Bijlage 1. Onderwijsachterstandenbeleidsplan 2023-2026
Tekst van het document
2023-2026
LOKAAL EDUCATIEVE AGENDA DE OPTIMALE ONTWIKKELING VOOR ALLE KINDEREN
GEMEENTE MIDDELBURG
Onderwijsachterstandenbeleid 2023-2026
Inhoud 1. Inleiding……………………………………………………………………………………………………….2 1.1 Wettelijke opdracht ...................................................................................... 2
Inhoud
1.2 Evaluatie beleidsperiode 2019-2022 ............................................................ 2 2. Nieuw beleidsplan ......................................................................................... 7 2.1 Inleiding ........................................................................................................ 7
Inhoud
2.2 Situering onderwijsachterstandenbeleid...................................................... 7 2.3 Hoofddoel ..................................................................................................... 7 2.4 Resultaatafspraak ......................................................................................... 7
Inhoud
2.5 Uitgangspunten nieuw beleid…………………………………………………………………….8 3. Uitwerking nieuw beleid ............................................................................... 10 3.1 Deelname doelgroeppeuters ...................................................................... 10 3.2 Bestrijden achterstanden op locaties met hoge aantallen doelgroepkinderen .......................................................................................................................... 10 3.3 Ouderbetrokkenheid .................................................................................. 12 3.4 Doorgaande ontwikkeling en overdracht ................................................... 13 3.5 Samenwerking professionals ...................................................................... 12 3.6 Gezamenlijke zorgstructuur……………………………………………………..………………13 4. Aanpak ......................................................................................................... 14 4.1 Wijze waarop .............................................................................................. 14 4.2 Coordinatie ................................................................................................. 15 4.3 Begroting en uitwerking ……………………………………………………………..............16
1
a.
1. Inleiding
b.
1.1 Wettelijke opdracht In de Wet op het Primair Onderwijs1 heeft het college een aantal directe opdrachten gekregen rond de organisatie van voorschoolse educatie en het bestrijden van onderwijsachterstanden. In dit beleidsplan is opgenomen op welke wijze de gemeente Middelburg, tezamen met de GGD, de kinderopvang en schoolbesturen het onderwijsachterstandenbeleid vorm geeft. Dit beleid is gericht op bestrijding en voorkoming van taalachterstanden. Daarbij kan een uitsplitsing gemaakt worden in: Voorschoolse educatie (VE): gericht op peuters in de leeftijd 2 -4 jaar. Hiervoor is de gemeente verantwoordelijk. Vroegschoolse educatie: gericht op kleuters in de leeftijd 4-6 jaar. Hier is het bevoegd gezag van het onderwijs (schoolbesturen) voor verantwoordelijk. Daarnaast kunnen Kinderopvang, onderwijs en gemeente ook tot andere afspraken komen ter bestrijding van taalachterstanden, mits die binnen de kaders van artikel 158-160 van de Wet op het Primair Onderwijs en de daaruit vloeiende besluiten vallen. Aangezien er per 1 januari 2023 een nieuwe onderwijsachterstandsperiode is ingegaan, is het een goed moment om het bestaande beleid te evalueren en te verversen.
Door de coronaperiode is er een verstoring geweest in de geplande aanpak en uitkomsten van het beleid. Een aantal voorgenomen interventies is onderbroken, gestopt, of vertraagd. Door personeelstekorten in het onderwijs en de opvang konden niet alle voorgenomen acties uitgevoerd worden. Dit aspect zal met name een factor van belang worden in de nieuwe beleidsperiode!
Doelstellingen In het plan zijn de volgende doelstellingen opgenomen: 1.
Alle peuters hebben de mogelijkheid deel te nemen aan een voorschools aanbod.
Hiervoor is de subsidieregeling aangepast en alle kinderopvang aanbieders de mogelijkheid geboden gesubsidieerde peuterplekken te bieden. Daarmee is de mogelijkheid tot een gesubsidieerd aanbod verruimd. Het gaat dan om twee vormen van aanbod: a. Een gesubsidieerde peuterplek van 8 uren per week voor de peuters die geen taalachterstand hebben; b. Een gesubsidieerde peuterplek van 16 uren voor peuters met een taalachterstand. De vraag is uiteraard of hierdoor ook meer peuters gebruik zijn gaan maken van het aanbod. Het simpele antwoord daarop is ja. De reden waarom is anders dan verwacht. Op grond van de oude subsidieregeling werd een subsidie verstrekt aan Kinderopvang Walcheren en Madelief. De verwachting was dat andere aanbieders in de stad met de nieuwe regeling ook gesubsidieerde peuterplaatsen zouden aanbieden, maar dat is niet gebeurd. De verklaring hiervoor is tweeledig: Om voor een subsidie in aanmerking te komen moet de kinderopvangorganisatie geregistreerd staan als VE locatie (voorschoolse educatie) in het landelijk register kinderopvang. Daar zitten zwaardere verplichtingen aan. Niet alle kinderopvangorganisaties willen dat.
1.2 Evaluatie beleidsperiode 2019-2022 In de evaluatie is gekeken naar de doelstellingen in het beleidsplan 2019-2022. Daarnaast is gekeken naar de aanpak die in de beleidsperiode is gevolgd die anders was dan de voorgaande periode en ook anders is dan de meeste andere gemeenten in Nederland. Daarbij dient vooraf een winstwaarschuwing gegeven te worden om de volgende redenen:
1 Zie voor de concrete opdracht de artikelen 158 t/m 162 in de Wet op het Primair Onderwijs en de
kaders vanuit de onderwijsinspectie
2
-
De ouders van de betreffende kinderopvangorganisaties hebben geen behoefte aan een gesubsidieerde plek. Zij betalen de kosten zelf of gedeeltelijk zelf. Een deel van de kosten wordt mogelijk gecompenseerd met de kinderopvangtoeslag. Ten aanzien van de aantallen kinderen is er toch wel een toename van het aantal peuters dat deelneemt aan het peuteraanbod. Zie hiervoor onderstaande tabel, waaruit blijkt dat het jaarlijkse aantal deelnemende peuters stijgt. Dat geldt ook voor de peuters met een VE (voorschoolse educatie) indicatie2.
