresultaat 2021 wordt conform de verdeelsleutel volledig uitgekeerd aan de deelnemende gemeenten. Het
60
aandeel gemeente Vlissingen hierin bedraagt € 158.500. Dit bedrag komt ten gunste van 2022. 14) Afrekening Inkoop jeugd (Jaarrekening 2021 GGD) Op basis van de jaarrekening 2021 van de GGD Zeeland is de afrekening inkoop jeugd voor elke Zeeuwse gemeente opgesteld. De afrekening voor Vlissingen is per saldo € 341.588 positief. Dit heeft met name te maken met lagere uitvoeringskosten IJZ & TaskForce Jeugd en lagere zorgkosten jeugd. Dit bedrag komt ten gunste van 2022. 15) Lagere lasten Wmo voorzieningen 2022 In 2022 is er minder gebruik gemaakt van vervoersvoorzieningen, vervoershulpmiddelen en rolstoelvoorzieningen in het kader van de Wmo. In totaal voor een bedrag van € 320.000. Voor 2022 kan dit eenmalig worden opgevoerd als realisatie van de taakstelling. 16) Incidentele voordelen 2022 In 2022 zijn er incidentele voordelen behaald op het vlak van jeugd- en jongerenvoorzieningen en zorgvernieuwing Wmo. In totaal voor een bedrag van € 145.000. Voor 2022 kan dit eenmalig worden opgevoerd als realisatie van de taakstelling. 17) Incidentele inzet niet benutte budgetten 2022 Ten behoeve van de volledige realisatie van de taakstelling 2022 worden eenmalig niet benutte budgetten 2022 met betrekking tot het sociaal domein ingezet ter hoogte van € 2,4 miljoen.
4.6
Landelijke ontwikkelingen en exogene factoren
4.6.1
Financiële impact landelijke ontwikkelingen sociaal domein en werk & inkomen Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf zijn er ook een aantal landelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het tekort sociaal domein en werk & inkomen van Vlissingen. De uitkomsten hiervan worden dan ook meegenomen in dit artikel 12onderzoek. a) Onderzoek jeugdzorg Door onderzoeksbureau AEF is in opdracht van het Rijk een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. Hierin komt naar voren dat gemeenten in 2019 € 1,6 tot € 1,8 miljard meer hebben uitgegeven dan dat zij hiervoor ontvangen uit het gemeentefonds. Oorzaken voor deze toename zijn dat kinderen steeds langer jeugdhulp ontvangen, waardoor het aantal kinderen dat jeugdhulp ontvangt in totaal toeneemt, en dat de gemiddelde prijs per cliënt omhoog is gegaan. In het onderzoek is ook gekeken naar een aantal maatregelen die gemeenten kunnen nemen om de Jeugdwet doelmatiger en doeltreffender uit te voeren. Vijf van de onderzochte maatregelen leiden daadwerkelijk tot een mogelijke besparing: 1. Invoering van een POH-jeugd bij huisartsen. 2. Tijdige doorstroming naar de Wlz als kinderen daarvoor in aanmerking komen (59 tot 85 miljoen euro). 3.
Het verplaatsen van jeugdhulp in groepsverband naar kinderopvang en bso (49 tot 78 miljoen euro). 4. Hulpverlening in lokale teams, waarbij hoogopgeleide medewerkers in de toegang een randvoorwaarde zijn (- 4 tot 8 miljoen euro). 5. Een duidelijker afbakening tussen jeugdhulp en onderwijs.
61
Deze vijf maatregelen maken onderdeel uit van de Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028 en moeten ook voor Vlissingen en de regio Zeeland (veel taken op het vlak van jeugdzorg zijn regionaal belegd) resulteren in mogelijke bezuinigingsopties. Dat betekent echter niet dat op voorhand gezegd kan worden dat dit de enige mogelijke maatregelen zijn voor Vlissingen. Via (extern) onderzoek dient Vlissingen in kaart te brengen welke maatregelen Vlissingen kan nemen om de tekorten jeugd te kunnen terugdringen. Zie ook maatregel 2 in paragraaf 4.4. In het onderzoek wordt aan het Rijk geadviseerd om op onderdelen de uitgangspunten van de Jeugdwet te heroverwegen (zoals het invoeren van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage) en samen met gemeenten een fundamentele discussie te voeren over het gewenste voorzieningenniveau. Besluitvorming over de maatregelen en het daarbij benodigde structurele bedrag dient nog genomen te worden. Wel is besloten tot een extra incidentele bijdrage van € 613 miljoen in 2021, € 1,314 miljard in 2022 en € 1,445 miljard in 2023. Naar aanleiding van de afspraken over deze incidentele middelen jeugdzorg en de afspraken rond de Hervormingsagenda zijn Rijk, VNG en IPO tot afspraken gekomen over de meerjarenraming voor de jeugdzorg in de gemeentelijke begrotingen.
Partijen hebben afgesproken dat alle gemeenten in de jaarschijven 2024 tot en met 2026 een stelpost mogen opnemen in de begroting. In totaal ter hoogte van de middelen die zijn gereserveerd op de aanvullende post van het Rijk. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 4.1 in bijlage 4.2. b) Onderzoek verdeelmodellen gemeentefonds De fondsbeheerders van het gemeentefonds hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar een nieuwe verdeling (herijking) van het gemeentefonds. Het doel van deze herijking is om de verdeling weer aan te laten sluiten bij de kosten van gemeenten. De nieuwe verdeling beoogt daarnaast recht te doen aan de geconstateerde knelpunten die de afgelopen jaren in verschillende adviezen zijn benoemd, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling sociaal domein en de mate waarin de eigen inkomsten van gemeenten een rol spelen in de verdeling. Daarnaast was een belangrijke aanleiding de wens tot een substantiële vereenvoudiging van de verdeling te komen. Op 6 april 2022 zijn de Tweede Kamer en gemeenten door de fondsbeheerders geïnformeerd over de invoering van de nieuwe verdeling per 1 januari 2023. Deze nieuwe verdeling is verwerkt in de meicirculaire 2022 van het gemeentefonds. Voor Vlissingen betekent de nieuwe verdeling een toename van de uitkering uit het gemeentefonds van € 2,7 miljoen per jaar, dat is € 61 per inwoner.
