Bijlage 1. Besluit extra aanvullende uitkering 2021 en 2022 Vlissingen
Tekst van het document
~~ .~--s
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag
r~.. ~s~ sz q ~ ~~~uo~~ "
-^---~-
Het college van burgemeester en wethouders van Middelburg Postbus 6000 ~ 's"~ i 4330 LA Middelburg
DG Openbaar Bestuur & Democr Rechtsstaat DGOBDR-BFR-Regelg. Toezicht & Monitoring Turfmarkt 147
2511 DP Den Haag
2 1 !~~! 2024
Postbus 20011 2500 EA Den Haag Nederland
Contactpersoon
_ .
Datum Betreft
~~ I
ï.J~~u.
t4_..~__ I~~_~~ 23 mei 2024 •--i- a-~--`_'~!l.L~.~ _ Besluit extra aanvullende uitkering 2021 en 2022 Vlissingen
Tom van der Lelij (senior) Adviseur
T 0650738592 tom.lelij@minbzk.nl Onze referentie
2024 0000240998
Naar aanleiding van het artikel 12-rapport van de inspecteur van de Directie Bestuur, Financiën en Regio's van 22 februari 2023, de reactie van de gemeenteraad van Vlissingen op dit rapport, het advies van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, de reactie van het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO)themaoverleg sociaal domein zijnde alle Zeeuwse gemeenten m.u.v. Vlissingen, uw gezamenlijke reactie van de gemeenten Middelburg en Veere en de reactie van gemeenschappelijke regeling Orionis Walcheren, doe ik u hierbij een afschrift toekomen van mijn besluit en de toelichting daarop.
Uw referentie
484086 Bijlage(n) 2 (Besluit en toelichting met bijlage)
Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van besluit en toelichting. De raad van de gemeente Vlissingen heb ik heden mijn besluit en toelichting toegezonden. Een afschrift is tevens verzonden aan het college van B&W van de gemeente Vlissingen, Gedeputeerde Staten van Zeeland, de voorzitter van het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO)-themaoverleg sociaal domein en gemeenschappeiijke regeling Orionis Walcheren. Hoogachtend, De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze,
drs. M.G. Visser Directeur Bestuur, Financiën en Regio's.
Pagina 1 van 1
~~ ~
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN
KONINKRIJKSRELATIES Directoraat-Generaal Bestuur, Ruimte en Wonen, Directie Bestuur, Financiën en Regio's, mede namens de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst
DG Openbaar Bestuur & Democr Rechtsstaat DGOBDR-BFR-Regelg. Toezicht & Monitoring Datum 23 mei 2024 Kenmerk 2024-0000236680
besluit
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit betrokken is, binnen zes weken na de dag van uitreiking of toezending
Gelet op het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mede namens de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2019 (kenmerk 2019-0000684721) inzake de verstrekking van een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds voor de jaren 2019 tot en met 2029;
ervan, bezwaar maken bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, t.a.v. het hoofd van het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, Postbus
gelet op artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet; gelet op het Besluit financiële verhouding 2001; gelet op het rapport van de inspecteur van de Directie Bestuur, Financiën en Regio's van 22 februari 2023 over de financiële situatie van de gemeente en de financiële tekorten op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen;
20011, 2500 EA Den Haag. Het bezwaarschrift moet zijn gedateerd en ondertekend, en moet de gronden van het bezwaar bevatten; tevens dient een afschrift van het bestreden besluit te zijn bijgevoegd.
gelet op de reactie van de gemeente Vlissingen van 1 juni 2023 en het advies van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland van 23 mei 2023 op het voormelde rapport; gezien de reactie van het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO)themaoverleg sociaal domein van 25 mei 2023 namens de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen en Veere over de reserve Centrumtaken; gezien de gezamenlijke reactie van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Middelburg en Veere van 24 mei 2023 en de reactie van de gemeenschappelijke regeling Orionis mede namens de leden van het dagelijks bestuur van Orionis van de gemeenten Middelburg en Veere van 27 juni 2023 over de zaken in het rapport van de inspecteur die de gemeenschappelijke regeling Orionis betreffen;
Pagina 1 van 3
Datum 23 mei 2024 Kenmerk 2024-0000236680
Besluit: 1. de gemeente Vlissingen een aanvullende uitkering van € 3.002.000 voor het jaar 2021 en € 1.987.000 voor het jaar 2022 te verlenen uit het gemeentefonds dit betreft een extra aanvullende uitkering bovenop de aanvullende uitkering van € 7.000.000 over 2021 en 2022, zoals door de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 (kenmerk 2019-000684721) is besloten; 2, hieraan de volgende zes bijzondere voorwaarden te verbinden: A. de extra aanvullende uitkeringen uit het gemeentefonds over 2021 en 2022 dienen geheel te worden gebruikt voor de sanering van de tekorten op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen over 2021 en 2022; B. Vlissingen dient de begroting en meerjarenraming over de periode 2023-2025 op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen via saneringsvoorstellen zodanig aan te passen zodat de tekorten sociaal domein en werk & inkomen worden gereduceerd, in die jaren meer wordt toegegroeid naar het niveau van de ontvangsten op dit vlak en Vlissingen weer op eigen benen kan staan; C. uit de reserve Centrumtaken dient voor 2021 € 2 miljoen en voor 2022 € 3 miljoen ingezet te worden voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen in die jaren; D.
het saldo exclusief sociaal domein en werk & inkomen van de jaarrekeningen 2021 en 2022 dient geheel ingezet te worden voor de sanering van dat deel van de algemene reserve dat als gevolg van de grondexploitaties negatief is geworden; hiervan kan alleen gedeeltelijk worden afgeweken als dit via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) wordt goedgekeurd. E. conform bijzonder voorschrift 3 uit de beschikking van de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 wordt vanaf 2023 een actualisatieonderzoek uitgevoerd; dat betekent dat vanaf 2023 alle clusters uit het gemeentefonds weer onderwerp van artikel 12-onderzoek zijn en dat het onderzoek naar alleen de clusters op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen stopt; F. ten aanzien van de uitvoering van de Participatiewet en de BUIG (werk & inkomen) dient Vlissingen in 2023 in kaart te brengen welke opties er resteren om de tekorten te saneren; ook dient Vlissingen het risico in te schatten dat er de komende jaren extra geld naar de uitvoering van de Participatiewet en de BUIG moet en hiervoor passende beheersmaatregelen te treffen; uitgangspunt daarbij is dat tekorten die veroorzaakt worden door het niet realiseren van de in het Implementatie-/Werkplan Orionis opgenomen opdrachten, door Vlissingen zelf gedekt moeten worden en wel buiten het sociaal domein en werk & inkomen en ook zonder
Pagina 2 van 3
Datum 23 mei 2024
dat de negatieve algemene reserve weer negatiever wordt; daar waar het tekorten betreft die het gevolg zijn van nieuwe en/of onvoorziene factoren, zoals de explosieve kostenstijgingen op energie en lonen, dienen deze via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (0&0) te worden voorgelegd aan de inspecteur;
Kenmerk 2024-0000236680
3. deze beschikking te zenden aan de raad van de gemeente Vlissingen; 4. afschrift van deze beschikking te zenden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, gedeputeerde staten van de provincie Zeeland, de voorzitter van het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO)-themaoverleg sociaal domein, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Veere en Middelburg en de gemeenschappelijke regeling Orionis.
Voor een nadere verduidelijking van dit besluit wordt verwezen naar de toelichting. Hoogachtend, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze,
drs. M.G. Visser, directeur Bestuur, Financiën en Regio's.
Pagina 3 van 3
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Directie Bestuur, Financiën en Regio's Afdeling Regelgeving, Toezicht en Monitoring 23 mei 2024 Toelichting op het besluit tot een aanvullende uitkering op grond van artikel 12 Financiële-verhoudingswet voor de gemeente Vlissingen over de begrotingsjaren 2021 en 2022.