-
Jaar 2020 2021 2022
Met toeslag WKO3 Met VE zonder VE 50 284 46 299 54 325
Zonder toeslag WKO Met VE Zonder VE Totaal Aantal VE peuters 97 137 568 147 106 170 621 152 106 168 653 160
-
De conclusie is dan ook dat er een gesubsidieerd aanbod voor alle (VE geïndiceerde) peuters gerealiseerd is en dat het gebruik is toegenomen. De gestage groei van deelnemende peuters zien we vooral bij Kinderopvang Walcheren. Een reden kan zijn dat zij vaak gekoppeld zijn aan de scholen, waardoor het voor ouders logisch is de peuter ook al aan te melden. Opvang en onderwijs vorm een geïntegreerd educatief aanbod. 2.
voorschools aanbod gaan. Op grond van die cijfers gaat ruim 73% van de doelgroeppeuters naar een VE plek. Het gaat dan om 69 deelnemende peuters aan VE ten opzichte van 94 peuters met een verwijzing Cijfers van de kinderopvangorganisaties over het aantal VE geïndiceerde peuters dat op een VE plek zit. In 2022 zaten er binnen de gesubsidieerde kinderopvangorganisaties 160 unieke kinderen met een VE indicatie. Dit aantal is moeilijk te rijmen met het aantal geïndiceerde peuters dat de GGD in het systeem heeft staan. Ervaringen van de basisscholen met betrekking tot het aantal peuters dat begint op de basisschool zonder naar een peutergroep of kinderopvang te zijn geweest. Uit de evaluatie blijkt dat dit aantal niet groot is. Exacte cijfers zijn niet bekend, omdat dit niet consequent gemeten wordt. Aantal peuters in de gemeente Middelburg. Dat zijn er op peildatum 1 januari 2023 999. Op grond van een landelijk percentage van ca 15%, zouden er ongeveer 150 doelgroeppeuters in Middelburg moeten zijn.
Het blijft appels met peren vergelijken. De aantallen peuters met een VVE indicatie wordt door de GGD op een bepaald moment gemeten, maar op de peutergroepen zitten kinderen die al eerder een VE indicatie gehad hebben, bijvoorbeeld een jaar eerder. Het bereik van de doelgroeppeuters blijft dus een moeilijk verhaal. Om die reden is in 2022 Zeeuws breed dan ook de peutermonitor aangeschaft waar de aantallen geïndiceerde peuters en de aantallen daadwerkelijke VE peuters in één systeem ingevoerd worden. De eerste resultaten worden verwacht in Q2 van 2023.
Alle peuters met een geconstateerde taalachterstand maken gebruik van een voorschools educatief aanbod.
Dit is een directe opdracht uit de Wet: zorg dat kinderen met een taalachterstand een extra aanbod voorschoolse educatie krijgen. Het streven is dat alle peuters met een indicatie naar een voorschoolse plek gaan. In het beleidsplan was een concreet streven om minstens 80% van de geïndiceerde peuters te bereiken. Om te meten of die doelstelling behaald is, wordt gekeken naar de volgende vier databronnen: De metingen van de GGD. Uit het systeem van de GGD kan het aantal peuters gefilterd worden dat een VE indicatie heeft gekregen. Daarnaast houdt de GGD bij hoeveel peuters hiervan ook daadwerkelijk naar een
3.
Taalachterstanden voor kinderen in de leeftijd 2-12 jaar wegwerken Er is een kwalitatief goed voorschools aanbod, zodat kinderen goed starten op de basisschool.
Naast de bestaande kwaliteitseisen op grond van de Wet op de Kinderopvang heeft de gemeente bij aanvang van de beleidsperiode een aantal extra eisen gesteld aan het peuteraanbod. Het gaat dan vooral om de samenwerking tussen
2 Een indicatie vanuit het consultatiebureau dat een peuter een (potentiele) taalachterstand heeft.
3 WKO: Wet op de kinderopvang
Met deze indicatie kan de peuter extra uren voorschoolse educatie (VE) krijgen.
3
opvang en onderwijs, de verplichting dat de opvanglocaties VE geregistreerd zijn, de verplichting dat er pedagogische coaches/beleidsmedewerker ingezet worden en dat er opbrengstgericht gewerkt wordt. Deze eisen zijn in de loop van de beleidsperiode grotendeels in wetgeving opgenomen. De gesubsidieerde kinderopvangorganisaties voldoen aan deze eisen. Doorkijkend naar de komende beleidsperiode is het niet nodig de kwaliteitseisen te verhogen. Gezien de te verwachten personeelstekorten is handhaving van de bestaande wettelijke kwaliteit de hoogste prioriteit. 4.
5.
Kinderen volgen een doorgaande ontwikkelingslijn, waarin in de hele keten afstemming is over de behoefte van de kinderen en sprake is van een goede overdracht.
In de gehele evaluatie is één van de belangrijkste positieve ontwikkelingen de doorgaande ontwikkeling van 2-12 jaar en de samenwerking tussen de kinderopvang en het onderwijs. Peutergroepen en het basisonderwijs zijn in de wijken met de meeste onderwijsachterstanden al samengevoegd onder één dak. In het beleidsplan was de verplichting opgenomen dat de locatieplannen en het daaraan gekoppelde budget in gezamenlijkheid tot stand zouden komen. Dit heeft tot verdere intensivering van de samenwerking geleid. De middelen zijn o.a. ingezet voor extra uren voor de kinderopvang voor overleg met onderwijs en voor OAB coördinatoren die de voor de doorgaande lijn zorgen. Op alle locaties worden de doelgroepkinderen nu “warm” overgedragen van peuter- naar kleutergroep.
De betrokkenheid van ouders wordt bevorderd.
In de locatieplannen zijn verschillende vormen van ouderbetrokkenheid opgenomen. Het gaat dan om de betrokkenheid van de ouder bij de ontwikkeling op school, maar ook bij de ontwikkeling van de kinderen thuis. Met name op de laatste variant is de nadruk gelegd in het beleidsplan. Verschillende interventies zijn ingericht, zoals de ouderkamers, huisbezoeken, themabesprekingen, ouderbijeenkomsten e.d. Daarnaast is de Zeeuwse bibliotheek gestart met een pilot rond het thema ouderbetrokkenheid met de interventie Voorleesexpress. Het TEC4 biedt alle ouders inzicht in het Nederlandse onderwijssysteem, zodat zij weten wat er op school gebeurt en wat ouders en school in Nederland van elkaar verwachten. Ouders krijgen de thema’s en lesmateriaal mee, zodat zij weten waar hun kinderen mee bezig zijn. In de praktijk is het moeilijk te meten wat de effecten van de acties zijn. Ondanks dat een aantal voorgenomen interventies geen doorgang heeft kunnen vinden door corona en personeelstekorten, zijn de ervaringen rond de ouderbetrokkenheid positief. Op locaties in Dauwendaele wordt veel waarde gehecht aan de huisbezoeken, waardoor een basisvertrouwen met de ouders wordt opgebouwd en een beter beeld van de thuissituatie van de leerling ontstaat. Op het TEC leidt de eerste kennismaking met de Nederlandse onderwijscultuur tot vele positieve reacties.
