CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020 - AANGEPAST

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bijlage 1 - Bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 202034.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Zeeland en de gemeente Middelburg. Ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan worden vanuit het geldende Rijksbeleid geen specifieke uitspraken gedaan. Er wordt voldaan aan het provinciale beleid; een separaat marktonderzoek heeft aangetoond dat wordt voldaan aan de drie treden uit de ladder voor duurzame verstedelijking en de herontwikkeling en uitbreiding van het park zijn mogelijk op grond van de provinciale Omgevingsplan en de bijbehorende Omgevingsverordening. Voorwaarde is wel dat de baanrotatie van het vliegveld Midden-Zeeland doorgang vindt. Aangezien dit nog niet geborgd is, zijn de veiligheidscontouren van het vliegveld opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Tot slot past de planvorming uit dit bestemmingsplan binnen het gemeentelijke beleidskader.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

78

5

Mobiliteit

5.1

Kader

5.1.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt onder andere de Nota Mobiliteit en vormt de visie van het Rijk op het gebied van mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte, milieu en leefbaarheid tot 2040. De SVIR voorziet een groei in de mobiliteitsbehoefte tot 2030. Deze groei is het grootst in de Randstad en Brabant. Om de concurrentiekracht van Nederland te versterken, is een netwerk van hoogwaardige internationale verbindingen nodig, net als een goede nationale bereikbaarheid van onze belangrijkste economische regio’s. 5.1.2 Gemeentelijk beleid Wegbeheer Gemeente Middelburg 2017-2021 In de notitie ‘Wegbeheer Gemeente Middelburg 2017–2021’ zijn de beleidsdoelstellingen op het gebied van verkeer opgenomen De functie van het gemeentelijke openbare wegennet is het veilig, vlot en comfortabel verwerken van het verkeer. Wegen hebben daarmee een belangrijke economische en sociale taak in de samenleving. Daarnaast worden onderdelen van wegen steeds meer gebruikt als verblijfsgebied (wonen, winkelen, activiteiten, spelen) of als parkeermogelijkheid (van auto’s, fietsen en dergelijke). Bij het ontwerp en de inrichting van de wegen wordt ook rekening gehouden met deze verkeersaspecten en worden verbeteringen aangebracht. 5.2

Onderzoek Verkeersintensiteiten Om het verkeerseffect van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving inzichtelijk te maken is een verkeersonderzoek13 uitgevoerd. Het verkeersonderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uitgangspunten Voor de uitvoering van het verkeersonderzoek voor de MER Waterpark Veerse Meer is gebruik gemaakt van een verkeersmodel. Een verkeersmodel geeft een voorspelling voor de ontwikkeling van de verkeersintensiteiten in een bepaald gebied voor een bepaald jaar. Het Waterpark Veerse Meer is gesitueerd aan de rand van het verkeersmodel Walcheren 2030. Door de grofmazigheid van de in het model ingevoerde wegenstructuur en het ontbreken van goede aansluitingen op de hoofdwegenstructuur in het oostelijke deel van het invloedsgebied, leverde dit verkeersmodel onvoldoende informatie op voor een betrouwbaar verkeersonderzoek. Het Verkeersmodel 13

Bijlage 3: Achtergrondrapport verkeer, MER Waterpark Veerse Meer, Goudappel Coffeng, d.d. 30 maart 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

79

Walcheren is daarom uitgebreid analoog aan de gebiedsgrenzen en geactualiseerd op basis van huidige inzichten, geijkt op recente verkeerstellingen en opnieuw afgestemd op het Nederlands Regionaal Model en het Verkeersmodel Zuid-Beveland. De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de kengetallen uit het CROW (publicatie 381). Deze kengetallen kennen bandbreedtes. Voor het onderzoek is uitgegaan van de maxima van deze bandbreedtes. Ter controle van de CROW kengetallen zijn op het (qua opzet en omvang vergelijkbare) recreatiepark Hof van Saksen in Drenthe door de initiatiefnemer verkeerstellingen14 uitgevoerd. Op deze manier is getoetst of de toepassing van de maximale CROW-kengetallen de feitelijke verkeersgeneratie van een vergelijkbaar recreatiepark niet onderschat. Uit deze tellingen blijkt dat bij Hof van Saksen de gemiddelde verkeersintensiteit per recreatiewoning lager ligt dan de maximale norm van 2,8 motorvoertuigen per etmaal, die in de CROW-publicatie wordt gehanteerd. De verkeersgeneratie voor Hof van Saksen in 2019 is berekend op 1,6 per woning op een gemiddelde weekdag in het hoogseizoen, terwijl in de verkeersstudie voor Waterpark Veerse Meer is gerekend met een kencijfer van 2,8 verkeersbewegingen per recreatiewoning. Die norm is in het hoogseizoen met 40% opgehoogd.

In de praktijk blijkt dat de werkelijke verkeersgeneratie op het park Hof van Saksen 58% lager ligt dan de verkeersgeneratie zoals berekend is in het verkeersonderzoek. Voor de berekeningen van het verkeerseffect als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling van het Waterpark Veerse Meer zijn de kengetallen uit de CROW-publicatie gehanteerd. Specifiek voor de provincie Zeeland geldt dat het aantal verkeersbewegingen in de zomermaanden aanzienlijk toeneemt. Om de gevolgen hiervan in beeld te brengen is nog een aanvullende analyse uitgevoerd, met betrekking tot de situatie in het hoogseizoen. Onderzoeksopzet In het verkeersonderzoek zijn vier situaties in beeld gebracht:

14

•

de Autonome situatie 2030. Dit is de situatie waarin het huidige verkeer, de groei hiervan en het verwachte verkeer als gevolg van alle andere verwachte ontwikkelingen in de omgeving is doorgerekend, maar zonder de voorgenomen herontwikkeling van het Waterpark Veerse Meer.

•

de Referentie situatie 2030. Dit is de situatie met alle ontwikkelingen uit de omgeving meegenomen zoals in de Autonome Situatie 2030 waarbij het Waterpark Veerse Meer, wordt herontwikkeld met volledige benutting van de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Waterpark Veerse Meer' uit 2014.

•

het plan ‘Driestar Alternatief 1’, welke uitgaat van dezelfde Autonome situatie 2030 maar met de realisatie van de herontwikkeling van het Waterpark Veerse Meer volgens de verblijfsrecreatie-eenheden die in eerste instantie waren voorzien; 800 nieuwe grondgebonden woningen, 100 nieuwe recreatieappartementen en 50 nieuwe stage en opleidingsappartementen.

