CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Integraal rapport - evaluatie minimabeleid gemeente Middelburg - versie 1.0

Commissie Maatschappelijke Zaken 2 april 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Memo actieve informatie uitkomsten onderzoek minimabeleid - op verzoek van Ineke Jansen (GroenLinks/PvdA)16.163 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Evaluatie minimabeleid Gemeente Middelburg

Opdrachtgever Gemeente Middelburg Datum Oktober 2024 Auteurs Michelle Ellens Maaike Bonnema KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.

Inhoudsopgave Inleiding ......................................................................................................................................... 1 Samenvatting................................................................................................................................. 3 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 8 1. Armoedemonitor ...................................................................................................................... 12 2. Minimakinderen tot 18 jaar ...................................................................................................... 17 3. Minimaregelingen .................................................................................................................... 20 4. Energietoeslag ........................................................................................................................ 25 5. Schuldhulpverlening ................................................................................................................ 27 6. Groepsgesprekken ketenpartners ........................................................................................... 28 7.

Behoeftepeiling minima ........................................................................................................... 35 Bijlage 1. Methodiek Armoedemonitor ........................................................................................ 37 Bijlage 2. Systematiek Armoede Index ....................................................................................... 39 Bijlage 3. Bevolkingskarakteristieken .......................................................................................... 40 Bijlage 4. Kenmerken kinderen ................................................................................................... 41 Bijlage 5. Kenmerken minima tot 100% Wsm, 2016 en 2023 ..................................................... 42 Bijlage 6. Vergelijking gebruik regelingen 2016 – 2023 .............................................................. 43 Bijlage 7. Gekoppelde en niet-gekoppelde gebruikers ............................................................... 44

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Inleiding Het minimabeleid is – net als in de rest van Nederland - in de Walcherse gemeenten een actueel thema. De gemeenten Middelburg, Vlissingen en Veere willen (meer) inzicht hebben in de omvang en samenstelling van de minimadoelgroep. Ook willen zij weten wat de effecten zijn van deze regelingen bij de doelgroep en of de regelingen aansluiten op de behoeften. De Walcherse gemeenten hebben daarom KWIZ gevraagd een onderzoek uit te voeren. Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen. Allereerst is er per gemeente een Armoedemonitor opgesteld waarin de omvang en de kenmerken van de doelgroep cijfermatig in kaart zijn gebracht. Daarnaast is een enquête uitgezet onder de doelgroep om de ervaringen van de inwoners rondom het gemeentelijke beleid te inventariseren. Als derde onderdeel zijn er groepsinterviews geweest met organisaties die de doelgroep ondersteunen om zo hun ervaringen met het gemeentelijke beleid inzichtelijk te maken. In dit integrale rapport zijn de resultaten van alle deelonderzoeken weergegeven en voorzien van een overkoepelende conclusie en daaruit voortvloeiende aanbevelingen. Onderzoeksmethode Armoedemonitor De omvang en samenstelling van de minimapopulatie worden inzichtelijk gemaakt in de Minimamonitor op een peildatum van 1 september 2023. Hiervoor zijn verschillende registratiebestanden gepseudonimiseerd aangeleverd, gekoppeld en geanalyseerd.

Het gaat hierbij zowel om gemeentelijke registratiebestanden als om registratiebestanden van externe samenwerkingspartners. Daarnaast geeft de Minimamonitor inzicht in het gebruik en bereik van de minimaregelingen; hiervoor geldt een terugkijkperiode van 12 maanden, oftewel geheel kalenderjaar 2023. Tot slot is ook het gebruik van schuldhulpverlening en de energietoeslag onder huishoudens met een laag inkomen in beeld gebracht. De informatie in de weergegeven tabellen in de Minimamonitor gaat over het jaar 2023. Onderzoeksmethode groepsgesprekken ketenpartners In totaal hebben in februari 2024 drie groepsgesprekken plaatsgevonden: twee gesprekken met diverse ketenpartners uit de drie Walcherse gemeenten en een gesprek met de Sociale Cliëntenraad Walcheren (in het rapport “de organisaties” of “de ketenpartners” genoemd). De interviews duurden ongeveer 1,5 uur per gesprek. Bij de gesprekken waren twee onderzoekers van KWIZ aanwezig. De interviews zijn niet opgenomen. De resultaten van de gesprekken zijn vervolgens anoniem verwerkt. Tijdens de gesprekken kwamen verschillende thema’s aan bod, die in overleg met de drie gemeenten zijn opgesteld: • • • • •

De doelgroep; Het minimabeleid van de gemeenten; De samenwerking met de gemeenten en Orionis; Het sociale veld/de ketenpartners; Overige opmerkingen.

De gesprekken geven inzicht in de ervaringen van de ketenpartners en de signalen die zij van de doelgroep ontvangen. Ketenpartners die niet bij de gesprekken aanwezig konden zijn kregen de gelegenheid om schriftelijk de vragen te beantwoorden. Twee organisaties hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. De resultaten gaan in het algemeen over de drie gemeenten, wanneer de resultaten gaan over een specifieke gemeente dan wordt dit benoemd.

1

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Onderzoeksmethode behoeftepeiling minima Om de ervaringen van de minimapopulatie in kaart te brengen is er een enquête verspreid onder de doelgroep. In de vragenlijst kwamen de volgende thema’s aan bod: • Regelingen voor volwassenen; • Regelingen voor kinderen; • Geld; • Meedoen; • Energie; • Zorgkosten. De doelgroep van dit onderzoek bestaat uit inwoners van de gemeente Middelburg die gebruik hebben gemaakt van één van de minimaregelingen. Per huishouden is één vragenlijst gestuurd. In totaal hebben 2.018 huishoudens in de gemeente een uitnodiging gekregen om deel te nemen aan het onderzoek. Respondenten konden de vragenlijst zowel schriftelijk als digitaal invullen. Respons In totaal hebben 256 respondenten de vragenlijst ingevuld (38 digitaal, 218 op papier). Dat is 13 procent van de aangeschreven doelgroep. Deze respons is voldoende om betrouwbare uitspraken te doen over de doelgroep1. Leeswijzer Het rapport begint met een samenvatting van de resultaten uit de drie deelrapporten. Vervolgens worden in het volgende hoofdstuk een aantal conclusies en aanbevelingen geformuleerd voor de gemeente. In de hoofdstukken 1 tot en met 5 wordt de Armoedemonitor weergegeven. In dit hoofdstuk wordt de omvang en kenmerken van de groep minimahuishoudens besproken en wordt ingegaan op het gebruik van de minimaregelingen en voorzieningen.

In het zesde hoofdstuk is er een analyse gemaakt op de groepsgesprekken die met verschillende ketenpartners is gevoerd en tot slot worden de belangrijkste resultaten vanuit de behoeftepeiling 2 weergegeven. Het rapport wordt afgesloten met een zevental bijlagen met aanvullende informatie en achtergrondinformatie. In de hoofdstukken zijn verwijzingen naar de bijlagen opgenomen.

1 Voor een doelgroep van deze omvang is bij een betrouwbaarheidsniveau van 90 procent een respons

nodig van 239 ingevulde enquêtes (12 procent) om betrouwbare uitspraken te kunnen doen. Bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent ligt dit aantal op 323 ingevulde enquêtes (16 procent). 2 Voor de volledige resultaten van de behoeftepeiling verwijzen wij u naar het deelrapport “Behoefte Minima”.

2

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Samenvatting In dit hoofdstuk staan de belangrijkste bevindingen weergegeven van de verschillende deelonderzoeken.

S1. Aantal minimahuishoudens Op basis van verschillende registratiebestanden is het aantal minimahuishoudens dat de gemeente in beeld heeft3, in kaart gebracht. Door koppeling met het BRP kunnen de kenmerken van deze huishoudens worden weergegeven. Ook is door middel van de Armoede Index een schatting gemaakt van de totale minimapopulatie in de gemeente Middelburg. Minimahuishoudens Op 1 september 2023 zijn 1.173 huishoudens met een inkomensniveau van 100 procent Wsm bij de gemeente in beeld op basis van de registratie van de verschillende minimavoorzieningen in de gemeente. Dit is 7,0 procent van alle huishoudens in de gemeente. In totaal heeft de gemeente 2.238 huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm in beeld, zij vormen 9,1 procent van alle huishoudens in de gemeente. Middelburg heeft niet alle minimahuishoudens in beeld; het totale aantal huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm wordt (middels de Armoede Index) geschat op 11,1 procent. Het aandeel minimahuishoudens in de gemeente Middelburg ligt daarmee boven het gemiddelde van veel andere gemeenten met minder dan 50.000 inwoners (6 tot 7 procent). De gemeente heeft op de peildatum 1.176 kinderen tot 18 jaar in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm.

