CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Visie op onderwijshuisvesting voor herijking SHP

Commissie Maatschappelijke Zaken 25 februari 2026, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Memo actieve informatie - Visiedocument SHP (Strategisch Huisvestingsplan) - op verzoek van Caroline Diepeveen (GL-PvdA)9.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Visie op onderwijshuisvesting SHP Middelburg-Vlissingen

Opdrachtgever Gemeente Middelburg & Gemeente Vlissingen

Datum 6 november 2025

Referentienummer 2240443/20251106

Auteur(s) Christel Breedijk & Onno Damen

│ Onderdeel van ICS Ruimteregie Groep BV

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

3

2.

Aanbod en samenwerking

4

3.

Kwaliteit onderwijshuisvesting

10

4.

Flexibiliteit en ruimtegebruik

12

5.

Gezondheid

15

6.

Duurzaamheid

17

7.

Type maatregelen binnen SHP

20

8.

Maatregel 1: (Vervangende) Nieuwbouw

20

Maatregel 2: Levensduurverlengende renovatie

21

Maatregel 4: In stand houden

23

Maatregel 5: Afstoten

23

Investeren in kinderopvang

24

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

1. Inleiding De visie op opvang- en onderwijshuisvesting vormt een belangrijke basis voor het Strategisch Huisvestingsplan (SHP). Naast een heldere visie en ambitie op onderwijs bevat de visie ook concrete uitgangspunten voor samenwerking met opvang en aanvullende ondersteuning en spelregels voor de uitvoering van het SHP. Dit kader is tot stand gekomen door samenwerking tussen schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeenten Middelburg en Vlissingen. Er is bewust gekozen voor een gezamenlijke visie van de gemeente Middelburg en gemeente Vlissingen, niet omdat dit wettelijke verplicht is, maar omdat dit wel zeer gewenst is omdat het onderwijsveld sterk verweven is. Wel is er binnen die gezamenlijke visie ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid. De vraag die centraal stond, is: “Wat is onze belofte ten aanzien van het onderwijs- en opvangaanbod voor de huisvesting aan de kinderen van de gemeente Middelburg en Vlissingen?” In dit hoofdstuk komen de volgende thema’s aan bod: ▪ Aanbod en samenwerking ▪ Kwaliteit onderwijshuisvesting ▪ Flexibiliteit en ruimtegebruik ▪ Gezondheid ▪ Duurzaamheid ▪ Type maatregelen binnen SHP ▪ Investeren in kinderopvang

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

3/25

2. Aanbod en samenwerking GEMEENTE MIDDELBURG De gemeente Middelburg bestaat uit 4 kernen: Middelburg, Arnemuiden, Nieuw en Sint Joosland en Sint Laurens. De plaats Middelburg bestaat daarnaast uit grofweg vier gebieden: Binnenstad, Zuidoost, Zuidwest en Noord. Momenteel is in ieder(e) kern of gebied één of meerdere onderwijs- en opvangvoorziening(en) aanwezig. GEMEENTE VLISSINGEN De gemeente Vlissingen bestaat uit drie kernen: Vlissingen, Oost-Souburg en Ritthem. De stad Vlissingen kent daarnaast vijf wijken: Binnenstad, Middengebied, Lammerenburg en Paauwenburg-Westduin. In alle delen van de gemeente, met uitzondering van Ritthem (het kleinste dorp in de gemeente), zijn meerdere onderwijs- en opvangvoorziening(en) aanwezig. GEZAMENLIJK De ambitie van onderwijs-, opvangorganisaties en organisaties voor aanvullende ondersteuning, en de gemeenten Middelburg en Vlissingen is om een doorgaande ontwikkellijn van 0 tot 23 jaar (met onderwijs vanaf 4 jaar) te bieden binnen het spectrum van de eigen rol van organisatie. Een onderwijsvorm, klassikaal in groepjes of individueel, die past bij de kinderen. Iedereen doet mee. Een betekenisvolle voorziening voor de wijk of kern. Nauwe samenwerking tussen onderwijs, opvang en aanvullende ondersteuning is een voorwaarde voor succes.

Het samenwerken kan worden geoptimaliseerd wanneer partners samen gehuisvest zijn, bijvoorbeeld in een Integraal Kindcentrum (IKC) of Kindcentrum (KC). Binnen het SHP hanteren we de term Kindcentrum tenzij nadrukkelijk anders benoemd. Ook nabijheid van aanvullende ondersteuning activiteiten ondersteunt in de doorgaande ontwikkellijn en het maximale uit talenten van leerlingen te halen.

(Integraal) Kindcentrum In de praktijk zijn uiteenlopende vormen van samenwerking tussen onderwijs en opvang te vinden. Dat varieert van het samen delen van een gebouw (Kindcentrum) tot de meest vergaande variant van samenwerking in een IKC. In een IKC is sprake van één pedagogische visie, één team en één centrale aansturing1.

Een kindcentrum is altijd maatwerk. In een KC staat nadrukkelijk het kind centraal, dus niet de deelnemende organisaties. Ieder kind verdient gelijke kansen om zich optimaal te ontwikkelen, ongeacht achtergrond, thuissituatie of startpositie. Het realiseren van verschillende voorzieningen in één gebouw, zoals een KC, is geen voorwaarde noch uitgangspunt. Het vergemakkelijkt de samenwerking en faciliteert daarmee het netwerkconcept. Het zorgen voor een gedeelde visie, het maken van inhoudelijke afspraken over één pedagogisch concept en een doorgaande lijn staan centraal. Voldoende draagvlak bij de betrokken partners is essentieel om een KC te realiseren dat daadwerkelijk bijdraagt aan kansengelijkheid. Door de ontwikkeling van kindcentra wordt ook inhoud gegeven aan de bevordering van de integratie en het tegengaan van segregatie. Dit effect kan met een netwerk worden bereikt, maar is groter bij huisvesting van scholen in een kindcentrum onder één dak. Schoolbesturen en gemeente streven naar huisvesting onder één dak waar dat mogelijk is. Daarmee wordt voorkomen dat één school in de wijk alle leerlingen met onderwijsachterstanden onder zijn dak heeft, terwijl de school verderop nauwelijks dergelijke leerlingen heeft.

1

Bron: Landelijk Steunpunt Brede Scholen: ‘Op weg naar een IKC’

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

4/25

Wanneer partners samenwerken in het belang van het kind doen ze dat vanuit eenduidige pedagogische waarden. Zo wordt voor het kind een bestendige ontwikkelweg vormgegeven. Het onderwijsaanbod sluit aan bij de lokale behoefte en is gevarieerd, maar scholen hebben wel een eigen identiteit. In zowel de gemeente Vlissingen als de gemeente Middelburg zijn scholen met verschillende denominaties aanwezig. Het onderwijs richten zij in vanuit de eigen levensbeschouwelijke visie of onderwijsfilosofie. Aandacht voor en het behoud van deze levensbeschouwelijke visies en onderwijsfilosofieën, ook wel gezien als de identiteit van de school, is belangrijk. Dit geeft ouders en kinderen de vrijheid om te kiezen voor een onderwijs- en/of opvangorganisatie die het beste bij hen en het kind past. Dit geeft ruimte voor verschillen, maar vormt geen belemmering voor de samenwerking. Verschillende identiteiten kunnen elkaar juist ook versterken. Onderwijsaanbod Met de invoering van passend onderwijs (per 1 augustus 2014) wordt beoogd dat er een onderwijsaanbod is voor alle kinderen en jongeren in de leeftijd van 4 tot 23 jaar, in het bijzonder leerlingen met speciale zorgbehoeften. Schoolbesturen werken daartoe samen in samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. In Walcheren zijn momenteel vier samenwerkingsverbanden.