In de verschillende culturen wordt anders naar de rol van de school en die van de ouder gekeken. Het is dan van belang daar direct duidelijk in te zijn. De scholen die samenwerken met de bibliotheek zijn enthousiast over de Voorleesexpress en de directe toegang en invloed die zij daarmee hebben op de betrokkenheid van de ouder achter de voordeur.
6.
De zorgstructuur van de kinderopvang en het onderwijs sluit aan op de gemeentelijke zorgstructuur.
Op alle locaties is een zorgteam ingericht dat eventuele ontwikkelingsproblemen bespreekt. In de meeste gevallen wordt die basis gevormd door de basisschool en sluit de kinderopvang daar bij aan. Eventuele doorverwijzingen richting ( preventieve) jeugdhulp worden echter niet gezamenlijk gedaan, maar per organisatie. Zo zullen vraagstukken rond peuters door de kinderopvang intern worden aangepakt en dat geldt ook voor de scholen. Op grond van de interne afwegingen wordt contact gezocht met de gemeentelijke zorgstructuur. In de loop van de beleidsperiode is er een beleidsmedewerker onderwijs/jeugd benoemd. Bij de vorming van het huidige college is zowel onderwijs als jeugdzorg ondergebracht bij dezelfde wethouder. Hierdoor is de samenwerking verbeterd en ontstaan er steeds meer voorbeelden van ontschotting. De boodschap van de scholen aan de gemeente voor de inzet van de gemeentelijke middelen van het Nationaal Programma Onderwijs was duidelijk: ‘investeer in de aansluiting onderwijs en zorg’. Naar aanleiding hiervan zijn 2 medewerkers vanuit de gemeentelijke toegang in september 2022 gestart als intermediair onderwijs en
4 TEC: Taal Expertise Centrum.
4
jeugd en vindt er vanaf 1 januari 2023 een grote uitbreiding en aanvulling plaats in de preventieve jeugdhulp t.b.v. de scholen en kinderopvang. Overige zaken rond de evaluatie Aanpak In het beleidsplan is gekozen voor verschillende vormen van aanpak van problematiek: a. Locaties met veel achterstanden. In de praktijk waren dat de scholen en opvanglocaties in Dauwendale, Zuid en Stromenwijk. Deze locaties kregen veruit de meeste middelen. Zij bepaalden vooraf middels een locatieplan waar de hoogste prioriteiten lagen en welke aanpak zij daarvoor kozen. Begeleiding van deze locatieplannen werd uitgevoerd door de gemeente. b. Locaties met minder achterstanden. Dit waren de overige wijken. De budgetten voor deze locaties waren beduidend lager. De gezamenlijke scholen en opvanglocaties konden een aantal gezamenlijke acties uitvoeren en dit vastleggen in een zgn. wijkplan. Begeleiding hiervan werd uitgevoerd door RPCZ. c. Locatie TEC. Door de aparte, unieke samenstelling van de doelgroep is het TEC apart gesubsidieerd. Vooraf is het hoofdthema van de aanpak bepaald. Dit was de ouderbetrokkenheid.
-
-
Beide scholen hebben de afgelopen beleidsperiode de subsidie wel 5050 verdeeld. Vanuit Magistraal wordt dit als disproportioneel gezien. Vanuit Cypressenhof wordt gewezen op de aantallen kinderen met een achterstand die de school heeft. De discussie gaat dus over aantallen achterstandskinderen VS dichtheid van de achterstand. De gemeente is gevraagd hierover een besluit te nemen. De verschillende locaties in de wijken opereren alleen en hebben geen onderling overleg. Wellicht vinden zij allemaal hetzelfde wiel uit zonder dit te weten van elkaar. Een jaarlijkse intervisie bijeenkomst wordt hierin gemist. De gemeente zou hier een leidende rol in kunnen spelen. Zie ook de eerstgenoemde kanttekening. Het bepalen van de resultaten van alle acties en interventies en het meten daarvan is moeilijk gebleken. Het causale verband tussen en activiteit en progressie van een (groep) leerling(en) is niet gelegd, hoewel dat voornemen er wel was. In het nieuwe beleidsplan behoeft dit aandacht.
Ad b: De locaties met minder achterstanden vielen in het beleidsplan 2019-2022 buiten de wijken Zuid, Stromenwijk en Dauwendaele. De overige wijken kregen een wijkbudget om gezamenlijk in te zetten. Dit is met wisselend succes gebeurd. In de wijken met één school/opvang locatie, zoals in Nieuw- en St. Joosland en De Griffioen was een wijkplan geen probleem. In Arnemuiden werd het al gecompliceerder met verschillende scholen. Daar was men tevreden over de samenwerking tussen de scholen die in de loop van de beleidsperiode is ontstaan. Er is echter ook een aantal verbeterpunten geconstateerd, zoals een betere monitoring van resultaten en opvolging van logopedische adviezen. In de wijk Noord is er geheel niets van de grond gekomen en is het budget ook niet besteed.
Ad a: bij de locaties met een locatieplan is veel enthousiasme over de gekozen aanpak van Middelburg. Opvang en onderwijs zijn blij met het vertrouwen dat zij krijgen, de flexibiliteit van de inzet van het budget en de middelen die hieraan gekoppeld zijn. Zowel vanuit de schoolbesturen en- directies als het management van de kinderopvang wordt bepleit om de ingezette aanpak en structuur voort te zetten. Hierbij worden ook een paar kanttekeningen geplaatst: De begeleiding vanuit de gemeente was prettig, omdat de gemeente onafhankelijk opereert en het proces in de gaten hield. Die begeleiding is echter gedurende de beleidsperiode afgebouwd en gestopt. Dit werd uiteindelijk gemist. Op de locatie Zuid zitten twee scholen en één kinderopvanglocatie onder één dak. Op beide scholen zijn de verhoudingen niet gelijk. Cypressenhof heeft in verhouding - aantal kinderen met een achterstand VS kinderen zonder achterstand- minder problematiek dan Magistraal.