Het totale aantal kinderen dat opgroeit in een minimagezin met een inkomen tot 130 procent Wsm wordt geschat op 1.424 (15,5 procent van alle kinderen in de gemeente Middelburg). Het gemiddelde percentage voor gemeenten van gelijke grootte ligt op circa 8 procent, de gemeente Middelburg zit hier dus boven. Tabel S1. Aantal en aandeel minimahuishoudens en minimakinderen (in beeld en schatting) Minima tot 130% Wsm Huishoudens Kinderen

In beeld o.b.v. registraties 2.238 9,1% 1.176 12,8%

Schatting totale doelgroep 2.725 11,1% 1.424 15,5%

Kenmerken minima in beeld Inkomensbron. Van de 2.238 huishoudens met een inkomens tot 130 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft, ontvangt de helft een bijstandsuitkering vanuit de Participatiewet. 13 procent heeft een AOW-uitkering en de overige 37 procent heeft een andersoortig inkomen, bijvoorbeeld loon vanuit werk of een WW-uitkering. Huishoudsamenstelling en plaats. De meerderheid van de minimahuishoudens (60 procent) is alleenstaand. Bij de meeste gemeenten ligt dit aandeel tussen de 50 en 55 procent, de gemeente Middelburg zit hier dus wat boven. Een kwart van de minimahuishoudens heeft meerderjarige kinderen. De meeste minimahuishoudens wonen daarnaast in Dauwendaele (27 procent) of Stromenwijk/’t Zand (23 procent). 3 Dit zijn huishoudens die bekend zijn bij de gemeente omdat zij gebruik maken van een minimaregeling of

een uitkering vanuit de participatiewet ontvangen.

3

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Langdurige minima. Het merendeel van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm (68 procent) heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen. Bij andere gemeenten zien we dat het aandeel langdurige minima gemiddeld tussen de 70 en 75 procent ligt. De gemeente Middelburg zit hier dus onder. Kans op armoede. Sommige groepen hebben vaker een minimuminkomen dan andere; eenoudergezinnen hebben vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen (in totaal 28 procent van alle eenoudergezinnen in de gemeente, tegenover het gemeentelijk gemiddelde van 9 procent). Ook hebben inwoners in de wijk Dauwendaele vaker een minimuminkomen dan huishoudens in andere wijken.

S2. Minimaregelingen De gemeente Middelburg biedt verschillende minimaregelingen aan om inwoners met een laag inkomen te ondersteunen en te (laten) participeren. De regelingen hebben veelal een inkomensgrens tot 130 procent Wsm en de regelingen dienen verschillende doelgroepen. Gebruik en bereik minimaregelingen In de onderstaande tabel staat het gebruik en het bereik (afgezet tegen de totale doelgroep) van de verschillende gemeentelijke regelingen weergegeven. Ook staat het gemiddelde bereik weergegeven dat wij bij vergelijkbare gemeenten zien. Het bereik van de meeste regelingen is in lijn met of zit boven het gemiddelde gebruik in veel andere (vergelijkbare) gemeenten. Met name het bereik van de individuele inkomenstoeslag is hoog; het gangbare bereik van deze regeling ligt tussen de 45 en 50 procent. De gemeente Middelburg bereikt met deze regeling 77 procent van de doelgroep. Alleen het bereik van de collectieve zorgverzekering ligt onder het gemiddelde bereik4. Tabel S2. Gebruik en bereik van de minimaregelingen Regeling Kwijtschelding Bijzondere bijstand Individuele inkomenstoeslag Collectieve zorgverzekering Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs Participatiebetaling Vrijwilligerspremie Bijdrage diaconie Bijdrage chronisch zieken Jeugdfonds Sport & Cultuur

Gebruik 1.236 huishoudens 771 huishoudens 883 huishoudens 580 huishoudens 1.388 huishoudens 89 huishoudens 40 huishoudens 276 huishoudens 468 personen 411 kinderen

Bereik 70% 28% 77% 21% 51% N.t.b. N.t.b. N.t.b. N.t.b. 29%

Gemiddeld bereik andere gemeenten 70 – 75 % 25 – 30 % 45 – 50 % 35 – 40 % 35 – 40 % N.t.b. N.t.b. N.t.b. N.t.b. 30 – 35 %

S3. Ervaringen ketenpartners Er zijn in totaal drie groepsgesprekken geweest: twee met diverse ketenpartners uit de Walcherse gemeenten en een met de Sociale Cliëntenraad Walcheren. Per gesprek waren er drie tot acht personen aanwezig. Doelgroep De meeste ketenpartners zien een stijging in het aantal aanvragen of aanmeldingen. Dit verschilt echter per organisatie: drie van de organisaties geven bijvoorbeeld aan dit niet terug te zien. Daarnaast wordt de laatste jaren een verschuiving gezien in het soort aanvragen: deze zijn complexer geworden. De kenmerken van de cliënten zijn bovendien divers. Een aantal ketenpartners ziet vaker alleenstaande (gescheiden) vrouwen met kinderen, ouderen of mensen 4

Niet alle gebruikers van de collectieve zorgverzekering zijn aangeleverd voor dit onderzoek. De aangeleverde gebruikers zijn gebruikers die bekend zijn via het uitkeringssysteem. De ‘overige minima’ die gebruikmaken van de CZV zijn niet aangeleverd. Het kan dus zijn dat het daadwerkelijke aantal gebruikers hoger ligt.

4

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

met een migratieachtergrond (zowel westers als niet-westers). Sommige ketenpartners zien dat er bij cliënten vaker dan in het verleden sprake is van multiproblematiek. Dit wordt met name gezien bij jongeren, mensen met een GGZ-achtergrond of laaggeletterden. Ervaringen met het minimabeleid van de gemeente Ketenpartners ervaren het aanbod aan minimaregelingen over het algemeen als goed: er zijn voldoende regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Het verschil in aanbod tussen de drie gemeenten op het gebied van inkomensgrenzen en aanbod wordt echter door meerdere ketenpartners als verbeterpunt genoemd. Inwoners uit de drie gemeenten hebben nu niet recht op dezelfde regelingen. Qua aanbod geven ketenpartners aan bijvoorbeeld een fietsenregeling, een regeling voor vakanties en aanvullende middelen voor zwemles te missen voor hun doelgroepen. Daarnaast wordt benoemd dat de aanvraagprocedure voor inwoners ingewikkeld kan zijn, met name voor inwoners die digitaal niet vaardig zijn of de taal niet spreken. Ook de vindbaarheid van de gemeente en de gemeentelijke regelingen kan volgens een aantal ketenpartners verbeterd worden. Hierbij wordt aangegeven dat het beter is om als gemeente inwoners zelf op te zoeken door actief te zijn in de wijken.

Samenwerking met de gemeenten en Orionis De samenwerking met de gemeenten wordt door de ketenpartners over het algemeen als positief ervaren, al zit hier verschil in per gemeente. Een paar verbeterpunten die tijdens de gesprekken zijn genoemd zijn het verloop in personeel, het verschil tussen gemeenten (met name in relatie tot Vlissingen) en het doorgeven van veranderingen in beleid. Ook de samenwerking met Orionis wordt over het algemeen als positief ervaren. Hierbij wordt wel opgemerkt dat er binnen Orionis relatief weinig fte beschikbaar is voor de hoeveelheid werk die er ligt. Ook de doorverwijzing van en naar Orionis wordt als aandachtspunt benoemd. Ook wordt opgemerkt dat er positieve veranderingen hebben plaatsgevonden in de afgelopen jaren op het gebied van de dienstverlening en contact met de klant. Het sociale veld De ketenpartners werken onderling ook goed samen: ze weten elkaar over het algemeen goed te vinden. Tijdens het gesprek werden een aantal verbeterpunten benoemd. Een van de ketenpartners geeft bijvoorbeeld aan dat de bekendheid van de sociale organisaties altijd een punt van aandacht blijft, zowel tegenover de inwoners als onder elkaar. Daarnaast benoemt men de behoefte aan meer onderlinge verbinding in de vorm van regelmatige bijeenkomsten of ontmoetingen. Hierin wordt een coördinator of overkoepelende organisatie gemist.