De besturen van deze samenwerkingsverbanden hebben in hun ondersteuningsplannen aangegeven dat zij onderwijs en ondersteuning willen realiseren “regulier waar het kan, speciaal waar het moet”. De precieze uitwerking van dit motto wordt de komende (school)jaren vormgegeven. Verwacht wordt dat de onderwijshuisvesting voor het speciaal onderwijs in deze steeds meer een Walcherse aangelegenheid wordt. Ook voor het voortgezet onderwijs bestaat deze verwachting, onder andere vanwege de dialoog die nu loopt over een VO-campus. Gekeken moet worden welke voorzieningen op Walchers niveau noodzakelijk zijn, dus gemeentegrens overstijgend. Een perspectief van waaruit het speciaal onderwijs al werkt. Duidelijke regievoering op het faciliteren van goed onderwijs is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Bereidheid om samen de schotten opzij te schuiven is een vereist uitgangspunt. Ook een nauwe samenwerking met partners rondom leerlingen, zoals aanvullende ondersteuning. Naast de ambitie om over de gemeentegrenzen heen samen te werken heeft de school in de eerste plaats een centrale plek in de gemeenschap, maar ook in het netwerk rond het kind. Een centrale plek dat sterk in het belang van zijn/haar sportieve, culturele en creatieve ontwikkeling is.

Naast onderwijs en opvang kan, afhankelijk van de lokale behoefte, in de school ruimte worden geboden aan educatie, sport, buurt ontmoeting of zorg. Daarbij kan gedacht worden aan aanvullende ondersteuning, fysiotherapie, cultuur (zoals muziek, dans en kunst), welzijn, recreatie, een plek voor samenwerking met de ouders, maar ook wetenschap. Zo wordt de gemeenschap betrokken bij de groei en ontwikkeling van het kind, en is de school meer dan alleen een onderwijsplek voor de leerlingen. De combinatie tussen zorg en onderwijs kan leiden tot een meer preventiegerichte benadering. Indien sprake is van nieuwbouw of renovatie denken de betrokken partijen altijd gezamenlijk na over de mogelijkheden tot clustering van diverse maatschappelijke functies in een gebouw of in een gebied. Het vroegtijdig maken van (integrale) plannen stelt in staat om het gebouw zodanig in te zetten dat het samenwerking tussen onderwijs en andere organisaties faciliteert in plaats van compliceert. Het scholenlandschap Een toekomstbestendig scholenlandschap vraagt om een evenwichtige verdeling van scholen waarin kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit centraal staan. Daarbinnen wordt gestreefd naar een optimale balans tussen schaalgrootte/omvang, demografische ontwikkelingen, nabijheid en diversiteit van het onderwijsaanbod.

Schoolbesturen en gemeente hebben behoefte om na te denken over een toekomstbestendige spreiding van scholen binnen vooraf afgebakende gebieden. Binnen het SHP worden deze gebieden benoemd en is daarbinnen gekeken naar de onderwijsvoorzieningen en de spreiding. Dit is gedaan vanuit het perspectief van de schoolbesturen dat zij eigenstandig bepalen of een school blijft bestaan of wordt opgeheven. Voor de

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

5/25

gemeente is dit gedaan vanuit het perspectief dat het streven is dat er flexibiliteit is in onderwijsvoorzieningen om ruimte te delen waar nodig en bouwen voor leegstand te voorkomen. Binnen het scholenlandschap wordt geen uitspraak gedaan over een minimale omvang van een school. Het is aan het schoolbestuur om te bepalen of het leerlingenaantal voldoende is en de kwaliteit van het onderwijsaanbod gewaarborgd kan blijven. Schoolbesturen maken deze afweging eigenstandig waarbij een voldoende omvang bijdraagt aan het kunnen bieden van een breed lesaanbod, koppeling met opvang (doorgaande leerlijn), een gezonde financiële situatie en ook aan verantwoorde inzet van haar personeel. Anderzijds is ook ruimte om te onderkennen dat scholen een meer regionale functie hebben. Dan kan gedacht worden aan een school met een specifieke denominatie of bijvoorbeeld het voortgezet en speciaal onderwijs. Vanuit de gemeente bestaat behoefte om te voorkomen dat steeds weer bijgebouwd moet worden bij scholen terwijl elders leegstand is. Het clusteren van voorzieningen en/of aanpassing van het scholenlandschap kan hierin helpen. Een mogelijk middel om dit te bereiken is een vorm van toelatingsbeleid. Dat staat los van het bestaande verwijzingsbeleid waarbinnen de gemeente leegstand kan vorderen en kan verwijzen. Gemeente en schoolbesturen gaan actief in gesprek over het scholenlandschap (o.a.

bij de uitwerking van scenario’s binnen het SHP) en bespreken ook of een vorm van toelatingsbeleid als middel gewenst en/of noodzakelijk is. Onderdeel van het gesprek is dat verwijzen met slechts een beperkt deel van de school naar leegstand elders vanuit onderwijskundig perspectief niet wenselijk is en ook leidt tot praktische vraagstukken, zoals inzet van personeel. Ook wordt in het gesprek rekening gehouden met andere aspecten zoals de toegankelijkheid van het openbaar onderwijs. Het onderwijs maakt integraal deel uit van de lokale leefomgeving. Een wijkgerichte benadering versterkt de samenhang tussen onderwijs, aanvullende ondersteuning, kinderopvang, welzijn en sport. Scholen fungeren als kernvoorzieningen binnen de wijk en dragen bij aan de sociale cohesie en de brede ontwikkeling van kinderen. Afstemming op demografische ontwikkelingen en woningbouwplannen is hierbij essentieel. Daarnaast kunnen scholen met opvangvoorzieningen ook een waardevolle bijdrage hebben voor wijken die extra aandacht vragen. Ook kunnen ze wellicht een plaats krijgen binnen de ontwikkeling van Stevige Lokalen Teams (SLT). Inclusiever onderwijs In de gemeenten Middelburg en Vlissingen wordt al zoveel mogelijk gestreefd naar inclusiever onderwijs. Dit houdt in dat het onderwijs gericht is op de inclusie van álle kinderen binnen het reguliere onderwijssysteem.

Het motto luidt dan ook: “Goed onderwijs is inclusiever onderwijs.” Onderwijsorganisaties en gemeenten werken samen met instellingen die aanvullende ondersteuning bieden om inclusiever onderwijs te versterken waar dat mogelijk is. Daarbij wordt gekeken hoe, vanuit ieders verantwoordelijkheid, middelen en expertise gezamenlijk kunnen worden ingezet om dit onderwijs te verbeteren. De Rijksoverheid streeft ernaar dat in 2035 de meeste scholen zijn overgestapt op inclusief onderwijs. Dit wordt gedefinieerd als: “Onderwijs waarbij alle kinderen en jongeren dichtbij huis, volwaardig en gelijkwaardig toegang hebben tot een inclusieve leeromgeving waarin zij zich samen ontwikkelen, samen leren en participeren.”2 In een inclusievere leeromgeving is ieder kind welkom op een passende school in de buurt. Vanuit een sterke pedagogische basis wordt gewerkt aan de brede ontwikkeling van ieder kind. Elk kind wordt gezien, hoort erbij en leert met én van anderen. Het schoolteam is multidisciplinair en biedt de ondersteuning die nodig is om alle kinderen passend onderwijs te bieden. De leeromgeving is toegankelijk voor kinderen, leraren én ouders.

