CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording vragen over Zienswijze GR Publiek Vervoer - Dick de Heer (CU)

Commissie Maatschappelijke Zaken 7 mei 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Zienswijze GR Publiek Vervoer Zeeland (25-074 MZ)1.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Commissie

Maatschappelijke Zaken – 7 mei 2025

Agendapunt

5

Onderwerp

Zienswijze GR Publiek Vervoer

Vragensteller

Dick de Heer (CU)

Datum ingediend

5 mei 2025

Datum beantwoording

7 mei 2025

Vraag 1

Antwoord

De gemeenschappelijke regeling Publiek vervoer Zeeland wordt de rechtsopvolger van de GR Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen (GR CVV). Nog maar enkele weken geleden zijn door GR CVV nog nieuwe contracten afgesloten die lopen tot juli 2030 (zie artikel OmroepZVL in pdf). In deze en de achterliggende informatie staat dat in april 2024 de gemeente Sluis met het toekomstige nieuwe vervoersconcept een pilot is gestart. Vorig jaar was het plan dat deze aanpak van doelgroepenvervoer op 1 januari 2027 in heel Zeeland van start zou gaan. Uit het rvs blijkt dat nu aangestuurd wordt op 1/1/2026. Kan worden aangegeven waarom dit project versneld ten uitvoer komt? Is informatie beschikbaar over de (positieve) evaluatie van de pilot? •

•

•

De pilot in Sluis was gebaseerd op een ander (provinciaal) IT platform, waarbij later besloten is om aan te sluiten bij het platform dat door I&W in de markt is gezet (en nu wordt gebruikt in Shouwen Duivenland. De pilot in Sluis is dus niet verder doorgezet en niet geëvalueerd. Het voornemen van de kopgroep was om op 1-1-2025 publiek vervoer volledig uit te rollen zodat dit parallel liep met de OV concessie. Echter doordat er geen aanbieder was is er meer tijd genomen. Nu is de OV concessie wel gecontracteerd en start eind 2026. Deze extra periode van 2 jaar is gebruikt om de Flex goed in te richten. De wettelijke start van de GR is 1-1-2026 (geen versnelling, wel nodig voor governance). De operationele uitrol van het geïntegreerde publiek vervoer vindt eind 2026 plaats, na twee jaar extra voorbereidingstijd voor IT-migratie, aanbesteding en afstemming met de OV-concessie.

Vraag 2

Wat wordt de status van de kortgeleden afgesloten contracten?

Antwoord

Deze contracten blijven onverkort van kracht. De GR PVZ neemt als rechtsopvolger van GR CVV alle lopende contractuele verplichtingen over. De contracten worden dus voortgezet onder de nieuwe GR, zonder aanpassingen voor de betrokken gemeenten of vervoerders.

Vraag 3

In het rvs §1.5, Delegatie van taken, staat dat tot 2030 de volgende collegetaken worden gedelegeerd aan de GR PVZ: • Regie voeren, inclusief contractbeheer, op doelgroepenvervoer (Jeugd- en leerlingenvervoer) • Financiële administratie (rechtmatige betalingen) voor uitvoering van de contracten • Beleidsvoorbereiding voor de GR als bestuurlijk orgaan Bij de overwegingen voorafgaand aan de regeling staan frasen als "wensen samen te werken", "gezamenlijk een stap te maken" en "overgaan naar één organisatie met een eenduidig besturingsmodel". In de gemeenschappelijke regeling zelf staat echter nergens dat dit delegatie van collegebevoegdheden inhoudt. Slechts in het algemene deel van de artikelsgewijze toelichting (p.28,29) wordt iets gezegd over delegatie en mandaat, maar dan met het oog op aanvullende dienstverlening. Hoort het karakter van de bestuurlijke samenwerking niet expliciet en volledig bij de overwegingen te staan, voorafgaand aan de regeling, als het in de regeling zelf niet wordt beschreven?

Antwoord

Ja, aanbevelenswaardig. Nu wordt delegatie van college bevoegdheden alleen in de toelichting vermeld (en in rvs). Het zou duidelijker zijn dit ook in de considerans van de regeling zelf op te nemen, zodat expliciet is dat colleges bepaalde taken/bevoegdheden overdragen aan de GR PVZ. Wij zullen voorstellen dit in de definitieve tekst te verwerken en aan te passen.

Vraag 4

Artikel 28, Uittreding, lid 6., luidt: 6. Tot het moment van de eerste evaluatie, zoals opgenomen in artikel 43 van deze regeling, is toe- of uittreden niet mogelijk. Artikel 26, Toetreding, bevat een soortgelijke bepaling niet. Waarom is ervoor gekozen in art.28 een bepaling over toetreding op te nemen, terwijl het passender zou zijn deze in art.26 op te nemen?