Er wordt aangegeven dat deze rol wellicht vervuld kan worden door de gemeente(n). Ook de onderlinge doorverwijzing en het gebrek aan capaciteit/mankracht binnen de organisaties worden als aandachtspunten genoemd. Tijdens de gesprekken is daarnaast door een enkele organisatie opgemerkt dat het sociale veld in Walcheren groot (en wellicht overcompleet) is. Overige opmerkingen De organisaties kregen aan het einde van de gesprekken de gelegenheid om nog opmerkingen of tips te delen die nog niet ter sprake waren gekomen. Hier een paar voorbeelden van wat is genoemd: • Het belang van preventie wordt benoemd; • Er zou meer aandacht moeten worden geschonken aan het wegnemen van schaamte bij de inwoner; • Eenzaamheid is een belangrijk thema, armoede en eenzaamheid werken elkaar namelijk in de hand; 5

Gemeente Middelburg

• •

Versie 1.0

De verschillen in regelingen en inkomensgrenzen per gemeente zijn een aandachtspunt; De gemeente zou kleine stichtingen of organisaties kunnen steunen bij grote veranderingen rondom de wetgeving.

S4. Ervaringen doelgroep De ervaringen van de doelgroep zijn middels een enquête uitgevraagd. Minimaregelingen De meeste regelingen zijn bekend onder de doelgroep. Bovendien geven veel inwoners aan hier ook gebruik van te maken. Dit komt overeen met het beeld uit de Armoedemonitor. Wat betreft de volwassenenregelingen zijn de energietoeslag, het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs en de kwijtschelding gemeentelijke belastingen de meest bekende én meest gebruikte regelingen. De meest gebruikte en meest bekende regeling voor kinderen is het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs; 91 procent van de ouders met kinderen onder de 18 jaar kent deze regeling en driekwart geeft aan dat zijn of haar kind hier gebruik van maakt. Daarnaast zijn de Voedselbank en de Kledingbank de meest bekende externe organisaties binnen de gemeente. Orionis is het meest gebruikte informatiekanaal van de bevraagde inwoners; via deze partij krijgen zij informatie over het minimabeleid van de gemeente. Toen aan de inwoners werd gevraagd waarom zij niet gebruikmaken van de bepaalde regelingen gaf het grootste aandeel (40 procent) als reden dat hij de regelingen niet kent.

Geld Ruim de helft van de respondenten kan iedere maand rondkomen, de andere helft kan dit (soms) niet. De meerderheid (84 procent) heeft echter wel (soms) zorgen over geld. Gemiddeld zien we in vergelijkbare gemeenten dat dit aandeel tussen 70 en 75 procent ligt. Respondenten geven daarnaast aan bepaalde uitgaven niet altijd te kunnen betalen: de meesten hebben (soms) te weinig geld om leuke dingen te doen (82 procent) of om hun vervoer te betalen (70 procent). Ook ervaren meerdere gezinnen financiële drempels om mee te doen: 81 procent geeft aan dat hun kind niet (altijd) leuke dingen kan doen wegens financiële redenen.

Meedoen Respondenten die aangeven meer mee te willen doen aan activiteiten in de samenleving zouden met name willen sporten of een opleiding willen volgen. Respondenten die aangeven dit niet te willen benoemen dat zij dit niet kunnen wegens gezondheidsredenen of geven aan dat zij dit soort activiteiten al ondernemen. Daarnaast geeft 85 procent aan dat zijn financiële situatie invloed heeft op zijn vermogen om mee te kunnen doen aan de samenleving. Energie Driekwart van de respondenten betaalt tussen de 0 en 200 euro aan energiekosten per maand. De ruime meerderheid (83 procent) woont in een huurhuis van de woningcorporatie. Een enkeling (4 procent) woont in een koophuis.

6

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Zorgkosten Aan de respondenten is gevraagd of zij wel eens zorg mislopen omdat dit te duur is. Bij 60 procent komt dit (soms) voor. Vervolgens is gepeild hoeveel respondenten gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering. Ruim zestig procent van de respondenten geeft aan hier gebruik van te maken. Respondenten die geen gebruik maken van de collectieve zorgverzekering geven als reden dat zij blij zijn met hun huidige verzekering (21 procent) of dat de verzekering te duur is (13 procent). Ruim een kwart wil gebruik (blijven) maken van de collectieve zorgverzekering, bijvoorbeeld omdat dit een goede verzekering is of omdat deze volgens hen voordelig is. Een tiende zou in plaats hiervan liever hulp willen krijgen bij het vinden van de juiste verzekering.

7

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Conclusies en aanbevelingen Op basis van de onderzoeksresultaten is een aantal conclusies te formuleren. In dit hoofdstuk zijn deze per thema uiteengezet met bijbehorende aanbevelingen.

C1. Doelgroep In de gemeente Middelburg is relatief veel armoede: één op de tien huishoudens in de gemeente is een minimahuishouden. Dit is hoger dan wat we gemiddeld bij andere vergelijkbare gemeenten zien (tussen de 6 á 7 procent). Uit de behoeftepeiling blijkt ook dat veel huishoudens maandelijks niet kunnen rondkomen of geldzorgen hebben. Ook ervaren de ketenpartners een toename in de aantallen van de aanvragen en de complexiteit hiervan. Als we kijken naar de kenmerken van de doelgroep dan zien we dat verhoudingsgewijs veel huishoudens een uitkering hebben vanuit de Participatiewet. Het aandeel langdurige minima ligt daarentegen iets lager dan we gemiddeld bij vergelijkbare gemeenten zien. Hier liggen voor de gemeente kansen op het gebied van reintegratie. Als we verder kijken naar de kenmerken van de doelgroep dan is te zien dat deze met name bestaat uit alleenstaanden en eenoudergezinnen. Ook is de minimapopulatie geconcentreerd in de wijk Dauwendaele. Vanwege de energietoeslag zijn er inwoners met een laag inkomen in beeld gekomen die voorheen niet bekend waren bij de gemeente. Voor de energietoeslag gelden andere inkomensnormen, waardoor gebruikers hiervan wellicht niet altijd recht hebben op andere regelingen. Het kan echter wel zo zijn dat deze groep behoefte heeft aan ondersteuning.

Het kan daarom goed zijn om een nadere blik te werpen op deze groep en te kijken waar hun behoefte ligt. Ook het aantal kinderen dat opgroeit in een minimagezin ligt hoger in de gemeente Middelburg. Op basis van de Armoede Index schatten wij dat 15,5 procent van alle kinderen in de gemeente Middelburg opgroeit in een minimagezin. Dit ligt boven het gemiddelde dat wij zien bij vergelijkbare gemeenten (circa 10 procent). Ook hier valt op dat het om relatief veel kinderen uit eenoudergezinnen gaat. Daarnaast groeien drie op de tien kinderen in de wijk Dauwendaele op in een minimagezin.

Aanbeveling 1 Neem de minimadoelgroep onder de loep en kijk waar inwoners op de participatieladder staan. Maak hierbij – waar mogelijk - onderscheid tussen de langdurige minima die minder kans hebben om nog uit te stromen en de meer kortdurende minima die meer mogelijkheden hebben om uit te stromen. Probeer de langdurige minima te stimuleren om mee te (blijven) doen in de maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk.

Aanbeveling 2 Probeer als gemeente inzicht te krijgen in specifieke problematieken in de wijken en overweeg om wijkgerichte ondersteuning te bieden.

Aanbeveling 3 Betrek diverse beleidsterreinen en ketenpartners bij de uitvoering van het beleid en probeer dit gemeentebreed in te bedden. Schenk hierbij – waar mogelijk – aandacht aan specifieke (kwetsbare) doelgroepen, zoals eenoudergezinnen of alleenstaanden.

