Beantwoording vragen over Memo actieve informatie Nadere regels WMO en Jeugd
Tekst van het document
Beantwoording vragen over Memo actieve informatie Nadere regels WMO en Jeugd Bas van der Reest (D66) - De memo, alsmede het concept besluit zoals het is vastgesteld door het college, zijn gedateerd van 1 december 2020. waarom is deze memo niet gedeeld en betrokken bij de discussie over het vaststellen van de verordening in december? De memo is op 1 december in het RIS gezet. De wethouder heeft dit tijdens de commissie ook meegedeeld. Het is juist op 1 december vastgesteld en gedeeld, zodat de raad er kennis van kon nemen voorafgaand aan de raadsvergadering. Zie ook weekbericht 49 van 4 december. - Inzet van pgb: Als een huisarts, medisch specialist of jeugdarts aangeeft dat een pgb wenselijk is, hoe en langs welke kaders beoordeelt de gemeente of een pgb wordt toegekend? Een PGB kan op basis van de Wmo en Jeugdwet alleen worden toegekend als een inwoner aan 3 voorwaarden voldoet: De zorg die wordt ingekocht moet doeltreffend en veilig zijn. De inwoner moet motiveren waarom zorg in natura niet geschikt zou zijn in zijn situatie. De inwoner moet in staat zijn om een PGB te beheren (zelf zorg inkopen en zorgverleners aansturen). Zie Hoofdstuk 4 van de nadere regels voor een toelichting hoe we die 3 voorwaarden beoordelen (bijgevoegd) - Aanvraag pgb: voor de aanvraag van een pgb moet een budgetplan worden ingediend.
Helpt de gemeente aanvragers met het opstellen van een dergelijk plan naast het aanbieden van een standaardformulier? Nee, want daarmee kun je meteen beoordelen of iemand aan de eisen voldoet. Bekwaamheid aanvrager De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de aanvrager. Is iemand in staat om zelf, of met hulp van anderen, de taken en verantwoordelijkheden die horen bij een pgb uit te voeren? Als de jeugdige of de ouder(s) zelf niet bekwaam zijn, wordt beoordeeld of de jeugdige en/of zijn ouder(s) met hulp uit het sociale netwerk òf met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. De Wmo-cliënt kan hulp inschakelen uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde). De gemeente sluit hierbij uit dat de ‘derde’ die de jeugdige, ouder(s) of cliënt ondersteunt bij het pgb-beheer, ook de beoogde zorgverlener is. Deze dubbelrol vindt de gemeente niet wenselijk. Om na te gaan of de pgb-budgethouder op verantwoorde wijze om kan gaan met een pgb zijn er de volgende 10 beoordelingscriteria: 1. U overziet uw eigen situatie, dan wel die van de zorgvrager, en u heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag; 2.
U bent op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het PGB, of u weet die zelf bij de desbetreffende instanties te vinden; 3. U bent in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden, waardoor u inzicht heeft in de besteding van het PGB; 4. U bent voldoende vaardig te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners;
5. U bent in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; 6. U bent in staat om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het PGB; 7. U kunt beoordelen en beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; 8. U kunt de inzet van zorgverleners coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; 9. U bent in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; 10. U heeft voldoende juridische kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden. De bekwaamheid om de taken en de verantwoordelijkheden die bij een pgb horen uit te voeren, wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst. Echter is het oordeel van het college (in de praktijk de consulent) leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon dan wel met hulp van bovengenoemde derden niet bekwaam is een pgb te beheren, dan wordt het pgb geweigerd. Om de bekwaamheid van de budgethouder te beoordelen wordt rekening gehouden met de volgende factoren:
de budgethouder is handelingsonbekwaam; de budgethouder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie; er is sprake van verslavingsproblematiek; er is sprake van schuldenproblematiek; eerder is door de budgethouder misbruik gemaakt van een pgb; eerder is sprake geweest van fraude door de budgethouder. Als één of meerdere van de bovenstaande situaties zich voordoet kan dat een reden zijn om het pgb te weigeren. Dat is het geval als gevolg van één van deze factoren de aanvrager – ook met hulp van bovengenoemde derden – niet in staat is om de taken verbonden aan het pgb op de juiste manier uit te kunnen voeren. Deze opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is omdat de taken niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd, waardoor het pgb wordt geweigerd. Motivatie aanvrager pgb Een individuele of maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt als de aanvrager dat gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld budgetplan, indient bij de gemeente. In dit plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een pgb aantoonbaar leidt tot veilige, cliëntgerichte en doelmatige ondersteuning.