2 Bron: Rijksoverheid - https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/inclusief-onderwijs/inclusief-onderwijs-in-2035

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

6/25

Voor de gemeenten Middelburg en Vlissingen gaan we uit van inclusiever onderwijs. Dit is toegankelijker dan inclusief onderwijs omdat op deze manier er nog ruimte is voor maatwerk bij het realiseren van dit inclusievere onderwijs en kinderen zo op hun beste ontwikkelplek terecht komen. Inclusiever onderwijs is een systeem waarin kinderen – met of zonder beperking, ontwikkelingsachterstand, gedrags- of emotionele problemen of specifieke leerbehoeften – zoveel mogelijk samen naar school gaan, bij voorkeur in hun eigen leefomgeving3. Zo veel mogelijk inclusiever onderwijs is geen keuze, maar een verplichting op basis van internationale verdragen4. Extra ondersteuning wordt daarom zo veel mogelijk thuisnabij georganiseerd: de expertise komt naar het kindcentrum, in plaats van dat het kind naar een speciale voorziening moet. Tegelijkertijd staat de ontwikkeling van het kind altijd centraal. Soms betekent dit dat een kind beter tot zijn recht komt in het (speciaal) basisonderwijs. Deze voorzieningen blijven dan ook beschikbaar voor kinderen die daar baat bij hebben.

Voorstel nieuwe beleidsregel: Extra vierkante meters voor inclusiever onderwijs De ontwikkeling van inclusiever onderwijs heeft invloed op de ruimtebehoefte en -vraag vanuit het onderwijs. Het gaat dan onder andere om meer diversiteit aan werkplekken, meer spreekruimten en aanvullende ondersteuningsruimten (douche, snoezelruimte etc.). Dit om zo meer ruimte te geven aan begeleiding/ondersteuning (bijv. vanuit school en/of aanvullende ondersteuning) maar ook dat kinderen leren op de plek die bij de leerling/activiteit past (bijv. in stilte of in groepsverband samenwerken aan een project). In een bestaand gebouw met overmaat kan de leegstand ingezet worden, maar bij vervangende nieuwbouw ‘die aan de maat’ wordt gemaakt, bestaat die mogelijkheid niet. Daarom kan de beleidsregel van ‘meer meters’ het onderwijs hierin tegemoetkomen. Dit betekent concreet dat scholen beargumenteerd de keuze kunnen maken om bij renovatie of vervangende nieuwbouw meer/extra vierkante meters te realiseren van 10% met een minimum van 50 m2. Dit biedt de mogelijkheid om meer individuele werkplekken, overlegplekken en spreekkamers te realiseren. De wens is om zo ruim en slim mogelijk te bouwen. Dit kan ook zijn grenzend aan een park om buitenonderwijs mogelijk te maken.

De beredenering voor minimaal 50 m² bvo komt voort uit het verschil tussen de vaste voet van een reguliere school 200 m² bvo is en die van een SBO-school 250 m² bvo. De gemeenten hebben specifiek aangegeven dat zij met een percentage willen werken omdat 50 m2 voor een kleinere school relatief veel is en voor een grotere school is dit niet heel toereikend. Voor het voortgezet onderwijs is niet een soortgelijke redenatie te maken. Vooralsnog wordt hier ook uitgegaan van een percentage van 10%. De investering van deze ‘meer meters’ wordt gepleegd vanuit de gemeente. De exploitatielasten komen voor rekening van het schoolbestuur. De investering wordt gepleegd bij nieuwbouw (of uitbreiding) en levensduurverlengende renovatie. NB: Bovenstaande biedt de ruimte om ‘boven-normatief’ te denken en ook ruimtelijk maatwerk te leveren. In elk project wordt de afweging gemaakt of onderwijsinstellingen de extra meters kunnen exploiteren en welke

3 Bron: Onderwijsconsument d.d. 7 juni 2024 (https://www.onderwijsconsument.nl/wat-is-inclusief-onderwijs/) 4 Onder andere het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap (juli 2016) en de werkagenda route naar inclusief onderwijs

2035 van het ministerie van OCW.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

7/25

kansen multifunctioneel ruimtegebruik biedt zonder investering in extra meters maar wel het bereiken van de gewenste functionaliteit.

NB: Voor inclusiever onderwijs zou ook gekeken kunnen worden naar het recent gepubliceerde ontwerpkader inclusieve schoolgebouwen – eerste inzichten en praktische handvatten. Toegankelijkheid Toegankelijkheid vormt de basis van een inclusieve samenleving. Fysieke toegankelijkheid is de eerste stap naar inclusie. De gemeente streeft naar hoge toegankelijkheidsnormen voor alle openbare en multifunctionele gebouwen. Dat betekent barrièrevrije gebouwen voor mensen met fysieke beperkingen, zoals rolstoelgebruikers, ouderen en mensen met (tijdelijke) mobiliteitsproblemen. Voorbeelden zijn hellingbanen, automatische deuren en liften. Minstens zo belangrijk is mentale toegankelijkheid. Gebouwen moeten een veilige, gastvrije en ondersteunende omgeving bieden voor iedereen, ongeacht achtergrond of mentale gesteldheid. Dit bereiken we door: ▪ ▪ ▪

Duidelijke communicatie, met eenvoudige taal en visuele hulpmiddelen. Ondersteuning bij cognitieve beperkingen, via rustige kleuren, goede verlichting en overzichtelijke indeling. Privacy en rust, door prikkelarme ruimtes, een warme en neutrale inrichting of kolfruimtes waar nodig.

Een cruciaal aspect van inclusie is het waarborgen van toegankelijkheid van voorzieningen, zodat ieder persoon er gebruik van kan maken. NEN 91205 is het uitgangspunt voor het toegankelijk bouwen van nieuwe gebouwen. NEN 9120 is een nieuwe norm (gepubliceerd op 3 februari 2025) die prestatie-eisen vastlegt voor de toegankelijkheid en bruikbaarheid van gebouwen. Ze geldt voor alle typen gebouwen (nieuwbouw én verbouw) en is bedoeld om te zorgen dat gebouwen goed toegankelijk zijn voor iedereen, inclusief mensen met een beperking. Bovenstaande draagt bij aan een inclusieve samenleving waarin iedereen zich welkom en ondersteund voelt. Deze uitgangspunten worden actief toegepast in toekomstige huisvestingsprojecten. Kinderopvang Kinderopvang vervult een cruciale rol in de ontwikkeling van kinderen. Als een kind zorg of specifieke hulp nodig heeft, werkt ze nauw samen met de gemeente en aanvullende ondersteuning en biedt ‘kind nabije zorg’ in de dagelijkse omgeving van het kind aan. De samenwerking met onderwijs optimaliseert de doorgaande ontwikkellijn van kinderen van 0 tot 12 jaar. Kinderopvang draagt bovendien bij aan sociale cohesie en diversiteit.

Zo stelt de Sociaal-Economische Raad (SER) in het advies ‘Gelijk goed van start’ (2016): “Voorzieningen voor jonge kinderen zijn niet alleen een belangrijk arbeidsmarktinstrument, zij leveren ook een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen, het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen.” In het licht van de transitie naar inclusiever onderwijs wordt de rol van kinderopvang mogelijk nog belangrijker. Inclusiever onderwijs vraagt om een sterke, integrale samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg. Dit betekent onder andere dat er nagedacht moet worden over de inrichting van voorzieningen en ruimtes binnen de kinderopvang, zodat samenwerking tussen bijvoorbeeld VVE-programma’s en kleuterobservatiegroepen wordt bevorderd. Door deze verbinding kunnen kinderen met extra ondersteuningsbehoeften vroegtijdig worden gesignaleerd en begeleid, in een vertrouwde en inclusieve omgeving.