Ad c: Het TEC bekleedt in het onderwijsachterstand beleid een aparte positie. Het is het eerste contactmoment tussen onderwijs en kinderen en ouders die nieuw in Nederland komen. Alle kinderen op de school vallen dus onder de doelgroepdefinitie. Het is ook een Walcherse voorziening. De focus bij het TEC ligt op de Nederlandse taalontwikkeling en de introductie van het Nederlandse onderwijssysteem. Naast het aanbod van een taalbad van een jaar kan het TEC ook ingezet worden voor expertisedeling. De ervaring op de taalontwikkeling die opgedaan is, kan ook ingezet worden binnen de Middelburgse scholen. Enkele
5
scholen hebben de weg naar het TEC al gevonden, maar er wordt nog niet structureel gebruik van gemaakt. De zomerschool In de afgelopen jaren is in Middelburg de zomerschool georganiseerd. Het doel van de zomerschool is doelgroepleerlingen in de zomervakantie gedurende 3 weken extra onderwijstijd te bieden om daarmee eventuele achterstanden te beperken. Aan de laatste zomerschool hebben 140 kinderen, waaronder 12 peuters, deelgenomen. Het enthousiasme van de kinderen, ouders en professionals was groot en er is veel motivatie de zomerschool te continueren. Het aanbod in de zomerschool is van goede kwaliteit. Dat blijkt uit de inzet van professionals en een weloverwogen programma. In de evaluatie van de zomerschool is aangegeven dat alle leerlingen hun persoonlijke leerdoelen gehaald hebben, maar het is niet duidelijk wat die doelen zijn. In de komende zomerscholen zullen de resultaten van 3 weken extra onderwijstijd een meer prominente plek krijgen.
6
2. Nieuw beleidsplan
-
2.1 Inleiding Op grond van de evaluatie zal de opzet van de het onderwijs achterstanden beleidsplan in grote lijnen hetzelfde blijven als het voorgaande beleidsplan. Deze grote lijnen worden in dit beleidsplan geschetst. Vervolgens wordt de concretisering van het beleid uitgewerkt in documenten, zoals de subsidieregelingen, samenwerkingsovereenkomsten met de GGD e.d. De meest concrete vorm van afspraken zal vastgelegd worden in de verschillende locatie/wijkplannen en de besluitvorming daarop middels een subsidiebeschikking. 2.2 Situering van het onderwijsachterstandenbeleid Het onderwijsachterstandenbeleid is gericht op een specifieke doelgroep: het kind met een achterstand in de Nederlandse taal. Het doel is die taalachterstand weg te werken, zodat deze kinderen gelijke kansen binnen het Nederlandse onderwijs systeem krijgen hun (didactische) potentieel te ontwikkelen. De taal is daar een belangrijke sleutel voor. Daarmee valt het onderwijsachterstanden beleid onder de bevordering van gelijke ontwikkelingskansen. In de lokale en regionale agenda’s die de gemeente Middelburg (mede) wil opstellen in de komende beleidsperiode, zal het gelijke kansen beleid een belangrijke plek krijgen.
Een kwaliteit sterk voorschools aanbod leveren voor alle peuters in de leeftijd van 2 tot 4 jaar en extra uren voor kinderen met een (potentiele) taalachterstand. Extra mogelijkheden bieden om het aanbod voor kinderen met een taalachterstand in de leeftijd van 2 tot 13 jaar te versterken. Dat kan op verschillende manieren: o De kwaliteit van het aanbod te verbeteren of intensiveren, bijvoorbeeld door tutoring, pre-teaching, taalklassen, of scholing van professionals. o De kwantiteit van het aanbod te verhogen, bijvoorbeeld door een zomerschool, of buitenschools taalaanbod. o De structuur om de leerlingen heen te verstevigen, bijvoorbeeld door de doorgaande leerlijnen te verbeteren, de ouderbetrokkenheid te vergroten of door de samenwerking tussen professionals te verbeteren.
2.4 Resultaatafspraak Uit de evaluatie van het voorgaande beleidsplan is gebleken dat, ondanks alle goede voornemens, het heel lastig is de resultaten van alle interventies te meten en te volgen. Daarnaast is het erg lastig gebleken een causaal verband te leggen tussen de activiteit en eventuele progressie van de leerling. In het nieuwe beleidsplan willen we daarom aan de voorzijde van elke activiteit en interventie de kwaliteit waarborgen. Daarom dient alles dat uitgevoerd wordt bewezen effectief te zijn en uitgevoerd door daarvoor geschoolde professionals met erkende methodes. Wat niet bewezen effectief is, zal wetenschappelijk gevolgd moeten worden. Alle activiteiten en interventies die voortvloeien uit dit plan moeten een resultaat opleveren5. In het voorgaande beleidsplan werd per locatie een algemeen resultaat beschreven en per interventie/actie een concreet resultaat. In het voorliggende beleidsplan is een algemene resultaatafspraak vastgesteld voor de gesubsidieerde activiteiten die betrekking hebben op de doelgroepkinderen (vooral in de voor- en vroegschool), nl:
2.3 Hoofddoel van het onderwijsachterstandenbeleid De taal is, zoals gezegd, de sleutel naar optimale ontwikkelingsmogelijkheden op school en in de maatschappij. Lezen, schrijven en begrijpen van de Nederlandse taal is essentieel, maar niet voor alle leerlingen vanzelfsprekend. In het onderwijsachterstandenbeleid willen we alle Middelburgse kinderen in de leeftijd van 2 tot 13 jaar die de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig zijn extra ondersteunen. Dit doen we op de volgende wijze:
5 Het maken van resultaatafspraken is een rechtstreekse verplichting vanuit de Wet op het Primair
Onderwijs, artikel 160, lid 1 sub b.
7
Alle doelgroepkinderen maken jaarlijks op taalgebied een meer dan gemiddelde groei door. d. Meten van resultaten Bij alle actie en interventie wordt vooraf vastgesteld welke resultaten bereikt moeten worden. Ook wordt vooraf bepaald hoe deze resultaten gemeten worden. Dit uitgangspunt wordt alleen losgelaten, wanneer dit aantoonbaar niet mogelijk is.
In de concrete plannen worden per interventie en activiteit ook nog concrete resultaatafspraken gemaakt. 2.5 Uitgangspunten nieuwe beleid Voor de beleidsperiode 2023-2026 is een aantal uitgangspunten vastgesteld die de basis vormen voor de concrete acties en interventies en die consequent in alle acties, interventies, regelingen en afspraken worden doorgetrokken
e. Het aanbod is van hoge kwaliteit Bij alle acties en interventie wordt gekeken naar een hoge kwaliteit als voorwaarde van effectieve inzet. Hoge kwaliteit zit bijvoorbeeld in erkende methodes, bewezen interventies of professionele begeleiding.
a. Preventie Alle acties en interventies worden zo vroeg mogelijk ingezet. De nadruk ligt dus op de leeftijd 2-4 jaar (voorschools) en op de momenten dat leerlingen voor het eerst in Nederland komen. Interventies op de basisscholen worden ingezet in de volgende volgorde van prioritering: vroegschools, onderbouw, middenbouw en tenslotte bovenbouw.
f. Maatwerk Voor alle acties en interventies wordt gekeken naar de situatie per locatie en de specifieke behoeften van kinderen op die locatie. Er wordt dus maatwerk geleverd.