8

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Aanbeveling 4 Probeer de doelgroep die in beeld is gekomen door de energietoeslag te betrekken en te kijken of zij aanvullende ondersteuning nodig hebben.

C2. Beleid Het ondersteuningspakket voor inwoners met een laag inkomen is in de gemeente Middelburg breed en ruimhartig. Er worden regelingen voor verschillende doelgroepen aangeboden en de inkomensgrenzen zijn ruim. Dit komt ook naar voren in de groepsgesprekken met de ketenpartners. Daarnaast blijkt uit zowel de Armoedemonitor als de behoeftepeiling dat de regelingen bekend zijn onder de doelgroep en dat deze ook veel worden gebruikt. Een punt van aandacht ligt bij de collectieve zorgverzekering. Niet alleen is het bereik hiervan lager, uit de behoeftepeiling blijkt ook dat 60 procent van de doelgroep zorg mijdt wegens financiële redenen. Onder deze inwoners vallen ook gebruikers van de collectieve zorgverzekering. Het grootste aandeel (43 procent) geeft aan goed verzekerd te zijn, maar voor een deel geldt dat hij onder- of oververzekerd is. Een ander aandachtspunt dat naar voren komt is het verschil tussen de drie Walcherse gemeenten. Uit de gesprekken met de ketenpartners blijkt dat dit als lastig wordt ervaren; inwoners in de gemeente Vlissingen of Veere hebben niet op dezelfde regelingen recht als inwoners in de gemeente Middelburg.

Aanbeveling 5 Werp een kritische blik op de collectieve zorgverzekering en kijk hierbij of de pakketten aansluiten bij de zorgbehoefte van de doelgroep. Probeer daarnaast de inwoners te ondersteunen bij het vinden van het juiste pakket zodat zij niet onder- of oververzekerd zijn. Dit kan voor de ene inwoner een uitgebreid pakket betekenen (bijvoorbeeld via de collectieve zorgverzekering) terwijl de andere inwoner juist meer gebaat is bij een goedkoper pakket (wellicht via een reguliere verzekering).

Aanbeveling 6 Probeer als Walcherse gemeenten waar mogelijk het aanbod aan inkomensondersteunende regelingen op elkaar af te stemmen.

Kinderen Inwoners met kinderen kunnen gebruikmaken van diverse regelingen op het gebied van participatie. Op het gebied van sport kunnen zij bijvoorbeeld gebruikmaken van zowel het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs als het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Daarnaast biedt stichting Leergeld ook ondersteuning op dit gebied. Er bestaat dus een kans dat er overlap zit in het aanbod voor kinderen. Dit kan bovendien zorgen voor versnippering: wellicht maken ouders gebruik van het Jeugdfonds voor contributiekosten maar gebruiken zij het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs voor bijvoorbeeld attributen. Daarentegen blijkt uit de behoeftepeiling dat de meerderheid van de ouders niet voldoende geld heeft om sportattributen, zoals kleding, te kopen voor hun kinderen. Ook geeft ruim een derde aan dat zijn kind geen lid kan worden van een (sport)vereniging wegens financiële belemmeringen. Hieronder vallen ook inwoners die gebruikmaken van de sportregelingen. Dit lijkt erop te duiden dat, ondanks het brede aanbod op het gebied van sport, de bijdragen niet volstaan.

9

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

Aanbeveling 7 Onderzoek of er mogelijke dubbelingen zitten in het aanbod voor kinderen en probeer hierbij het aanbod op elkaar af te stemmen. Let er hierbij op dat het aanbod niet teveel wordt versnipperd en dat inwoners weten waar ze terecht kunnen met hun specifieke ondersteuningsbehoefte.

Aanbeveling 8 Onderzoek of de huidige bijdrage van het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs het gewenste effect heeft en blijft de regeling onder de aandacht brengen.

Informatievoorziening en communicatie Hoewel het bereik van de regelingen hoog is, blijkt uit de behoeftepeiling dat onbekendheid van de regelingen de voornaamste reden is voor het niet-gebruiken hiervan. Inwoners uiten in de tips en opmerkingen de behoefte aan meer informatie over de regelingen. Daarnaast wordt het belang van goede communicatie benadrukt tijdens de gesprekken met de ketenpartners. Kortom, hoewel de gemeente Middelburg het goed doet is het essentieel dat er ingezet blijft worden op (duidelijke) communicatie. Uit de behoeftepeiling blijkt dat de meeste inwoners via Orionis informatie krijgen over het minimabeleid. Een ander veelgebruikt informatiekanaal is het eigen sociale netwerk; een vijfde geeft aan informatie te hebben gekregen over het minimabeleid via familie of vrienden. Het is daarom van belang dat er diverse informatiekanalen worden ingezet zodat inwoners elkaar op de regelingen kunnen (blijven) wijzen.

Aanbeveling 9 Zorg voor een duidelijk en begrijpelijk overzicht van de beschikbare regelingen en ondersteuning binnen de gemeente en breng dit onder de aandacht van de doelgroep. Maak hierbij gebruik van diverse kanalen, zowel digitaal (zoals de website of sociale media) als fysiek (zoals de krant of een buurtfolder).

Aanbeveling 10 Maak binnen de communicatie gebruik van de diverse ketenpartners binnen de gemeente. Zorg ervoor dat deze partners goed op de hoogte zijn van de ondersteuning binnen de gemeente.

C3. Meedoen en rondkomen Uit de resultaten van de behoeftepeiling blijkt dat niet alle inwoners kunnen rondkomen of mee kunnen doen in de samenleving. Bijna de helft van de respondenten geeft aan (soms) niet te kunnen rondkomen en de ruime meerderheid maakt zich (soms) zorgen over zijn of haar financiële situatie. Bovendien blijkt dat inwoners niet altijd voldoende geld hebben om leuke dingen te doen. Dit geldt voor zowel volwassenen als kinderen. Er is dus niet altijd ruimte om de zinnen te verzetten of ontspanning op te zoeken. Diverse onderzoeken hebben in het verleden aangetoond dat geldzorgen een nadelige invloed kunnen hebben op diverse aspecten, zoals het dagelijks functioneren of de gezondheid (zowel fysiek als mentaal). Toen aan de respondenten werd gevraagd of zij meer mee zouden willen doen gaf een groot deel aan dit niet te willen wegens 10

Gemeente Middelburg

Versie 1.0

gezondheidsredenen. Hierin ligt voor de gemeente de opgave: hoe kan ervoor gezorgd worden dat inwoners kunnen (blijven) participeren? Uit de resultaten van de behoeftepeiling blijkt dat voor inwoners de grootste belemmering om mee te doen geld is. Wellicht kan dit te maken hebben met extra kosten die komen kijken bij uitstapjes of bij sport, zoals reiskosten. In de tips en opmerkingen van de behoeftepeiling gaf het grootste aandeel respondenten aan behoefte te hebben aan aanvullende ondersteuning. Sommigen gaven aan behoefte te hebben aan meer financiële ondersteuning, terwijl anderen aangaven juist hulp te willen op het gebied van budgetteren of omgaan met geld.

Aanbeveling 11 Onderzoek hoe de doelgroep gestimuleerd kan worden om te participeren binnen de samenleving. Neem hierbij het huidige aanbod aan minimaregelingen onder de loep en kijk waar eventueel de bijdrage verruimd kan worden. Kijk daarnaast of er vanuit de gemeente of een van de ketenpartners laagdrempelige ondersteuning kan worden geboden op het gebied van budgetteren.

Aanbeveling 12 Blijf de gratis OV-pas voor minima onder de aandacht brengen, zodat reiskosten geen belemmering hoeven te zijn om mee te doen.

C4. Sociaal veld De resultaten uit de groepsgesprekken met de ketenpartners scheppen en positief beeld wat betreft de samenwerking met de gemeente/Orionis en de onderlinge samenwerking van de ketenpartners. Tegelijkertijd is het sociale veld binnen de gemeente groot. Daarom is het zaak om, voor zowel de inwoners als de ketenpartners onderling, hier overzicht in te bewaren. Vanuit de ketenpartners is de wens geuit voor meer onderlinge verbinding, zodat men elkaar goed weet te vinden. Hierin mist een coördinerende partij, die de ketenpartners periodiek kan samenbrengen.