5 https://www.nen.nl/media/PDFjes/LeeswijzerNEN9120.pdf

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

8/25

Er wordt daarnaast verwacht dat de vraag naar kinderopvang zal toenemen, mede door de kabinetsplannen om per 2027 een hogere, inkomensafhankelijke, vergoeding voor kinderopvang te betalen. Dit vraagt om een toekomstbestendige visie op de inzet van kinderopvanglocaties, waarbij flexibiliteit en samenwerking centraal staan. Denk hierbij aan het gezamenlijk benutten van ruimtes, het delen van expertise en het ontwikkelen van integrale kindcentra waarin zorg, opvang en onderwijs samenkomen. Kinderopvang wordt in Nederland overwegend gezien als marktpartij. Door concurrentie kunnen pedagogische kwaliteit, scholing, investeringen en duurzame samenwerking met lokale partners onder druk komen te staan. Daarnaast wordt kinderopvang soms als investeringsobject aangemerkt. Kinderopvang is echter een kostbaar goed en mag geen winstobject zijn. Betaalbaarheid en toegankelijkheid voor alle kinderen zijn essentieel. Idealiter herinvesteert de kinderopvang het rendement dat zij maakt, met als doel de borging en versterking van stabiliteit, continuïteit en kwaliteit van de opvang én de vorming van kindcentra op Walcheren.

Daarom is het van belang dat alle stakeholders gezamenlijk investeren in een duurzame en langdurige samenwerking, met langlopende overeenkomsten die voldoende ruimte bieden om in te spelen op veranderende omstandigheden – zoals groei van scholen, wijziging van bestemmingen van lokalen of schommelingen in de vraag naar kinderopvang.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

9/25

3. Kwaliteit onderwijshuisvesting Op basis van wet- en regelgeving is aan te geven welke verplichtingen een gemeente heeft voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen. De gemeente is verantwoordelijk voor voldoende en adequate huisvesting voor scholen in het primair onderwijs, voortgezet (speciaal) onderwijs en scholen die binnen de Wet op de expertisecentra vallen. In essentie betekent dit, dat er voldoende middelen beschikbaar moeten worden gemaakt waarmee nieuwe schoolgebouwen kunnen worden gerealiseerd en oude schoolgebouwen kunnen worden vervangen. De verantwoordelijkheden van gemeenten voor wat betreft onderwijshuisvesting kunnen worden samengevat in: Vervanging; Nieuwbouw; Uitbreiding en tijdelijke huisvesting; Eerste inrichting; Constructiefouten; Vergoeding van schade als gevolg van bijzondere omstandigheden; OZB.

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Men spreekt dan van de wettelijke zorgplicht. In de bovengenoemde opsomming staat ‘renovatie’ niet genoemd. In de volgende paragrafen spreken we echter wel van renovatie als ontwikkelrichting. Dit is vooruitlopend op de verwachtte nieuwe wetgeving over renovatie. Het uitgangspunt binnen dit SHP is dat renovatie een gelijkwaardig alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw. Een toelichting op de daaraan verbonden voorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 7. Wetsvoorstel planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting Op 27 januari 2025 is het wetsvoorstel planmatige en doelmatige aanpak onderwijshuisvesting naar de Tweede Kamer gestuurd. Het voorstel beoogt dat processen en middelen beter op elkaar worden afgestemd en dat er een meer gelijkwaardige positie ontstaat tussen gemeenten en schoolbesturen. De kwaliteit van de onderwijshuisvestingsportefeuille zou het uitgangspunt moeten zijn. Echter is er niet duidelijk wanneer dit wetsvoorstel wordt aangenomen. Een aantal zaken verandert door dit wetsvoorstel6: ▪

▪

▪

Renovatie wordt een voorziening in de onderwijshuisvesting waarvoor de gemeenten verantwoordelijk zijn. Daarbij wordt renovatie gedefinieerd als een alternatief voor vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door middel van een samenhangend geheel van maatregelen, dat is gericht op het verlengen van de levensduur van het gebouw of het gedeelte daarvan. Het SHP wordt wettelijk verankerd als verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeenteraad stelt het integraal huisvestingsplan vast, dat in elk geval bevat: ─ Een beschrijving van elk schoolgebouw op het grondgebied van de gemeente; ─ De geraamde investeringsbedragen per schoolgebouw voor de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, voor een periode van vier jaar; ─ Het beleid voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in de gemeente in de periode waarop het plan betrekking heeft. Het bevoegd gezag stelt op basis van een bouwkundige inspectie per schoolgebouw een meerjarenonderhoudsplan vast voor het onderhoud en brengt het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de gemeenteraad van de gemeente waar het betreffende schoolgebouw is gelegen. Voorafgaand

6 Bron: Tweede kamer – Wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting

https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2025D04314)

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

10/25

▪

aan het op overeenstemming gericht overleg over het integraal huisvestingsplan brengt het bevoegd gezag het meerjarenonderhoudsplan ter kennis van de deelnemers aan dit overleg. Aan de kosten genoemd in artikel 115 van de WPO, waarop een bevoegd gezag de bekostiging mag aanwenden, wordt een zin toegevoegd die de investeringsmogelijkheden bij primair onderwijs versoepelt. Bij een overschot op deze bedragen kan het bevoegd gezag dat overschot besteden aan huisvestingsvoorzieningen.

De uitgangspunten van dit wetsvoorstel sluiten aan bij de doelstellingen van het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting (IPOHV), waarin gewerkt wordt aan vernieuwing, kennisdeling en een toekomstbestendige aanpak van onderwijshuisvesting. De ervaringen en inzichten die binnen het innovatieprogramma worden opgedaan, kunnen waardevolle input leveren voor de verdere uitwerking en implementatie van de wet.

Via een stelsel van criteria ontvangen de gemeenten een algemene uitkering, het zogenoemde Gemeentefonds. Dit is een algemene uitkering, waarmee gemeenten eigen beleidsprioriteiten kunnen stellen. De zorgplicht is eveneens van toepassing voor het aanbieden van huisvesting voor het bewegingsonderwijs. De schoolbesturen ontvangen een genormeerde vergoeding voor onderhoud, energieverbruik en schoonmaak. Daarnaast wensen school-, opvang- en zorgorganisaties en de gemeenten Middelburg en Vlissingen nog verder invulling te geven aan deze zorg voor onderwijshuisvesting door te streven naar voldoende, kwalitatief goede en veilige huisvesting, met een goede spreiding en levensvatbaarheid. Dit vanuit de overtuiging dat goede huisvesting het behalen van goede resultaten in het onderwijs bevordert. Onderwijsresultaten zijn mede afhankelijk van de kwaliteit van de huisvesting. Goed onderhouden gebouwen met een passend binnenmilieu zorgen voor een plezierig werk- en leerklimaat. De ambitie is om voor de kinderen in Middelburg en Vlissingen fijne hedendaagse leeromgevingen te realiseren. Dit zijn inspirerende ruimten, met de juiste digitale hulpmiddelen, die aanzetten tot leren en uitdagend zijn. Eenzelfde visie geldt voor de buitenruimte. De buitenruimte is het verlengstuk van de leeromgeving en dient als zodanig ingericht te worden.

Dit biedt ook kansen om het onderwijs en de opvang nog verder te verbinden met sport en recreatie. In beginsel wordt onderwijshuisvesting (nieuwbouw) voor veertig jaar neergezet. Aan het einde van deze periode kan een afweging gemaakt worden voor vervangende nieuwbouw of levensduur verlengende renovatie. Bij levensduur verlengende renovatie kan het gebouw in principe weer veertig jaar mee. Daarna is het gebouw toe aan vervangende nieuwbouw (de maximale exploitatieduur is zestig jaar; tenzij om andere redenen hiervan wordt afgeweken). Binnen het SHP wordt een keuze per gebouw gemarkeerd dat leidend is voor de maatregelen de komende periode (eerste twintig jaar). Bij elke afweging wordt in samenhang gekeken naar bouwkundige kwaliteit, onderhoud (meerjaren), installaties en functionaliteit.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

11/25

4. Flexibiliteit en ruimtegebruik Het streven is om ruimtegebruik van bestaande en nieuwe (permanente) voorzieningen zo optimaal mogelijk vorm te geven, rekening houdend met ontwikkelingen op het gebied van KC-vorming, inclusiever onderwijs en de ontwikkeling van de leerlingenaantallen.