b. Inzet waar nodig Acties worden vooral ingezet op kinderen die onvoldoende mogelijkheden krijgen hun potentieel te ontwikkelen. Er wordt daarom vooral gefocust op de locaties waar de achterstand het grootste is. Om deze achterstand te bepalen wordt uitgegaan van objectieve criteria. In de beleidsperiode 2023-2026 wordt gekeken naar de achterstandsscores6 met drempel van de onderwijslocaties. In de afwegingen om interventies in te zetten wordt dus gekeken naar locaties waar de achterstandsscores het grootst zijn. Daarbij wordt niet gekeken naar aantallen kinderen met een achterstand, maar naar de achterstandsdichtheid op een locatie.
g. De vraag is leidend, niet het aanbod. Bij alle acties en interventies wordt eerst gekeken naar het specifieke probleem dat aangepakt wordt (zie ook uitgangspunt maatwerk). Vervolgens wordt gekeken welke aanpak daarbij het meest effectief is. Een concreet bestaand aanbod of een beschikbare subsidie mag niet de aanleiding voor een actie zijn; de vraag op grond van de behoeften van de leerlingen is leidend. h. Data en objectieve criteria als basis van handelen Acties en interventies zijn onderbouwd door objectieve datagegevens. Er wordt niet gehandeld op onderbuikgevoelens of aannames.
c. Ongelijke verdeling van middelen Op grond van het uitgangspunt dat middelen ingezet worden waar deze het hardste nodig zijn, zullen de beschikbare middelen niet gelijk over alle locaties verdeeld worden.
i. Duurzaam. Middelen worden, waar mogelijk, duurzaam ingezet. Acties en interventie die een structureel effect hebben (bv. scholing), hebben de voorkeur.
6 Dit zijn de objectief bepaalde scores van het CBS die door het ministerie als basis gebruikt worden
om de hoogte van onderwijsachterstandsmiddelen aan schoolbesturen en gemeenten te bepalen.
8
j. Aanvullend Inzet van middelen is voor aanvullende acties en interventies en nooit in de plaats van reguliere onderwijsbekostiging, of bestaande subsidies. k. Vertrouwen Er is geloof in de betrokkenheid en eigenaarschap van de mensen op de werkvloer van de kinderopvang en het onderwijs. Zij krijgen het vertrouwen.
9
3. Nieuw beleid uitwerking
De ingezette weg van het vorige beleidsplan wordt doorgetrokken, door extra te investeren in de taalachterstanden op de locaties van opvang en onderwijs waar een hoge concentratie van kinderen met een taalachterstand zit. Zoals genoemd in de uitgangspunten b en c zijn de onderwijsscores met een drempel het uitgangspunt. Daarbij wordt het ministerie van OCW gevolgd dat bij de toekenning van de onderwijsachterstandsmiddelen aan de schoolbesturen en gemeenten deze criteria hanteert. Op grond van de laatste scores in 2022 leidt dat tot de volgende locaties:
Op grond van de hoofddoelstelling en de uitgangspunten die in het beleidsplan zijn opgenomen, wordt in de komende beleidsperiode een aantal acties uitgezet. Hiervoor is een zestal concrete doelen benoemd en uitgewerkt. 3.1 Deelname doelgroeppeuters Alle peuters met een geïndiceerde taalachterstand maken gebruik van een voorschools educatief aanbod.
Locatie KO en PO
Zoals geconstateerd in de evaluatie is nog steeds niet helder wat het bereik van de doelgroeppeuters is. Zeeuws breed is de peutermonitor aangeschaft die hier verheldering in gaat brengen. Op grond van deze uitkomsten komt er een beter beeld wat het non-bereik is en waar dat het meeste voorkomt. Er kunnen dan meer gerichte acties ingezet worden op de betreffende locaties of wijken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan: een vertegenwoordiger van de kinderopvang op het consultatiebureau; afspraken met de GGD over extra toeleiding naar de voorschool; werven van ambassadeurs binnen de ouderpopulatie, waarvan de peuters vaak niet naar de peutergroepen gaan. Dit zijn slechts mogelijkheden. De vraag is leidend en er zal naar een maatwerkoplossing gekeken worden (uitgangspunten f en g). In de begroting zal een structureel budget opgenomen worden voor activiteiten die de toeleiding bevorderen.
Achterstandsscore met drempel
Magistraal
447,92
Het Element
380,24
Wilgenhof
318,98
De Stroming
206,77
Cypressenhof
130,33
't Vierschip
55
Het uitgangspunt van de scoredrempel is dat scholen met een lage achterstandsdichtheid in staat moeten zijn om binnen de eigen leerlingenpopulatie de achterstanden op te kunnen lossen. Aan bovenstaande 6 locaties wordt gevraagd een locatieplan op te stellen waarin opvang en onderwijs de acties en interventies voor de komende vier jaren vastleggen. Er wordt bewust voor gekozen het subsidiebudget voor 4 jaren vast te stellen7, zodat zekerheid geboden kan worden aan de locaties die aan de slag gaan met de extra activiteiten. Zij kunnen naar het personeel een langere termijn perspectief bieden. In de huidige tijd van personeelstekorten is dat van belang. Verder wordt het minimum van het budget voor het locatieplan op € 30.000, - gezet. Ook dit is een bewuste keuze die in relatie gezien moet worden met de budgetten die onder de kop “overige locaties” gereserveerd zijn (zie volgende paragraaf).
3.2 Bestrijden achterstanden op locaties met hoge aantallen doelgroepkinderen Op de opvang- en schoollocaties met hoge concentraties taalachterstanden worden extra activiteiten en interventies uitgevoerd om deze achterstanden te bestrijden.
7
Dit subsidiebudget kan niet gegarandeerd worden, omdat de raad jaarlijks de budgetten vaststelt en de gemeente jaarlijks een beschikking van het Rijk over de OAB middelen krijgt. Daardoor kunnen wijzigingen in het budget ontstaan.