Aanbeveling 13 Maak een overzicht met de actieve ketenpartners binnen de gemeente en de ondersteuning die zij bieden zodat inwoners deze goed kunnen vinden. Werk dit overzicht ook periodiek bij zodat deze up-to-date blijft.

Aanbeveling 14 Neem als gemeente een coördinerende rol aan binnen het sociale veld en onderzoek manieren om ketenpartners met elkaar in verbinding te brengen. Vraag hierbij aan de ketenpartners waar precies de behoefte ligt.

11

1. Armoedemonitor De gemeente Middelburg hanteert voor het minimabeleid een bovengrens van 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Daarom wordt er in dit onderzoek op deze inkomensgrens gerapporteerd. In dit hoofdstuk beschrijven we de omvang en kenmerken van de minimapopulatie.

1.1. Aantal minimahuishoudens In beeld. Op basis van de voor dit onderzoek aangeleverde gegevens heeft de gemeente Middelburg op 1 september 2023 in totaal 2.238 huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm in beeld. Dit is 9,1 procent van alle 24.477 huishoudens in de gemeente Middelburg. Deze huishoudens zijn in beeld omdat ze gebruikmaken van een minimaregeling en/of een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangen. In het rapport van 2016 zijn de aantallen van de doelgroep tot 130 procent Wsm niet gerapporteerd. De gehanteerde inkomensgrens lag toen namelijk op 110 procent Wsm. We kunnen in de vergelijking daarom alleen kijken naar de aantallen tot 100 en 110 procent Wsm5. Als we kijken naar de doelgroep met een inkomen tot 110 procent Wsm, dan zien we dat zowel het aantal als het aandeel huishoudens is gedaald ten opzichte van het eerdere onderzoek. In 2016 waren er 2.181 huishoudens (9,5 procent) met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld, dit is gedaald naar 1.841 huishoudens (7,5 procent) in 2023. Omdat de gemeente in de tussentijd de inkomensgrenzen van verschillende regelingen heeft verhoogd is het mogelijk dat een aantal van de huishoudens die in 2016 in beeld waren met een inkomen van 110 procent Wsm, in 2023 in beeld zijn als huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm. Schatting.

Niet alle huishoudens die in aanmerking komen voor gemeentelijke ondersteuning maken hier ook daadwerkelijk gebruik van. Daarom zijn niet alle huishoudens met een minimuminkomen in beeld bij de gemeente; ze maken immers geen gebruik van een bijstandsuitkering en/of minimaregeling. Op basis van de Armoede Index wordt het totale aantal huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm en een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet geschat op 2.725 huishoudens (11,1 procent van alle huishoudens) op 1 september 2023. Bij andere gemeenten met maximaal 50.000 inwoners (met eveneens een meer stedelijke kern) ligt dat percentage rond de 8 à 10 procent, het aandeel in de gemeente Middelburg ligt daar dus iets boven. Tabel 1.1.1 Huishoudens naar inkomen in Middelburg (cumulatief) Inkomenspercentage t.o.v. Wsm In beeld 2016 In beeld 2023 Tot 100% Wsm 1.946 8,5% 1.173 7,0% Tot 110% Wsm 2.181 9,5% 1.841 7,5% Tot 130% Wsm 2.238 9,1%

Schatting 2023 1.767 7,2% 1.930 7,9% 2.725 11,1%

Overig Totaal

21.752 24.477

20.714 22.895

90,5% 100%

22.239 24.477

90,9% 100%

88,9% 100%

Vergelijking inkomensbron doelgroep tot 100 procent Wsm, 2016-2023 in beeld In 2016 waren er 1.349 huishoudens in beeld met een inkomen tot 100 procent Wsm die als voornaamste inkomensbron een uitkering vanuit de Participatiewet hadden. Dit was destijds 69 procent van de doelgroep. Als we dit vergelijken met de cijfers uit 2023, dan zien we dat zowel het aantal als het aandeel minimahuishoudens met een inkomen vanuit de Participatiewet is gedaald, conform het landelijke beeld. Het aandeel minimahuishoudens met een andersoortig

5 Er zijn nog wel regelingen in 2023 waarbij de inkomensgrens van 110 procent Wsm wordt gehanteerd,

namelijk de individuele inkomenstoeslag en de tegemoetkoming voor chronisch zieken.

12

inkomen (zoals een WW-uitkering of werk) is ten opzichte van 2016 toegenomen (van 17 procent naar 22 procent). Tabel 1.1.2 Inkomensbron minima 2016 en 2023, tot 100% Wsm Inkomensbron Participatiewet6 AOW Ander inkomen Totaal

2016 1.349 69% 269 14% 328 17% 1.946 100%

2023 1.117 65% 216 13% 380 22% 1.713 100%

1.2. Kenmerken minimahuishoudens tot 130 procent Wsm in beeld Verdeling naar inkomensbronnen Inkomensbron. De helft van de minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm heeft als voornaamste inkomensbron een uitkering vanuit de Participatiewet. Verder ontvangt 13 procent een AOW-uitkering7. De overige 37 procent krijgt een inkomen uit een overige inkomensbron, zoals een WW-uitkering of werk. Gemiddeld zien we bij andere gemeenten dat 40 tot 50 procent van de minimahuishoudens een uitkering vanuit de Participatiewet krijgt. Daarnaast heeft gemiddeld 20 tot 30 procent een AOWuitkering, deels ook afhankelijk van het aantal ouderen in de gemeente. Dit aandeel ligt in Middelburg lager. Tabel 1.2.1. Inkomensbron minima, inkomen tot 130% Wsm Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

1.117 288 833 2.238

50% 13% 37% 100%

Verdeling naar overige kenmerken In tabel 1.2.2 staan de kenmerken van de huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm weergegeven. We vergelijken de minimapopulatie met alle huishoudens in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minima te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle huish.). Huishoudtype. Meer dan de helft van de minimahuishoudens is alleenstaand (1.338 huishoudens, 60 procent). Bij de meeste gemeenten ligt het aandeel alleenstaanden gemiddeld tussen de 50 en 55 procent, gemeente Middelburg zit hier dus wat boven. Als we kijken naar de huishoudverdeling van de gemeente Middelburg in bijlage 3 dan is te zien dat het aandeel alleenstaanden in de gemeente Middelburg hoger ligt is (namelijk 43 procent van alle huishoudens binnen de gemeente) dan gemiddeld in gemeenten met een inwoneraantal tot 50.000 inwoners (gemiddeld 34 procent). Dit kan verklaren waarom het aandeel alleenstaande minima ook wat hoger ligt. Een kwart van de minimahuishoudens heeft daarnaast minderjarige kinderen (574 huishoudens, 25 procent). Wijken. Ruim een kwart van de minimahuishoudens woont in Dauwendaele (614 huishoudens, 27 procent). Daarnaast woont 23 procent in Stromenwijk/’t Zand. Dit zijn tevens twee van de grootste wijken in de gemeente Middelburg, het is daarom logisch dat het aantal en het aandeel minimahuishoudens hier hoger ligt.

5 procent van de minima woont in een van de ‘overige’ wijken.

6

Onder deze categorie vallen bijstandsuitkeringen, IOAW-uitkeringen en IOAZ-uitkeringen. AIOaanvullingen vallen onder de categorie ‘AOW’. 7 Inwoners met een AIO-aanvulling vallen onder de categorie “AOW-uitkering”. Van de 288 minimahuishoudens met een AOW-uitkering, ontvangen 119 huishoudens een AIO-aanvulling.

13

Een aantal wijken hebben een kleine minimapopulatie en zijn wegens privacy redenen samengevoegd in deze categorie8. Tabel 1.2.2. Kenmerken minima, inkomen tot 130% Wsm Aandeel Categorie

minima t.o.v. alle huish.

Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin9 Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoonshuishouden zonder kinderen Meerpersoonshuishouden met kinderen Meerpersoonshuishouden met meerderjarige kinderen Totaal

1.338 368 99 167 206

60% 16% 4% 8% 9%

13% 35% 16% 2% 5%

60

3%

4%

2.238

100%

9%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal

273 764 907 294 2.238

12% 34% 41% 13% 100%

14% 13% 10% 4% 9%

Wijk/plaats Dauwendaele Nieuw Middelburg Stromenwijk/’t Zand Binnenstad Arnemuiden Middelburg Zuid Klarenbeek Overig Totaal

614 133 514 348 96 326 87 120 2.238

27% 6% 23% 16% 4% 15% 4% 5% 100%

19% 13% 14% 8% 5% 10% 5% 2% 9%

* Leeswijzer: van de 2.238 minimahuishoudens is 60 procent (1.338 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 13 procent daarvan een minimuminkomen heeft.

Kenmerken geschatte doelgroep De verdeling in huishoudtypen van de geschatte doelgroep uit de Armoede Index komt overeen met die van de doelgroep die de gemeente in beeld heeft. De meerderheid (64 procent) is alleenstaand, 17 procent bestaat uit eenoudergezinnen. Het aandeel meerpersoonshuishoudens zonder kinderen ligt in de Armoede Index op 9 procent, het aandeel binnen de doelgroep die de gemeente in beeld heeft ligt op 8 procent. De verdeling naar inkomensbron is binnen de geschatte doelgroep anders dan bij de doelgroep die in beeld is. Zo wordt het aandeel huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet lager geschat; namelijk op 41 procent (bij de doelgroep die de gemeente in beeld heeft ligt dit aandeel op 50 procent). Het aandeel minimahuishoudens met een AOW-uitkering wordt daarentegen hoger geschat (29 procent). Dit komt omdat de gemeente de huishoudens met een uitkering vanuit de Participatiewet allemaal in beeld heeft. De gemeente heeft de huishoudens met een overig inkomen dan wel met een AOW-uitkering niet allemaal in beeld. Zij maken over het algemeen minder vaak gebruik van de minimaregelingen. 8 In deze categorie zijn de volgende wijken/plaatsen meegenomen: Griffioen, Nieuw- en Sint Joosland,

Mortiere, Veersepoort, Sint-Laurens, Ramsburg, Brigdamme, Arnestein, Kleverskerke, Oranjeplaat en Poelendaele. 9 Wanneer gesproken wordt van ‘eenoudergezinnen’ gaat het om eenoudergezinnen waar (in ieder geval) minderjarige kinderen wonen, tenzij anders aangegeven.

14

Minimahuishoudens ten opzichte van alle huishoudens: wat valt op? Kans op armoede. Sommige huishoudens moeten vaker rondkomen van een minimuminkomen dan anderen. Huishoudens in Dauwendaele hebben in verhouding vaker een minimuminkomen dan huishoudens uit andere wijken: een vijfde van alle huishoudens in Dauwendaele is een minimahuishouden en moet dus rondkomen van een inkomen tot 130 procent Wsm. Ook hebben eenoudergezinnen vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen (in totaal 28 procent van alle eenoudergezinnen in de gemeente (inclusief de eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen), tegenover het gemeentelijk gemiddelde van 9 procent). Figuur 1.2.1. Aandeel minimahuishoudens in Middelburgse wijken t.o.v. alle huishoudens

Nieuw Middelburg

13%

133 van alle 1.039 huishoudens in Nieuw Middelburg

Stromenwijk/t Zand

14%

514 van alle 3.699 huishoudens in Stromenwijk/t Zand

Dauwendaele

19%

614 van alle 3.126 huishoudens in Dauwendaele

1.3. Langdurige minima Langdurige minima op 100 en 130 procent Wsm Driekwart van de huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft, heeft al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau (1.282 huishoudens). Bij de totale groep huishoudens met een inkomen tot 130 procent ligt het aandeel iets lager; namelijk op 68 procent (1.534 huishoudens) (dat komt omdat in de groep huishoudens met een inkomen tussen 100 en 130 procent Wsm, 48 procent langdurig minima is). Bij andere gemeenten zien we dat het aandeel langdurige minima gemiddeld tussen de 70 en 75 procent ligt. De gemeente Middelburg zit dus aan de onderkant van het gemiddelde. Tabel 1.3.1. Langdurige minima op 100% en 130% Wsm Duur op minimuminkomen 0 tot 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal

Tot 100% Wsm 130 8% 301 17% 1.282 75% 1.713 100%

100 tot 130% Wsm 108 21% 165 31% 252 48% 525 100%

Tot 130% Wsm, totaal 238 11% 466 21% 1.534 68% 2.238 100%

Kenmerken langdurige minima tot 130 procent Wsm Als we kijken naar de kenmerken van de 1.534 huishoudens met een langdurig inkomen tot 130 procent Wsm, dan zien we dat de meerderheid (58 procent) een uitkering vanuit de Participatiewet ontvangt. Daarnaast bestaat de langdurige minimapopulatie voor 61 procent uit alleenstaanden en voor 17 procent uit eenoudergezinnen. Ten opzichte van alle huishoudens hebben de minimahuishoudens met een AOW-uitkering10 het vaakst langdurig een minimuminkomen. Van alle minimahuishoudens met een AOW-uitkering leeft 97 procent al drie jaar of langer van een minimuminkomen. Over het algemeen hebben zij 10 Hieronder valt ook AIO.

15

ook geen zicht meer op een inkomensverbetering. Dit houdt in dat wanneer inwoners met een minimuminkomen de AOW-leeftijd bereiken, dit naar alle waarschijnlijkheid niet meer zal veranderen. Verder blijkt dat eenoudergezinnen met meerderjarige kinderen in verhouding vaker langdurig moeten rondkomen van een minimuminkomen dan andere huishoudtypen (83 procent). In Middelburg Zuid en Dauwendaele ligt het aandeel langdurige minima wat hoger dan in andere wijken. Het aandeel AOW’ers is niet opvallend hoger in deze woonplaatsen, dit is daarmee geen eventuele verklaring voor een hoger aandeel langdurige minima. Tabel 1.3.2. Kenmerken langdurige minima, inkomen tot 130% Wsm Aandeel langdurige Categorie

minima t.o.v. alle minima

Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal

893 280 361 1.534

58% 18% 24% 100%

80% 97% 43% 69%

936 259 82 110 109

61% 17% 5% 7% 7%

70% 70% 83% 66% 53%

Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Eenoudergezin met meerderjarige kinderen Meerpersoonshuishouden zonder kinderen Meerpersoonshuishouden met kinderen Meerpersoonshuishouden met meerderjarige kinderen Totaal

38

3%

63%

1.534

100%

69%

Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal

53 485 713 283 1.534

4% 32% 47% 18% 100%

19% 63% 79% 96% 69%

Wijk Dauwendaele Nieuw Middelburg Stromenwijk/’t Zand Binnenstad Arnemuiden Middelburg Zuid Klarenbeek Overig Totaal

462 94 341 211 70 251 50 55 1.534

30% 6% 22% 14% 5% 16% 3% 4% 100%

75% 71% 66% 61% 73% 77% 57% 46% 69%

* Leeswijzer: van de 1.534 huishoudens met een langdurig laag inkomen heeft 58 procent (893 huishoudens) een bijstandsuitkering. Afgezet tegen alle huishoudens met een bijstandsuitkering laat de laatste kolom zien dat 80 procent daarvan al drie jaar of langer een minimuminkomen heeft. Onder huishoudens met een AOWuitkering is dat zelfs 97 procent. En onder alle alleenstaanden met een minimuminkomen (936 huishoudens) is 70 procent al drie jaar of langer afhankelijk van een minimuminkomen.

16

2. Minimakinderen tot 18 jaar 2.1. De gemeente heeft 1.424 minimakinderen tot 18 jaar in beeld In beeld. Op 1 september 2023 heeft de gemeente Middelburg 1.176 kinderen tot 18 jaar in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm. Dat is 12,8 procent van alle kinderen in de gemeente Middelburg. Van de 1.176 kinderen die opgroeien in een minimahuishouden, groeien 840 kinderen op in een huishouden met een inkomen tot 100 procent Wsm. Dit is 9,1 procent van alle kinderen. Ook bij de minimakinderen is er in 2016 gerapporteerd op een inkomensniveau van 110 procent in plaats van 130 procent, net zoals bij de minimahuishoudens. In 2016 waren er 1.077 kinderen in beeld die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 110 procent Wsm (11,2 procent)11. Tussen 2016 en 2023 is zowel het aantal als het aandeel minimakinderen gedaald 12. Schatting. Net als bij het aantal minimahuishoudens geldt dat de gemeente Middelburg niet alle minimakinderen in beeld heeft. Op basis van de Armoede Index schatten we het totale aantal minimakinderen dat woont in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm op 1.424 kinderen (15,5 procent van alle kinderen). In gemeenten van vergelijkbare grootte ligt het aandeel kinderen op circa 10 procent. Het percentage in de gemeente Middelburg zit hier dus wat boven. Tabel 2.1.1.