Dit bedrag ontvangt Vlissingen echter niet al geheel in 2023. Gegeven de ontvangen adviezen van de ROB en de VNG en de reacties van gemeenten hebben de fondsbeheerders besloten tot een ingroeipad (het pad waarmee gemeenten naar de nieuwe verdeling ingroeien) van 3 jaar. Het maximale effect is -/+ € 7,50 per inwoner in 2023 en -/+ € 15 per inwoner in 2024 en 2025. Daarmee komt het maximale effect op -/+ € 37,50 per inwoner in 2025. Voor een aantal gemeenten geldt daarnaast een aangepast ingroeipad. Omdat Vlissingen echter voordeelgemeente is in deze herijking geldt dat niet voor Vlissingen. Om te bewerkstelligen dat het herverdeeleffect als gevolg van het nieuwe verdeelmodel conform bovengenoemd ingroeipad wordt gerealiseerd, wordt de algemene uitkering in de jaren 2023 tot en met 2025 verhoogd of verlaagd met een zogenaamde suppletieuitkering. Dit is het verschil tussen het volledige effect van de nieuwe verdeling en het effect volgens het ingroeipad. Voor Vlissingen worden de effecten van deze herijking weergegeven in onderstaande tabel.
62
De inspecteur is van mening dat het extra geld dat Vlissingen uit het gemeentefonds ontvangt conform het ingroeipad gebruikt moet worden voor de sanering van het tekort op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (zie ook hoofdstuk 5). Tabel 4.6
Effecten herijking gemeentefonds 2023-2025 op basis van meicirculaire 2022
Effect nieuwe verdeelmodel gemeentefonds (meicirculaire 2022) Aantal inwoners Effect nieuwe verdeelmodel gemeentefonds per inwoner
1 2 3=1/2
2023 2.721.204 44.358 61,3
2024 2.721.204 44.358 61,3
2025 2.721.204 44.358 61,3
2026 2.721.204 44.358 61,3
Effect volgens ingroeipad per inwoner Effect volgens ingroeipad
4 5=4x2
7,5 332.685
22,5 998.055
37,5 1.663.425
37,5 1.663.425
Suppletie-uitkering
6=5-1
-2.388.519 -1.723.149 -1.057.779 -1.057.779
De bedragen voor 2026 en verder voor de suppletie-uitkering zijn afhankelijk van de besluitvorming naar aanleiding van de evaluatie van het nieuwe verdeelmodel. In afwachting hiervan is ervoor gekozen om in de meicirculaire 2022 voor 2026 en verder uit te gaan van de stand 2025 en dus de suppletie-uitkering door te trekken. De fondsbeheerders benadrukken dat het nieuwe verdeelmodel geen eindstation en continu onderhoud zal vragen. De invoering van het nieuwe model zal tijdig geëvalueerd worden en aan de hand van deze evaluatie zal besloten worden over het traject 2026 en verder. Zie ook opdracht 4.2 in bijlage 4.2.
4.6.2
Financiële impact exogene factoren Mogelijk zijn er exogene factoren die ervoor kunnen zorgen dat Vlissingen minder of zelfs geen grip heeft op de lasten van onderdelen van het sociaal domein en werk & inkomen. Met andere woorden de mate van invloed van Vlissingen om zelf het tekort op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen geheel te saneren kan daardoor worden verminderd. Deze factoren worden onderstaand behandeld. Overigens is het niet zo dat Vlissingen bij elke factor helemaal geen invloed heeft en daarnaast zijn er wellicht exogene factoren die Vlissingen juist voordelen opleveren. a) Samenwerkingsverbanden Vlissingen maakt op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen deel uit van een aantal samenwerkingsverbanden. Bij deze samenwerkingsverbanden is er sprake van verplichtingen die voortvloeien uit (juridisch vastgelegde) afspraken en die een claim leggen op (een deel van) de middelen. Dit kan betekenen dat Vlissingen minder mogelijkheden heeft om heeft om zelf te sturen op uitgaven, omvang en inhoud van productaanbod, benodigde kwaliteit van aanbod en prioritering en dus op korte termijn minder flexibiliteit om zelf bezuinigingen door te voeren.
Weliswaar kan de gemeente haar zienswijze kenbaar maken aan een gemeenschappelijke regeling, echter in de meeste gevallen zal de gemeente in eerste instantie akkoord moeten gaan met extra bijdragen aan de gemeenschappelijke regeling. Echt invloed uitoefenen is pas mogelijk als alle deelnemende gemeenten overeenstemming bereiken over de te volgen koers. Dit is vaak een langduriger proces. Dit betekent echter niet dat er hierdoor geen veranderingen te realiseren zijn. Met betrekking tot de samenwerkingsverbanden heeft de gemeente Vlissingen immers altijd (beleids)invloed op de uitvoering van de taken omdat ze er uiteindelijk zelf over gaat op grond van de wetgeving. Op termijn is dan ook altijd herstel mogelijk en dus is e.e.a. door de gemeente beïnvloedbaar. Ook hierbij dient dan ook te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan en of de afspraken die zijn gemaakt binnen de bestaande samenwerkingsverbanden aangepast kunnen worden. Vlissingen is
63
hiervoor in eerste instantie zelf aan zet en vergroten grip van de lasten bij de samenwerkingsverbanden is van belang. In het Plan van aanpak wordt dan ook ingegaan op deze samenwerkingsverbanden: • Opdracht 3.4: Onderzoek naar de samenwerkingsverbanden in Zeeland op vlak van sociaal domein en werk & inkomen. Doel is om een einde te maken aan de bestuurlijke drukte, te bezien welke taken op welke schaalgrootte kunnen worden uitgevoerd en in welke vorm en bezien welke maatregelen nodig zijn om de grip op de lasten en de regionale samenwerkingsverbanden te vergroten. Zie ook maatregel 9 in paragraaf 4.4. • Opdracht 4.1: Onderzoek in hoeverre Vlissingen in bestuurlijke, financiële en operationele zin gedwongen wordt om te participeren in gemeenschappelijke regelingen en hoe de grip op regionale samenwerkingsverbanden vergroot kan worden. Naar het oordeel van de inspecteur is het hierbij ook van belang dat een beroep wordt gedaan op de solidariteit van deelnemende gemeenten, waarbij ook duidelijk wordt gemaakt dat het in ieders belang is dat er nu maatregelen worden genomen. Want op termijn kan het zo zijn dat ook de andere deelnemende gemeenten binnen een samenwerkingsverband de consequenties kunnen ondervinden van de noodzakelijke maatregelen voor Vlissingen.