Middelburg 10000

Vlissingen 6000 4000

5000

2000 0

0 202520272029203120332035203720392041 PO

(V)SO

VO

2025 2027 2029 2031 2033 2035 2037 2039 2041 PO

VO

Bovenstaand zijn de leerlingenprognoses met teldatum 1 oktober 2024 opgenomen. De leerlingenprognoses voor de periode 2025 tot en met 2041 laten zien dat de ontwikkeling van het aantal leerlingen in zowel Middelburg als Vlissingen relatief stabiel blijft. Er zijn geen sterke stijgingen of dalingen zichtbaar, wat duidt op een constante bevolkingsontwikkeling in beide gemeenten. In Middelburg blijft het totale aantal leerlingen PO, (V)SO, en VO over de jaren grotendeels gelijk. De grafiek laat zien dat de aantallen slechts licht variëren, maar over het algemeen rond een vergelijkbaar niveau schommelen. Dit wijst erop dat de instroom van nieuwe leerlingen en de uitstroom naar het voortgezet onderwijs in balans zijn. Er is geen sprake van een duidelijke groei of krimp in de schoolpopulatie. Ook in Vlissingen is een stabiel beeld te zien. Het aantal leerlingen in zowel het primair als het voortgezet onderwijs vertoont slechts geringe verschillen tussen de jaren. Hoewel er af en toe kleine fluctuaties voorkomen, blijft het totaal aantal leerlingen tot 2041 overwegend constant. Het uitgangspunt is dat de bevolkingsopbouw en het aantal jonge gezinnen in Vlissingen de komende decennia niet ingrijpend veranderen. Voor zowel gemeente Middelburg als gemeente Vlissingen geldt dat gewerkt wordt aan het toekomstperspectief ‘Zeeland 2050’.

Hierin is onder ander voorzien in een forse bevolkingsgroei door woningbouwontwikkelingen. De impact van deze plannen voor de demografische groei en daarmee de leerlingenontwikkeling is nog niet inzichtelijk. Bij de verdere planvorming blijft een wijkgerichte benadering essentieel. Dit betekent dat er wordt gekeken naar de onderwijsvoorzieningen binnen de verschillende wijken, zodat deze goed aansluiten op de lokale behoefte van leerlingen en ouders. Er zal worden geprobeerd om de projecten te clusteren waar mogelijk om zo min mogelijk overlast te realiseren. Door onderwijsvoorzieningen strategisch te clusteren, ontstaat een samenhangend netwerk van scholen en voorzieningen dat beter inspeelt op de veranderende vraag binnen de wijk. Dit ondersteunt de ambitie om toekomstgericht, duurzaam en efficiënt onderwijsaanbod te blijven realiseren. Ook zal in de verdere planvorming het bewegingsonderwijs worden onderzocht en wordt dit verder toegelicht hoe hier mee om te gaan.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

12/25

Met krimp kan een situatie ontstaan waarbij sprake is van leegstand of ruimteoverschot, wat het optimaal gebruikmaken van ruimten niet ten goede komt. Zo heeft ruimte overschot verschillende gevolgen voor de onderwijshuisvesting, te weten: ▪ ▪ ▪

Ruimtelijk: er wordt minder efficiënt gebruik gemaakt van onderwijsruimten. Financieel: de materiële instandhoudingsvergoeding (vanuit het Rijk) is ontoereikend om de normatief leegstaande lokalen te kunnen bekostigen. Kortom: overschot kost geld. Bedrijfsmatig: voor de opvang zijn gevulde kindplaatsen belangrijk voor de levensvatbaarheid van een locatie, maar ook om kwaliteit te kunnen bieden (bijvoorbeeld interactie tussen kinderen).

GEZAMENLIJK Het uitgangspunt is dat wordt gesproken van ruimteoverschot of leegstand als ‘in oud denken’ meer dan één of twee ruimten (bijvoorbeeld twee lokalen) leegstaan. Overschot tot 55 vierkante meter bvo (ongeveer één lokaal) geeft een school vaak extra flexibiliteit en doet niet af aan de functionaliteit van het schoolgebouw. Dit is de zogenoemde “kwalitatieve frictie”. Indien twee of meer lokalen leegstaan en dit overschot ook de komende jaren aanhoudt, kan het desbetreffende schoolbestuur het gesprek aangaan om zo gezamenlijk met de gemeente, en eventueel andere betrokken organisaties, een integraal en toekomstbestendig plan op te stellen om het ruimteoverschot de komende jaren terug te dringen. Daarbij kunnen ook afspraken gemaakt worden over bijvoorbeeld het avondgebruik van de ruimten. Bij leegstand in avond of weekend wordt - met inachtneming van de eigenheid van de school en binnen wettelijke kaders – gestreefd naar optimaal maatschappelijk gebruik van de ruimte. Hiertoe wordt met het schoolbestuur het gesprek aangegaan. Het is sowieso het geval dat in alle gevallen van leegstand een dialoog tussen gemeente en schoolbestuur plaatsvindt. Bij het opstellen van deze integrale plannen dient rekening te worden gehouden met de toekomstige ontwikkelingen en behoeften op wijkniveau.

Nieuwbouw voor meerdere scholen (samen onder één dak) is hierbij een optie die kan zorgen dat vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten. Dit is geen uitgangspunt, er zal altijd eerst een dialoog aan vooraf gaan. Naast krimp of een stabiele situatie kan sprake zijn van groei bij een bepaalde locatie of in een specifieke kern. Het is belangrijk om op groei te anticiperen bij (vervangende) nieuwbouw of renovatie door aandacht te hebben voor: ▪ Uitbreidingsmogelijkheden: Het streven is, vanuit de onderwijsinhoud, om geen dislocatie te openen, tenzij daartoe beargumenteerd een andere uitspraak gedaan wordt. Dit betekent dat het raadzaam is om bij de planvorming rekening te houden met ruimtelijke mogelijkheden op de hoofdlocatie voor groei en/of uitbreiding zonder dat de uitbreiding het onderwijskundige of opvangconcept te niet doet. ▪ Aanpasbaarheid: Voor vervangende nieuwbouw geldt dat de toekomstige aanpasbaarheid onderdeel is van de wijze om groei op te vangen. Daarbij is aandacht voor het installatieconcept om grote investeringen bij aanpassing (en veranderingen in het binnenklimaat) zo veel mogelijk te voorkomen. Bij sprake van een ruimtetekort in de bestaande situatie wordt volgens verordening gekeken naar de structurele ruimtebehoefte en uitbreidingsbehoefte van de komende jaren.

Multifunctioneel gebruik Het slim en effectief gebruiken van ruimtes in een school gaat verder dan enkel het gebruik door onderwijs of kinderopvang. Door bij vervangende nieuwbouw of renovatie rekening te houden met het multifunctioneel gebruik vervult de onderwijshuisvesting een bredere maatschappelijke functie binnen de wijk. Multifunctionaliteit biedt de mogelijkheid het schoolgebouw na schooltijden of in de avonduren beschikbaar te stellen aan derden. Daarbij is het wel belangrijk om vooraf rekening te houden met de volgende aspecten (ook als de beoogde gebruikers “alleen” onderwijs en opvang betreft):

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

13/25

▪

▪

▪

Compartimentering van het gebouw: Bij nieuwbouw dient rekening gehouden te worden met compartimentering van het gebouw, zodat delen van het gebouw voor andere functies ingezet kunnen worden terwijl andere delen netjes af te sluiten zijn, bijvoorbeeld in de avonduren of in het weekend. Daarbij dient ook gedacht te worden aan het ontwerp en de inrichting van installaties en het beheer. Eigen versus gezamenlijk: Benoem in het Programma van Eisen welke ruimten voor eigen gebruik en welke ruimten voor gezamenlijk gebruik zijn bedoeld. Daarbij is het belangrijk dat tussen de beoogde gebruikers goede afstemming heeft plaatsgevonden over uitgangspunten en afspraken rondom het multifunctioneel gebruik en het beheer van deze ruimten. Afspraken kosten: Het is belangrijk om in een vroeg stadium van het traject afspraken te maken over de verdeling van kosten voor gezamenlijke ruimten. Dit betreft niet alleen onderhoud, maar ook verbruikskosten van gas, elektra, water en schoonmaak.