Antwoord

Dat is een redactionele keuze: men heeft in art.28 lid 6 simpelweg zowel toetreding als uittreding tijdelijk uitgesloten (tot de eerste evaluatie). Inhoudelijk betekent het hetzelfde als wanneer het in art.26 had gestaan, namelijk geen nieuwe deelnemers en geen uittreders vóór de evaluatie. De strekking is nu al dat er een moratorium op toe- en uittreding geldt.

Vraag 5

Artikel 28, Uittreding, lid 3., luidt: Een college zendt het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het Algemeen Bestuur het besluit heeft ontvangen. Artikel 28, lid 4., luidt: Tenzij het Algemeen Bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan twee volle kalenderjaren na de in het derde lid bedoelde ontvangstdatum. Artikel 29, Uittredingsplan, lid 1., luidt: Het Algemeen Bestuur stelt een uittredingsplan vast... Artikel 29, lid 4., spreekt over "De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom..." Artikel 29, lid 9., geeft aan dat de systematiek voor berekening van de financiële consequenties van uittreding gebaseerd wordt op: a. Relevante regelgeving; b. Relevante jurisprudentie; c. Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. Op welk moment van de uittreedprocedure van ruim 2 kalenderjaren, is de voorlopige uittreedsom aan de orde en vanaf welk moment is de uittreedsom definitief? Kan de artikelsgewijze toelichting met deze informatie worden aangevuld?

Antwoord

Voorlopige uittreedsom: wordt vastgesteld bij het opstellen van het uittredingsplan, dus vrij snel nadat uittreding is aangezegd. Definitieve uittreedsom: wordt bepaald op het moment dat de uittreding daadwerkelijk ingaat (na verloop van de 2 jaar).

Vraag 6

Op welk moment van de uittreedprocedure vindt de daadwerkelijke uittreding plaats? Kan het zijn dat een ander begrip bedoeld wordt in artikel 29, lid 9., sub c.?

Antwoord

De “daadwerkelijke uittreding” is het moment waarop het lidmaatschap van de GR eindigt, doorgaans na de verplichte twee volledige kalenderjaren opzegtermijn (tenzij verkort) Art.29 lid 9(c) doelt inderdaad op dat moment; er is geen ander bedoeld begrip.

Vraag 7

Artikel 36 Archiefbewaarplaats, luidt: Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Zeeuws Archief. Deze bepaling geldt voor informatie over de gedelegeerde taken, informatie over het openbaar lichaam en over de regeling zelf.

Deze bepaling geldt niet voor informatie over de eventueel door deelnemers gemandateerde taken. Kan aan de artikelsgewijze toelichting worden toegevoegd dat in geval van gemandateerde taken, met de desbetreffende deelnemer aanvullende afspraken worden gemaakt over het informatie- en archiefbeheer? Antwoord

Ja: Art.36 regelt dat het Zeeuws Archief de stukken bewaart voor GR-taken, maar niet voor stukken over door deelnemers gemandateerde taken. Dus als een gemeente een taak mandateert, moet onderling afgesproken worden hoe die archivering loopt. In de toelichting kan worden toegevoegd dat de GR en betreffende gemeente hier aanvullende afspraken over maken (bv. in de DVO), zodat informatie- en archiefbeheer gewaarborgd zijn.

Vraag 8

Artikel 40 Geschillen, lid 2., luidt: 2. Voordat over een geschil wordt ingeroepen, legt het Algemeen Bestuur het geschil voor... Kan het zijn dat in deze formulering een relevant begrip is weggevallen?

Antwoord

Ja, de zin is incompleet. Vermoedelijk is vergeten te vermelden aan wie het AB het geschil voorlegt voordat formeel de geschillenregeling wordt ingeroepen. Dit is een redactionele fout. In de definitieve tekst moet dit hersteld worden.

Vraag 9

Artikel 42 Inwerkingtreding, lid 2., luidt: 2. Zij treedt in werking op 1 januari 2026. Indien de regeling eerder of later dan 1 januari 2026 bekend wordt gemaakt treedt de regeling de dag na bekendmaking in werking. Deze twee zinnen kunnen niet tegelijkertijd waar zijn. Kan zijn dat bedoeld wordt: De regeling treedt in werking op 1 januari 2026. Indien de regeling op een latere datum bekend wordt gemaakt, treedt de regeling de dag erna in werking, terugwerkend vanaf 1 januari 2026?

Antwoord

Ja, Artikel 42, lid 2 is innerlijk tegenstrijdig en botst met de consistentie-eisen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb art. 3:40 jo. 7:1) en de Wet elektronische publicaties. Als de zinsnede zo blijft staan, ontstaat er juridische onzekerheid over de werkingsdatum, wat bijvoorbeeld de geldigheid van besluiten in de eerste weken van 2026 kan aantasten. Bedoeld is: inwerkingtreding 1-1-2026, behalve als de bekendmaking pas later plaatsvindt, dan treedt de regeling meteen na bekendmaking in werking, met terugwerkende kracht tot 1-1-2026. Wij zullen voorstellen dit in de definitieve tekst te verwerken en aan te passen.