10
Uiteraard worden aan de locatieplannen voorwaarden verbonden: Het locatieplan is een coproductie van opvang (dit moet een VE geregistreerde opvanglocatie zijn) en onderwijs. Uit het plan blijkt dat de nadruk ligt op de jongste leeftijd (uitgangspunt 1), dus in volgorde van prioriteit: voorschoolse groep, vroegschoolse groep, onderbouw, middenbouw en ten slotte bovenbouw. In het plan wordt de doorontwikkeling van de samenwerking tussen beide partijen vastgelegd. In het plan is vastgelegd hoe de ouderbetrokkenheid wordt vormgegeven (zie ook de uitwerking van doelstelling 3). In het plan wordt vastgelegd welke knelpunten de komende 4 jaren opgelost gaan worden, welke acties en interventies daar het meest effectief voor zijn en welke resultaten er bereikt worden. Tevens wordt vastgelegd op welke wijze de kwaliteit van de activiteiten is gewaarborgd. Alle acties en interventies passen binnen de kaders van OAB en zijn gericht op de aanpak van taalachterstanden van doelgroepkinderen. Met doelgroepkinderen worden de volgende groepen bedoeld: o Voor de voorschool: de peuter van 2,5- 4 jaar met een VE indicatie. o Voor de vroegschool zijn dat de kleuters van 4 – 6 jaar met een VE indicatie (vanuit de peutergroep) en met een aanzienlijke taalachterstand op grond van een niet-Nederlandstalige thuissituatie.
o Voor de rest van de basisschoolleerlingen (6+) zijn dat de leerlingen met een taalachterstand op grond van een nietNederlandstalige thuissituatie. In het plan is uitgewerkt hoe de gezamenlijke zorgstructuur is/wordt ingericht en hoe deze aansluit op de externe zorgstructuur van de gemeente. In het plan is de doorgaande ontwikkelingslijn van voor- naar vroegschool beschreven en op welke wijze daar in de komende beleidsperiode stappen in gemaakt worden. In het plan is beschreven op welke wijze de expertise van professionele partijen zoals de bibliotheek en het TEC wel of niet benut is.
-
Het plan is niet losstaand, maar sluit aan op het beleidsplan van opvang en onderwijs. Uit het locatieplan blijkt ook welke middelen de partijen uit eigen budget inzetten ten behoeve van de extra activiteiten.
Overige locaties In het beleidsplan wordt uitgegaan van de achterstandsdichtheid van de locaties. Toch wordt niet voorbij gegaan aan de aantallen kinderen met een taalachterstand die op de overige opvang- en onderwijslocaties aanwezig zijn. Voor een aantal van deze locaties worden ook extra middelen gereserveerd. Dit gaat niet meer met wijkplannen, zoals in het vorige beleidsplan. Uit de evaluatie zijn de effecten en meerwaarde van de wijkplannen onvoldoende gebleken. De opzet voor de overige locaties wordt dus aangepast. Daarbij wordt ook gekeken naar zwaarte van problematiek en objectieve criteria. Voor de overige locaties geldt de achterstandsscore zonder drempel. De zwaarste 4 locatiescores (met uitzondering van de eerder genoemde 6) kunnen aanspraak maken op de middelen. Hiervoor geldt een maximum per aanvraag van € 25.000, - per locatie (combinatie van opvang en onderwijs). Op grond van de laatste onderwijsachterstandsscores zijn dat de volgende locaties: Locatie KO en PO
Achterstandsscore zonder drempel
Algemene Basisschool te Middelburg
169,53
De Aventurijn
146,15
RK Basisschool Franciscus
131,82
Oleanderhof
99,61
Hiervoor wordt een aparte subsidieregeling vastgesteld, waarbij tenminste de volgende punten worden opgenomen: De subsidie kan alleen ingezet worden voor de bestrijding van taalachterstanden bij doelgroepkinderen. Daarbij worden bovengenoemde definities gehanteerd. Er moet sprake zijn van een samenwerking tussen een VE geregistreerde kinderopvanglocatie en een onderwijslocatie.
11
Het doel van deze ouderbetrokkenheid is dat nieuwkomers een inzicht krijgen over het Nederlandse onderwijssysteem en wat ouders en onderwijs van elkaar verwachten. Het belang van ondersteuning van het eigen kind door te oefenen, voor te lezen en te spelen is daar een belangrijk onderdeel van.
3.3 Ouderbetrokkenheid De betrokkenheid van de ouder wordt bevorderd, omdat dit een van groot belang is in het leerproces van kinderen. Ouderbetrokkenheid heeft een positief effect op het functioneren van kinderen binnen (voor)school. Dit betreft zowel leerprestaties als gedrag en werkhouding. Met name de betrokkenheid thuis levert een grote bijdrage aan de ontwikkeling en het leersucces van kinderen. Deze betrokkenheid wordt gestimuleerd door afspraken - tussen kinderopvang en onderwijs- te maken over de wijze waarop gezamenlijk de ouderbetrokkenheid wordt vormgegeven. In Middelburg wordt de volgende definitie van ouderbetrokkenheid gehanteerd:
3.4 Doorgaande ontwikkeling en overdracht Kinderen volgen een doorgaande ontwikkelingslijn, waarin in de hele keten afstemming over de behoefte van de kinderen is en sprake van een goede overdracht. De afspraak binnen Middelburg is dat peuters met een VE indicatie “warm” worden overgedragen naar de basisschool. Daarnaast wordt deze beleidsperiode bevorderd dat er een doorgaande ontwikkelingslijn van 2-12 jaar ontstaat, waarin een hetzelfde pedagogisch- en didactische klimaat heerst voor zowel peuters en kleuters. De opvang- en onderwijslocaties met een locatieplan beschrijven in hun plan op welke wijze zij dit gaan vormgeven. De afgelopen beleidsperiode is veel ingezet op de samenwerking tussen beide partijen en dat wordt in de evaluatie ook geroemd. In de komende periode worden hiervan concrete vruchten geplukt.
De ouderbetrokkenheid is de mate waarin de ouders/verzorgers hun kind ondersteunen én stimuleren bij een optimale ontwikkeling. Hierbij kunnen ze ondersteuning krijgen op onderstaande gebieden: 1. Thuisbetrokkenheid Dit is de wijze waarop ouders/verzorgers thuis actief samen met hun kind bezig zijn om bij te dragen aan een optimale (taal)ontwikkeling van hun kind (gericht op ontwikkeling van het kind). 2. (Voor)schoolbetrokkenheid Dit is de wijze waarop ouders/verzorgers deelnemen aan activiteiten (themavonden, oudergesprekken, enz.) op de (voor)school. (gericht op ontwikkeling van het kind)
3.5 Samenwerking professionals De samenwerking tussen de educatieve professionals, zoals kinderopvang en onderwijs wordt verder uitgebouwd. Zie hiervoor ook punt 3.4. Naast de onderlinge samenwerking opvang en onderwijs wordt ook de inzet van de expertise van het TEC voor de Middelburgse opvang- en onderwijslocaties gestimuleerd. Aangezien onderwijsachterstandenbeleid hoofdzakelijk over het bestrijden van taalachterstanden gaat, is het van belang dat de expertise van het TEC herkend en benut wordt. Daarom wordt, naast bovengenoemde ouderbetrokkenheid extra budget beschikbaar gesteld waarmee het TEC nog meer ondersteuning aan de verschillende locaties kan bieden.