Achtergronddocument bij de MER (opgenomen in bijlage 9): Toetsing verkeersgeneratie vergelijkbaar park ten opzichte

van CROW-kencijfer 'bungalow', Goudappel Coffeng, d.d. 11 augustus 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

80

•

het plan ‘Driestar 2030 Alternatief 2’ is opgesteld na het doorlopen van de dialoogsessies met experts, omwonenden en belangstellenden waarbij een aangepast landschapsplan is uitgewerkt, waarbij minder recreatiewoningen en recreatie-appartementen mogelijk zijn. Hierbij wordt uitgegaan van een maximum van 822 nieuwe verblijfseenheden, waarvan maximaal 800 grondgebonden woningen. Dit is de situatie die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

De verschillende situaties zijn getoetst aan de aspecten ‘verschuivingen van verkeer’, ‘doorstroming’, ‘verkeersveiligheid’, ‘wegverkeersgeluid’ en ‘luchtkwaliteit’. Conclusies Het doel van het verkeersonderzoek is om de effecten in kaart te brengen van de huidige situatie en de toekomstige ontwikkeling van het verkeer in het gebied ten zuiden van het Veerse Meer. Uit deze studie is gebleken dat er binnen het gebied en met name in de kernen van Wolphaartsdijk en Arnemuiden reeds in de huidige situatie verkeersknelpunten bestaan en dat deze door autonome groei van het verkeer zullen toenemen. Met de komst van het park (ongeacht onder welk bestemmingsplan: zowel na realisatie van de huidige bestemmingsplanmogelijkheden als met voorliggend bestemmingplan) ontstaat een toename van circa 2.500 mvt/etmaal op een werkdag. Die toename van verkeer leidt tot een extra belasting op erftoegangswegen rondom het park (Calandweg + 133%, Nieuwe Kraaijertsedijk + 157%) en toename op wegen binnen de kom van Arnemuiden en Lewedorp. Ook neemt de kans op bermschade van erftoegangswegen toe en zijn op gebied van spoorveiligheid verkeersveiligheidsknelpunten gesignaleerd op de bestaande overwegen in Arnemuiden en Lewedorp. Uit het onderzoek is gebleken dat het probleemoplossend vermogen van de huidige verkeersstructuur in het plangebied te beperkt is om de knelpunten op te kunnen lossen.

De sterke autonome groei is naast de groei van het autobezit en autogebruik vooral het gevolg van de diverse reeds vastgestelde (veelal recreatieve en woningbouw gerelateerde) ontwikkelingen aan de zuidzijde van het Veerse Meer in zowel de gemeenten Goes als Middelburg. Hoewel voorliggend bestemmingsplan planologisch gezien geen nieuwe verkeersproblematiek veroorzaakt, zijn de knelpunten als gevolg van de toename aan verkeer erkend door alle betrokken partijen en (externe) verkeerskundigen. Daarom is van overheidswege besloten om gezamenlijk naar dit probleem te kijken. De Provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de gemeenten Goes, Borsele en Middelburg hebben besloten tot een gezamenlijke aanpak voor het opstellen van een gebiedsontsluitingsvisie. Rijkswaterstaat en ProRail zijn in deze studie nauw betrokken. In de gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak wordt een structuurplan opgesteld voor een robuuste gebiedsontsluiting voor het Veerse Meer-zuid gebied. De eerste fase van het onderzoek moet resulteren in een aantal varianten voor een toekomstbestendige oplossing voor de huidige en toekomstige verkeersproblemen in de kernen van Arnemuiden, Lewedorp en Wolphaartsdijk en op de wegen van het Waterschap en een toekomstbestendige ontsluiting van reeds geplande en verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied Veerse Meer Zuid.

Vanwege de lange doorlooptijd die infrastructuurprojecten kunnen hebben worden in deze studie ook nadrukkelijk 'no regret' maatregelen onderzocht die voor de korte termijn de verkeersveiligheidsknelpunten kunnen verbeteren. Fietsverkeer en landbouwverkeer worden integraal in deze studie meegenomen. De eerste fase wordt in de winter van 2020 afgerond. Deze varianten worden in de tweede fase nader uitgewerkt waarbij de consequenties op het gebied van

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

81

verkeerskundige, landschappelijke en financiële consequenties inzichtelijk worden gemaakt. Het volledige onderzoek moet medio 2021 gereed zijn. Zodra de resultaten uit de eerste onderzoeksfase bekend zijn zullen deze worden beschreven en zal het onderzoek worden toegevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan. Actualiserende verkeersanalyse Door Goudappel Coffeng is in navolging op het Achtergrondrapport verkeer 15 een actualiserend rapport opgesteld. Op het recreatiepark Hof van Saksen in Drenthe zijn verkeerstellingen uitgevoerd16. Omdat beide parken eenzelfde kwaliteitsniveau kennen, is de verwachting dat deze ook een vergelijkbaar verplaatsingspatroon en – gedrag kennen. De nieuwe telcijfers op het recreatiepark Hof van Saksen hebben daarom aanleiding gegeven het totale verkeersonderzoek hierop te actualiseren. De gewijzigde verkeersgeneratie van Waterpark Veerse Meer is verwerkt in het verkeersmodel. Vervolgens is in een notitie17 inzichtelijk gemaakt wat de verkeerseffecten zijn van de ontwikkeling van Waterpark Veerse Meer, op basis van deze nieuwe inzichten. Onderzoeksresultaten Uit de effectbeoordeling voor Plan Driestar wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling ‘Waterpark Veerse Meer’ geen effect heeft op de doorstroming op wegvak- en kruispuntniveau. Tevens neemt de kans op bermschade niet toe als gevolg van de ontwikkeling.