Inleiding Het artikel 12-besluit vloeit voort uit de hierna opgenomen conclusie van de fondsbeheerders. Deze conclusie is het resultaat van afwegingen, die mede gebaseerd zijn op het inspectierapport van de inspecteur en de reacties van de verschillende betrokkenen. Een samenvatting van het inspectierapport en die verschillende reacties is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Conclusie van de fondsbeheerders In de reacties van Vlissingen, de provincie Zeeland, de gemeenten Middelburg en Veere, Orionis en de regiogemeenten zijn over een aantal onderwerpen opvattingen ingebracht die afwijken van die van de inspecteur en die bij de afweging in de besluitvorming over deze beschikking nadere aandacht vragen. Ter voorbereiding op dit besluit en de toelichting is op 4 oktober 2023 in Vlissingen op ambtelijk niveau gesproken met alle indieners van een reactie, met als doel om de ingebrachte opvattingen in een gesprek nader toegelicht te krijgen. De gemeente Vlissingen heeft ook op bestuurlijk niveau met de ambtelijke vertegenwoordigers van BZK gesproken. Hieronder wordt eerst ingegaan op vier punten die zijn genoemd in de reacties. Het betreft: 1. Inzet reserve Centrumtaken en samenwerking tussen Zeeuwse gemeenten. 2. Hoogte opgelegde taakstelling sociaal domein en toereikend weerstandsvermogen. 3. Investeringsfonds Sociaal Domein. 4. Taakstellingen Orionis Walcheren.
Inzet reserve Centrumtaken en samenwerking tussen Zeeuwse gemeenten De inzet van een deel van de reserve Centrumtaken voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen (SD en W&I), voor 2021 € 2 miljoen en voor 2022 € 3 miljoen, stuit op weerstand en onbegrip bij de regiogemeenten. De Financiële-verhoudingswet (Fvw) bepaalt in artikel 13 dat integratie- en decentralisatie-uitkeringen (IU's en DU's) deel uitmaken van de algemene middelen van gemeenten. Volgens de memorie van toelichting betekent dit dat gemeenten zelf bepalen wat zij met deze middelen bekostigen. Dat laat onverlet dat gemeenten verplicht kunnen worden bepaalde taken uit te voeren met deze middelen. De IU beschermd wonen (BW), DU vrouwenpopvang (VO) en DU maatschappelijke opvang (MO) zijn dus beleids- en bestedingsvrij. Formeel zijn de middelen MO, VO en BW daarmee van de centrumgemeente. Net als de inspecteur zijn de fondsbeheerders dan ook van oordeel dat de overschotten bij BW, MO en VO aan andere doelen kunnen worden uitgegeven door Vlissingen. Daar komt bij dat de in de reserve Centrumtaken gestorte overschotten BW zijn ontstaan door maatregelen die zijn genomen door Vlissingen in het kader van het artikel-l2-traject en worden beschreven in het inspectierapport 2020.
De centrumgemeenten vinden dat de regio gezamenlijk aan de lat staat en dat de reserve Centrumtaken daarom geoormerkt dient te worden voor risico's van Vlissingen
en de regiogemeenten en voor investeringen in de regionale zorginfrastructuur, zodat de omslag van beschermd wonen naar beschermd thuis kan worden gemaakt. De regio ziet deze reserve als een gezamenlijke reserve. Een andere aanwending levert spanningen op en geeft de samenwerking een forse knauw. Zowel de inspecteur als Vlissingen realiseren zich dat deze gevoeligheid binnen de regionale samenwerking een belangrijk punt is. De inspecteur geeft aan dat de reserve Centrumtaken echter ook kan bijdragen aan de tekortreductie en daarmee de gezondmaking van Vlissingen wat ook voor de regio belangrijk is. Verder wijst hij op het belang van de collectiviteit van alle gemeenten die de artikel 12-uitkering moeten 'ophoesten' en diverse ontwikkelingen die onzekerheden en risico's met zich meebrengen voor Vlissingen, zoals de overheveling van cliënten van beschermd wonen naar de Wet langdurige zorg en de doordecentralisatie van beschermd wonen en maatschappelijke opvang en de met beide ontwikkelingen gepaard gaande verdeelrisico's. Tot slot merkt de inspecteur op dat in de regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang afspraken zijn gemaakt over financiële solidariteit, een regiobudget, verdeelsleutels en de bereidheid om tekorten op MO en VO te financieren vanuit het regiobudget (vanaf 2023).
De inspecteur geeft aan dat voor een volledige overgang naar een regionaal budget er verdergaande afspraken moeten komen die de inspecteur in zijn rapport opsomt zoals afspraken over de huidige structurele tekorten MO en VO, over risicoverevening bij toekomstige tekorten op het regionale budget etc. De fondsbeheerders concluderen dat het advies van de inspecteur over beperkte inzet van de reserve Centrumtaken (2021 € 2 miljoen, 2022 € 3 miljoen) voor de sanering van de tekorten SD en W&I evenwichtig is. Ondanks dat de Fvw bepaalt dat de middelen toebehoren aan Vlissingen, houdt hij terecht zowel rekening met de noodzaak om de regionale zorginfrastructuur nu voor te bereiden op de toekomst als met risico's die zich als gevolg van de veranderingen binnen dit domein kunnen gaan voordoen. Gedeputeerde Staten van Zeeland komen tot eenzelfde conclusie. Er is dus geen aanleiding om van het voorstel van de inspecteur af te wijken. Net als de provincie vinden de fondsbeheerders het wel belangrijk dat bij het volgende rapport het onderzoek naar de onzekerheden en risico's (opdracht 5.1 in het artikel 12-rapport) is afgerond en afgestemd met de Zeeuwse gemeenten en dat de mogelijke gedeeltelijke inzet van de reserve in regionaal verband gekoppeld wordt aan regionale afspraken over provinciebrede risicodeling in het sociaal domein.
Een en ander sluit aan bij wat de inspecteur meldt over het maken van afspraken en de regiovisie. Wij begrijpen dat inmiddels de regiogemeenten en Vlissingen op basis van een dergelijk voorstel van de gemeente Vlissingen er onderling uit zijn gekomen. Hoogte opgelegde taakstelling en toereikend weerstandsvermogen In het licht van de gewijzigde economische omstandigheden acht Vlissingen het niet noodzakelijk, niet realistisch en daarmee niet haalbaar tegenover de meest kwetsbare burger om het restant van € 4,7 miljoen van de totaal opgelegde taakstelling SD en W&I van € 10,4 miljoen te realiseren. Verder vraagt de gemeente binnen de artikel 12-kaders aandacht voor een oplevering met een zodanige weerstandscapaciteit dat na de artikel 12-status Vlissingen in voldoende mate in staat is om tegenvallers op te kunnen vangen. De inspecteur werkt nu toe naar een afronding van het artikel 12-onderzoek. Daarbij is het allereerst aan hem om een afgewogen en met de gemeente afgestemd voorstel aan de fondsbeheerders te doen, waarin de specifieke omstandigheden van Vlissingen zijn betrokken, maar de gemeente ook een uiterste inspanning levert om de financiële positie te verbeteren. Zodat wordt voorkomen dat een onevenwichtig deel van de sanering ten laste komt van de collectiviteit.
Daarbij dient de inspecteur overeenkomstig de artikel 12handleiding ervoor te zorgen dat Vlissingen uiteindelijk met de ter beschikking gestelde middelen uitkomt, oftewel een structureel en reëel sluitend meerjarenperspectief tot stand brengt. Ook moet de inspecteur rekening houden met de norm uit de handleiding voor de algemene reserve van 2% van de Algemene uitkering uit het Gemeentefonds,
inclusief integratie en decentralisatie-uitkeringen, en de OZB-capaciteit. De ervaring bij voormalige artikel 12-gemeenten leert dat de sanering van oude tekorten samen met het tot stand brengen van het sluitende meerjarenperspectief en het herstellen van de algemene reserve tot het niveau van de 2%-norm, een voldoende solide basis vormt om in principe weer zelfstandig en financieel gezond verder te kunnen. Investeringsfonds Sociaal domein De gemeente denkt in overleg met de inspecteur aan de inrichting van een investeringsfonds Sociaal Domein. Vanuit dit investeringsfonds kan de gemeente de komende jaren de noodzakelijke investeringen doen om de ingezette veranderingen op de belangrijkste hefbomen te consolideren en duurzaam te laten renderen. In het rapport wordt niet gesproken over een dergelijk investeringsfonds. Het is belangrijk dat als de gemeente dit noodzakelijk acht, Vlissingen aan de inspecteur een voorstel voorlegt zodat hij kan beoordelen wat hiervoor benodigd is, wat de gevolgen zijn en hoe dit gedekt moet worden. Hij kan dan de noodzaak daarvan beoordelen zoals: is er sprake van een wettelijke verplichting, of worden toekomstige onvermijdelijke uitgaven voorkomen? Verder kan hij het oordeel van de provinciale toezichthouder bij zijn eigen oordeel betrekken.