In de locatieplannen komt de aanpak van de ouderbetrokkenheid terug. In de beleidsperiode 2023-2026 logt de focus vooral op de thuisbetrokkenheid. Uit de evaluatie bleek positieve feedback op het programma “De Voorleesexpress” dat door de bibliotheek de afgelopen twee jaren is uitgevoerd. De “Voorleesexpress” is een bewezen effectieve interventie die ouders direct ondersteunt in het stimuleren van lezen en spelletjes doen met hun kinderen thuis. Dit gebeurt ook thuis! De bibliotheek wordt gevraagd “De Voorleesexpress” de komende 4 jaren in Middelburg uit te voeren en, waar gewenst, uit te breiden. Uitbreiding zal alleen gebeuren, wanneer daar vanuit de opvang- en onderwijslocaties behoefte aan is. Daarnaast wordt een budget voor de ouderbetrokkenheid van het TEC gereserveerd.
12
3.6 Gezamenlijke zorgstructuur De gezamenlijke zorgstructuur van de kinderopvang en het onderwijs sluit aan op de gemeentelijke zorgstructuur. Door middel van de gemeentelijke NPO middelen wordt er in 2023 geïnvesteerd in de zorgstructuren op de scholen (incl. kinderopvang) en de aansluiting met de gemeentelijke zorgstructuur. In 2023 wordt onderzocht hoe dit mogelijk verlengd kan worden en daarna waar het wenselijk is structureel te borgen. Het ministerie van OCW werkt samen met het onderwijsveld aan een landelijke norm voor de basisondersteuning in het kader van Passend onderwijs. Met deze norm wordt het in eerste instantie voor de leerling en ouders meer duidelijk wat er van een school verwacht kan worden, daarnaast zal dit helpen in de aansluiting van de gemeentelijke zorgstructuur. De beleidsmedewerker onderwijs/jeugd blijft zich inzetten voor het verbeteren van deze aansluiting door beleidsthema’s aan elkaar te koppelen, zich in te zetten voor goede samenwerking en opdrachtgeverschap en initiatieven te blijven ontwikkelen om ontschotting te realiseren. Er wordt budget gereserveerd voor initiatieven die binnen de beleidsdoelstellingen van de onderwijsachterstanden passen, hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan inzet/beschikbaarheid van expertise t.b.v. vroeg signalering.
13
4. Aanpak 4.1 Wijze waarop Op basis van de beleidsuitgangspunten wordt zo concreet mogelijk gewerkt. Er zijn 3 vormen om de doelstellingen in de vorige paragraaf vorm te geven:
-
1. Locatieplannen op locaties met hoge achterstandsdichtheid In de afgelopen beleidsperiode is de nodige ervaring opgedaan met deze vorm. Het locatieplan wordt aan het begin van de beleidsperiode opgesteld en is leidend voor 4 jaren. De locatie krijgt dan ook in beginsel een subsidie voor 4 jaren. De inzet van de middelen is flexibel, d.w.z. dat er binnen het budget geschoven kan worden naar andere activiteiten, mits die binnen de subsidiekaders passen en afgestemd zijn met de gemeente. De volgende aandachtspunten gelden voor de komende periode: Na ieder kalenderjaar wordt er een financiële en inhoudelijke verantwoording naar de gemeente gestuurd. De basis van deze verantwoording is het locatieplan. Budget dat niet ingezet is, kan doorgeschoven worden naar het volgende kalenderjaar, mits dat duidelijk blijkt uit de verantwoording. Dat kan niet in het laatste jaar! De resultaten worden gemeten worden en blijken uit het inhoudelijk verslag. Er is sprake van intervisie tussen de verschillende locaties. -
2. Plannen voor doelgroepkinderen op andere locaties Deze vorm wordt gekozen voor de locaties in Middelburg waar minder sprake is van achterstandsdichtheid. Het gaat om 4 locaties die ook een subsidie aan kunnen vragen, mits deze in samenwerking met een kinderopvangorganisatie met VE registratie gedaan wordt. Ook hier geldt in beginsel een subsidieperiode van 4 jaren met jaarlijkse verantwoording. 3. Stedelijke aanpak In deze vorm komen de beleidsonderwerpen die Middelburgs aangepakt moeten worden aan de orde, zoals: Integratie en het tegengaan van segregatie en sturing van leerlingenstromen.
14
Dit zijn verplichte onderwerpen uit de Wet op het Primair Onderwijs waar gemeente en besturen van het primair onderwijs overleg over moeten voeren. Indicering en toeleiding van doelgroepkinderen. Dit onderwerp zal op stedelijk (en Walchers) niveau aangepakt worden. Zomerschool. Hiervoor wordt een structureel, jaarlijks subsidiebudget gereserveerd in de begroting. De subsidievoorwaarden zullen vormgegeven worden in een subsidieregel, maar bevat in ieder geval de volgende elementen: o Het algemene doel van de zomerschool is het terugdringen (of voorkomen van het vergroten) van een opgelopen onderwijsachterstand. o De activiteiten zijn vooral gericht op de taalontwikkeling; o De deelnemende kinderen vallen onder de doelgroepkinderen. o De zomerschool staat open voor alle Middelburgse doelgroepkinderen; o De zomerschool wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van één of meerdere schoolbesturen; o Er is sprake van hoge kwaliteit van het aanbod. Dat blijkt uit: De kinderen worden door professionals begeleid; Het programma sluit aan op het curriculum van de scholen en/of het VE programma. Vooraf is de doelgroep helder beschreven en de doelen en gewenste resultaten van de zomerschool bepaald. Inzet Voorleesexpress.
Ook hiervoor wordt een subsidieregeling opgesteld met ten minste de volgende voorwaarden: o De Voorleesexpress is alleen beschikbaar voor (ouders van) doelgroepkinderen en is gericht op: Het stimuleren van het voorlezen aan kinderen door hun ouders. Het stimuleren van het spelen van spelletjes met kinderen en ouders. o Ouders worden voorgedragen door het consultatiebureau, de kinderopvang of het basisonderwijs in Middelburg.
-
Inzet OAB middelen TEC. Het TEC is een Walcherse voorziening. Voor de ouderbetrokkenheid en inzet van de taalexpertise van het TEC op de Middelburgse basisscholen wordt een bedrag in de begroting opgenomen.
4.3 Financiën De onderwijsachterstandsmiddelen die jaarlijks vanuit de gemeente beschikbaar zijn, bestaan uit drie componenten: Gemeentelijke middelen (voor voorschoolse voorzieningen en het jeugdeducatiefonds) Rijksmiddelen Restantmiddelen beleidsperiode 2019-2022. Met de rijksmiddelen moet de gemeente de wettelijke opdracht uitvoeren, waarvan de belangrijkste is voldoende voorzieningen aan te bieden, zowel in aanbod als in spreiding, waar kinderen met een achterstand voorschoolse educatie aangeboden krijgen. De rijksmiddelen worden ingezet om bij alle voorschoolse aanbieders in Middelburg een kwalitatief goed voorschools aanbod te bieden dat voor alle peuters toegankelijk is. Daarmee wordt een goede mix gecreëerd van kinderen met en zonder een taalachterstand, zodat integratie bevorderd wordt en kinderen effectief van elkaar kunnen leren.