De streefwaarde van erftoegangswegen wordt in het plan overschreven, maar dit is reeds het geval in de autonome situatie. Het aantal wegvakken waar de streefwaarde wordt overschreden neemt niet toe. Op recreatieve fietsroutes zijn een aantal wegvakken waar een extra fietsvoorziening benodigd is, overeenkomstig met de autonome situatie. Wanneer het voorkeursalternatief Plan Driestar wordt ontwikkeld en de verkeerseffecten inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van telcijfers in Hof van Saksen, kan worden gesteld dat er een toename is van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de autonome situatie. Op wegvakniveau is de toename beperkt tot enkele honderden motorvoertuigen per etmaal in de directe omgeving van het Waterpark. Voor de kernen is de toename meer beperkt en zijn de verschillen verkeerskundig te verwaarlozen. Milieueffecten Voor het aspect geluid is een negatief effect te verwachten ten aanzien van het aantal gehinderden en slaapverstoorden in de plansituatie ten opzichte van de autonome situatie. Ten opzichte van de referentiesituatie zijn geen negatieve effecten te verwachten. Ook zijn er waarneembare toenames van de geluidsbelasting te verwachten in de plansituatie ten opzichte van de autonome situatie.

Echter, wanneer de plansituatie wordt afgezet tegen de referentiesituatie 2030 zijn er geen relevante negatieve effecten te verwachten voor het aspect geluid. Voor wat betreft luchtkwaliteit is er geen sprake van significante toenames van de concentraties. Er wordt ruim voldaan aan de normen en het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de 15

Bijlage 3: Achtergrondrapport verkeer, MER Waterpark Veerse Meer, Goudappel Coffeng, d.d. 30 maart 2020

16

Bijlage 17: Toetsing verkeersgeneratie vergelijkbaar park ten opzichte van CROW-kencijfer 'bungalow', Goudappel

Coffeng, d.d. 11 augustus 2020 17

Bijlage 16: Effectbeoordeling alternatieve verkeersgeneratie, Goudappel Coffeng, d.d. 7 oktober 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

82

verslechtering van luchtkwaliteit. De analyse en toets op het gebied van stikstof zijn opgenomen bij de passende beoordeling. Gevoeligheidsanalayse hoogseizoen Het studiegebied heeft te maken met seizoensinvloeden. Hierdoor rijdt er meer verkeer ni het gehele studiegebied, als gevolg van extra toeristisch verkeer, dan in de reguliere periode. In eerdere berekeningen zijn alle recreatieve ritten van en naar het studiegebied met 1,4 vermenigvuldigd, ook voor het Waterpark Veerse Meer. Voor Waterpark Veerse Meer geldt dus dat eerder is gerekend met een factor 1,4 bovenop het kencijfer van 2,8 (dus 3,92 verkeersbewegingen per recreatiewoning). Omdat bij Hof van Saksen 1,64 verkeersbewegingen zijn gemeten in de zomerperiode, kan worden gesteld dat het verschil in verkeersgeneratie in de MER 58% hoger is dan de verwachte praktijksituatie. Om die reden is in deze notitie niet nogmaals de ophoogfactor van 1,4 gehanteerd. Voor alle andere recreatieve voorzieningen in het studiegebied is dat wel het geval. Het planeffect voor het hoogseizoen is in beeld gebracht door een vergelijking te maken tussen de Autonome situatie – hoogseizoen en de Plansituatie – hoogseizoen.

Als gevolg van de hogere verkeersaantallen geldt dat er in de referentiesituatie 2030 en Plan Driestar alternatief verkeersgeneratie een extra aandachtspunt is op het aspect ‘bermschade’ in vergelijking met de autonome situatie in het hoogseizoen. Op de overige aspecten zijn de verkeerseffecten overeenkomstig met de autonome situatie hoogseizoen. Verkeersveiligheidsanalyse In een verkeersveiligheidsanalyse is nader ingezoomd op mogelijke knelpunten in het studiegebied. Op basis van de analyse wordt in samenspraak met de omgeving gezocht naar oplossingsrichtingen. De resultaten van deze eerste stap zijn in dit rapport18 beschreven. Onderzoeksresultaten In het rapport is een knelpuntenanalyse uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar de feitelijke cijfers (geregistreerde ongevallen) en zijn mogelijke knel- en aandachtspunten op het gebied van verkeersveiligheid inzichtelijk gemaakt door middel van een schouw. Hierbij is gekeken naar de huidige situatie (zoals het park momenteel functioneert), de autonome situatie 2030, de autonome situatie 2030 in het hoogseizoen, de referentiesituatie 2030, de plansituatie 2030 en de plansituatie 2030 in het hoogseizoen.

De knel- en aandachtspunten evenals de opvallendheden op het gebied van verkeersveiligheid zijn als volgt: • Ontsluiting gemotoriseerd verkeer o De planontwikkeling heeft een beperkt effect op de noordoostroute (toename van 200 mvt/etmaal) en geen effect op de routes in de kern van Wolphaarsdijk • Ontsluiting fietsverkeer o Op de fietsroutes zijn geen knelpunten waargenomen o Aandachtspunt is het fiets- en voetgangersverkeer op de Aardebollenweg • Route overzichtelijk ingericht

18

Bijlage 10: Goudappel Coffeng, Verkeersveiligheidsanalyse Waterpark Veerse Meer, kenmerk 003721.20190801.

R2.07, d.d. 28 oktober 2019

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

83

• • • • •

Bij de recreatiegebieden geldt een lagere maximum snelheid, de inrichting is hier niet op aangepast Nabij ‘Waterpark Veerse Meer’ geldt een maximumsnelheid van 80 km/u. De weginrichting is hier niet op aangepast De route door de kern Wolphaartsdijk kent aandachtspunten. Echter, deze worden niet veroorzaakt door Waterpark Veerse Meer De route via Wolphaartsdijk is ongeschikt als aanrijroute voor de ontwikkeling: het lis lastig passeren op smalle wegen met geparkeerde auto’s Wolphaartsdijk en recreatiegebieden zijn per fiets goed bereikbaar.

Kruispuntanalyses In het kader van de verkeersanalyse is tevens een kruispuntanalyse uitgevoerd, waarin wordt gekeken naar de doorstroming en capaciteit van de toevoerwegen van en naar het nieuwe Waterpark Veerse Meer. Het effect van de verkeerstromen op de mate van verkeersafwikkeling op de kruispunten zijn hierbij in beeld gebracht. De rapportage is opgenomen als bijlage 4 bij het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng19, in het kader van de MER. Uit dit rapport blijkt dat in de plansituatie hoogseizoen (Plan Driestar) de onderzochte kruispunten (5 locaties) met de huidige vormgeving het verkeer goed kunnen afwikkelen. Op elk kruispunt is restcapaciteit beschikbaar om eventuele pieken of een groei van verkeer op te vangen. De huidige vormgeving van de kruispunten is ook toereikend voor de verkeersafwikkeling in de Autonome situatie hoogseizoen, de referentiesituatie hoogseizoen en het Plan Driestar Alternatief 2 hoogseizoen, omdat de verkeersstromen in deze situaties/alternatieven meer beperkt is ten opzichte van Plan Driestar alternatief 1 hoogseizoen. Aanvullend is een kruispuntanalyse gemaakt voor de aansluitingen van het park op het onderliggende wegennet. Dit is een los onderzoek, dat als achtergronddocument bij de MER is opgenomen.