De uitkomst van deze beoordeling zal de inspecteur voorleggen aan de fondsbeheerders door de vastlegging er van in zijn inspectierapport. Wij hebben begrepen dat een dergelijk investeringsfonds inmiddels in overleg met de inspecteur is ingesteld. Taakstellingen Orionis Walcheren Informatieverstrekking Middelburg en Veere geven in hun reactie aan het te betreuren dat Vlissingen hen niet gaandeweg heeft meegenomen, vinden het opmerkelijk dat ze niet in de gelegenheid zijn gesteld om het rapport vooraf te beoordelen maar willen graag meer en betere samenwerking binnen het samenwerkingsverband Orionis. Zij gaan daarover de komende tijd verder in gesprek met de gemeente Vlissingen en hopen dat dit leidt tot betere resultaten voor Orionis. Ook Orionis merkt op dat taakstellingen niet eerder zijn gedeeld of zijn ingebracht in het begrotingsproces. Zowel uit deze twee reacties als uit de gesprekken ter voorbereiding op dit besluit komt naar voren dat het van belang is dat de drie deelnemers meer in gesprek met elkaar komen en blijven. Zo kan meer in gezamenlijkheid de koers worden bepaald in het belang van de continuïteit van de samenwerking en met als doel om samen met de ambtelijke organisatie van Orionis tot betere (financiële) resultaten en meer tevredenheid bij alle drie de deelnemers te komen.
Het artikel 12-rapport is het verslag van de artikel 12-inspecteur over zijn onderzoek, bevindingen en voorstellen inzake Vlissingen. Sommige onderdelen hebben betrekking op organisaties waar Vlissingen in deelneemt. Het is dan aan de gemeente Vlissingen om hetgeen wordt vermeld zo goed en tijdig mogelijk bij de betreffende organisaties aan te kaarten. Dit geldt ook voor informatieverstrekking van Vlissingen aan Orionis en zijn deelnemers. Wij constateren dat deze informatieverstrekking voor verbetering vatbaar is. Orionis is vanaf het eerste artikel 12-rapport uit 2015 veelvuldig onderwerp van de artikel 12-rapporten. Uit die rapporten blijkt dat sinds 2015 het uitgavenniveau op het cluster Werk en inkomen, waar ook de lasten voor Orionis op worden geboekt, aanzienlijk boven de financiële middelen ligt die Vlissingen voor deze taak ontvangt. Vanaf 2015 was dit aanleiding tot externe onderzoeken door achtereenvolgens Berenschot, Adlasz en KplusV op initiatief van Vlissingen om bij Orionis verbeteringen door te voeren met als doel de lasten meer in evenwicht te brengen met de ontvangen baten. Die onderzoeken vonden plaats met medeweten van bestuur en deelnemers van Orionis. Gezien die voorgeschiedenis is het niet goed om te constateren dat zowel de deelnemers Middelburg en Veere als Orionis aangeven niet te zijn meegenomen en taakstellingen niet zijn
gedeeld. Maar het is ook opmerkelijk dat geen van de betrokkenen aanleiding heeft gezien om na te vragen of de lasten van Orionis wel binnen de beschikbare middelen van Vlissingen passen ofwel dat de implementatie van de adviezen het gewenste resultaat opleveren. Dit is belangrijk omdat het voor gemeenten in de regio lastig is dat Vlissingen artikel 12-gemeente is. De fondsbeheerders zouden het dan ook zeer op prijs stellen als in het laatste inspectierapport kan worden geconstateerd dat de deelnemers zoveel mogelijk in samenspraak met Orionis tot een meer gezamenlijk gedragen aanpak komen waarbinnen Vlissingen in staat wordt gesteld dit taakveld (meer) binnen de van rijkswege beschikbaar gestelde middelen uit te voeren. Extern onderzoek Adlasz en KplusV Orionis geeft aan dat in het inspectierapport (reken-)fouten zijn opgenomen en dat relevante adviezen niet zijn opgenomen. Orionis vermeldt geen vindplaatsen bij de geconstateerde (reken-)fouten. Wij hebben dan ook niet alle opmerkingen van Orionis met zekerheid kunnen traceren in de verschillende rapporten, maar hebben ze stuk voor stuk nagelopen. Wij constateren vooral dat de opmerkingen niet relevant zijn in het licht van de opgenomen taakstelling en daarmee de bedragen voor de aanvullende uitkering.
Het Vlissingse deel van de taakstelling conform de begrotingswijziging in Vlissingen op grond van het implementatieplan Werkleerbedrijf in vervolg op het Adlasz- en KplusV-rapport is oplopend vanaf 2021 en bedraagt € 2.111.000 vanaf 2024 (pagina 49, tabel 4.2 inspectierapport). Orionis geeft ook zelf in zijn reactie op pagina 8 aan dat er één 'opdracht' in samenspraak tot stand is gekomen, namelijk het implementatieplan 'Toekomstbestendig Werkleerbedrijf'. Ten aanzien van de specifieke (reken-)fouten wordt voor de volledigheid het navolgende opgemerkt: •
•
Allereerst stelt Orionis dat KplusV het bedrag van € 5 miljoen slechts als theoretische lange termijndoel noemt. Dat bedrag is volgens Orionis als referentie opgenomen in het inspectierapport. Het inspectierapport (pagina 47) beschrijft als eerste van de mogelijke bezuinigingen uit de quickscan van Adlasz dat als Orionis toegroeit van de actuele loonwaarde in 2020 van 12% naar het branchegemiddelde van 26% er € 2 miljoen kan worden bespaard. Dit is een eerste stap naar een toekomstbestendige situatie. Daarvoor zou volgens het inspectierapport de doelstelling op een loonwaarde van gemiddeld 50% gesteld moeten worden, hetgeen op de wat langere termijn resulteert in een bezuiniging van € 5 miljoen. Deze passage uit het inspectierapport komt uit het Adlasz-rapport (pagina 15), maar belangrijker is dat geen van deze genoemde bedragen (rechtstreeks) is verwerkt als taakstelling aangezien uitsluitend de uitkomsten van het KplusV-rapport hebben geleid tot het implementatieplan Werkleerbedrijf. In het KplusV-rapport (pagina 8 en 16) wordt in dit verband gezegd dat het besparingspotentieel van € 2 tot € 5 miljoen is gebaseerd op de (theoretische) loonwaarde, maar dat Adlasz niet ingaat op de noodzakelijke maatregelen die er toe moeten leiden dat de loonwaarde toeneemt. Het doel van het KplusV-rapport was nu juist het verzilveren van dat besparingspotentieel.
Een passage over € 5 miljoen als theoretische lange termijndoel hebben wij niet aangetroffen. Wij constateren op basis hiervan dat de opmerking van Orionis onjuist alsmede niet relevant is. Bij punt 2 merkt Orionis op dat een besparing 'twee keer wordt meegenomen' in het inspectierapport. Mogelijk doelt Orionis hier op de opsomming in het inspectierapport (pagina 47/48) van drie bezuinigingen uit het Adlasz-rapport. Zowel in de eerste als derde bezuiniging wordt gesproken over een bedrag van € 2 miljoen. Beide passages zijn te vinden in het Adlasz-rapport, maar wij kunnen niet vaststellen of er hier sprake is van dezelfde besparing. Dat betekent dat de juistheid van de opmerking niet kan worden vastgesteld. Verder zijn geen van beide besparingen (rechtstreeks) in de taakstelling meegenomen waarmee de opmerking relevantie mist voor de vaststelling van de taakstelling.