Geadviseerd wordt: • De provincie Zeeland te verzoeken een coördinerende rol op zich te nemen om de betrokken gemeenten mee te nemen en zover te krijgen om samen de maatregelen te nemen die nodig zijn. • Een rol voor fondsbeheerders (BZK) om de provincie en deelnemende gemeenten gezamenlijk te laten bewegen en er een gevoel van urgentie gaat ontstaan. Waarbij er een gezamenlijk besluit wordt genomen in de gemeenschappelijke regeling, hetzij via tussenkomst van de provincie, hetzij door gemeenschappelijke regeling zelf. Het is hierbij wel noodzakelijk dat Vlissingen vooraf in kaart brengt welke noodzakelijke maatregelen er door een meerderheidsbesluit in het samenwerkingsverband worden tegenhouden en wat de financiële consequenties daarvan zijn. Vanzelfsprekend dient hierbij ook rekening gehouden te worden dat de provincie ook de belangen van de andere Zeeuwse gemeenten moet meewegen. De (financiële) resultaten van samenwerking kunnen immers voor iedere gemeente verschillend zijn, deels door eigen beleid, deels door meer exogene omstandigheden. b) Wet- en regelgeving en jurisprudentie Van belang is ook te bezien in hoeverre bepaalde wet- en regelgeving en jurisprudentie effect hebben op de mate van invloed (grip) van Vlissingen op de beheersing van de lasten en de sturingsmogelijkheden van de gemeente zelf.
Van belang is dus dat dit artikel 12onderzoek inzicht geeft in wat aan de ene kant specifiek lokale vraagstukken zijn die Vlissingen al dan niet binnen de samenwerkingsverbanden moet oplossen en aan de andere kant wat landelijke problematiek is dat alleen landelijk kan worden opgelost. Opdracht 4.1 van het Pan van aanpak gaat hierop in. Te denken valt hierbij aan het abonnementstarief huishoudelijke hulp, toegang via huisarts, aanzuigende werking uit andere regio’s en openeinderegelingen. Aangetekend daarbij dient te worden dat de landelijke wet- en regelgeving geldt voor alle gemeenten in Nederland. De kans is klein dat de wetgever op basis van alleen eventuele tekorten van Vlissingen als gevolg van deze wet- en regelgeving e.e.a. zal willen aanpassen. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat Vlissingen zelf de benodigde maatregelen moet nemen om de tekorten te saneren. c) Structuurkenmerken Het rijksgeld voor sociaal domein en werk & inkomen wordt verdeeld via verdeelmodellen. Deze verdeelmodellen verdelen het geld over de gemeenten op basis van maatstaven. Deze maatstaven (zoals aantal jongeren, aantal ouderen, aantal minderheden en aantal bijstandsontvangers) zeggen iets over de (sociale) structuur van een gemeente. In kaart
64
moet worden gebracht of er specifieke structuurkenmerken zijn die niet of onvoldoende tot uiting komen via de maatstaven in de verdeelmodellen. Overigens is het wel zo dat de verdeelmodellen objectief zijn. Dat betekent dat niet met alle specifieke structuurkenmerken van gemeenten rekening kan worden gehouden en dat van gemeenten verwacht wordt dat ze zelf de benodigde maatregelen nemen om eventuele extra lasten als gevolg van structuurkenmerken waar de verdeelmodellen niet of onvoldoende rekening mee houden op te vangen. Dat geldt ook voor een artikel 12gemeente. De inspecteur is dan ook van mening dat er geen ruimte zal zijn bij de fondsbeheerders van het gemeentefonds om met individuele gemeenten te discussiëren over specifieke structuurkenmerken. Zeker gezien het feit dat het gemeentefonds net is herijkt en Vlissingen hierbij een voordeelgemeente is. Daar staat echter mogelijk tegenover dat de effecten van deze factoren in Vlissingen meer naar voren komen omdat de gemeente al ingrijpende maatregelen (bezuinigen en verhogen van de lokale lasten) heeft moeten treffen om de tekorten grondexploitatie te saneren en daardoor minder mogelijkheden heeft zelf de financiële effecten van deze factoren op te vangen.
Onderzoek Aangezien er hier eventueel sprake kan zijn van de uitzonderlijke situatie dat het tekort sociaal domein en werk & inkomen niet geheel via het huidige artikel 12-onderzoek opgelost kan worden, dient dit fundamenteel onderbouwd te worden. Op basis van bovenstaande factoren dient dan ook onderzoek te worden uitgevoerd door Vlissingen. Dit onderzoek dient in te gaan op tenminste de volgende elementen: 1. In kaart brengen van alle samenwerkingsverbanden op vlak van sociaal domein en werk & inkomen, op welke onderdelen van het sociaal domein en werk & in komen, hoeveel geld daarin omgaat en per samenwerkingsverband welke bijdrage aan het tekort een samenwerkingsverband veroorzaakt. 2. In kaart brengen welke wetgeving en jurisprudentie op vlak van sociaal domein en werk & inkomen zorgt voor minder grip door de gemeente, op welke onderdelen van het sociaal domein en werk & in komen dit speelt en hoeveel tekort dit veroorzaakt. 3. In kaart brengen welke structuurkenmerken op vlak van sociaal domein en werk & inkomen niet of onvoldoende tot uiting komen in de verdeelmodellen, hoeveel zorgkosten deze structuurkenmerken veroorzaken, voor hoeveel deze worden gehonoreerd in de verdeelmodellen en hoeveel van het tekort deze structuurkenmerken veroorzaken. 4.