In aanvulling op de eerdere studie MER Waterpark Veerse Meer is de vraag naar voren gekomen om de kruispunten in het studiegebied te onderzoeken. Door Goudappel Coffeng is in november een rapport20 opgesteld, waarin wordt onderzocht welke kruispuntvorm het verkeer goed en verkeersveilig kan afwikkelen. Het betreft concreet de kruispunten aan de Muidenweg, de Oranjeplaatweg en de Calandweg. In het rapport wordt geadviseerd om een deel van de Muidenweg ter hoogte van het Waterpark Veerse Meer een maximum snelheid van 60 km/h in te stellen, en de kruispunten eenduidig weer te geven. Een gelijkwaardige aansluiting voor Waterpark Veerse Meer sluit aan op de huidige gelijkwaardige ontsluitingen van Veerse Wende en Fletcher Hotel, wat tevens zorgt voor lagere rijsnelheden. Bij de architectonische uitwerking van het plan wordt nadere invulling gegeven aan het definitief ontwerp van deze kruispunten, conform de aanbevelingen uit het rapport. Openbaarheid voorzieningen In de voorgaande verkeersonderzoeken is voor de berekening van de verkeersgeneratie van het Waterpark Veerse Meer gebruik gemaakt van kencijfers van het CROW. In het gehanteerde kencijfer voor een recreatiewoning is de verkeersproductie van toeleveranciers en personeel

19

Bijlage 3: Achtergrondrapport verkeer, MER Waterpark Veerse Meer, Goudappel Coffeng, d.d. 30 maart 2020

20

Achtergronddocument bij de MER (opgenomen in bijlage 9): Kruispuntanalyse Oranjeplaatweg – Muidenweg – Ca-

landweg Waterpark Veerse Meer, kenmerk 003721.20200817.R13.07, Goudappel Coffeng, d.d. 16 november 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

84

meegenomen. De voorzieningen zijn onderdeel van het recreatiepark en worden door de parkbezoekers gebruikt. Daarom is er geen aparte verkeersstroom naar deze voorzieningen voorzien. Tijdens de doorontwikkeling van het plan is het wenselijk gebleken om enkele wellnessfaciliteiten van het Waterpark Veerse Meer op dalmomenten toegankelijk te laten zijn voor bezoekers van buiten het park. Deze faciliteiten omvatten onder meer het zwembad en de sauna. Hiermee wordt beoogd de inwoners van Arnemuiden, Lewedorp en Wolphaartsdijk tegemoet te komen vanwege het verdwijnen van het openbare zwembad enkele jaren geleden. Op dalmomenten, bijvoorbeeld in de winterperiode wanneer het minder druk is op het park, is er de mogelijkheid om ook voor deze bezoekers (van buiten het park) gebruik te maken van deze faciliteiten. In het kader van dit bestemmingsplan is onderzocht of in de eerdere berekening voldoende rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van deze ‘extra’ bezoekers. Hiertoe is door Goudappel B.V. een notitie opgesteld (bijlage 22). Bij het bepalen van de verkeerseffecten van het Waterpark Veerse Meer is gerekend met een worst case situatie op basis van het maximale kencijfer van het CROW. Dit zorgt voor 98 extra autobewegingen ten opzichte van een meer gangbare berekening op basis van het gemiddelde CROW-kencijfer.

De verwachting is niet dat het openbaar toegankelijk houden van de wellness-faciliteiten van het Waterpark Veerse Meer op dalmomenten tot meer dan 98 autobewegingen per dag zal leiden. Goudappel verwacht dat het aantal auto’s per dag voor bezoek aan de wellness-faciliteiten maximaal 43 bedraagt (ofwel 300 voertuigbewegingen per week). Daarbij is onder meer rekening gehouden met een gemiddelde autobezetting van circa 2-3 personen, een relatief hoog aandeel langzaam verkeer door korte afstand tot omliggende kernen en het feit dat er beperkte beschikbaarheid is, omdat enkel lege plekken in daluren worden opgevuld. Daarmee kan worden gesteld dat de marge (worst-case berekening) die in het verkeersonderzoek is aangehouden voldoende rekening houdt met de eventuele extra verkeersbewegingen van bezoekers die in de daluren gebruik mogen maken van de wellness-faciliteiten. Om de mogelijke extra verkeersbewegingen van daggasten van- en naar het park juridisch te borgen is een planregel opgenomen in artikel 5.3.5. Hierin is bepaald dat er per week niet meer dan 300 motorvoertuigen van daggasten mogen worden toegelaten op het recreatiepark. Bezoekers melden zich vooraf aan en worden bij binnenkomst, via een slagboom, geregistreerd. In paragraaf 3.3.2 is deze planregel nader toegelicht. Parkeren Het parkeren voor het recreatiepark wordt volledig op eigen terrein gefaciliteerd.

Op basis van het programma voor de herontwikkeling en uitbreiding van het bestaande recreatiepark is de parkeernorm bepaald. De CROW publicatie 381 hanteert een minimale parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per recreatiewoning. Het landschapsplan gaat uit van 2 parkeerplaatsen per recreatiewoning, verdeeld over decentrale parkeerkoffers aan de randen en langs de hoofdstructuren van het park.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

85

De ervaring in een vergelijkbaar park, recreatiepark Hof van Saksen, leert dat 1,5 parkeerplaats per recreatiewoning voldoende is21. Om een overschot aan parkeerplaatsen, en daarmee onnodige verharding, te voorkomen, worden bij de aanleg van Waterpark Veerse Meer in eerste instantie 1,7 parkeerplaatsen per recreatiewoning aangelegd. Mocht dit onvoldoende zijn, dan is er op het recreatiepark voldoende ruimte om, bijvoorbeeld door de parkeerkoffers te vergroten, het aantal parkeerplaatsen uit te breiden tot de CROW-norm van 2,0 parkeerplaatsen per recreatiewoning. 5.3

Conclusie In de toekomstige situatie wordt een nieuwe verkeersstructuur aangelegd in Waterpark Veerse Meer. Deze is toereikend voor het afwikkelen van de toename aan interne verkeersstromen. Het plan leidt niet tot extra verkeersproblematiek op de omgeving. Wel zijn in de huidige situatie al knelpunten aanwezig. Daarom wordt momenteel nader onderzoek gedaan naar bredere gebiedsoplossingen op zowel korte, als lange termijn. De onderzoeksresultaten worden later toegevoegd aan deze paragraaf. Het park voorziet op eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen.

