Bespreekstuk van SP, PvdA, GroenLinks, D66 en fractie Onderdijk over werkwijze kavelverkoop
Tekst van het document
Aan: De voorzitter van Commissie Ruimte De leden van Commissie Ruimte Het College van Burgemeester en Wethouders Betreft: agendering voor commissie Ruimte d.d. 28 juni 2021 Middelburg, 16 juni 2021 Op 12 januari 2021 hebben de fracties van de SP, PvdA, GroenLinks, Fractie Onderdijk en D66 vragen gesteld over de bouwkavel Quarleshavenstraat 26 te Nieuw- en st. Joosland. Op 8 februari hebben de bovengenoemde fracties de beantwoording ontvangen. Hoewel de casus, die aanleiding was voor deze vragen, door een gerechtelijke uitspraak en een besluit van het College niet meer aan de orde is, levert de beantwoording onduidelijkheden op hoe in bepaalde situaties door het College wordt gehandeld en besloten. Naar aanleiding hiervan willen genoemde partijen over deze beantwoording overleggen met het college en verduidelijking vragen. Dit met het doel om een beter inzicht te krijgen in de handelswijze van het College, zodat de Raad dit bij de beoordeling van toekomstige besluitvorming kan laten meewegen. Naar onze mening is een fysieke vergadering het meest aangewezen om een dergelijke gesprek te doen plaatsvinden. Daarom is gewacht tot dit weer mogelijk is. Het onderwerp is daarom aangemeld voor de eerste mogelijkheid die zich voordoet, commissie ruimte van 28 juni a.s. Graag willen bovengenoemde partijen dit overleg voeren aan de hand van bijgevoegde vragen. SP
PvdA
GroenLinks
Huib Ghijsen
Mehmet Kavsitli
Marianne Golsteijn
D66
Fractie Onderdijk
Rob van Eijkelenburg
Hilde Onderdijk
1.
In deel I van de vragen geeft u in antwoord op vraag 4 over het Algemeen belang gewogen tegen het belang van de individuele burgers, het antwoord is dat dit voornamelijk in de behoefte ligt. Meer concreet, het verkopen van de braakliggende kavels lijkt de belangrijkste drijfveer. (zie ook beantwoording deel II vraag 1). In het kader van het actieplan grondbedrijf heeft de Raad ook gewezen op het belang van het verkopen van grond. Dit betekent naar onze mening echter niet dat geen goede afweging met andere belangen moet worden gemaakt. Dat is òòk Algemeen belang. Vragen: a. Onderschrijft het College de stelling/het algemeen aanvaarde principe, dat de burger er op mag vertrouwen dat het bestemmingsplan bepaalde zekerheden biedt? b. Hoe is in het najaar 2017 door het College en de gemeentelijke organisatie het belang van het aangrenzende perceel Quarleshavenstraat 28 meegewogen? c. Had het College en de ambtelijk organisatie op dat moment het idee of het vermoeden dat het voorstel de belangen van het aanpalende erf(28) zodanig zou schaden dat dit tot bezwaren en juridische procedures zou kunnen leiden? Zo nee, bent u dan met ons eens dat enige zelfreflectie in de rede lig? Zo ja, waarom is op dat moment geen contact gezocht met de omgeving en met name de eigenaar van het hiervoor genoemde perceel?
2.
Op deel 1 vraag 8 antwoordt het College dat het vanzelfsprekend is dat de besluitvorming van de Raad uit september 2010 wordt gerespecteerd. In de beantwoording van een eerdere brief over dit onderwerp d.d. 24 november 2020, kenmerk 216103 wordt gesteld dat het informeren van de Raad geen enkele consequentie heeft voor de procedure, het is immers de bevoegdheid van het College. Boud gesteld, we moeten u informeren zoals op 27 september 2010 is afgesproken, maar het College kan het gewoon naast zich neerleggen. Vraag: Acht het College deze interpretatie zoals opgenomen in hiervoor genoemde brief in de geest van de besluitvorming uit 2010 en duidt de vanzelfsprekendheid, zoals genoemd in de beantwoording, op deze interpretatie?
3.
De Raad en het College hechten sterk aan participatie en het betrekken van de inwoners in een zo vroeg mogelijk stadium bij een project, met het oogmerk het draagvlak te bevorderen. Dat is in dit geval niet gebeurd. In oktober 2017 heeft een gesprek op bestuurlijk niveau plaatsgevonden met de initiatienemer. Op 7 november 2017 had de gemeente voor kavel H6 reeds een tekening beschikbaar met voorwaarden voor een twee onder één kapwoning in de Sloehavenstraat. In een reactie op de concept reserveringsbrief d.d. 7 november 2017 laat de initiatiefnemer weten het overleg met de omgeving uit de planning te halen. Op 17 januari 2018 zendt de gemeente de reserveringsbrief naar de initiatiefnemer waarin onder meer duidelijk is aangegeven dat het om een twee-onder-één-kap woning met de voorgevel aan de Sloehavenstraat gaat. Via een gesprek op straat in maart 2018 verneemt de eigenaar van nummer 28 wat de plannen zijn met het aan zijn woning grenzende kavel H6. Naar aanleiding hiervan neemt hij contact op met de gemeente. Hij ontvangt een mail waarin het volgende staat vermeld ”Wij (de gemeente) zijn van mening dat er bij de potentiële koper inmiddels te veel verwachtingen zijn gewekt om de woningen te bouwen met een oriëntatie op de Sloehavenweg, dat in dit
stadium het niet meer fatsoenlijk is om helemaal opnieuw de gesprekken aan te gaan over de inrichting van het perceel en de oriëntatie van de woningen”. Op dat moment hadden er nog geen (bestuurlijke) gesprekken plaatsgevonden met de eigenaar van nummer 28. Vragen: a. Vindt het College dat het betrekken van belanghebbende op deze manier op een juiste manier is gebeurd? U heeft aangegeven meerdere malen met de eigenaar van nummer 28 te hebben gecommuniceerd. Dit moet dan na half juni 2018 hebben plaatsgevonden. Weliswaar was de formele besluitvorming niet afgerond, maar de afspraken met de initiatiefnemer waren zodanig dat hierop niet kon worden teruggekomen. b. Bent u het met ons eens dat dan slechts een vorm van eenzijdige communicatie resteert gericht op zenden en niet ontvangen met ander woorden, wij delen het u mee, dit is het plan en u bent nu op de hoogte?