•
Punt 3: Orionis constateert dat in het inspectierapport volgens KplusV een (absolute) resultaatsverbetering van € 3.275.000 mogelijk is, maar dat dit een bedrag van € 3.275 per fte moet zijn. De constatering van Orionis klopt, maar ook hier mist de relevantie, omdat de vermelde (absolute) resultaatsverbetering niet (rechtstreeks) is verwerkt als taakstelling. • In het vierde punt stelt Orionis dat in het inspectierapport staat dat de 'conclusies Adlasz niet ter discussie staan en dat de opdracht aan KplusV was om de conclusies van Adlasz verder uit te werken'. Deze passage hebben wij niet kunnen vinden. Volgens Orionis was de opdracht van 'de drie gemeenten aan KplusV of de conclusies Adlasz klopten'. Het KplusV-rapport is volgens het inspectierapport (pagina 48) een verdiepend onderzoek op basis van het Adlasz-rapport zodat de door Adlasz geformuleerde bezuinigingen kunnen worden gerealiseerd. In het K+V-rapport (pagina 6) staat dat'de gemeenten KplusV hebben gevraagd onderzoek te doen naar de wijze waarop de toekomstbestendigheid van het werkleerbedrijf van Orionis kan worden vormgegeven en (in) welke (mate) realistische verbetermaatregelen kunnen worden ingezet, die leiden tot verbetering van de financiële resultaten. Mede aanleiding voor het onderzoek is de .... QuickScan door bureau Adlasz'. De juistheid van de stelling van Orionis hebben wij niet kunnen vaststellen.
• Punt 5 en 6: Orionis stelt dat belangrijke adviezen niet zijn opgenomen, te weten gezamenlijke visievorming inzake de inrichting van het sociaal domein (Adlasz en KplusV) en het KplusV-advies om niet zelf te gaan besluiten over de toekenning van de voorzieningen in de Participatiewet. Wij constateren dat het inspectierapport zich richt op de financiële gezondmaking van Vlissingen. De fondsbeheerders begrijpen dat de inspecteur zich daarop focust. Dat zal de verklaring zijn waarom aan de genoemde punten geen aandacht is besteed. Wij hebben overigens alleen het advies over visievorming in het Adlesz-rapport kunnen vinden. Adlasz schrijft hierover: 'Ontwikkel per gemeente een visie op de inrichting en uitvoering van het sociaal domein waarbij met name de 'toegangsrol' aandacht verdient. Stel vast of en in hoeverre de gemeenten dezelfde visie hebben....Geef op basis van een eenduidige visie invulling aan de opdrachtverstrekking aan Orionis'. De fondsbeheerders vragen zich af of de nadruk van Orionis op het 'samen' dus wel juist is en of hier juist maatwerk wordt bepleit al naar gelang de politiek-bestuurlijke voorkeuren en financiële mogelijkheden van iedere deelnemer.
Het inspectierapport besteedt overigens onder de term beleidsregie en integrale toegang op meerdere beleidsterreinen wel degelijk aandacht aan dergelijke inrichtingsvragen ook waar het betreft Orionis (pagina 47, 124 en 126). Afsluitend concluderen wij dat we de juistheid van de stellingname zoals Orionis het formuleert niet hebben kunnen vaststellen. Aanvullende beeldvorming Nettolasten vergelijking Naar aanleiding van het eerste tekstkader over de hoge werkeloosheid en de hoge nettolasten op Werk en inkomen concludeert Orionis onder verwijzing naar de zwakke sociale structuur van Vlissingen dat daardoor de vergelijking met de soortgenoten de meest eerlijke is en dat daaruit blijkt dat de gemeente het beter doet, Het is juist dat bevolkingssamenstelling van Vlissingen een sociaal zwakke structuur kent. Vlissingen krijgt daarvoor op grond van de verdeelmaatstaven substantieel meer geld dan een gemeente met een goede sociale structuur. Op grond van paragraaf 5.2 van de handleiding-artikel 12 vergelijkt de inspecteur het nettolastenniveau van de gemeente met zowel het ijkpunt als een selectiegroep. De vergelijking met de selectiegroep is relevant omdat de selectiegroep zodanig is samengesteld dat het gemiddelde van de verdeelmaatstaven zo veel mogelijk gelijk is aan die van Vlissingen.
De vergelijking met het gemeentefonds-ijkpunt is voor de inspecteur het relevantst, omdat dat aangeeft welke middelen Vlissingen structureel ontvangt en dus ter beschikking heeft voor het beleidsterrein Werk en inkomen. De vergelijking met de andere groepen is meer om de
consistentie van het beeld te beoordelen. Binnen het financiële gezondmakingsproces van een artikel 12-gemeente heeft de inspecteur extra aandacht voor beleidsterreinen waar een artikel 12-gemeente meer uitgeeft dan het ontvangt, omdat hierdoor immers het begrotingstekort wordt vergroot. In 2015 lag het nettolastenniveau op het taakveld Werk en inkomen € 60 per inwoner hoger dan het ijkpunt en in 2022 € 44 per inwoner. In de afgelopen 8 jaar is er dus met € 16 reductie beperkte vooruitgang geboekt. Vlissingen en Orionis verschillen van inzicht De fondsbeheerders constateren op basis van de passages uit het inspectierapport en de reactie daarop van Orionis dat er een groot verschil zit tussen de aanpak die Vlissingen voorstaat en de huidige werkwijze van Orionis. Waar Orionis aangeeft dat hun aanpak landelijk als voorbeeld dient, is Vlissingen zeer kritisch daarover hetgeen mede is gebaseerd op de in het inspectierapport gepresenteerde vergelijking van de nettolasten. Hieruit blijkt dat het lastenniveau van Vlissingen op taakveld Werk en inkomen, dat voornamelijk afkomstig is van Orionis, hoger is dan de uitkeringen die de gemeente hiervoor van het Rijk ontvangt. Daarmee draagt Orionis aanzienlijk bij aan de begrotingstekorten van Vlissingen die thans nog door de collectiviteit worden bekostigd.
Binnen het kader van het artikel 12-traject zijn de inspanningen van de inspecteur er dan ook overeenkomstig de artikel 12-handleiding op gericht om Vlissingen in staat te stellen een wezenlijke lastenreductie op dit taakveld tot stand te brengen. De fondsbeheerders doen daarom een dringend beroep op de drie deelnemers aan Orionis om te komen tot een bestuurlijk gedeelde aanpak binnen de wettelijk kaders die bijvoorbeeld ofwel meer balans brengt in beide perspectieven (kwaliteits- versus lastenniveau) ofwel de mogelijkheid biedt tot het aanbrengen van accentverschillen per gemeente. Concreet kan daarbij worden gedacht aan bijvoorbeeld het gezamenlijk vaststellen van kernindicatoren die zicht geven op zowel kwalitatieve als financiële prestaties van Orionis of de mogelijkheid om als deelnemer te opteren voor andere vormen van dienstverlening die beter aansluiten op politiek-bestuurlijke keuzes of financiële mogelijkheden. Een dergelijke aanpak ondersteunt ook de eisen die in het zesde bijzondere voorschrift aan Vlissingen worden opgelegd. Directe acties, integrale toegang en mandatering Bij de start van het artikel 12-onderzoek op het vlak van het SD en W&I zijn verschillende concrete opdrachten benoemd. Een van de opdrachten betreft het onderzoek werk en inkomen. Doel van de opdrachten is dat ze resulteren in concrete maatregelen en bezuinigingen.
Per opdracht zijn bij aanvang onmiddellijk directe en indirecte acties benoemd met als doel om snel resultaat te boeken, al dan niet na een check op juridische en/of financiële haalbaarheid. Gezien de reactie van Orionis lijkt het aanbevelenswaardig dat Vlissingen en Orionis en/of de andere deelnemers elkaar nader informeren over de betreffende acties en/of de actuele stand van zaken. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de integrale toegang en de transitie van delegatie naar mandatering. Vaststellen taakstellingen Orionis geeft aan niet bekend te zijn met de taakstellingen uit het inspectierapport. Het betreft 5 taakstellingen (tabel 4.2, a. t/m e). Navraag bij Vlissingen leert dat taakstelling a. rendementsverbetering zijn grondslag aanvankelijk had in een opdracht van de inspecteur op basis van het KplusV-onderzoek en het daarop gebaseerde implementatieplan Toekomstbestendig Werkleerbedrijf. Doordat de structurele besparing van het implementatieplan en daardoor tevens het aandeel van Vlissingen daarin lager uitviel, maar de taakstelling niet is aangepast heeft Vlissingen het optredende nadeel langs andere weg meerjarig ingevuld. Ook enkele per saldo nadelige financiële effecten in de begroting en begrotingswijzigingen van Orionis zorgden voor een neerwaartse bijstelling en vertraagde realisatie van de taakstelling uit het implementatieplan.