Aantal kinderen in (minima)huishoudens (cumulatief) Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% Wsm Tot 110% Wsm Tot 130% Wsm

In beeld 2016 1.077 11,2% -

In beeld 2023 840 9,1% 875 9,5% 1.176 12,8%

Schatting 2023 901 9,8% 952 10,4% 1.424 15,5%

Overig Totaal

8.573 9.650

8.014 9.190

7.766 9.190

88,8% 100%

87,2% 100%

84,5% 100%

2.2. Kenmerken minimakinderen in beeld In dit hoofdstuk geven we de kenmerken weer van de 1.424 minimakinderen die opgroeien in een huishouden met een inkomen op 130 procent Wsm die de gemeente in beeld heeft. Verdeling naar inkomensbronnen Inkomensbron. Ruim de helft van de minimakinderen groeit op in een huishouden met een inkomen vanuit de Participatiewet. Gemiddeld ligt dit ongeveer tussen de 50 en 55 procent. De overige 44 procent groeit op in een huishouden met een andersoortig inkomen (zoals een WWuitkering of werk). Tabel 2.2.1. Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 130% Wsm Inkomensbron Participatiewet Ander inkomen13 Totaal

2023 658 56% 518 44% 1.176 100%

Verdeling naar overige kenmerken In tabel 2.2.2 staat een aantal kenmerken van kinderen tot 18 jaar die opgroeien in een huishouden met een inkomen tot 130 procent Wsm. We vergelijken de minimakinderen met alle 11 In 2016 is niet gerapporteerd op het aantal minimakinderen op 100 procent Wsm. 12 Omdat de gemeente in de tussentijd de inkomensgrenzen van verschillende regelingen heeft verhoogd is

het mogelijk dat een aantal van de minimakinderen die in 2016 in beeld waren met een inkomen van 110 procent Wsm, in 2023 in beeld zijn als minima met een huishoudinkomen tot 130 procent Wsm. 13 De kinderen die opgroeien in een huishouden met een AOW-uitkering als voornaamste inkomensbron zijn wegens privacy redenen opgeteld bij de kinderen die opgroeien in een huishouden met een overig inkomen.

17

kinderen in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minimakinderen te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle kinderen’). Kenmerken. Meer dan de helft van de minimakinderen groeit op in een eenoudergezin (681 kinderen, 58 procent). Daarnaast is te zien dat de helft van de minimakinderen tussen de 4 en 12 jaar oud zijn. Tot slot woont 39 procent van de minimakinderen in Dauwendaele en 21 procent in Middelburg Zuid en 21 procent woont in de wijken Stromenwijk/’t Zand. Zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven is Dauwendaele een van de 9grootste wijken in de gemeente Middelburg. Stromenwijk/t Zand en Middelburg Zuid zijn eveneens grote wijken binnen de gemeente, wat het hogere aantal minimahuishoudens kan verklaren. Tabel 2.2.2. Kenmerken minimakinderen, inkomen tot 130% Wsm Aandeel minima Categorie Huishoudtype Eenoudergezin Meerpersoonshuishouden Totaal

t.o.v. alle kinderen 681 495 1.176

58% 42% 100%

41% 7% 13%

Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal

200 575 401 1.176

17% 49% 34% 100%

11% 14% 12% 13%

Wijk Dauwendaele Nieuw Middelburg Stromenwijk/’t Zand Binnenstad Arnemuiden Middelburg Zuid Klarenbeek Overig Totaal

460 56 249 48 42 252 15 54 1.176

39% 5% 21% 4% 4% 21% 1% 5% 100%

36% 18% 19% 7% 4% 18% 2% 2% 13%

* Leeswijzer: van de 1.176 minimakinderen komt 58 procent (681 kinderen) uit een eenoudergezin. Afgezet tegen alle kinderen uit een eenoudergezin laat de laatste kolom zien dat 41 procent daarvan bestaat uit kinderen uit een minimagezin. Onder kinderen uit meerpersoonshuishoudens is dat 7 procent.

Minimakinderen ten opzichte van alle kinderen: wat valt op? Kans op armoede. Sommige kinderen hebben meer kans om op te groeien in armoede dan andere kinderen. In de gemeente Middelburg groeien kinderen in een eenoudergezin bijna zes keer zo vaak op in armoede dan kinderen uit een tweeoudergezin (41 procent tegenover 7 procent). Landelijk zien we ook dat kinderen in een eenoudergezin vaker in een minimahuishouden opgroeien dan kinderen in een tweeoudergezin, al verschillen de precieze verhoudingen per gemeente.

18

Figuur 2.2.1. Aandeel huishoudens minimakinderen t.o.v. alle kinderen

Tweeoudergezin

7%

488 van alle 7.473 kinderen in een tweeoudergezin

Eenoudergezin

681 van alle 1.671 kinderen in een eenoudergezin

41%

Daarnaast groeien kinderen in de wijk Dauwendaele vaker op in een minimahuishouden dan kinderen in andere wijken. Ruim een derde van alle kinderen in de wijk Dauwendaele groeit op in een minimahuishouden. Andere wijken waar het aandeel minimakinderen hoger ligt zijn Stromenwijk/t Zand, Nieuw Middelburg en Middelburg Zuid. Figuur 2.2.2. Aandeel wijken minimakinderen t.o.v. alle kinderen

Middelburg Zuid

18%

252 van alle 1.370 kinderen in Middelburg Zuid

Nieuw Middelburg

18%

56 van alle 320 kinderen in Nieuw Middelburg

Stromenwijk/t Zand

19%

249 van alle 1.340 kinderen in Stromenwijk/t Zand

Dauwendaele

460 van alle 1.283 kinderen in Dauwendaele

36%

19

3. Minimaregelingen 3.1. Gebruik van de minimaregelingen Het gebruik en bereik van de regelingen wordt weergegeven in tabellen 3.1.1 en 3.1.2. Het bereik van de regelingen is afgezet tegen de totale geschatte doelgroep (dus inclusief de minima die de gemeente niet in beeld heeft). Daarnaast wordt het bereik van de regeling vergeleken met het gemiddelde bereik in vergelijkbare gemeenten (met een inwonertal tot 50.000). In bijlage 6 staat per regeling een vergelijking van het aantal gebruikers in 2016 en 2023. Deze vergelijking is niet opgenomen in dit hoofdstuk omdat de gemeente in de tussentijd de inkomensgrenzen van een aantal regelingen heeft verhoogd, waardoor de cijfers niet een op een met elkaar te vergelijken zijn. Daarnaast is de methodiek van de Armoedemonitor in de tussentijd veranderd: voorheen werd het bereik van de regeling berekend aan de hand van de doelgroep in beeld en nu wordt het bereik berekend aan de hand van de geschatte totale doelgroep. In bijlage 7 staat ook een vergelijking tussen de gebruikers die aan het BRP gekoppeld kunnen worden en het totale aantal gebruikers. Regelingen voor volwassenen • Het bereik van de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen van 70 procent ligt in lijn met het gangbare bereik van 70 tot 75 procent. • Het bereik van de bijzondere bijstand is 28 procent, dat ligt in lijn met het gangbare bereik in veel andere gemeenten.