4.
c.
Welke actie is van gemeentezijde ondernomen op het bericht van de initiatiefnemer dat het overleg met de omgeving uit de planning is gehaald? U stelt dat u bij de initiatiefnemer er voortdurend op gehamerd heeft op participatie met de omgeving. Dit is echter pas gebeurd op een moment dat het plan bij de initiatiefnemer al vast lag en bewegen van zijn kant op geen enkele wijze meer verwacht mocht worden. Het College legt ten algemene heel sterk de nadruk op de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, die eigenlijk niet echt behoefte heeft aan tegengas van de omgeving en zeker niet in het begin stadium, zoals in het onderhavige geval.
d.
Ziet het College mogelijkheden om hier ook het belang van de belanghebbenden/ omwonenden in acht te nemen?
De vraag in deel II onder 5 gaat over de argumenten waarom afgeweken wordt van het staand beleid. In uw beantwoording geeft u aan dat de initiatiefnemer om een tweekapper mogelijk te maken extra kosten moest maken. Planschade wordt niet verwacht, zodat de gemeente, ook om niet alle extra kosten voor rekening van de koper te laten komen, (hierbij wordt gewezen op het gemeentelijk belang bij de verkoop) dit voor eigen rekening te laten komen. Dit is een opmerkelijke redenering. Een initiatiefnemer wil iets realiseren waarvoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd. Dat is zijn keus. Dat brengt extra kosten met zich mee voor de initiatienemer en daarom moet met gemeenschapsgeld de mogelijke kosten van planschade en het rapport voor de ruimtelijke onderbouwing worden betaald. Opmerkelijk omdat het beleid van de gemeente Middelburg is dat deze kosten te allen tijd voor rekening van de initiatiefnemer komen. Zie Hoge Stelle 41 en Oude Veerseweg. Vraag: Kan het College aangeven hoe daar voortaan mee zal worden omgegaan teneinde willekeur te voorkomen?
5.
Integriteit is een belangrijk onderwerp bij bestuurlijke/politieke onderwerpen. Het is noodzakelijk dat bestuurders en politici rekening houden met de gevoeligheid van dit onderwerp. Zeker in een stad als Middelburg die qua omvang zodanig is dat sprake is van
allerlei soorten connecties ,waarbij politiek, bestuurders, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties elkaar formeel en informeel ontmoeten. De afgelopen periode hebben wethouders in het kader van de integriteit, zich vanwege bepaalde connecties teruggetrokken uit dossiers zoals de skatebaan en Noordweg 128. In vraag 8 van deel II is gesignaleerd dat de initiatiefnemer, een inwoner van Arnemuiden, wel erg veel tegemoet wordt gekomen: Het kavel was bestemd voor één woning, de gemeente gaat akkoord met twee (onder een kap), bereidheid het bestemmingsplan te wijzigen, een niet gebruikelijke zeer lange vrijblijvende reservering, initiatiefnemer heeft, anders dan gebruikelijk, geen planschade risico, noch kosten voor rapport ruimtelijke onderbouwing, geen reactie op het niet informeren van de omgeving, geen bezwaar tegen niet bouwen voor eigen gebruik. Kortom, hoogst ongebruikelijk in een situatie waarin niet de gemeente een bestemming wil veranderen, maar een inwoner. Niet aangetoond werd door de gemeente dat er urgentie was bij verkoop van het te koop staande perceeltje grond. Bij het project Quarleshavenstraat 26 is sprake van een zekere connectie tussen de wethouder die het dossier onder zich heeft en de initiatiefnemer. Het betreft één van zijn buren die het project willen ontwikkelen voor hun dochter.
In verband met de financiële haalbaarheid is daarom gekozen voor de twee-onder-één- kap-woning. Voor de goede orde wordt hier niet gesteld dat deze constatering wil suggereren dat de integriteit in het geding is. Het wonen in één straat of aan een gezamenlijk plein kan niet per definitie op een negatieve wijze worden uitgelegd. Vragen in het bijzonder: a. Heeft de wethouder overwogen, gegeven de zekere connectie die bestaat, het dossier over te dragen aan een collega? Zo nee, waarom niet? b. Heeft de wethouder wel gemeld dat het om één van zijn buren ging? Waar is dat gemeld en op welk tijdstip? Is dat door de gemeenteraad op enigerlei wijze te verifiëren? Zo ja, graag inzage in betreffende stukken/verslaglegging. Vragen in het algemeen: c. Is het aan te bevelen in bestuurlijke procedures dit soort connecties zo spoedig mogelijk te melden? d. Zijn er grenzen aan te geven wanneer dit wel en niet moet gebeuren? e. Zo ja op welk moment is melding geboden, bij de start van de procedure of in een later stadium? f. Wat is de geëigende plaats om dit te melden? g. Verdient een openbare melding de voorkeur, met het oogmerk hinderlijke roddel en achterklap te voorkomen? h. Zijn er criteria wanneer wordt gemeld en wanneer wordt teruggetreden?