Ook die heeft Vlissingen in de verschillende jaren langs andere weg ingevuld.
Voor wat betreft de taakstellingen b tot en met e heeft Vlissingen de fondsbeheerders in het gesprek naar aanleiding van hun reactie laten weten dat die taakstellingen nog niet formeel met Orionis waren gecommuniceerd. Het is aan Vlissingen om hier nu richting de gemeenschappelijke regeling en de deelnemers invulling aan te geven. Aangezien de betreffende taakstellingen betrekking hebben op 2023 en verder heeft dit geen effect op de aanvullende uitkering voor 2021 en 2022. Wij hebben op grond van stukken vastgesteld dat in vervolg op het inspectierapport en de reactie van Orionis er inmiddels contact is geweest tussen de Vlissingen en Orionis. Daarbij zijn de verschillende taakstellingen verduidelijkt en toegelicht alsmede aangepast. De inspecteur heeft inmiddels laten weten in het volgende inspectierapport de taakstellingen b t/m e in overeenstemming te brengen met de actuele situatie en eventuele afwikkelingsverschillen over eerdere jaren daarbij te betrekken. Dat betekent dat het besluit geen aanpassing behoeft. Evalueren resu/taten De fondsbeheerders nemen kennis van de reactie van Orionis op de vermelde passages uit het inspectierapport.
De daadwerkelijke realisatie van de taakstelling blijkt uit de jaarrekeningen van Orionis en afwikkelingsverschillen worden op de gebruikelijke wijze betrokken in de gemeentelijke bijdrage in 2023 en verder maar heeft geen gevolgen voor de aanvullende uitkering voor 2021 en 2022. Gezien de reactie van Orionis op de realisatie van een integrale toegang in Vlissingen per 1 januari 2020, lijkt het de fondsbeheerders ook hier aanbevelenswaardig dat Vlissingen en Orionis en/of de andere deelnemers elkaar nader informeren over de gevolgen over en weer voor de uitvoering. Conclusie en besluit Aangezien de reacties geen aanleiding geven af te wijken van het voorstel van de inspecteur nemen de fondsbeheerders zijn advies in zijn geheel over en kennen op basis van het in zijn rapport gestelde de gemeente Vlissingen voor het jaar 2021 een aanvullende uitkering toe van € 3.002.000 en voor het jaar 2022 van € 1.987.000. Dit betreft een extra aanvullende uitkering bovenop de aanvullende uitkering van € 7.000.000 over 2021 en 2022 zoals door de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 besloten naar aanleiding van het inspectierapport 2017-2018. Aan de (extra) aanvullende uitkering over 2021 en 2022 worden zes bijzondere voorschriften zoals verwoord in het besluit verbonden.
Bijlage bij de toelichting op het besluit tot een aanvullende uitkering op grond van artikel 12 Financiële-verhoudingswet voor de gemeente Vlissingen over de begrotingsjaren 2021 en 2022. Deze bijlage bevat een samenvatting van de volgende documenten: 1. rapportage en advies van de inspecteur (inspectierapport). Reactie op het inspectierapport van: 2. de raad van de gemeente Vlissingen; 3. gedeputeerde staten van de provincie Zeeland; 4. Overleg Zeeuwse Overheden (OZO)-themaoverleg sociaal domein; 5. colleges van b&w van Middelburg en Veere 6. Orionis Walcheren 1) Hoofdpunten uit de rapportage en advies van de inspecteur Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 12-onderzoek: periode 2019-Z022 Vlissingen heeft in november 2018 voor het jaar 2019 voor de vijfde achtereenvolgende en laatste keer de jaarlijkse aanvraag voor een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds ingediend op grond van artikel 12 Financiële-verhoudingswet (Fvw). De reden dat daarna geen aanvraag meer is ingediend maar het onderzoek wel doorliep is het artikel 12-besluit van de fondsbeheerders van 19 december 2019. Met dat besluit werd het brede artikel 12-onderzoek naar aanleiding van de grondexploitatieproblematiek van Vlissingen afgesloten en een aanvullende uitkering voor de jaren 2019-2029 toegekend.
Verder werd in dat besluit onder meer bepaald dat: • De artikel 12-status voor Vlissingen van kracht blijft zolang Vlissingen een artikel 12uitkering ontvangt. • De artikel 12-inspecteur met ingang van 2019 zijn onderzoek uitvoert onder de volgende voorwaarden: o Er wordt gestart met de sanering van de negatieve algemene reserve via de artikel 12-uitkering en via de passende bijdrage van Vlissingen. * Het artikel 12-onderzoek is in de periode tot en met 2022 beperkt tot het sociaal domein en werk & inkomen (SD en W&I). o Op alle andere clusters blijft het uitgangspunt dat Vlissingen eigen risicodrager is van kracht tot het actualisatie-onderzoek in 2023. o Vlissingen hoeft voor de periode 2020-2022 niet elk jaar een artikel 12-aanvraag in te dienen. De aanleiding om het artikel 12-onderzoek te beperken was het feit dat vanaf 2019 zich op het terrein van het SD en W&I grote tekorten openbaarden. Doordat dit beleidsterrein als gevolg van de sinds 2015 doorgevoerde decentralisaties nog in ontwikkeling was, was een en ander wel met de nodige onzekerheid omgeven. Daarnaast had de gemeente minder mogelijkheden om de tekorten op het vlak van het SD en W&I zelf op te vangen, omdat Vlissingen inmiddels op grond van de uitkomst van het artikel 12-traject van 2015 t/m 2018 al een passende bijdrage leverde aan de sanering van de negatieve algemene reserve.
Na intensief onderzoek van de andere beleidsterreinen waren er in de afgelopen jaren hierop al forse bezuinigingen doorgevoerd en was de OZB verhoogd naar 140% van het landelijk gemiddelde. Artikel 12-onderzoek: begrotingsjaren 20Z1-2022 Dit besluit heeft betrekking op de begrotingsjaren 2021 en 2022 en is gebaseerd op de door de gemeenteraad vastgestelde programmabegrotingen 2021-2024 en 2022-2025. Beide programmabegrotingen zijn niet sluitend en vertonen de volgende saldi:
(x € 1 miljoen) 2021-2024 2022-2025
2021 - 10,8
2022
2023 - 8,6 - 12,0
2024 - 6,9 - 7,3
2025 - 6,8 ,- 7,3
- 5,5
Deze tekorten worden vooral veroorzaakt door het SD en W&I. Verbreding artikel 12-onderzoek per begrotingsjaar 2023 In het artikel 12-besluit van december 2019 is tevens vastgelegd dat vanaf 2023 een actualisatieonderzoek wordt uitgevoerd. Dit betekent dat vanaf 2023 alle clusters uit het Gemeentefonds weer onderwerp van artikel 12-onderzoek zijn en dat het onderzoek naar alleen de clusters op het vlak van SD en W&I stopt. Hoofdstuk 2; nettolasten vergeleken Door vergelijking van de nettolasten wordt inzichtelijk gemaakt welke afwijkingen er zijn tussen enerzijds de nettolasten van Vlissingen en anderzijds het niveau van het gemeentefonds en het niveau van een aantal groepen gemeenten bij de uitgavenclusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning en bijbehorende taakvelden. Normaal wordt door te vergelijken bepaald waar een vervolgonderzoek moet plaatsvinden om te bezien of bezuinigingen op basis van een te hoog lastenniveau mogelijk zijn. In dit vanaf 2019 verlengde artikel 12onderzoek zijn het SD en W&I echter in zijn geheel onderwerp van onderzoek: dus ook de clusters waar Vlissingen lagere nettolasten in de vergelijking heeft. De nettolastenvergelijking is dan ook vooral van belang om te volgen of de in dit inspectierapport beschreven onderzoeken en maatregelen uiteindelijk leiden tot lagere afwijkingen.