21

Het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt is opgenomen als bijlage (2) bij het Achtergrondrapport Verkeer van

Goudappel Coffeng (bijlage 3 bij deze toelichting)

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

86

6

Ecologie

6.1

Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Passende beoordeling In het kader van de planMER is onder meer uitgebreid ecologisch onderzoek uitgevoerd en is een voortoets gedaan in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitgangspunt bij het bestemmingsplan voor het Waterpark Veerse Meer is dat een Passende Beoordeling nodig wordt geacht. Het plangebied grenst aan Natura 2000 gebied Veerse Meer. Dit gebied is niet stikstofgevoelig. Wel dient te worden bepaald of voorliggend plan effecten heeft op stikstofdepositie gevoelige Natura 2000 gebieden op grotere afstand van het plangebied. Hiertoe wordt een passende beoordeling uitgevoerd en als integraal onderdeel van het planMER opgenomen. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen.

Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming Natura 2000 De Wnb ziet ook op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

87

en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 6.2

Onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn twee ecologische onderzoeken uitgevoerd22,23 voor respectievelijk deelgebied 1 en deelgebied 2. De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgenomen, de volledige rapportages van de onderzoeken zijn als bijlagen bij het bestemmingsplan gevoegd. De resultaten zijn eveneens opgenomen in het MER Waterpark Veerse Meer (2020). In het kader van de MER is tevens een passende beoordeling uitgevoerd. Soortenbescherming Om de aanwezige wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied in beeld te brengen zijn verkennende onderzoeken uitgevoerd. Op basis van de bevindingen uit het verkennende onderzoek is ook aanvullend soortonderzoek uitgevoerd24. Effecten op aanwezige soorten Gebruiksfase Op basis van het aanvullend soortonderzoek voor fase 1 en 2 wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van twee verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied langs de huidige hoofdingang van het Waterpark voor gewone dwergvleermuis. Het in aanbouw zijnde zwembad wordt door één kerkuil gebruikt als rustplaats. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van deze rustplaats. Er is geen sprake van een functie als essentieel foerageergebied en daarmee verlies van essentieel foerageergebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

In het entreegebouw zijn twee nestlocaties van de huismus aanwezig. De heggen tot ca. 50 meter rondom deze nestlocaties hebben een functie als essentiële schuilplaats. In het Waterpark wordt 22

Bijlage 4a: Rapportage quickscan flora & fauna Wet natuurbescherming Waterpark Veerse Meer fase 1, Gras Advies, 23 november 2020 23 Bijlage 4b: Rapportage quickscan flora & fauna Wet natuurbescherming Waterpark Veerse Meer fase 2, Gras Advies, 23 oktober 2020 24 Bijlage 4c: Rapportage aanvullend soortenonderzoek Wet natuurbescherming Waterpark Veerse Meer, Gras Advies 29 april 2021

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

88

door huismussen gefoerageerd met een duidelijke concentratie rondom het entreegebouw. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in verlies van de twee nestlocaties, verlies van essentiële schuilplaatsen en grootschalig verlies van foerageergebied. Uit eerdere waarnemingen blijkt de aanwezigheid van huismussen bij recreatiewoningen langs de Arneplaatweg en de boerderij aan de Muidenweg 10, maar deze locaties vallen buiten de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Aanlegfase In de houtopstand net ten westen buiten het projectgebied is een bezet buizerdnest aanwezig. De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot verlies van deze nestplaats. Indien de werkzaamheden binnen de kwetsbare periode van de buizerd (februari t/m augustus) of binnen 75 meter van het nest plaatsvinden kan verstoring plaatsvinden. Het plangebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zang- en watervogels. Verstoring van broedvogels kan optreden indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Mitigerende maatregelen Voor specifieke soorten, die mogelijk negatief worden beïnvloed door het plan, worden de volgende maatregelen voorgesteld: ▪ Huismus: Permanente mitigatie nestplaatsen middels minimaal 8 inbouw nestkasten en onklaar maken oude nestplaatsen buiten de kwetsbare periode (broedseizoen).

▪ Permanent beschikbaar blijven van tenminste 100 m 2 foerageergebied en 20 m2 haag, heg en/of struiken als schuilplaats ▪ Gewone dwergvleermuis: Permanente mitigatie verblijfplaatsen middels minimaal 8 inbouw Met het toepassen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten in de gebruiks- en aanlegfase voorkomen worden. De maatregelen worden genomen ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde ontheffingsaanvraag, Verder geldt te allen tijde de zorgplicht. In april 2021 is aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen een ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd is voor de gewone dwergvleermuis, kerkuil, huismus, konijn en haas. Wanneer de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de buizerd of buiten 75 meter van het nest plaatsvinden, is een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor uitvoering van de werkzaamheden niet benodigd. Voor de overige soorten is geen ontheffing nodig. Gebiedsbescherming Doordat het plangebied is gelegen op de grens van Natura 2000-gebied Veerse Meer zijn effecten op dit gebied, en mogelijk andere Natura 2000-gebieden, niet op voorhand uit te sluiten. Om die reden is naast de voorgaande onderzoeken in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) door tevens onderzoek gedaan naar de effecten op beschermde Natura 2000 gebieden.