• Het bereik van de individuele inkomenstoeslag ligt in de gemeente Middelburg een stuk hoger dan het gemiddelde in veel andere gemeenten. Het gangbare bereik van deze regeling ligt tussen de 45 en 50 procent. De gemeente Middelburg bereikt met deze regeling 77 procent van de doelgroep. • Het bereik van de collectieve zorgverzekering ligt onder het gemiddelde bereik van 35 tot 40 procent. De cijfers die in dit rapport staan betreffen echter alleen diegenen die via Orionis bekend zijn via het uitkeringssysteem 14. • Via het Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs kunnen zowel volwassenen als kinderen ondersteuning krijgen. In totaal maakten 1.388 huishoudens hiervan gebruik; een bereik van 51 procent. Gemiddeld heeft een dergelijke participatieregeling een bereik van 35 tot 40 procent onder volwassenen en 50 tot 55 procent onder kinderen. Het bereik in de gemeente Middelburg ligt daarmee in lijn. • 89 huishoudens hebben in 2023 de participatiebetaling ontvangen en 40 huishoudens hebben de vrijwilligerspremie ontvangen. Voor deze regelingen is geen doelgroep vast te stellen en daarmee ook geen bereik. • 276 huishoudens hebben de bijdrage diaconie ontvangen. Ook hierbij geldt dat de doelgroep van deze regeling niet is vast te stellen en daarmee ook geen bereik. • 468 personen hebben de bijdrage voor chronisch zieken ontvangen.

Het aantal chronisch zieken in de gemeente is niet vast te stellen, waardoor er ook geen bereik kan worden vastgesteld. Tabel 3.1.1 Gebruik en bereik regelingen 2023 Regeling Kwijtschelding Doelgroep Gebruik Bereik

1.767 huishoudens 1.236 huishoudens 70%

14

Niet alle gebruikers van de collectieve zorgverzekering zijn aangeleverd voor dit onderzoek. De aangeleverde gebruikers zijn gebruikers die bekend zijn via het uitkeringssysteem. De ‘overige minima’ die gebruikmaken van de CZV zijn niet aangeleverd. Het kan dus zijn dat het daadwerkelijke aantal gebruikers hoger ligt.

20

Regeling Bijzondere bijstand Doelgroep Gebruik Bereik

2.725 huishoudens 771 huishoudens 28%

Individuele inkomenstoeslag Doelgroep Gebruik Bereik

1.152 huishoudens 883 huishoudens 77%

Collectieve zorgverzekering Doelgroep Gebruik pakket start Gebruik pakket uitgebreid Gebruik pakket extra uitgebreid Gebruik totaal Bereik

2.725 huishoudens 266 huishoudens 24 huishoudens 342 huishoudens 580 huishoudens 21%

Fonds Cultuur, Sport & Onderwijs Gebruik vergoeding basisonderwijs Gebruik vergoeding voortgezet onderwijs Gebruik vergoeding 18 jaar en ouder Doelgroep Gebruik totaal Bereik

233 huishoudens 185 huishoudens 1.384 huishoudens 2.725 huishoudens 1.388 huishoudens 51%

Participatiebetaling Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 89 huishoudens Niet te bepalen

Vrijwilligerspremie Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 40 huishoudens Niet te bepalen

Bijdrage diaconie Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 276 huishoudens Niet te bepalen

Bijdrage chronisch zieken Doelgroep Gebruik Bereik

Niet te bepalen 468 personen Niet te bepalen

Regelingen voor kinderen • In 2022 hebben 360 kinderen gebruik gemaakt van het Jeugdfonds Sport en Cultuur, in 2023 waren dat er (tot 1 september) 411. Veruit de meeste kinderen hebben gebruikgemaakt van een vergoeding voor sport. • Het bereik van het Jeugdfonds Sport & Cultuur in 2023 ligt met 29 procent aan de onderkant van het gangbare gemiddelde van 30 tot 35 procent.

21

Tabel 3.1.2 Gebruik en bereik kindregelingen 2022-2023 Regeling Jeugdfonds Sport & Cultuur 2022 15 Doelgroep Gebruik sport Gebruik cultuur Gebruik16 Bereik

322 kinderen 38 kinderen 360 kinderen -

Jeugdfonds Sport & Cultuur 2023 Doelgroep Gebruik sport Gebruik cultuur Gebruik Bereik

1.424 366 kinderen 45 kinderen 411 kinderen 29%

Aantal regelingen per huishouden De gemeente kent negen regelingen voor inwoners met een laag inkomen. Naast de regelingen waar iedereen (mits ze voldoen aan de inkomenseisen) gebruik van kan maken kunnen gezinnen met kinderen gebruikmaken van het Jeugdfonds Sport & Cultuur (en van het Fonds CSO). In tabel 3.1.3 staat de verdeling van het aantal regelingen per huishouden weergegeven. Een kwart van de huishoudens maakt van geen van de regelingen gebruik. Dit aandeel bestaat uit minimahuishoudens die de gemeente wél in beeld heeft (224 huishoudens) en de huishoudens die de gemeente niet in beeld heeft (487 huishoudens). De huishoudens die de gemeente niet in beeld heeft zijn afkomstig vanuit de Armoede Index. De huishoudens die de gemeente wél in beeld heeft krijgen een uitkering vanuit de Participatiewet, maar maken geen gebruik van de minimaregelingen. 24 procent van de minimahuishoudens maakt gebruik van één regeling. Tweeëntwintig huishoudens (1 procent) maken gebruik van zes regelingen. Tabel 3.1.3 Verdeling aantal regelingen per huishouden, alle regelingen Aantal regelingen 0 1 2 3 4 5 6 Totaal

224 (in beeld) + 487 (niet in beeld) 653 407 390 390 152 22 2.725

26% 24% 15% 14% 14% 6% 1% 100%

Als we kijken naar het aantal kindregelingen per huishouden dan zien we dat de meerderheid van geen regeling gebruik maakt. Hierbij geldt dezelfde uitleg als bij de regelingen per huishouden: dit aandeel bestaat uit minimakinderen die de gemeente in beeld heeft (omdat hun ouders een uitkering vanuit de Participatiewet krijgen en/of gebruikmaken van een minimaregeling) en

15 De cijfers van het Jeugdfonds in 2023 geven het gebruik weer van januari t/m augustus. Omdat dit jaar

niet compleet is geven we ook het geheel van 2022 weer zodat in ieder geval over een complete periode van 12 maanden wordt gerapporteerd. 16 Het Jeugdfonds Sport & Cultuur registreert niet op BSN en hun bestand is daarom gekoppeld aan de overige bestanden op basis van gepseudonimiseerde persoonsgegevens. Dit maakt de koppeling iets minder compleet. Om een volledig beeld te geven van het gebruik en bereik, geven we het gebruik en bereik weer voor de totale gebruikersgroep (dus ook de groep die niet gekoppeld kan worden aan de BRP). De kenmerken van de gebruikers van het Jeugdfonds worden wel weergegeven voor de gebruikers die te koppelen zijn aan de BRP.

22

kinderen die de gemeente niet in beeld heeft. Een derde maakt gebruik van één regeling en 20 procent maakt gebruik van twee regelingen. Tabel 3.1.4 Verdeling aantal kindregelingen per huishouden Aantal regelingen 0 1 2 Totaal

184 (in beeld) + 125 (niet in beeld) 248 142 699

45% 35% 20% 100%

3.2. Kenmerken gebruikers per regeling Kwijtschelding gemeentelijke belastingen • In 2023 hebben 1.236 huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm gebruik gemaakt van de kwijtschelding; • Gebruikers van de kwijtschelding hebben veelal een inkomen vanuit de Participatiewet (58 procent); • Meer dan de helft van de gebruikers van de kwijtschelding is alleenstaand (59 procent). 22 procent van de gebruikers bestaat uit eenoudergezinnen. Bijzondere bijstand • In de analyseperiode hebben 771 huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm bijzondere bijstand ontvangen; • De meerderheid van de gebruikers van de bijzondere bijstand ontvangt een uitkering vanuit de Participatiewet. Een derde heeft een inkomen vanuit een andere bron, zoals een WW-uitkering of werk; • 60 procent van de gebruikers van de bijzondere bijstand is alleenstaand. Individuele inkomenstoeslag • 883 huishoudens met een langdurig inkomen tot 110 procent Wsm hebben in de analyseperiode de individuele inkomenstoeslag ontvangen; • De overgrote meerderheid van de huishoudens (80 procent) die individuele inkomenstoeslag ontvangen hebben een inkomen vanuit de Participatiewet; • De meerderheid van de huishoudens (60 procent) is alleenstaand. Een kwart van de gebruikers bestaat uit eenoudergezinnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15191832/1