Per situatie dient bekeken te worden hoe multifunctionaliteit zich verhoudt tot het eigenaarschap van het gebouw en de aard van de organisaties die gebruikmaken van het gebouw. In de praktijk blijkt namelijk dat juist verschillen in de aard van gebruikers – zoals onderwijsvisie, pedagogische stijl of culturele achtergrond – het delen van overschotruimte bemoeilijken. Maak duidelijke afspraken over verwachtingen van het gebruik, inrichting en beheer van de ruimte.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

14/25

5. Gezondheid GEZAMENLIJK Een gezond binnenklimaat Een goed binnenmilieu in scholen heef een positief effect op de gezondheid, leerprestaties en het welzijn van leerlingen en onderwijzend personeel. Bij nieuw- en verbouwplannen is het dus belangrijk om hieraan vooraf eisen te stellen7. De ambitie bij nieuwbouw is om gemiddeld te voldoen aan de kwaliteitsnormen van Frisse Scholen Klasse B en aan de geldende eisen voor opvangvoorzieningen. De gemeenten, schoolbesturen en opvangorganisaties hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om deze ambitie te realiseren. De gemeenten hebben daarbij de verantwoordelijkheid en de financiële verplichting voor het realiseren van een goed binnenklimaat bij nieuwe en te renoveren voorzieningen. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het binnenklimaat in bestaande locaties. Het verbeteren van het binnenklimaat in deze gebouwen is echter moeilijk te realiseren, omdat de daarmee samenhangende kosten voor de schoolbesturen niet te dragen zijn. De opvangorganisaties zijn verantwoordelijk voor het voldoen van de bekostiging via een huurvergoeding van gepleegde investeringen in de gebouwen (voor het deel dat ze gebruiken). Alle betrokken partijen maken samen een beargumenteerde keuze. Bewegen Een ander aspect van gezondheid is het bevorderen van bewegen, juist bij jonge mensen.

Om te komen tot goede leerprestaties en ontwikkeling van kinderen is het belangrijk dat ze voldoende kunnen bewegen in en rond het (school)gebouw. Om kinderen op school tot meer bewegen uit te dagen, moet de schoolomgeving ook als zodanig ingericht worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan brede gangen, hoogteverschillen, klimmuren en glijbanen, maar ook activiteiten die de school organiseert: beweegactiviteiten in de pauze, naschoolse sportactiviteiten en stimuleren dat kinderen lopend of met de fiets naar school komen. Bij een beweegstimulerende schoolomgeving gaat het altijd om een combinatie van fysieke infrastructuur (hardware), activiteiten en begeleiding (software) en organisatie en communicatie (orgware) 8. (Groene) schoolpleinen Een groen schoolplein bij het uitvoeren van (vervangende) nieuwbouw, renovatie, et cetera is het uitgangspunt, want een groen schoolplein levert een gezond schoolplein op. Meer uitdaging op een plein zorgt voor een betere onderlinge sfeer tussen leerlingen. Ze maken kennis met de natuur, zijn beschermd tegen de zon en een groen plein houdt het regenwater beter vast 9. Bij de bestaande locaties wordt de buitenruimte gehandhaafd, maar kan ook gekeken worden naar het “vergroenen” van de pleinen. Voor vervangende nieuwbouw of renovatie wordt de omvang van de buitenruimte nader beschouwd.

Voor de opvang wordt voldaan aan de geldende regelgeving (ook bij bestaande bouw) en voor het onderwijs wordt uitgegaan van de nieuwe verordening. Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto.

7 Bron: RVO: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-08/frisse-scholen-proceshandleiding.pdf 8 Bron: De beweegstimulerende schoolomgeving, Alles over Sport. 9 Bron: IVN: https://www.ivn.nl/aanbod/gezonde-schoolpleinen/

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

15/25

Veiligheid Om tot speel- en leeractiviteiten te komen is het belangrijk dat leerlingen zich veilig voelen. Dat geldt binnen het gebouw maar zeker ook buiten het gebouw op het speelterrein. De drie Walcherse gemeente, schoolbesturen, politie en Openbaar Ministerie hebben hiervoor een convenant Schoolveiligheid opgesteld waarin ze afspraken hebben vastgelegd over het voorkomen en aanpakken van onveiligheid binnen en rondom scholen. Voor toekomstige bouwprojecten kan daarin ook aandacht zijn vanuit sociale en fysieke veiligheid in en rond scholen. Daarbij is ook oog nodig voor het veilig en zelfstandig te voet of met de fiets kunnen komen naar school door leerlingen.

Brede welvaart Binnen de (Rijks)overheid staat de term ‘brede welvaart’ steeds meer op de agenda. Voor een aantal van de visiepunten onder gezondheid zijn niet direct middelen vanuit gemeente en/of schoolbestuur beschikbaar. Binnen de ‘brede welvaart’ gaat het om indicatoren als inkomen, bestaanszekerheid, onderwijs, gezondheid, werk-privé balans, sociale contacten, maatschappelijke betrokkenheid, huisvesting, veiligheid, milieu en subjectief welzijn. De Rijksoverheid is bezig de ‘brede welvaart’ meer te verankeren in haar beleidsmethodiek en verantwoordelijkheid. Ook is de verwachting dat in het komende coalitieakkoord hier meer aandacht voor zal zijn. Wellicht dat ook voor de visiedelen waar nu geen middelen voor beschikbaar zijn, deze via die akkoorden toch verder inhoud kunnen krijgen. Op dit moment is een aantal visiedelen beschreven waarbij de financiering nog geen vorm kent.

GEMEENTE MIDDELBURG Daarnaast kan voor zowel vervangende nieuwbouw als bestaande bouw gekeken worden naar dubbel gebruik van speelruimte rond de school. Bij het implementeren van de visie dient ook rekening te worden gehouden met het nieuwe beleidsdocument Visie op BOSS10 in Middelburg. GEMEENTE VLISSINGEN Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto. Wel kan voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw gekeken worden naar dubbel gebruik van speelruimte rond de school. GEZAMENLIJK Het is aan het schoolbestuur en de opvangorganisaties om de buitenruimte op een interessante wijze vanuit de gezamenlijke pedagogische visie vorm te geven en in te richten.

10 BOSS staat voor Bewegen, Ontmoeten, Sporten en Spelen.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

16/25

6. Duurzaamheid GEZAMENLIJK Met het Klimaatakkoord en vanuit Europese regelgeving wordt het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed steeds belangrijker. Het vastgoed van onderwijs valt ook onder deze categorie. Veelal zijn deze gebouwen gefinancierd met maatschappelijke middelen van overheidswege. Binnen het SHP worden deze gebouwen als overheidsgebouwen aangemerkt en duurzaamheidsambities geformuleerd. Bij ontwikkelingen in de onderwijshuisvesting zijn de volgende kwaliteitsniveaus mogelijk: ▪ BENG: Bijna Energieneutraal Gebouw. BENG is van toepassing op gebouw gebonden energie. De gebruik gebonden energie (zoals smartboards, laden van ICT-apparatuur en keukenfaciliteiten) wordt buiten beschouwing gelaten. De energieprestatie voor BENG-gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van drie eisen: ▪ De maximale energiebehoefte per kWh/m²/jaar; ▪ Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m²/jaar; ▪ Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. Verdere invulling van BENGeisen is terug te vinden op de website van het RVO11. ▪ ENG: Energieneutraal Gebouw. Ook hier draait het om gebouw gebonden energie. De gebruik gebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van de gebouw gebonden energie, nul is.