Cluster Inkomen en participatie Bij dit cluster wordt voorzichtig geconcludeerd dat de eerste effecten van de door Vlissingen genomen maatregelen zichtbaar zijn via de dalende verschillen met het gemeentefonds, alhoewel dit ook gedeeltelijk wordt veroorzaakt door een stijging van het ijkpunt. Echter ten opzichte van het gemeentefonds en de meeste groepen gemeenten geeft Vlissingen nog steeds fors meer uit per inwoner. Er dient dan ook nog meer te worden toegegroeid naar het niveau van het Gemeentefonds en andere groepen gemeenten, om het tekort SD en W&I verder te laten dalen. Cluster Samenkracht en burgerparticipatie Bij dit cluster zijn er nog niet of nauwelijks verbeteringen zichtbaar waarbij meer wordt toegegroeid naar het niveau het gemeentefonds en andere groepen gemeenten. Sterker nog de verschillen stijgen in 2022 verder. Wel is het zo dat door een aantal genomen maatregelen, zoals de inrichting van buurtteams, de lasten op dit cluster stijgen terwijl de effecten daarvan in de vorm van een daling van de lasten voornamelijk zichtbaar zijn op andere clusters. Dat neemt echter niet weg dat ook op dit cluster de lasten meer dienen toe te groeien naar het niveau van de baten. Cluster Jeugd Er is nog steeds een stijging van de nettolasten op dit cluster. In 2022 wordt die echter met name veroorzaakt door het woonplaatsbeginsel.
Hier staat ook extra geld uit het gemeentefonds tegenover. Weliswaar is het verschil met het gemeentefonds gedaald, maar dat heeft grotendeels te maken met extra incidenteel geld in het gemeentefonds op dit cluster op grond van de Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028. Dit extra geld zal de komende jaren afnemen omdat van de gemeenten verwacht wordt dat ze maatregelen treffen om de lasten te verminderen bij de jeugdzorg. Ook bij de jeugdzorg dienen dan ook de lasten meer toe te groeien naar de toekomstige baten. Cluster Maatschappelijke ondersteuning Bij dit cluster geeft Vlissingen al jaren minder uit dan het ijkpunt van het gemeentefonds. Dit heeft met name te maken met de maatregelen die Vlissingen heeft genomen op het
vlak van de inkoop beschermd wonen (zie ook paragraaf 3.3 en 4.4). Dit verschil loopt wel terug. Exclusief de centrumgemeentemiddelen geeft Vlissingen ten opzichte van de groepen gemeenten echter meer uit op het cluster Maatschappelijke ondersteuning. Dit verschil loopt bovendien weer op in 2022. De situatie op dit cluster exclusief de centrumgemeentemiddelen verslechtert dan ook in 2022. Ook op dit cluster moeten maatregelen worden genomen om de nettolasten te verminderen. Hoe verder? Hierna wordt onder het kopje H4; onderzoek en maatregelen nader ingegaan op de acties die Vlissingen moet ondernemen om de lasten op de verschillende clusters te laten dalen, dan wel wat de stand van zaken bij de uitvoering ervan is in het voorliggende inspectierapport 2021-2022. Daarnaast is er bij zowel het cluster Inkomen en participatie als het cluster Jeugd het risico dat de komende jaren de verschillen weer gaan oplopen. Bij Inkomen en participatie vanwege de geconstateerde onvoldoende voortgang van de herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis (inspectierapport paragraaf 4.7, onderdeel 4) en bij Jeugd door onvoldoende voortgang van maatregelen jeugdzorg, die op het ogenblik volledig 'gevangen' zijn in de regionale samenwerking van de 13 gemeenten in Zeeland op dit vlak (inspectierapport paragraaf 4.7, onderdeel 5).
Hoofdstuk 3: reserves Sanering negatieve algemene reserve In het inspectierapport wordt de sanering van de negatieve algemene reserve weergegeven (paragraaf 3.2, tabel 3.2). Hierbij geldt: 1. Het te saneren deel van de algemene reserve als gevolg van de tekorten bij de grondexploitatie is het saldo van de algemene reserve 'normale' exploitatie en de algemene reserve grondexploitatie. Dit deel van de algemene reserve wordt gesaneerd via de uitgangspunten en bedragen zoals opgenomen in het inspectierapport 2017-2018 en het artikel 12-besluit van 19 december 2019. In het verbrede onderzoek in 2023 wordt beoordeeld of de inschattingen die zijn gedaan en de adviezen die zijn gegeven in het inspectierapport 2017-2018 realistisch zijn gebleken en er aanleiding is voor aanpassing van de artikel 12-uitkering en de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve grondexploitatie op basis van het inspectierapport 2017-2018 en het daarop gebaseerde het artikel 12-besluit met de aanvullende uitkeringen over de jaren 20192029. Indien het jaarrekeningsaldo hoger is dan de voorgeschreven passende bijdrage dan komt dit verschil ook ten goede aan dit deel van de algemene reserve. 2.
De negatieve algemene reserve als gevolg van het tekort SD en W&I wordt gesaneerd via de artikel 12-besluiten van 4 februari 2021 met de aanvullende uitkering over 2019 en van 10 februari 2022 met de aanvullende uitkering over 2020, via de in dit inspectierapport voorgestelde aanvullende uitkeringen over 2021 en 2022 en via de resultaatbestemmingen 2021 en 2022. Inzet bestemmingsreserve Centrumtaken Met betrekking tot de bestemmingsreserve Centrumtaken is de inspecteur van mening dat met ingang van 2020 voor de centrumgemeentemiddelen beschermd wonen (BW), vrouwenopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO) uit het gemeentefonds geldt dat deze door Vlissingen kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken, omdat: 1. In de Financiële-verhoudingswet wordt bepaald dat de middelen uit het gemeentefonds vrij besteedbaar zijn voor de gemeente. Dit geldt ook voor de middelen beschermd wonen (BW), vrouwenpopvang (VO) en maatschappelijke opvang (MO). Formeel zijn de middelen MO, VO en BW dan ook van de centrumgemeente. De overschotten bij BW, MO en VO kunnen dan door Vlissingen ook aan andere onderdelen van het sociaal domein worden uitgegeven. 2. Op dit moment zijn er met de Zeeuwse gemeenten geen afspraken gemaakt over risicoverevening. Vlissingen heeft aangegeven dat het onduidelijk is waarom deze afspraken niet zijn gemaakt.
Het is dan ook niet te achterhalen of dat bewust niet is
gebeurd of dat daar niet over is nagedacht. Dit betekent echter wel dat in geval van budgetoverschrijding op dat moment zal moeten blijken of de Zeeuwse gemeenten bereid zijn een deel van de last te dragen. Dat betekent naar het oordeel van de inspecteur dat de risico's bij een overschrijding in de regio momenteel geheel bij Vlissingen liggen als centrumgemeente. Dat betekent echter ook dat overschotten ten goede kunnen komen aan Vlissingen. Of er daadwerkelijk een bedrag uit de reserve Centrumtaken gebruikt wordt voor de tekorten SD en W&I en zo ja welk bedrag, zal per jaar afhangen van de realisatie van de bezuinigingen en de ontwikkeling van het tekort op dit vlak en eventuele benodigde inzet van deze reserve voor onzekerheden en risico's de komende jaren, zoals de doordecentralisatie beschermd wonen, transitie Dannenberg en de gedeeltelijke overgang beschermd wonen naar de Wet langdurige zorg. Gezien de ontwikkeling van het tekort SD en W&I zoals gepresenteerd onder het kopje H5: begrotingssaldo en de omvang van deze reserve wordt geadviseerd om van deze reserve voor 2021 € 2 miljoen en voor 2022 € 3 miljoen in te zetten voor de sanering van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. Voor 2023 en verder zal deze afweging opnieuw dienen te worden gemaakt.
Hoofdstuk 4: onderzoek en maatregelen Uitgangspunten artikel 12-onderzoek sociaal domein en werk & inkomen (SD en W&I) In het verlengde artikel 12-onderzoek in de periode 2019 tot en met 2022 wordt alleen onderzoek gedaan naar het SD en W&I. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: 1. Het belangrijkste doel binnen artikel 12 is betere grip op de kostenontwikkeling en reduceren van de tekorten sociaal domein en werk & inkomen. 2. Het SD en W&I zijn in zijn geheel onderwerp van onderzoek. 3. Ook voor de centrumgemeentemiddelen uit het gemeentefonds geldt dat deze vrij besteedbaar zijn en dus kunnen worden gebruikt voor tekorten op andere vlakken. 4. Als er meer geld komt vanuit het Rijk (Gemeentefonds) voor SD en W&I, dan dient dit gebruikt te worden voor opvangen van bestaande tekorten. 5. Alle intensiveringen, lastenstijgingen en nieuw beleid op het vlak van het SD en W&I moeten via O&O (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) beoordeeld worden. 6. De uitkomsten van landelijke onderzoeken dienen te worden meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. 7. De uit te voeren taken binnen het SD en W&I dienen zo breed als mogelijk te worden onderzocht. 8. De ontwikkeling van het totale begrotingssaldo inclusief de passende bijdrage van Vlissingen aan de sanering van de negatieve algemene reserve wordt 'slechts' op hoofdlijnen gevolgd. 9.