Relevante Natura 2000-gebieden Het Waterpark Veerse Meer grenst aan Natura 2000-gebied Veerse Meer. Om die reden dienen effecten op dit Natura 2000-gebied nader beschouwd te worden. Op grotere afstand zijn de Natura 2000-gebieden Voordelta, Oosterschelde, Westerschelde en Manteling van Walcheren gelegen. Door de afstand van deze overige gebieden tot het plangebied en de aard van het planvoornemen zijn effecten in deze gebieden niet te verwachten anders dan door stikstofdepositie.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

89

Voortoets Alle mogelijke effecten van de herontwikkeling Waterpark Veerse Meer zijn onderzocht. Aan de hand van de ‘Effectenindicator’ is nagegaan welke effecten al dan niet kunnen optreden als gevolg van het voornemen op de functies van leefgebieden van soorten (en op grotere afstand habitattypen) welke zijn aangewezen voor Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in tijdelijke effecten in de aanlegfase en blijvende effecten in de gebruiksfase. Voor een deel van de storingsfactoren geldt dat effecten hiervan op voorhand zijn uitgesloten. Daarnaast geldt voor een deel van de kwalificerende soorten dat deze niet voorkomen binnen de invloedssfeer van de aanlegwerkzaamheden of het gebruik van het Waterpark Veerse Meer. Voor deze soorten zijn significante effecten uitgesloten. Passende beoordeling Uit de passende beoordeling blijkt dat alle relevante storingsfactoren niet leiden tot significante verslechtering van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veerse Meer. Er is geen noodzaak tot het nemen van mitigerende maatregelen. Stikstof In het kader van de MER zijn door SWECO Aeriusberekeningen25 uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat alleen in de aanlegfase een kleine stikstoftoename is van 0,02 mol/ha/haar op het Natura 2000 gebied Westerschelde en Saeftinghe.

Deze kleine toename leidt niet tot een overbelasting van stikstof op dit gebied. Geconcludeerd kan worden dat de planontwikkeling zowel in de aanlegfase, tijdens de gebruiksfase als bij een combinatie van beiden ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar oplevert op de overbelaste stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen de Natura 2000-gebieden. Effecten Natuurnetwerk Zeeland In het kader van de MER zijn de effecten op nabijgelegen natuurgebieden beoordeeld 26. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Zeeland. Het voorgenomen plan leidt derhalve niet tot vernietiging van natuurwaarden binnen het Natuurnetwerk Zeeland als gevolg van oppervlakteverlies. Wel kunnen als gevolg van externe werking negatieve effecten plaatsvinden door middel van geluid, licht of trillingen tijdens de aanlegfase, of geluid door aanwezigheid van personen en activiteiten op het terrein van het Waterpark tijdens de gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen herontwikkeling van het Waterpark Veerse Meer niet leidt tot een onevenredige (significante) aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland.

Het nieuwe natuurgebied kan op termijn een bijdrage leveren aan het bestaande natuurnetwerk in de omgeving, indien de nieuwe natuur die in het plan wordt gecreëerd in de vorm van een natuurlijke overgangszone tussen het Waterpark en natuurgebied De Piet op termijn wordt bestempeld als Natuurnetwerk Zeeland.

25

Achtergronddocument bij de MER (opgenomen in bijlage 9): bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020, Onder-

zoek stikstofdepositie AERIUS-berekening, Sweco, d.d. 1 juni 2021 26

Achtergronddocument bij de MER (opgenomen in bijlage 9): Effectbeoordeling Natuurnetwerk Zeeland herontwikkeling

Waterpark Veerse Meer, Gras Advies, kenmerk AT/2020/NOT06.11, d.d. 22 april 2021

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

90

6.3

Conclusie Met het toepassen van mitigerende maatregelen voor beschermde soorten in de gebruiks- en aanlegfase worden negatieve effecten voorkomen. Voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is een ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd voor de gewone dwergvleermuis, kerkuil, huismus, konijn en haas. Deze ontheffing wordt aangevraagd. Voor de buizerd geldt dat wanneer de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de buizerd of buiten 75 meter van het nest plaatsvinden, een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor uitvoering van de werkzaamheden niet is benodigd. Voor de overige soorten is geen ontheffing nodig.. Effecten door stikstofdepositie zijn uitgesloten en er vindt geen onevenredige aantasting plaats op het Natuurnetwerk Zeeland.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

91

7

Water

7.1

Wettelijk kader Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te waarborgen en te verbeteren. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. Nationaal Bestuursakkoord Water In 2003 sloten Rijk, Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en in 2008 is het akkoord geactualiseerd (NBW-actueel). Dit akkoord is te beschouwen als het bestuurlijke antwoord op het rapport WB21 (Waterbeheer 21e eeuw). In het akkoord zijn maatregelen afgesproken met als doel het watersysteem in 2015 'op orde' te hebben. In het bestuursakkoord zijn taakstellende afspraken opgenomen over veiligheid en wateroverlast. In het akkoord wordt wateroverlast aangepakt volgens het principe vasthouden, bergen en afvoeren. Nationaal Waterplan In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.

Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn: − Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; − Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); − Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater. Met deze punten zal rekening gehouden worden bij de uitvoering van de plannen. Waterwet Met het Nationaal Waterplan is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet voegt acht bestaande waterbeheerwetten samen en regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het nationale beleid betreffende bodem en grondwater is erop gericht bestaande verontreinigen te voorkomen en de verontreiniging als gevolg van diffuse bronnen (bijvoorbeeld afstromend wegwater of bestrijdingsmiddelen in de landbouw) terug te dringen. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: − Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; − Het nemen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen transporteren van stedelijk afvalwater.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

92

Watertoets Het watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Met de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de wettelijk verplichte werkingsfeer van het watertoetsproces beperkt tot bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. De watertoets is een belangrijk instrument om te toetsen of water voldoende aandacht heeft bij de inrichtingsplannen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig infomeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Initiatief nemers van ruimtelijke plannen hebben de verplichting om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheer. Dit laatste gebeurt in de waterparagraaf. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21 e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Omgevingsplan Zeeland 2018 Een goede kwaliteit en kwantiteit van oppervlaktewater en grondwater is voor alle inwoners en toeristen, en daarnaast ook voor de landbouw en de natuur van groot belang. Schoon water ontstaat niet vanzelf. De provincie beoogt een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en waterbodems, een peilbeheer en een aanvaardbaar risico op wateroverlast dat is afgestemd op bestaande en toekomstige functies. Alle regionale binnenwateren voldoen uiterlijk in 2027 aan de gestelde waterkwaliteitseisen en de ecologische doelen zijn gericht op het bereiken van een bepaalde samenstelling van (oever)planten en dieren in het water, de bijbehorende milieukwaliteit en de inrichting en het beheer. Een goed en efficiënt functionerende afvalwaterketen is essentieel voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen. De Provincie heeft de taak om dit te bewaken en toe te zien op correcte uitvoering van het waterbeheer door het waterschap. Waterschap Scheldestromen: Waterkeringenbeheerplan 2016-2020 Het waterschap Scheldestromen heeft in de Waterbeheerplannen de doelen voor de komende jaren beschreven. Het plan heeft deels een beschrijvende aard en geeft aan wat er is veranderd of gaat veranderen in de waterkeringszorg voor de periode 2016 tot en met 2020. Daarnaast functioneert dit plan ook als visiedocument voor het waterschap.