▪ 0-op-de-meter: Bij een 0-op-de-meter gebouw wordt zowel het gebouw gebonden als het gebruik gebonden energieverbruik gecompenseerd. Het verschil met ENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van het gebouw gebonden en gebruik gebonden energie, nul is. ▪ Aardgasvrij: dit is onderdeel van alle beschreven kwaliteitsniveaus. Vanuit de huidige wet- en regelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)) is het verplicht om een bijna energieneutraal gebouw (BENG) te realiseren en ook dat dit gebouw aardgasvrij is. Het is daarmee de wettelijke taak van de gemeente om BENG te bouwen. In het kader van dit SHP ligt de ambitie hoger dan Bbl en is het uitgangspunt bij nieuwbouw ENG, en wordt aardgasvrij gebouwd. Bij renovatie wordt de ambitie van BENG beargumenteerd benaderd tot het niveau dat te plegen investeringen in verhouding staan tot de opbrengsten. Bij bestaande bouw kan het soms lastig (lees: kostbaar) zijn om alle eisen van BENG te bereiken. Het streven is daarom om beredeneerd te kijken wat er mogelijk is bij de scholen die geen nieuwbouw krijgen en verantwoord is. Voor alle scholen in beide gemeenten zullen ook stopjaren worden opgenomen. De stopjaren geven een indicatie van het jaar waarin een huisvestingsmaatregel aan de orde kan zijn. Voor de schoolbesturen kan dit gebruikt worden om hun meerjaren onderhoudsplannen op af te stemmen.

Hierin worden ook de scholen waar momenteel al vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd meegenomen, op basis van het verwachte jaar van oplevering. Hier zijn echter geen rechten aan te ontlenen. Bij elk bouwproject gaan gemeente en schoolbestuur vooraf in gesprek over het toekomstperspectief van het gebouw. Indien een schoolgebouw vervangende nieuwbouw krijgt op een andere locatie en het bestaande schoolgebouw na teruglevering aan de gemeente gesloopt gaat worden, dan maken gemeente en schoolbesturen passende afspraken over het conditieniveau waarin het schoolgebouw gehouden dient te worden. Dit om te voorkomen dat maatschappelijke middelen in het onderhoud gestoken worden terwijl het gebouw daarna gesloopt gaat worden. De stopjaren kunnen als eerste indicatie gebruikt worden om in gesprek te gaan.

11 https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/nieuwbouw/energieprestatie-beng

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

17/25

Klimaatadaptatie GEMEENTE MIDDELBURG Het klimaat verandert doordat de temperatuur op aarde stijgt. Deze klimaatverandering is inmiddels duidelijk waarneembaar. Daarom zet gemeente Middelburg zich in voor klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is het proces waarbij de samenleving zich aanpast aan het veranderende klimaat, om zo de schadelijke gevolgen ervan te beperken. Het onderwerp klimaatadaptatie raakt aan verschillende andere (beleid)velden. De term ‘leefbaarheid’ kan hieraan gekoppeld worden: niet alleen leefbaar op dit moment, maar ook nog leefbaar over enkele decennia. Belangrijke relaties zijn er onder andere met groenvoorziening, infrastructuur (bovengronds en ondergronds), gebruik en inrichting van de openbare ruimte, inwoners, bedrijven, toeristen, (historische) bebouwing, overstromingsrisico, (regen)wateroverlast, droogte, ongediertebestrijding en gemeentelijk beleid (onder andere de Omgevingsvisie, maar bijvoorbeeld ook het Evenementenbeleid). Het doel op de korte termijn (voor 2025) is om klimaatadaptatie een wezenlijk onderdeel te maken van de investerings-, ontwikkelings-, beheer-, onderhouds- en beleidsprogramma’s, en derden te stimuleren in de Zeeuwse samenwerking.

Het doel op de lange termijn (voor 2050) is om de leefomgeving (waaronder het watersysteem) duurzaam, gezond en veerkrachtig te krijgen, en dit onder andere te doen door bij de scholenbouw rekening te houden met minder verstening en meer groen. GEMEENTE VLISSINGEN In 2040 is Vlissingen een klimaatbestendige gemeente die voorbereid is op weersextremen, wateroverlast, droogte en hitte. Klimaatadaptatie vormt een vanzelfsprekend onderdeel van het omgevingsbeleid en wordt meegenomen in alle ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen. Door samenwerking met inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners zorgt gemeente Vlissingen voor een robuuste, leefbare en aantrekkelijke gemeente, nu én voor toekomstige generaties.12 GEZAMENLIJK Zonnepanelen Naast de bovengenoemde kwaliteitsniveaus kan de school ook energieleverend zijn. Met voldoende dakoppervlak kunnen zonnepanelen worden geplaatst waarmee de school een bijdrage kan leveren aan een energie neutrale wijk. De netcongestie en het vervallen van de salderingsregeling maakt dit straks wel lastiger om een redelijke terugverdientijd te realiseren.

Erkende maatregelen versus Omgevingsdienst Bij situaties die voortkomen uit de Wet Milieubeheer is een spanning tussen de verplichting en de bekostiging. Een schoolbestuur ontvangt geen aanvullende bekostiging om maatregelen die voortkomen uit de Wet Milieubeheer (erkende maatregelen energiebesparing) te financieren. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het realiseren van deze maatregelen, dat is aan de schoolbesturen. Wel heeft de gemeente een toezichthoudende taak in deze. Omdat beide partijen geen aanvullende bekostiging ontvangen is het in de praktijk lastig om tot realisatie van de voorzieningen te komen. Gemeente en schoolbesturen blijven hierover in gesprek.

12 Omgevingsvisie Vlissingen 2040 - Vlissingen in balans | Lokale wet- en regelgeving

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

18/25

ZEB (Zero Emission Building) Voor publieke gebouwen, waaronder schoolgebouwen, wordt voor (vervangende) nieuwbouw13 vanaf 1 januari 2028 het verplicht om te voldoen aan ‘Zero Emission Building’14. De exacte definitie van een ZEB-gebouw is nog niet uitgewerkt voor de Nederlandse context. Vanwege de reikwijdte van een SHP (periode van 16 jaar) is het wel noodzakelijk om een tussentijdse werkdefinitie op te nemen om te anticiperen op deze toekomstige regelgeving. Vanuit de huidige wet- en regelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)) is het verplicht om een bijna energieneutraal gebouw (BENG) te realiseren en ook dat dit gebouw aardgasvrij is. Daarnaast is het een goed gebruik om in een SHP te streven naar een energieneutraal gebouw (ENG) dat ook aardgasvrij is. Een ZEBgebouw is op hoofdlijnen te definiëren als een ENG-gebouw dat ook aardgasvrij is, met dien verstande dat het energieverbruik ook laag moet zijn. De ZEB-regelgeving stuurt op reducties van emissies door energie-efficiëntie én dat op de gebouwlocatie géén emissies uitgestoten mogen worden. ZEB gaat daarbij alleen om de gebouwgebonden energie en nog niet over de gebruikgebonden energie.