Ook bij de samenwerkingsverbanden SD en W&I dient te worden bezien of het qua organisatie, aansturing en kosten anders kan. Vlissingen is hiervoor zelf aan zet. 10. De hoogte van de taakstelling is niet alleen afhankelijk van de cijfermatige ontwikkeling van het tekort SD en W&I, maar tevens op wat naar het oordeel van de inspecteur mogelijk is via de in paragraaf 4.4 beschreven maatregelen op basis van door Vlissingen aangeleverde informatie en cijfers. Plan van Aanpak: van opdrachten naar maatregelen In het Plan van aanpak artikel 12 SD en W&I (verder PvA) is beschreven hoe de tekorten SD en W&I opgelost dienen te worden. Het PvA geeft een overzicht en de stand van zaken van de aanpak van de problematiek en de aanpak van de tekorten SD en W&I. Dit gebeurt aan de hand van concrete opdrachten van de artikel 12-inspecteur aan de gemeente Vlissingen. Het doel is dat de opdrachten leiden tot concrete maatregelen en bezuinigingen. De opdrachten zijn breed en behelzen het SD en W&I. Deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de bijlagen 4.1 t/m 4.4 en zijn:
• • • • • •
Opdracht 1: Onderbouwing via Onvermijdelijk en Onuitstelbaar (O&O) van alle intensiveringen vanaf 2019 op het vlak van het SD en W&I. Opdracht 2: Nettolasten vergeleken (clusteranalyse clusters gemeentefonds). Opdracht 3: Onderzoek effectiviteit en efficiency. Opdracht 4: Mate van invloed van Vlissingen. Opdracht 5: Regiomiddelen sociaal domein. Opdracht 6: Ondersteuning Vlissingen.
Concrete maatregelen gericht op tekortreductie Op basis van het Plan van aanpak zijn er een aantal concrete maatregelen uitgewerkt. Hieraan zijn voor zover mogelijk concrete taakstellingen gekoppeld om de tekorten op het vlak van het SD en W&I te saneren. Op basis van de ontwikkeling van het tekort SD en W&I zal worden bezien of nog extra taakstellingen nodig zijn. Deze maatregelen zijn: 1. Herijking uitvoering Participatiewet en invulling adviezen Orionis. 2. Maatregelen jeugdzorg. 3. Ombouw ondersteuningsinfrastructuur en invulling gemeentelijke beleidsregie. 4. Inrichten integrale toegang. 5. Aanvullende bezuinigingen vanaf 2021. 6. Verbreden artikel 12-onderzoek en -reikwijdte. 7. Inkoop beschermd wonen en inzet reserve Centrumtaken. 8. Maatregelen doelgroepenvervoer. 9. Vergroten grip en sturing samenwerkingsverbanden. Totaal aan taakstellingen van de maatregelen Het totaal aan taakstellingen dat is gekoppeld aan deze maatregelen zijn: • 2021: € 6,8 miljoen, in totaal € 6,9 miljoen gerealiseerd. • 2022: € 6,7 miljoen, geheel gerealiseerd. • 2023: € 9,1 miljoen, waarvan € 5,1 miljoen gerealiseerd en € 4 miljoen resterend. • Vanaf 2024: € 10,4 miljoen structureel, waarvan € 5,7 miljoen gerealiseerd en € 4,7 miljoen structureel resterend. Op basis van de ontwikkeling van het tekort SD en W&I zal worden bezien of nog extra taakstellingen nodig zijn.
Landelijke ontwikkelingen Naast de onderzoeken en maatregelen van Vlissingen zelf zijn er ook een aantal landelijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het tekort SD en W&I van Vlissingen. De uitkomsten hiervan worden dan ook meegenomen in dit artikel 12-onderzoek. De belangrijkste zijn: • Onderzoek jeugdzorg: door onderzoeksbureau AEF is in opdracht van het Rijk een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de jeugdzorg om te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra middelen nodig hebben. In het onderzoek is ook gekeken naar een aantal maatregelen die gemeenten kunnen nemen om de Jeugdwet doelmatiger en doeltreffender uit te voeren. Voor Vlissingen betekent dit vooralsnog tijdelijk extra geld van gemiddeld € 3 miljoen per jaar. • Onderzoek verdeelmodellen Gemeentefonds: de fondsbeheerders hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar een nieuwe verdeling (herijking) van het Gemeentefonds. Het doel van deze herijking is om de verdeling weer aan te laten sluiten bij de kosten van gemeenten. De nieuwe verdeling beoogt daarnaast recht te doen aan de geconstateerde knelpunten die de afgelopen jaren in verschillende adviezen zijn benoemd, bijvoorbeeld ten aanzien van de verdeling sociaal domein en de mate waarin de eigen inkomsten van gemeenten een rol spelen in de verdeling.
Voor Vlissingen betekent de nieuwe verdeling een toename van de uitkering uit het gemeentefonds van € 2,7 miljoen per jaar, dat is € 61 per inwoner. Dit wordt via een ingroeipad ter beschikking gesteld door de fondsbeheerders. Financiële impact exogene factoren
Mogelijk zijn er exogene factoren die ervoor kunnen zorgen dat Vlissingen minder of zelfs geen grip heeft op de lasten van onderdelen van het SD en W&I. Met andere woorden de mate van invloed van Vlissingen om zelf het tekort op het vlak van SD en W&I geheel te saneren kan daardoor worden verminderd. Deze factoren zijn samenwerkingsverbanden, wet- en regelgeving en structuurkenmerken. Vlissingen doet hier onderzoek naar. Overigens is het niet zo dat Vlissingen bij elke factor helemaal geen invloed heeft en daarnaast zijn er wellicht exogene factoren die Vlissingen juist voordelen opleveren. De inspecteur is van mening dat de kans dat de fondsbeheerders van het gemeentefonds hier iets mee gaan doen gering is. Ook is de inspecteur van mening dat gezien de ontwikkeling van het tekort sociaal domein het belang van dit onderzoek aanzienlijk is gedaald. Vlissingen kan zich dan ook beter concentreren op het realiseren van de resterende taakstelling en de afronding van de artikel 12-status. Dat is ook mogelijk zonder de uitkomsten van het onderzoek naar de exogene factoren. Risico's realiseren taakstellingen De realisatie van de maatregelen en de daaraan gekoppelde taakstelling is ook afhankelijk van een aantal risico's, die de hoogte en ook de tijdigheid van de realisatie kunnen beïnvloeden.
Benadrukt wordt echter wel dat het uitgangspunt binnen artikel 12 blijft dat Vlissingen de taakstelling zoals opgenomen in de paragrafen 4.4 en 4.5 volledig en tijdig realiseert, zodat een afronding van het artikel 12-onderzoek uiterlijk in begrotingsjaar 2024 kan plaatsvinden. Er moeten daarom regelmatig evaluaties plaatsvinden op de effecten van deze risico's op de hoogte en tijdigheid van de realisatie van de taakstelling. Indien blijkt dat een bepaald risico van invloed is en remmend werkt op de hoogte en tijdigheid van de realisatie, dan dient Vlissingen hiertegen tijdig maatregelen te nemen en/of te bezien of de taakstelling via andere maatregelen alsnog geheel en tijdig gerealiseerd kan worden. De risico's zijn: 1. Besluitvorming is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities. 2. Uitvoering is mogelijk onvoldoende aangesloten op de artikel 12-ambities. 3. Vertraging maatregelen Wmo aanvullende zorg. 4. Onvoldoende voortgang herijking uitvoering Participatiewet en adviezen Orionis. 5. Onvoldoende voortgang maatregelen jeugdzorg. 6. Verzet maatschappelijk veld. 7. Tekort aan ambtelijke capaciteit. 8. Toenemende zorgvraag en zorgkosten. 9. Uitgestelde besluitvorming Rijk. Hoofdstuk 5: Begrotingssaldo In tabel 5.1 wordt op hoofdlijnen de ontwikkeling van het begrotingssaldo op het vlak van het sociaal domein en werk & inkomen (SD en W&I) weergegeven.