In kaart brengen eventuele overige exogene factoren, op welke onderdelen van het sociaal domein die spelen en wat hun financiële impact is (bijdrage aan het tekort) Hierbij dient tenminste te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Onderbouwd moet worden dat eventuele lastenstijgingen niet het gevolg zijn van eigen beleid en uitvoering in de toegang. b. De lastenkant (meer zorgkosten) dient zichtbaar te worden gemaakt in harde indicatoren. c. De batenkant (meer geld via verdeelmodellen of juist niet) dient zichtbaar gemaakt in harde indicatoren. d. Inzichtelijk dient te worden gemaakt wat Vlissingen zelf aan maatregelen kan treffen om de mate van invloed te verhogen en de tekorten te verminderen. e. De elementen (samenwerkingsverbanden, wetgeving en structuurkenmerken) dienen in één onderzoek en in samenhang te worden bezien. Nadrukkelijk wordt aangetekend dat dit onderzoek naar de exogene factoren geen onderzoek is naar de onderliggende factoren en de hoogte van het totale tekort sociaal domein en werk & inkomen. De hoogte van het tekort wordt bepaald in hoofdstuk 5 van dit inspectierapport en de onderliggende factoren en ook maatregelen om de tekorten te saneren zijn reeds uitgewerkt in het Plan van aanpak artikel 12 (paragraaf 4.3).
65
De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er daadwerkelijk exogene factoren zijn die voortkomen uit de samenwerkingsverbanden en/of wet- en regelgeving en/of structuurkenmerken, die niet beïnvloedbaar zijn door Vlissingen en een deel van het tekort sociaal domein en werk & inkomen veroorzaken. Maar de uitkomst kan ook zijn dat de factoren wel beïnvloedbaar zijn door Vlissingen. In dat geval moet de analyse handvatten bieden om verbeterpunten te formuleren. Het onderzoek is inmiddels in 2022 gestart en verloopt moeizaam. Gezien de bovenstaand gemaakte kanttekeningen bij de samenwerkingsverbanden (op termijn weldegelijk invloed), wet- en regelgeving (geldt voor alle gemeenten) en structuurkenmerken (objectief, er kan nu eenmaal geen rekening worden gehouden met alle specifieke structuurkenmerken) is de inspecteur van mening dat de kans dat de fondsbeheerders van het gemeentefonds hier iets mee gaan doen gering is. Ook is de inspecteur van mening dat gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein (zie hoofdstuk 5) het belang van dit onderzoek aanzienlijk is gedaald. Vlissingen kan zich dan ook beter concentreren op het realiseren van de resterende taakstelling en de afronding van de artikel 12-status. Dat is ook mogelijk zonder de uitkomsten van het onderzoek naar de exogene factoren. Voor een verdere toelichting en de stand van zaken zie opdracht 4.1 in bijlage 4.2.
4.7
Risico’s realiseren taakstelling In paragraaf 4.3 en 4.4 worden de opdrachten aan Vlissingen uit het Plan van aanpak en de daaraan gekoppelde maatregelen beschreven. Hieraan zijn voor zover mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren. Doel hiervan is dat Vlissingen weer op eigen benen kan staan. De realisatie van deze maatregelen en de daaraan gekoppelde taakstelling is ook afhankelijk van een aantal risico’s, die de hoogte en ook de tijdigheid van de realisatie kunnen beïnvloeden. Deze risico’s worden onderstaand kort beschreven. Benadrukt wordt hier echter dat het uitgangspunt binnen artikel 12 blijft dat Vlissingen de taakstelling zoals opgenomen in bovenstaande paragrafen 4.4 en 4.5 volledig en tijdig realiseert, zodat een afronding van het artikel 12-onderzoek uiterlijk in begrotingsjaar 2024 kan plaatsvinden (zie ook paragraaf 1.1). Er moeten daarom regelmatig evaluaties plaatsvinden op de effecten van deze risico’s op de hoogte en tijdigheid van de realisatie van de taakstelling. Indien blijkt dat een bepaald risico van invloed is en remmend werkt op de hoogte en tijdigheid van de realisatie, dan dient Vlissingen hiertegen tijdig maatregelen te nemen en/of te bezien of de taakstelling via andere maatregelen alsnog geheel en tijdig gerealiseerd kan worden.