Het grondwaterbeheer door Waterschap Scheldestromen is gericht op duurzaam voorraadbeheer van het zoete grondwater, het zoveel mogelijk voorkomen van verdroging en het tegengaan van verzilting waarbij de kaders afhankelijk zijn van de functies van het water, de aard en de duur van de onttrekking dan wel infiltratie als de locatie daarvan. Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 De Keur (2012) is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor waterkeringen (o.a. dijken en kaden), watergangen (o.a. kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen, wegen en

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

93

gemalen). De keur maakt het mogelijk dat het waterschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren en initiatieven van derden kan toetsen. 7.2

Onderzoek

Huidige situatie Voorliggend plangebied is gelegen aan het Veerse Meer. Het Veerse Meer is een brakwatermeer tussen de Oosterschelde en de Noordzee. Het scheidt Noord-Beveland van Zuid-Beveland en Walcheren. Het Veerse Meer kent een diepte die varieert van -17,30 tot -2,50 MP (Maalpeil). De voorliggende planlocatie ligt buitendijks. De hoogte van het huidig maaiveld bevindt zich op circa NAP +0,3 m à NAP +1,7 m. In en rond het plangebied diverse watergangen en kreken aanwezig (afbeelding 7.1). Het betreft primair secundaire watergangen aan de randen van het gebied, alsmede twee watergangen langs de huidige Oranjeplaatweg en de Lamsoor. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied grenzen twee primaire watergangen. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan.

Afbeelding 7.1.: uitsnede legger oppervlaktewater Waterschap Scheldestromen ter hoogte van het plangebied

Toekomstige situatie Met voorliggend plan zijn aanpassingen voorzien in het oppervlaktewater binnen het plangebied. Er wordt ca. 17,5 hectare nieuw water gegraven, met daarlangs circa 16 km nieuwe natuurvriendelijke oevers. De waterstructuur sluit aan op de bestaande watergangen in het gebied en staat in open verbinding met het Veerse Meer. Om de doorspoeling van de bestaande en nieuw te realiseren kreken zo groot mogelijk te maken, zijn de kreken zoveel mogelijk doorlopend.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

94

Het polderpeil in het vakantiepark blijft onveranderd op een winterpeil van NAP -0,3 m en een zomerpeil van +0,0 m. De watergangen hebben een breedte, variërend van circa 8 tot 30 m. De diepte is nog niet bepaald, maar er wordt uitgegaan van circa 1,0 m tot 2,0 m. In afbeelding 7.2 is een overzicht opgenomen van de bestaande (donkerblauw) en nieuw te graven (lichtblauw) watergangen in het plangebied.

Afbeelding 7.2.: overzichtskaart bestaand en nieuw water, bron: Landschappelijk inpassingsplan Waterpark Veerse Meer, KuiperCompagnons, d.d. mei 2020

De eilanden zullen dusdanig hoog worden aangelegd dat deze voldoen aan de noodzakelijke ontwateringseisen. De minimale ontwateringsdiepte bedraagt 1,20 meter boven GHG (gemiddeld hoog grondwater). Eén en ander zal bij de aanvraag van de watervergunning als eis worden opgenomen. In het noordoostelijk gelegen uitbreidingsgebied komen door de ontwikkeling enkele bestaande watergangen te vervallen. Dit gebied wordt momenteel gedraineerd. Door de ontwikkeling komt de drainage hier te vervallen. Waterhuishouding, regenwater opvang en afvoer Het regenwater dat valt in het gebied zal in eerste instantie zoveel mogelijk opgevangen worden en benut worden om de groene ruimtes te voorzien van water. Overtollig regenwater zal afgevoerd worden via de kreken naar het Veerse Meer. Er wordt naar gestreefd om het oppervlaktewater binnen het project een gelijkwaardige of betere kwaliteit dan het gebiedseigen oppervlaktewater in het Veerse Meer te geven. De hele ontwikkeling zal hydrologisch neutraal zijn.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

95

Afvalwater HWA wordt afgevoerd naar de waterpartijen. DWA zal afgevoerd worden naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De nieuwe benodigde afvoercapaciteit voor het DWA (81 m³/uur) is hoger dan de afvoer in de bestaande situatie (37,8 m³/uur). Waterveiligheid Op basis van de risicokaart Zeeland blijkt dat het plangebied niet zal onderlopen als gevolg van een overstroming (zie afbeelding 7.3). Zelfs bij het scenario van een buitengewone gebeurtenis rijkt de omvang van de overstroming niet tot het plangebied.

Afbeelding 7.3.: Overstromingsdiepte bij overstroming (middelgrote kans = is kans van overstroming 1/100 jaar. Ook bij een kleine en grote overstromingskans én bij een buitengewoon scenario blijft het plangebied droog). Bron: risicokaart, geraadpleegd op 24-11-2020

Hittestress Hittestress en droogte zijn aspecten waar extra rekening mee gehouden wordt. Bij de uitwerking van het landschapsplan zal aandacht zijn voor het voorkomen van hittestress. Daar waar er meer bebouwing is (bijvoorbeeld de centrumvoorzieningen) zal bij de verdere uitwerking van het bouwkundig ontwerp extra aandacht zijn om maatregelen op te nemen om hittestress te voorkomen. Geohydrologisch onderzoek De aanleg van de kreken in het plangebied zorgt ervoor dat het zoute water uit het Veerse Meer verder landinwaarts komt te liggen. Door dit oppervlaktewatersysteem wordt het grondwater beinvloed, kunnen de zoetwatervoorkomens (negatief) worden beïnvloed en kan de (binnendijkse) verzilting toenemen. Aan de oostzijde en zuidzijde van het vakantiepark is een zoetwaterreservoir gelegen met een beschermde status. Deze zoetwatervoorraad wordt gebruikt voor de besproeiing van omliggende landbouwgronden.