Aan de hand van het berekende relevante begrotingssaldo wordt de omvang van de extra artikel 12-steun bepaald. Onder de tabel wordt een en ander kort toegelicht. Toelichting begrotingssaldo sociaal domein en werk & inkomen (SD en W&I) (tabel 5.1) De begrotingssaldi SD en W&I 2021 en 2022 zijn respectievelijk vastgesteld op -€ 4,317 miljoen negatief en -€ 3,523 miljoen negatief. Dit is bepaald aan de hand van: 1. De geboekte baten en lasten op de taakvelden van de gemeentefondsclusters Inkomen en participatie (taakvelden 6.3, 6.4 en 6.5), Samenkracht en burgerparticipatie (taakvelden 6.1 en 6.2), Jeugd (taakvelden 6.72 en 6.82) en Maatschappelijke ondersteuning (taakvelden 6.6, 6.71 en 6.81). 2. De uitkering uit het gemeentefonds (taakveld 0.7) op basis van de septembercirculaires 2020 en 2021 voor de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning. Dit betreft de algemene uitkering + decentralisatie-uitkeringen + integratie-uitkeringen. 3. De overhead (taakveld 0.4) die wordt toegerekend naar rato van de geraamde directe loonkosten (categorie 1.1. Lonen en salarissen). 4. De mutaties (algemene uitkering + decentralisatie-uitkeringen + integratieuitkeringen) op de clusters Inkomen en participatie, Samenkracht en
burgerparticipatie, Jeugd en Maatschappelijke ondersteuning in de gemeentefondscirculaires 2020, 2021 en 2022. 5. De mutaties op het vlak van het SD en W&I in de begrotingsdocumenten 2021 en 2022 van Vlissingen (Begrotingswijzigingen, Eerste bestuursrapportage, Tweede bestuursrapportage en Jaarrekening). Tabel 5.1 Ontwikkeling begrotingssaldo SD en W&I) Ontsthrijving ( bedragen x 1000)
2021
A.1
Programmabegroting 2021
-9.787
A.2
Effecten circulaires 20?1
4.73?
A.3
Begrotingswijzigingen 2021
-3.461
A.4 A.5
Eerste bestuursrapportage 20?1 Tweede bestuursrapportage 2021
2.946
A.6
Jaarrekening 2021
1.745
2022
2023
2024
2025
2026
-49? 6.330
A.7
Progranvnabegroting 20?2
-14.799
A.8
Effeden circulaires 2022
9.157
A.9
Begrotingswijzigingen 2022
44
A.10 Eerste bestuursrapportage 20?2
3.173
A.11 Begroting ?P?3 A.1'_ Tweede bestuursrapportage ?02?
-8.536
-4.367
-_'91
-1.95?
-7.4? 7
-31
-5;i
-56
-56
Begrotingssaido SD en W&I
-4.317
-3.523
-8.567
-4.42 3
-347
-2.008
Correcties m.b.t. SDen W&I
33.714
4'.61?
48.466
39.163
37.300
36.406
Geaccepteerd begrotingssaldo SD en W&I
29.397
38.089
39.899
34.739
36.953
34.398
c
Totaal O&O geaccoordeerd
-34.399
-44.116
-32.711
?8.556
?8.838
-28.838
D
Resterende taaksteAing sociaal donein en werk & inkomen
0
0
4.017
4.714
4.739
4.739
-5.002
-6.026
11.205
10.898
12.854
10.299
?.000
3.000
1.000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
B
Aanvaardbaar begrotingssaldo SD en W&I E
Inbreng reserves
F
Inbreng saldo jaan-ekening
t;
Inbreng stgging OZB
0
1.040
1.535
P'•1
PM
PM
H
Herijking gemeentefonds
0
0
333
PM
PM
PM
-3.002
-1.987
14.072
10.898
12.854
10.299
0
0
-15.034
9.9!14
-8.199
-7.305
-3.002
1.987
962
904
4.655
2.994
Relevante begrotingssaldo SD en W&I Ncg 0&0 in te dienen Retevante begrotingssaldo bij volledige O&O accordering =1: o.b.v. laan-e6.ening 2=1
20_2 e.v.: stand Tweede bestuur:,rappottage 2022
Let op: de verwachting is dat voor 2023 en verder het relevante saldo nog zal wijzigen. De gemeente Vlissingen moet voor die jaren immers nog diverse posten via onvermijdelijk en onuitstelbaar (O&O) onderbouwen. Daarnaast dienen in die jaren nog een aantal resultaten van de in dit rapport beschreven maatregelen, de effecten van de circulaires gemeentefonds en eventuele overige mutaties verwerkt te worden. Geaccepteerd begrotingssaldo na beleidsmatige correcties Op deze begrotingssaldi zijn door de inspecteur met name beleidsmatige correcties uitgevoerd. Bij deze beleidsmatige correcties gaat het om het zuiveren van onaanvaardbare beleidsintensiveringen, met name het schonen voor nieuw beleid. Hieronder wordt verstaan iedere verhoging van uitgaven ten opzichte van de laatst goedgekeurde primitieve begroting, inclusief gelijktijdig meegenomen wijzigingen. Deze verhogingen van de uitgaven dienen door Vlissingen via het O&O-criterium (Onvermijdelijk en Onuitstelbaar) onderbouwd te worden. Ook heeft er een correctie plaatsgevonden voor de door Vlissingen in begroting 2021 ingeboekte taakstelling en voor incidentele inzet niet benutte budgetten 2022. Na deze correcties resteren de
geaccepteerde begrotingssaldi SD en W&I 2021 en 2022 van respectievelijk € 29,397 miljoen positief en € 38,089 miljoen positief (tabel 5.2). Relevante begrotingssaldi na toepassing O&O-criterium, inzet reserves en stijging OZB Voor de berekening van de relevante begrotingssaldi SD en W&I wordt uitgegaan van de geaccepteerde saldi. Hierop worden wijzigingen aangebracht als gevolg van de voorstellen die in het Tripartite overleg (TPO) tussen gemeente, provincie en de inspecteur zijn besproken voorafgaand aan de vaststelling door de gemeenteraad van Vlissingen. De voorstellen worden daarbij getoetst op het O&O-criterium, de financiële gevolgen en de dekking daarvan. Na verwerking van de via O&O door de provincie en de inspecteur geaccordeerde posten ontstaan de zogenaamde aanvaardbare begrotingssaldi. Na verwerking van inzet van reserves, mogelijke inbreng van het saldo van de jaarrekening, inbreng van de stijging van de OZB en inzet van de herijking van het gemeentefonds ontstaan de relevante saldi.
Voor 2021 wordt dit relevante begrotingssaldo SD en W&I vastgesteld op -€ 3,002 miljoen negatief en voor 2022 is dat - € 1,987 miljoen negatief (tabel 5.3) Hoofdstuk 6: conclusie en advies inspecteur Op basis van het inspectierapport stelt de inspecteur voor een aanvullende uitkering te verlenen ter grootte van de relevante begrotingssaldi voor 2021 en 2022, te weten voor het jaar 2021 een bedrag van € 3.002.000 en voor het jaar 2022 een bedrag van € 1.987.000. Indien de fondsbeheerders van het gemeentefonds dit advies geheel of gedeeltelijk overnemen betreffen het extra aanvullende uitkeringen boven op de aanvullende uitkeringen van € 7.000.000 per jaar over 2021 en 2022 zoals door de fondsbeheerders d.d. 19 december 2019 besloten naar aanleiding van het inspectierapport 2017-2018. Bijzondere voorschriften Vergezeld van dit voorstel voor een (extra) aanvullende uitkering worden de volgende bijzondere voorschriften voorgesteld: 1. De extra aanvullende uitkeringen uit het gemeentefonds over 2021 en 2022 dienen geheel te worden gebruikt voor de sanering van de tekorten op het vlak van sociaal domein en werk & inkomen over 2021 en 2022. 2.