1) Besluitvorming is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities Op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen worden diverse besluiten voorbereid en genomen. Te denken hierbij valt o.a. aan nieuw beleid ten aanzien van (deelgebieden van) het sociaal domein en werk & inkomen en verlenging van of nieuwe overeenkomsten met zorgverleners. Op het ogenblik is onvoldoende duidelijk of hierbij rekening wordt gehouden met de in het Plan van aanpak beschreven opdrachten en daaraan gekoppelde maatregelen en acties. Een voorgesteld besluit dient standaard langs de meetlat van het Plan van aanpak gelegd te worden, zodat er geen ‘kansen’ gemist worden en er daarnaast voortgang van de beschreven maatregelen en acties gerapporteerd kan worden. Dit dient duidelijk vermeld te worden in de betreffende nota’s. 2) Uitvoering is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities Het generen van structurele besparingen op het vlak van het sociaal domein is in sterke mate afhankelijk van een aantal hefbomen (maatregelen). Ombouw van de ondersteuningsinfrastructuur (buurtteams, buurtbedrijf), het inrichten van een integrale toegang en maatregelen jeugdzorg (o.a. Regieteam) zijn daarbij de belangrijkste. Van belang daarbij is dat het voor de Toegang, het Buurtbedrijf en het Regieteam duidelijk is
66
wat hun rol precies is en dat die rol ook daadwerkelijk zo wordt ingevuld en ook waar die rol ophoudt. Dit zodat de doelstellingen van het Plan van aanpak en dus de artikel 12ambities worden gehaald. Indien bij deze drie belangrijke hefbomen blijkt dat de rollen onduidelijk zijn en er onvoldoende is aangesloten op de artikel 12-ambities, dan dient hierop actie ondernomen te worden. Bij de uitvoering van het artikel 12-onderzoek is het ook van belang dat voldaan wordt aan de in de artikel 12-handleiding beschreven informatieplicht: “De gemeente dient alle informatie waarvan de gemeente kan weten of vermoeden dat deze relevant is voor het artikel 12-onderzoek of die de inspecteur opvraagt, ter beschikking te stellen. Indien naderhand blijkt dat de gemeente onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verschaft, kan dit aanleiding zijn tot het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van de aanvullende steun.” Door vertrek van personeel verloopt de tijdige informatievoorziening aan de inspecteur de laatste tijd moeizaam. Dit heeft geleid tot vertraging van dit voorliggende inspectierapport. Ook heeft de controle van de in dit inspectierapport gebruikte cijfers door Vlissingen onvoldoende plaatsgevonden naar het oordeel van de inspecteur. Dit ondanks diverse verzoeken daartoe door de inspecteur.
Discussie over gebruikte cijfers na afronding van het inspectierapport is niet meer mogelijk. Met de verbreding van het artikel 12-onderzoek zal de informatiebehoefte in 2023 en 2024 alleen maar toenemen. Vlissingen moet dan ook maatregelen nemen om de informatievoorziening aan de inspecteur te verbeteren. 3) Vertraging maatregelen Wmo aanvullende zorg In de periode juli tot en met december 2021 heeft de gemeente Vlissingen een aanbestedingsprocedure doorlopen voor de aanvullende zorg binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Besloten is de opdracht ‘Wmo aanvullende zorg’ te gunnen aan twee hoofdaannemers en de raamovereenkomst en de daaruit voortkomende ontwikkelovereenkomst ‘Wmo aanvullende zorg’ vast te stellen. Met ingang van de nieuwe raam- en ontwikkelovereenkomst vindt lumpsumfinanciering (budgetplafond) plaats aan de hoofdaannemers. Dit komt in de plaats van PxQ-financiering. Aan het lumpsumbudget is een budgetplafond verbonden dat in principe niet overschreden mag worden. Hierdoor wordt per 01-07-2022 een uiteindelijk structurele bezuiniging gerealiseerd van € 2,6 miljoen per jaar. Een van de hoofdaannemers heeft nu aangegeven dat de startdatum moet worden uitgesteld en zij claimt circa € 1 miljoen aanvullende financiering voor 2022.
De gemeente Vlissingen heeft gesteld dat zij vasthoudt aan de gemaakte afspraken, maar dat zij eventueel bereid is om als partner een redelijke tegemoetkoming in de aantoonbaar onverwachte kosten te doen. Vlissingen dient tijdig aan te geven indien dit leidt tot extra lasten of dat de bezuinig per 0107-2022 niet (geheel) gehaald wordt. Bezien dient dan te worden hoe eventuele extra lasten door Vlissingen gedekt worden en hoe het niet realiseren van de bezuiniging (incidenteel) opgevangen kan worden op andere terreinen. 4) Onvoldoende voortgang herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis Op basis van diverse onderzoeken is geconstateerd dat er bij de gemeenschappelijke regeling Orionis Walcheren (Werk & inkomen) forse bezuinigingen te realiseren zijn. Op basis hiervan is er voor Vlissingen ten aanzien van de werkzaamheden die worden uitgevoerd door Orions een taakstelling opgenomen van structureel € 4,4 miljoen (zie ook maatregel 1 in paragraaf 4.4 en opdracht 3.1 in bijlage 4.1). Tot op heden is daarvan voor Vlissingen € 2,11 miljoen structureel gerealiseerd. Echter via de, overigens niet via O&O goedgekeurde, Tweede begrotingswijziging 2022 Orionis (724.889 structureel), Ontwerpbegroting 2023 Orions (464.000 structureel) en via de Derde en Vierde begrotingswijziging (1.103.024 structureel) moet Vlissingen structureel fors extra bijdragen aan Orionis.
Dit betekent dat de gerealiseerde bezuiniging volledig teniet wordt gedaan.
67
Op basis van de diverse onderzoeken is er het Implementatie-/Werkplan Orionis opgesteld. De inspecteur stelt vast dat door Orionis onvoldoende uitvoering is gegeven aan de opdrachten zoals die in samenspraak met de inspecteur zijn opgesteld in het Implementatie-/Werkplan Orionis. De tekorten die hier het gevolg van zijn, komen conform bijzonder voorschrift 6 in dit inspectierapport voor rekening van de gemeente Vlissingen zelf. Daarnaast wordt geconstateerd dat gedurende het artikel 12-onderzoek vanaf 2015 Vlissingen fors extra moest bijdragen aan Orions. Naar het oordeel van de inspecteur is het risico aanwezig dat dit ook de komende jaren het geval kan zijn, ook na eventuele afronding van de artikel 12-onderzoek in 2024. Dit risico zou er zelfs toe kunnen leiden dat Vlissingen opnieuw de artikel 12-status moet aanvragen. Dat is een onwenselijke situatie. Vlissingen is nu aan zet om te bezien welke opties er resteren ten aanzien van Orionis. Uitgangspunt daarbij is dat het resterende tekort en ook extra geld naar Orionis door Vlissingen zelf gedekt moeten worden en wel buiten het sociaal domein en werk & inkomen en ook zonder dat de negatieve algemene reserve weer negatiever wordt. Ook moet Vlissingen het risico inschatten dat er ook de komende jaren extra geld naar Orions moet en hiervoor passende beheersmaatregelen treffen.