Het emissievrije wordt in de regelgeving (EPBD IV) omschreven als: ‘Emissievrije gebouwen zullen ook de flexibiliteit van het elektriciteitsnet ondersteunen, door het bieden van gedecentraliseerde opwekking van hernieuwbare energie op huishoudens- of gemeenschapsniveau, opslag van elektrische en thermische energie, betere vraagrespons en slim opladen, waardoor de vraag zal afnemen en zal worden bijgedragen aan het totale energienetwerkaanbod.’. Concreet betekent dit dat een gebouw niet volledige energieneutraal hoeft te zijn maar wel een laag energieverbruik moet hebben zonder fossiele uitstoot. In andere woorden: weinig energieverbruik en waar mogelijk een gebalanceerd systeem van energie op de eigen locatie. Op dit moment is het advies om voor (vervangende) nieuwbouw uit te gaan van ENG en aardgasvrije gebouwen. Hieraan wordt verder het uitgangspunt toegevoegd van passiefbouwen (installatiearm bouwen) en het toepassen van energiezuinige apparatuur. In het ontwikkelproces van gebouwen is dat het ontwerpen een gebouw A0 (emissievrij) en vroegtijdig slimme keuzes aan het ontwikkelproces toe te voegen, waarbij gedacht kan worden aan: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Passiefbouwen; Isoleren, isoleren en isoleren; Toepassen van een water-water warmtepomp; Nadenken over oriëntatie van het gebouw en positionering van ruimten; Toepassen van groen rondom een gebouw ter voorkoming van hitte rondom de gevel; Slim toepassen van vormfactoren die van invloed zijn op energieverbruik; Het slim compartimenteren van deelgebruik; Het toepassen van laag temperatuurverwarming; Het toepassen van ‘Phase Changing Materials’ (PCM) in de luchtbehandeling (eerste ervaring leren dat dit een enorme energiebesparing oplevert); Et cetera (meer opties zijn denkbaar of worden door de markt ontwikkeld).

Een aandachtspunt bij de uitwerking van een ZEB-gebouw vormt de netcongestie. Het advies is om vroegtijdig te inventariseren welke mogelijkheden er zijn binnen het elektriciteitsnetwerk. Netcongestie verlangt op gebouwniveau een grote reductie van de energiebehoefte (c.q. belasting van het netwerk). In het gehele ontwikkelproces van het Programma van Eisen (PvE) tot en met ontwerp en uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.

13 Uiteindelijk zullen ook de eisen voor bestaande gebouwen en daarmee bij renovatie van toepassing zijn. Het wanneer en de eisen zijn op dit

moment nog onbekend. 14 De bron van deze verplichting komt voor uit de EPBD-IV (Energy Performance Building Directive 4) (EU/2024/1275) en is aangenomen in mei 2024.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

19/25

7. Type maatregelen binnen SHP GEZAMENLIJK Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het SHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen gepleegd worden. In het SHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het SHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: ▪ ▪

▪ ▪ ▪

(Vervangende) nieuwbouw Renovatie ─ 40 jaar levensduurverlengend ─ 25 jaar levensduurverlengend Positie herschikken In stand houden Afstoten

Per scenario wordt hieronder een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren. In beginsel is het schoolbestuur bouwheer tenzij gemeente en schoolbestuur anders overeenkomen. Normbedragen onderwijshuisvesting De normbedragen die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hanteert voor onderwijshuisvesting sluiten al geruime tijd niet meer aan op de actuele bouwprijzen. Om dit knelpunt te ondervangen, is in dit Strategisch Huisvestingsplan (SHP) bewust gekozen voor het hanteren van realistische, marktconforme bouwprijzen, gebaseerd op kengetallen van ICSadviseurs.

Maatregel 1: (Vervangende) Nieuwbouw Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan waarvoor in het SHP een noodzaak tot vervanging wordt aangetoond. Deze gebouwen krijgen binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw met een levensduur van 40 jaar. Spelregels SHP – (vervangende) nieuwbouw Voor de oplossingsrichting (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ Een haalbaarheidsonderzoek dient aan te tonen of nieuwbouw een beter alternatief is voor levensduurverlengende renovatie (als daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context). ▪ Het haalbaarheidsonderzoek wordt in gezamenlijkheid door gemeente en schoolbestuur uitgevoerd om eenzijdige sturing te voorkomen. ▪ De gemeente is verantwoordelijk voor de vigerende wettelijke bekostiging, momenteel BENG, en gemiddeld Frisse Scholen klasse B. Per project wordt gekeken of en op welke wijze hogere duurzaamheidsambities worden gerealiseerd. Voor het budget wordt uitgegaan van realistische investeringsbedragen. ▪ Het schoolbestuur kan bijdragen om hogere duurzaamheidsambities te realiseren (bijvoorbeeld met de stap van BENG naar ENG). ▪ Het schoolgebouw wordt aardgasloos gerealiseerd.

▪ Een haalbaarheidsonderzoek, met daarin maatregelen met een rendabele terugverdientijd in de exploitatie (passend binnen het Onderwijsaccountsprotocol), moet aantonen of hogere

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

20/25

▪ ▪

duurzaamheidseisen haalbaar zijn. Het opstellen van dit haalbaarheidsonderzoek is onderdeel van het bouwproces. Er wordt een klimaatscan uitgevoerd om te beoordelen welke klimaat adaptieve maatregelen er mogelijk zijn. De omschreven ambities voor flexibiliteit, inclusie en circulariteit dienen bij nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget.

Het realiseren van uitbreiding bij een schoolgebouw is een variant van nieuwbouw. Vaak gaat het hier om kleinere projecten waardoor het bedrag voor nieuwbouw kan oplopen (afhankelijk van de grootte). Bij een dergelijke kleine uitbreiding is het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw leidend. Mocht het duurzaamheidsconcept van het bestaande gebouw minder zijn dan BENG, dan wordt er gestreefd naar minimaal BENG.

Maatregel 2: Levensduurverlengende renovatie Voor levensduurverlengde renovatie gelden twee varianten. Deze zijn: 2A: Levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar. 2B: Levensduurverlengende renovatie met een scope van 25 jaar. 2A: levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar Deze ingreep wordt beschouwd als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Hierbij wordt het bestaande gebouw aanzienlijk verbeterd, met als doel de levensduur met minstens 40 jaar te verlengen. Tegelijkertijd wordt het gebouw duurzamer en vereist het minder onderhoud. Daarnaast wordt ook een adequaat binnenklimaat meegenomen volgens de vereisten van gemiddeld Frisse Scholen klasse B. Omdat levensduurverlengende renovatie als een gelijkwaardig alternatief wordt beschouwd, worden dezelfde doelstellingen nagestreefd als bij nieuwbouw. Bij levensduurverlengende renovatie wordt gekeken naar: ▪ ▪ ▪ ▪

Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (waaronder flexibiliteit, multifunctionaliteit, inclusiever onderwijs en aansluiten onderwijs- en kinderopvangconcept). Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen. Ruimtelijke staat. Verduurzaming van het gebouw (benaderen ambitie ENG).

Spelregels SHP - levensduurverlengende renovatie met een scope van 40 jaar: ▪ ▪ ▪ ▪

▪

Een businesscase toont of nieuwbouw een beter alternatief is dan levensduurverlengende renovatie, wanneer daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context. De gemeente en het schoolbestuur stellen gezamenlijk de businesscase op om te voorkomen dat er eenzijdige sturing plaatsvindt. De bijdrage vanuit de gemeente en aanvullende bijdrage vanuit het schoolbestuur is vergelijkbaar met de spelregels voor nieuwbouw. Er wordt gerekend met één investeringsbedrag voor zowel levensduurverlengende renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor levensduurverlengende renovatie vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een levensduurverlengende renovatie bekostigd kan worden. In het afwegingskader binnen de businesscase dienen de volgende afwegingen ten grondslag te liggen aan de motivatie om te kiezen voor levensduurverlengende renovatie in plaats van nieuwbouw: ─ Het gebouw heeft een goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit. ─ Het gebouw heeft verschillende bouwdelen. ─ Het gebouw heeft een hoge boekwaarde. ─ De exploitatie vormt geen probleem.

2240443/20251106 | www.icsadviseurs.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16592516/1