Het gaat dus om onderwerpen die betrekking hebben op alle locaties en wijken in Middelburg, Walcheren of zelfs Zeeland. Afhankelijk van het onderwerp zal dit aan de orde komen op de regionale of lokale educatieve agenda (segregatie/integratie, sturing van leerlingenstromen) of zal hier door het college op besloten worden (indicering) De bedoeling is dat voor de lokale onderwerpen in 2023 een lokaal educatieve agenda opgesteld wordt. Het voorliggende onderwijsachterstandenbeleid maakt daar deel van uit. Aangezien de lokale en/of regionale agenda’s nog niet uitgewerkt zijn, wordt in de begroting van het onderwijsachterstandenbeleid een bedrag gereserveerd voor toekomstige interventies. Deze dienen uiteraard wel binnen de kaders van de onderwijsachterstanden te vallen en voldoen aan de uitgangspunten zoals geformuleerd in ons onderwijsachterstandenbeleidsplan
Voor de verdeling van de middelen wordt verwezen naar de onderstaande meerjarenbegroting (tabel 4.3.1). Daarnaast is het subsidiebudget voor de locatieplannen nader verklaard in tabel 4.3.2.
4.2 Coördinatie De regievoering is als volgt geregeld: a. Bestuurlijk overleg. Het overleg van de Educatieve Agenda. Hierin zijn de bestuurders van kinderopvang, onderwijs en gemeente vertegenwoordigd. In het lokale overleg wordt het gesprek gevoerd over: a. De stedelijke plannen. b. Het OAB beleidsplan op hoofdlijnen b. De werkgroep voorschoolse educatie. Deze Walcherse werkgroep bevat vertegenwoordigers van kinderopvang, GGD en gemeenten en houdt zich bezig met de concrete uitvoering van de voorschoolse educatie, toeleiding e.d. c. Locatieoverleg. Dit overleg vindt plaats op locatieniveau en behandelt de concrete uitwerking van het beleidsplan op locatie. Op de locaties met de meeste achterstanden gebeurt dit op grond van een locatieplan. Op de overige locaties middels de jaarlijkse inhoudelijke en financiële verantwoording.
15
4.3.1 Meerjarenbegroting 2023-2026 (juli 2027)
Rijksbudget Gemeentelijk budget Restant rijksbudget 2019-2022
€ 1.446.000 € 222.000 € 182.437 (Restant 2022 verdeeld over 4 jaren) € 1.850.437
OAB onderwerp Wetsartikel WPO Activiteit Inzet VE 159 Peutergroepen en VVE Toeleiding VE 160 Peutermonitor Toeleiding VE 160 Toeleiding VE peuters Inzet taalactiviteiten 158 Inzet voor locaties zonder OAB score Inzet taalactiviteiten 158 Inzet voor wijkplannen t/m juli 2023 Inzet taalactiviteiten 158 Inzet locatieplannen t/m juli 2023 Inzet taalactiviteiten 158 Inzet locatieplannen vanaf augustus 2023 Inzet taalactiviteiten 158 Dekking locatieplan 't Vierschip Ouderbetrokkenheid 158 Voorleesexpres Bieb Ouderbetrokkenheid 158 TEC ouderbetrokkenheid en expertisedeling (€ 40.000 per jaar)* Ouderbetrokkenheid 158 TEC ouderbetrokkenheid t/m juli 2023 Extra leertijd 158 Zomerscholen Middelburg Inzet taalactiviteiten 158 Flexibel budget (LEA) Coordinatie 160 Steunfunctie RPCZ Coordinatie 160 Coordinatie Armoede NVT Jeugdeducatiefonds Totaal Restant per jaar Totaal restant na 4 jaren
2023 € 794.000 € 3.500 € 30.000 € 42.000 € 19.000 € 230.000 € 247.917 € 3.750 €0 €0 € 10.500 € 120.000 € 70.000 € 5.500 € 90.000 € 22.500 € 1.688.667 € 161.770
2024 € 809.880 € 4.000 € 30.000 € 100.000 €0 €0 € 595.000 € 9.000 € 20.000 €0 €0 € 120.000 € 80.000 € 5.500 € 90.000 € 22.500 € 1.885.880 -€ 35.443
* Hiervoor wordt een budget van € 40.000 per jaar onttrokken uit de middelen van de locatie Magistraal
16
2025 € 826.078 € 4.000 € 30.000 € 100.000 €0 €0 € 595.000 € 9.000 € 22.000 €0 €0 € 120.000 € 80.000 € 5.500 € 90.000 € 22.500 € 1.904.078 -€ 53.641
2026 € 842.599 € 4.000 € 30.000 € 100.000 €0 €0 € 595.000 € 9.000 € 24.000 €0 €0 € 120.000 € 80.000 € 5.500 € 90.000 € 22.500 € 1.922.599 -€ 72.162 € 524
2027
€ 58.333
€ 347.083 € 5.250 €0
€ 410.667
4.3.2 Uitwerking budget locatieplannen
Naam locatie KO en PO
OAB score
Magistraal
447,92
TEC
€
aug t/m dec 2023
2024
2025
2026
2027
€ 133.145
€ 55.477
€ 133.145
€ 133.145
€ 133.145
€ 77.668
€ 40.000
€ 16.667
€ 40.000
€ 40.000
€ 40.000
€ 23.333
Het Element
380,24
€ 146.983
€ 61.243
€ 146.983
€ 146.983
€ 146.983
€ 85.740
Wilgenhof
318,98
€ 123.303
€ 51.376
€ 123.303
€ 123.303
€ 123.303
€ 71.927
De Stroming
206,77
€ 79.928
€ 33.303
€ 79.928
€ 79.928
€ 79.928
€ 46.625
Cypressenhof
130,33
€ 50.380
€ 20.992
€ 50.380
€ 50.380
€ 50.380
€ 29.388
’t Vierschip*
55
€ 21.260
€ 8.859
€ 21.260
€ 21.260
€ 21.260
€ 12.402
Totaal
1539,24
€ 595.000
€ 247.917
€ 595.000
€ 595.000
€ 595.000
€ 347.083
*In het beleidsplan is opgenomen dat iedere locatie ten minste € 30.000, - ( in een volledig jaar) ontvangt. Locatie ’t Vierschip wordt dus gecompenseerd voor ca € 9.000 per jaar. Dat budget is separaat in de begroting opgenomen.
1