Directie en bestuurders van de gemeente Vlissingen hebben gesteld dat zij onverkort vasthouden aan de opdrachten in het Implementatie-/Werkplan en dat zij daar waar Orionis een eigen of andere koers dreigt te varen, in zullen grijpen. De bezuinigingsdoelen blijven derhalve onverminderd van kracht. 5) Onvoldoende voortgang maatregelen jeugdzorg Bij de jeugdzorg wordt geconstateerd dat de uitgaven voor de jeugdzorg op het ogenblik volledig ’gevangen’ zijn in de regionale samenwerking van de 13 gemeenten in Zeeland. Dit heeft er tot nu toe naar het oordeel van de inspecteur toe geleid dat (ondanks de inspanning van Vlissingen) de grip op de lasten van de jeugdzorg nog steeds ontbreekt en dat er in de regio nauwelijks afspraken zijn gemaakt en maatregelen zijn genomen om meer grip te krijgen op de lasten en de tekorten te laten dalen. Ook op het vlak van de jeugdzorg echter is er naar het oordeel van de inspecteur de afgelopen vier jaar voldoende tijd geweest om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de tekorten te saneren. Dit kan er dan ook niet toe leiden dat er nu een langer en ook hoger beroep wordt gedaan op een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds, die betaald wordt door de collectiviteit van de Nederlandse gemeenten.
De urgentie om op korte termijn met maatregelen te komen die het tekort doen dalen wordt ook nog vergroot door signalen dat de kosten de komende tijd stijgen zowel door prijsstijgingen als door volumestijgingen. Ook onzekerheden met betrekking tot het woonplaatsbeginsel spelen een rol. Indien echter het op korte termijn niet mogelijk is de tekorten te saneren binnen de jeugdzorg zelf dan zal moeten worden bezien welke mogelijkheden er zijn buiten het sociaal domein en werk & in komen. De tekorten op dit vlak kunnen dan ook niet meer als vanzelfsprekend ten laste komen van een eventuele artikel 12-uitkering. Bijkomend risico hierbij is dat het extra geld dat het gemeentefonds is opgenomen voor de tekorten in de jeugdzorg in de periode 2021-2023 incidenteel is. Daarbij is aangeven dat een nieuw kabinet zal moeten besluiten over noodzakelijke aanpassingen van het jeugdstelsel en structurele financiën. In het gemeentefonds zijn dan ook (nog) geen extra middelen opgenomen voor 2024 en verder. Naar aanleiding van de afspraken over deze incidentele middelen jeugdzorg en de afspraken rond de Hervormingsagenda zijn Rijk, VNG en IPO tot afspraken gekomen over de meerjarenraming voor de jeugdzorg in de gemeentelijke begrotingen. Partijen hebben afgesproken dat alle gemeenten in de jaarschijven 2024 tot en met 2026 een stelpost mogen opnemen in de begroting. In totaal
68
ter hoogte van de middelen die zijn gereserveerd op de aanvullende post van het Rijk. Het definitieve bedrag over die jaren is echter nog onzeker en kan voor Vlissingen grote consequenties hebben voor het tekort op het vlak van de jeugdzorg. 6) Verzet maatschappelijk veld De in paragraaf 4.4 en het Plan van aanpak beschreven maatregelen en acties kunnen verregaande consequenties hebben voor de (huidige) zorgaanbieders en uitvoeringsinstanties. Het aantal aanbieders wordt verminderd, er kan gekozen worden voor andere aanbieders, subsidies worden stopgezet, Vlissingen gaat zelf meer doen met name op het vlak van toegang enzovoorts. Er bestaat een risico dat ‘het veld’, oftewel het de zorgaanbieders en uitvoeringsorganisaties, niet zonder meer bereid is om de ambities van de gemeente Vlissingen over te nemen. Zelfs de organisaties met wie we de toekomstvisie op de zorginfrastructuur is afgestemd tijdens een aanbestedingsprocedure, kunnen op de valreep van implementatie drempelvrees krijgen. Het is hierbij van belang dat er een weloverwogen afweging plaatsvindt tussen aan de ene kant wat Vlissingen kan betalen en de daarvoor de benodigde taakstelling en aan de andere kant wat een ‘redelijke’ vergoeding is voor het veld zodat een groeiend aantal cliënten en een stijging van de uitvoeringskosten per afzonderlijke cliënt kan worden opgevangen.
Hoewel de gemeente zich stevig op moet stellen als kartrekker van de vernieuwing, dient zij zich tegelijkertijd te realiseren dat het voor de zorgorganisaties ook ‘behapbaar’ moet zijn. Dit kan consequenties hebben voor de omvang en tijdigheid van de te realiseren taakstelling. Op het ogenblijk is echter door Vlissingen onvoldoende duidelijk gemaakt wat de (financiële) omvang van dit risico precies is. Vlissingen dient dit dan ook in kaart te brengen en ook mogelijke oplossingen, zodat binnen het artikel 12-traject een nieuwe afweging kan worden gemaakt. 7) Tekort aan ambtelijke capaciteit Het realiseren van de maatregelen en doelstellingen uit het Plan van aanpak vergt ambtelijke capaciteit. Door de huidige krapte op de arbeidsmarkt is het krijgen van voldoende kwalitatief goede mensen een risicofactor voor het realiseren van het Plan van aanpak. Daar komt bij dat de afgelopen twee jaar een aantal medewerkers zijn vertrokken. Ook leidt het tekort aan kwalitatief goed personeel tot hogere personeelslasten. Vlissingen zal dan ook in kaart moeten brengen wat de mogelijke effecten hiervan zijn op het realiseren van de maatregelen en doelstellingen uit het Plan van aanpak en daarnaast wat de mogelijke oplossingen hiervoor zijn. Aangetekend hierbij dient wel te worden dat dit niet een specifiek Vlissings probleem is en dat dus artikel 12 hiervoor geen structurele oplossing is.