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

96

Door Sweco is een onderzoek27 uitgevoerd naar de geohydrologische effecten van de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem op de omgeving. Daarnaast is het effect van het zoutwater op de omgeving beschouwd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. De belangrijkste conclusies worden hierna samengevat. Onderzoeksresultaten Waterpeil Het recreatiepark Waterpark Veerse Meer wordt herontwikkeld en krijgt, door de ruimere opzet, een uitbreiding in noordoostelijke richting. In het gebied worden diverse kreken gerealiseerd, waardoor de stijghoogten in het gebied lager worden. De invloed van deze kreken op de stijghoogten reikt tot buiten het plangebied. Dit betekent dat de stijghoogte ter plaatse van de oostelijk gelegen zoetwatervoorkomen beïnvloed wordt zonder het toepassen van mitigerende maatregelen. Om deze invloed te mitigeren, wordt voorgesteld de oostelijke kreek een hoger peil te geven dan het peil in het Veerse Meer (circa 0,35 m hoger m.i. 0,05 à 0,1 m marge). Het noodzakelijk debiet om het waterpeil permanent verhoogd te houden ten opzichte van het Veerse Meer, is relatief groot. Door het aanbrengen van een kleilaag op de bodem kan dit debiet gereduceerd worden. Zoetwater Het grondwater ter plaatse van het uitbreidingsgebied zal naar verwachting zout worden door menging van water vanuit de kreken met het zoete grondwater ter plaatse.

Door het opzetten van het peil wordt de invloed op de omgeving opgeheven, waardoor de invloed op de zoetwatervoorkomens nihil is. De werking hiervan wordt in het geohydrologisch onderzoek nader toegelicht. Aan de noordoostzijde wordt een natuurgebied ontwikkeld. Doordat hier de aanwezige drainage verwijderd/afgestopt wordt, neemt de grondwaterstand in dit gebied toe. De dikte van de zoetwaterlens zal hier naar verwachting toenemen. In combinatie met het ophogen van het maaiveld, kan dit ertoe leiden dat de invloed op de zoetwatervoorkomens verder gemitigeerd worden. Monitoring van de stijghoogten en geleidbaarheid op verschillende diepten bij de Muidenweg (nabij en in de zuidelijke en oostelijke zoetwatervoorkomens) moet dit uitwijzen. De mitigerende maatregelen zoals opgenomen in het geohydrologisch onderzoek worden publiekrechtelijk verzekerd middels een te verlenen watervergunning. Watertoets Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria uit de Keur zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd. De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan.

Deze tabel wordt, samen met algemene plangegevens en een overzichtskaart toegezonden aan waterschap Scheldestromen ter beoordeling. De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. 27

Bijlage 7: Geohydrologisch onderzoek, Sweco, kenmerk SWNL0262907, d.d. 15 april 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

97

De ingevulde watertoetstabel28 voor Waterpark Veerse Meer is opgenomen als bijlage 11. Eventuele wijzigingen in het (definitieve) landschapsplan worden te zijner tijd verwerkt in de tabel. Ook loopt er momenteel in samenspraak met het waterschap een onderzoek naar afvalwater. Er is reeds bekend dat het afvoeren van afvalwater kan worden opgelost. Dit geeft geen belemmering voor de ontwikkeling van het recreatiepark. De onderzoeksresultaten worden nader toegevoegd aan de watertoetstabel. Notitie plaagsoorten In het kader van de watertoets is, ten aanzien van volksgezondheid rond oppervlaktewater, een Notitie plaagsoorten29 opgesteld. Deze notitie is gericht op de vraag of het inrichtingsplan gelegenheid biedt aan plaagsoorten die bekend zijn in de omgeving: de kruiskwal, Japanse Oester en de alg Alexandrium. Bloeien van blauwalgen (cyanobacterien) zijn tot dusverre niet bekend in het Veerse Meer en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Het is onmogelijk om met ontwerp en inrichting te voorkomen dat er plaagsoorten gaan ontstaan, daarvoor is de natuur te grillig en onvoorspelbaar. Het is dan ook de vraag of er aanpassingen aan het ontwerp moeten worden gedaan. Het meest voor de hand liggend is om zonering aan te brengen in welke activiteiten in welke kreek gewenst zijn. Voor varen en recreëren aan en langs het water zijn oesters en kwallen geen probleem.

Dan is beheer daarop ook niet nodig, of sterker nog, ongewenst. Een gezond onderwaterleven is namelijk wel gebaat bij aanwezigheid van hard substraat, wieren, oesters en in mindere mate kwallen. Als zwemmen overal is toegestaan, moet daarmee wel rekening mee gehouden worden. Het voorkomen van algenbloeien is uit oogpunt van zowel natuur als bijna alle vormen van waterrecreatie wenselijk om te voorkomen. In het rapport zijn daarom een aantal aandachtspunten en aanbevelingen opgenomen die deels aangrijpen op de aanleg maar deels ook in de beheer- en onderhoudsfase. Het betreft in de aanlegfase onder meer het realiseren van een open verbinding met het Veerse Meer, het vermijden van (gebruik van) duikers, het beschaduwen van water, het realiseren van diepte in de kreken en eventueel gebruik van een pomp om het water in beweging te houden. Tijdens de beheer- en onderhoudsfase kan worden gedacht aan het monitoren van kwallen, doorspoelen van de krek met koel en zoet water, plaatselijk maaien van onderwatervegetatie en verwijderen van harde substraten in de kreken. In de aanleg en beheerfase van het plan worden deze aanbevelingen in acht genomen. Toetsingskader Waterkwaliteitstoets (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft voor dat de waterkwaliteit van Europese wateren aan bepaalde eisen moet voldoen.

Doelstelling van de KRW is dat zo nodig maatregelen worden getroffen om tijdig een goede toestand/goed potentieel te realiseren, dat voldoet aan de wettelijke eisen. Als voor een activiteit met mogelijke invloed op de toestand van een waterlichaam een watervergunning wordt aangevraagd moet de activiteit worden getoetst aan deze doelstelling.

28

Bijlage 11: Watertoetstabel, tevens opgenomen als achtergronddocument bij de MER (bijlage 8)

29

Bijlage 19: Notitie plaagsoorten, Tauw, kenmerk R004-1269443MFW-V01, d.d. 26 november 2020

Bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” Toelichting Vaststelling, 8 juli 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10359083/1