Vraag 10

Artikel 43 Publicatieblad, luidt: Besluiten van het Bestuur van het openbaar lichaam die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht worden bekendgemaakt in het publicatieblad van het openbaar lichaam. Het publicatieblad is toegankelijk via een bij regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven algemeen toegankelijk elektronisch medium. Begrijpelijk dat deze algemene, vaste formulering in dit artikel staat, maar voor een inwoner hoeft dit niet duidelijk te zijn. Maar omdat in de regeling zelf enkele malen expliciet aangesloten wordt bij een bepaling uit de Provinciewet e.d. (art.37 Toezicht), kan ook voor het Provinciaal blad gekozen worden. En de rechtsvoorganger, GR Collectief vervoer Zeeuws Vlaanderen, is gepubliceerd in de Staatscourant https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-21829.pdf Kan overwogen worden het specifieke publicatieblad (Blad gemeenschappelijke regeling) in dit artikel te vermelden? Mijn indruk is dat de volzin "Het publicatieblad is toegankelijk...elektronisch medium." kan vervallen. Dit is in regelgeving aangegeven en al jarenlang praktijk.

Antwoord

Juridisch is dit een juiste algemene formulering maar voor de leesbaarheid kan worden overwogen “Publicatieblad” te specificeren (bv. Provinciaal Blad Zeeland). De laatste volzin over toegankelijkheid lijkt inderdaad overbodig, schrappen kan zonder bezwaar. We zullen dit als suggestie meegeven; het is geen must, wel gebruiksvriendelijker.

Vraag 11

In §1.3. Taak van de artikelsgewijze toelichting (p.29) staat: Elk college van B&W heeft in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (vervoer), Leerlingenvervoer en de Jeugdwet taken om de coördinatie en afstemming van het doelgroepenvervoer en leerlingenvervoer in de eigen gemeenten te voeren en daarvoor ook concessies te verlenen, wijzigen of in te trekken. Het college draagt deze bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies niet over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Betekent dit dat de contracten, bijvoorbeeld voor de regio Walcheren, door de desbetreffende colleges worden gesloten en ondertekend, na al het voorwerk door GR PVZ?

Antwoord

Ja. De GR PVZ voert namens iedereen het vervoerbeleid uit, maar de wettelijke bevoegdheid om concessies/contracten te verlenen blijft bij de afzonderlijke colleges. Dus na alle centrale voorbereiding zullen de betrokken colleges het contract formeel moeten goedkeuren/ondertekenen. De GR zelf krijgt die bevoegdheid niet, tenzij via mandaat later geregeld (nu niet het geval).

Vraag 12

Wordt voorzien dat de ondertekening alsnog gemandateerd wordt? En zo ja aan welk bestuursorgaan of functionaris?

Antwoord

Op dit moment niet standaard voorzien. Uitgangspunt is dat colleges zelf tekenen. Het is echter mogelijk om dit in de toekomst praktisch te regelen via mandaat, bijvoorbeeld aan het Dagelijks Bestuur van de GR of de directeur Mobiliteitscentrale. Dat zou dan expliciet moeten worden afgesproken in een DVO of apart besluit. De GR-regeling zelf bepaalt dit niet, het blijft dus bij de colleges, tenzij men later gezamenlijk anders besluit.

Vraag 13

In de artikelsgewijze toelichting staat bij Artikel 10 (p.35): Dit artikel geeft duiding aan de informatieplicht van het Algemeen Bestuur en zijn leden afzonderlijk. Aangezien de GR Publiek Vervoer datagedreven gaat werken en daarvoor ook veel bedrijfsgevoelige data zal verwerken, zal aan de voorkant worden aangegeven of informatie openbaar kan worden verstrekt of onder een plicht van geheimhouding. Betekent dit dat ook privacy-gevoelige informatie wordt beheerd en uitgewisseld, waarvoor verwerkersovereenkomsten gesloten gaan worden?

Antwoord

Ja: de Mobiliteitscentrale zal persoonsgegevens van alle deelnemende gemeenten verwerken (bijv. van Wmo- en jeugdvervoercliënten). Hiervoor moeten duidelijke privacy-afspraken conform de AVG worden gemaakt. In de praktijk zullen gemeenten en GR/Mobiliteitscentrale verwerkersovereenkomsten sluiten om te borgen dat deze data veilig en rechtmatig worden beheerd. Dit volgt uit de wet en zal onderdeel zijn van de implementatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15500064/2