Het uitgangspunt blijft binnen artikel 12 dat Vlissingen de taakstelling zoals opgenomen in bovenstaande paragrafen 4.4 en 4.5 volledig en tijdig realiseert. Het tijdelijk inhuren van capaciteit is dan een optie, zodat het artikel 12-onderzoek uiterlijk in begrotingsjaar 2024 kan worden afgerond. 8) Toenemende zorgvraag en zorgkosten Er zijn een aantal signalen dat door stijgende productkosten, huurlasten, energiekosten, personeelslasten, enzovoorts de zorgkosten stijgen. Daarnaast kunnen deze kostenstijgingen leiden tot een toenemende zorgvraag. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat een deel van de gerealiseerde bezuinigingen tenietgedaan wordt. Hiertegenover staan overigens wel extra baten bijvoorbeeld uit het gemeentefonds. Ook hiervoor is Vlissingen aan zet om inzichtelijk te maken wat de precieze effecten zijn van de mogelijke toename in zorgvraag en zorgkosten en hoe Vlissingen dit zelf kan oplossen. Ook hierbij dient gemeld te worden dat dit niet een specifiek probleem is voor Vlissingen alleen en dat artikel 12 hiervoor geen structurele oplossing is.
69
9) Uitgestelde besluitvorming Rijk Gemeenten hebben te maken met een aantal onzekere factoren als gevolg van uitgestelde besluitvorming van het Rijk. Onzekerheid voor het vervolg van de doordecentralisatie beschermd wonen. Onzekerheid op de uitkomsten van de saneringsambitie bij de Jeugdwet. Onzekerheid op hoe het Rijk zal reageren op de kostengroei in de Wmo, die als gevolg van de groeiende armoedeproblematiek mogelijk nog verder zal toenemen.
4.8
Conclusie In het verlengde artikel 12-onderzoek wordt tot en met 2022 alleen onderzoek gedaan naar het sociaal domein en werk & inkomen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: 1. Het belangrijkste doel binnen artikel 12 is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. 2. Het sociaal domein en werk & inkomen zijn in zijn geheel onderwerp van onderzoek. 3. Ook voor de centrumgemeentemiddelen uit het gemeentefonds geldt dat deze vrij besteedbaar zijn en dus kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. 4. Als er meer geld komt vanuit het Rijk (gemeentefonds) voor sociaal domein en werk & inkomen dan dient dit gebruikt te worden voor opvangen van bestaande tekorten. 5. Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden. 6. De uitkomsten van landelijke onderzoeken dienen te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. 7. De uit te voeren taken binnen het sociaal domein en werk & inkomen dienen zo breed als mogelijk te worden onderzocht. 8. De ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve wordt ‘slechts’ op hoofdlijnen gevolgd. 9.
Ook bij de samenwerkingsverbanden sociaal domein en werk & inkomen dient te worden bezien of het op het vlak van organisatie, aansturing en kosten anders kan. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet. 10. De hoogte van de taakstelling is niet alleen afhankelijk van de cijfermatige ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & Inkomen. De hoogte van de taakstelling is gebaseerd op wat naar het oordeel van de inspecteur mogelijk is via de in paragraaf 4.4 beschreven maatregelen op basis van door Vlissingen aangeleverde informatie en cijfers. In het Plan van aanpak artikel 12 sociaal domein en werk & inkomen (verder PvA) is beschreven hoe de tekorten sociaal domein en werk & inkomen opgelost dienen te worden. Het PvA geeft een overzicht en de stand van zaken van de aanpak van de problematiek en de aanpak van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Dit gebeurt aan de hand van concrete opdrachten van de artikel 12-inspecteur aan de gemeente Vlissingen. Het doel is dat de opdrachten leiden tot concrete maatregelen en bezuinigingen. De opdrachten zijn breed en behelzen het gehele sociaal domein en werk & inkomen. Deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de bijlagen 4.1 t/m 4.4 en zijn: • Opdracht 1: Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) van alle intensiveringen vanaf 2019 op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen.
• Opdracht 2: Nettolasten vergeleken (clusteranalyse clusters gemeentefonds). • Opdracht 3: Onderzoek effectiviteit en efficiency. • Opdracht 4: Mate van invloed van Vlissingen. • Opdracht 5: Regiomiddelen sociaal domein. • Opdracht 6: Ondersteuning Vlissingen. Op basis van het Plan van aanpak zijn er een aantal concrete maatregelen uitgewerkt. Hieraan zijn voor zover mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen te saneren. Op basis van de ontwikkeling
70
van het tekort sociaal domein en werk & inkomen zal worden bezien of ook nog extra taakstellingen nodig zijn. Deze maatregelen zijn: 1. Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 2. Maatregelen jeugdzorg. 3. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie. 4. Inrichten integrale toegang. 5. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021. 6. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte. 7. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken. 8. Maatregelen doelgroepenvervoer. 9. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden. Het totaal aan taakstellingen dat is gekoppeld aan deze maatregelen zijn: • 2021: € 6,8 miljoen, in totaal € 6,9 miljoen gerealiseerd. • 2022: € 6,7 miljoen, geheel gerealiseerd. • 2023: € 9,1 miljoen, waarvan € 5,1 miljoen gerealiseerd en € 4 miljoen resterend. • Vanaf 2024: € 10,4 miljoen structureel, waarvan € 5,7 miljoen gerealiseerd en € 4,7 miljoen structureel resterend. Op basis van de ontwikkeling van het tekort sociaal domein en werk & inkomen zal worden bezien of nog extra taakstellingen nodig zijn. Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf zijn er ook een aantal landelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het tekort sociaal domein en werk & inkomen van Vlissingen. De uitkomsten hiervan worden dan ook meegenomen in dit artikel 12onderzoek.
De belangrijkste zijn: • Onderzoek jeugdzorg: Door onderzoeksbureau AEF is in opdracht van het Rijk een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. In het onderzoek is ook gekeken naar een aantal maatregelen die gemeenten kunnen nemen om de Jeugdwet doelmatiger en doeltreffender uit te voeren. Voor Vlissingen betekent dit vooralsnog tijdelijk extra geld van gemiddeld € 3 miljoen per jaar. • Onderzoek verdeelmodellen gemeentefonds: De fondsbeheerders van het gemeentefonds hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar een nieuwe verdeling (herijking) van het gemeentefonds. Het doel van deze herijking is om de verdeling weer aan te laten sluiten bij de kosten van gemeenten. De nieuwe verdeling beoogt daarnaast recht te doen aan de geconstateerde knelpunten die de afgelopen jaren in verschillende adviezen zijn benoemd, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling sociaal domein en de mate waarin de eigen inkomsten van gemeenten een rol spelen in de verdeling. Voor Vlissingen betekent de nieuwe verdeling een toename van de uitkering uit het gemeentefonds van € 2,7 miljoen per jaar, dat is € 61 per inwoner. Dit wordt via een ingroeipad ter beschikking gesteld door de fondsbeheerders.
Mogelijk zijn er exogene factoren die ervoor kunnen zorgen dat Vlissingen minder of zelfs geen grip heeft op de lasten van onderdelen van het sociaal domein en werk & inkomen. Met andere woorden de mate van invloed van Vlissingen om zelf het tekort op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen geheel te saneren kan daardoor worden verminderd. Deze factoren zijn samenwerkingsverbanden, wet- en regelgeving en structuurkenmerken. Vlissingen doet hier onderzoek naar. Overigens is het niet zo dat Vlissingen bij elke factor helemaal geen invloed heeft en daarnaast zijn er wellicht exogene factoren die Vlissingen juist voordelen opleveren. De inspecteur is van mening dat de kans dat de fondsbeheerders van het gemeentefonds hier iets mee gaan doen gering is. Ook is de inspecteur van mening dat gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein (zie hoofdstuk 5) het belang van dit onderzoek aanzienlijk is gedaald. Vlissingen kan zich dan ook beter concentreren op het realiseren van de resterende taakstelling en de afronding van de artikel 12-status. Dat is ook mogelijk zonder de uitkomsten van het onderzoek naar de exogene factoren.
71
De realisatie van de maatregelen en de daaraan gekoppelde taakstelling is ook afhankelijk van een aantal risico’s, die de hoogte en ook de tijdigheid van de realisatie kunnen beïnvloeden. Benadrukt wordt echter wel dat het uitgangspunt binnen artikel 12 blijft dat Vlissingen de taakstelling zoals opgenomen in de paragrafen 4.4 en 4.5 volledig en tijdig realiseert, zodat een afronding van het artikel 12-onderzoek uiterlijk in begrotingsjaar 2024 kan plaatsvinden (zie ook paragraaf 1.1). Er moeten daarom regelmatig evaluaties plaatsvinden op de effecten van deze risico’s op de hoogte en tijdigheid van de realisatie van de taakstelling. Indien blijkt dat een bepaald risico van invloed is en remmend werkt op de hoogte en tijdigheid van de realisatie, dan dient Vlissingen hiertegen tijdig maatregelen te nemen en/of te bezien of de taakstelling via andere maatregelen alsnog geheel en tijdig gerealiseerd kan worden. De risico’s zijn: 1. Besluitvorming is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities. 2. Uitvoering is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities. 3. Vertraging maatregelen Wmo aanvullende zorg. 4. Onvoldoende voortgang herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 5. Onvoldoende voortgang maatregelen jeugdzorg. 6. Verzet maatschappelijk veld. 7. Tekort aan ambtelijke capaciteit. 8. Toenemende zorgvraag en zorgkosten. 9.
Uitgestelde besluitvorming Rijk.
72
5
Het begrotingssaldo
5.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de berekening van het relevante begrotingssaldo en de saneringsbegroting op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen gepresenteerd. Aan de hand daarvan wordt de omvang van de extra artikel 12-steun over 2021 en 2022 bepaald9. Het uitgangspunt is dat Vlissingen, behoudens het sociaal domein en werk & inkomen, op eigen benen staat en eigen risicodrager is. Daarom wordt de ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve als gevolg van de tekorten grondexploitaties op hoofdlijnen gevolgd. Dit is in het verbrede artikel 12-onderzoek en actualisatie-onderzoek in 2023 weer onderwerp van onderzoek (zie ook paragraaf 1.1). Allereerst wordt in paragraaf 5.2 de ontwikkeling van het financieel meerjarenperspectief vanaf 2021 met betrekking tot sociaal domein en werk & inkomen geschetst. Daarna wordt in paragraaf 5.3 het geaccepteerde begrotingssaldo sociaal domein en werk & inkomen bepaald en in paragraaf 5.4 het relevante begrotingssaldo sociaal domein en werk & inkomen berekend en toegelicht. Paragraaf 5.5 gaat in op de aanvullende uitkering en de bijzondere voorschriften, waarna in paragraaf 5.6 het hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies.
5.2
Financieel meerjarenperspectief In onderstaande tabel 5.1 wordt de ontwikkeling van het financieel meerjarenperspectief sociaal domein (SD) en werk & inkomen (W&I) voor de periode 2021-2026 geschetst op basis van de Programmabegrotingen 2021 en 2022, effecten circulaires gemeentefonds, Begrotingswijzigingen, Bestuursrapportages en Jaarrekening 2021. De verschillende posten worden na de tabel kort toegelicht. In bijlage 5.1 staat de ontwikkeling van de begroting van Vlissingen in totaal. 2021 is op basis van jaarrekening 2021 en 2022 en verder is de stand Tweede bestuursrapportage 2022.