Met argumenten moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de mogelijke voorzieningen in natura. Door het opstellen van een budgetplan worden cliënten gestimuleerd na te denken over de zorgvraag en de ondersteuning. Het is de keuze van de aanvrager om voor een pgb te kiezen en niet van de in te huren aanbieder of ondersteuner. Wel kan iemand uit het sociale netwerk of een onafhankelijk cliëntondersteuner ondersteunen bij het motiveren van de aanvraag. Enkele concrete voorbeelden (niet uitputtend) van argumenten, die aanvragers in het kader van hun motivering kunnen aanvoeren om een pgb te willen ontvangen, zijn:
de benodigde hulp is niet goed vooraf in te plannen; de benodigde hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de benodigde hulp moet op veel korte momenten per dag worden geboden; de benodigde hulp moet op verschillende locaties worden geleverd; het is noodzakelijk om 24 uurs hulp op afroep te organiseren; door de aard van de beperking moet de hulp door een vaste hulpverlener worden geboden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een persoon met autisme of hechtingsproblematiek; het gaat om een hulpmiddel en de cliënt wenst een duurder hulpmiddel aan te schaffen dan waarin de gemeente voorziet. De meerkosten zijn dan voor eigen rekening. Tot slot dient er rekening te worden gehouden met de behoeften van personen op het gebied van godsdienstige gezindheid, levensovertuiging of culturele achtergrond. Deze kunnen een reden vormen om te kiezen voor een pgb, omdat met het budget een aanbieder kan worden gecontracteerd bij de eigen levensovertuiging. Kwaliteitseisen De derde voorwaarde waar aan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een pgb, is dat de kwaliteit van de door middel van het pgb in te kopen voorziening naar het oordeel van het college gewaarborgd moet zijn. Voor formele jeugdhulp, die wordt ingekocht met het pgb, gelden dezelfde eisen als voor aanbieders die gecontracteerd zijn.
Deze kwaliteitseisen staan in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet (zoals de norm van verantwoorde werktoedeling, de verplichting van een VOG en het werken met familiegroepsplan). De landelijke Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op het naleven van deze kwaliteitseisen. Het college moet daarnaast in het kader van de voorwaarden van kwaliteit beoordelen of de hulp die de jeugdprofessional/jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige. Het gaat hier vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige. Voor wat betreft formele Wmo-ondersteuning die met behulp van een pgb wordt ingekocht worden de volgende kwaliteitscriteria gehanteerd in aanvulling op de eisen in de verordening:
De beoogde ondersteuner biedt de consulent desgevraagd de informatie waarmee beoordeeld kan worden of de kwaliteit toereikend is; De beoogde ondersteuner zet personeel in dat beschikt over de gangbare competenties en vaardigheden die nodig zijn om de benodigde activiteiten uit te voeren. De competenties en vaardigheden moeten in overeenstemming zijn met de in de relevante branches vastgestelde basiscompetentieprofielen (bcp's). Ook ingehuurd personeel en zelfstandigen zonder personeel moeten voldoen aan deze bcp's; De beoogde ondersteuner stemt de werkzaamheden af op de persoonlijke situatie van de cliënt en op eventuele andere vormen van ondersteuning die de cliënt ontvangt; De beoogde ondersteuner ziet erop toe dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. Ook voor informele hulp moet de gemeente beoordelen of de kwaliteit van de hulp die deze persoon zal gaan bieden gewaarborgd is. Het college moet dus vaststellen of de kwaliteit van de hulp die de persoon uit het sociaal netwerk biedt, passend en toereikend is gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de aanvrager. De consulent moet hiervoor dus eerst
altijd onderzoeken welke hulp er nodig is. Het gaat dan niet alleen om de vorm, frequentie en duur. Ook moet beoordeeld worden of de situatie van de aanvrager professionele hulp noodzakelijk maakt, of dat de doelen ook bereikt kunnen worden als er hulp wordt geboden door een informele hulpverlener. Voorwaarde hierbij is altijd dat de beoogde informele hulpverlener meerderjarig is, zelf niet overbelast raakt door de uit te voeren ondersteuning en ook anderszins in staat is om de ondersteuning te verlenen. Als de beoordeling van de situatie tot de conclusie leidt dat – gelet op de specifieke problematiek – alleen professionele hulp een doeltreffende oplossing voor de hulpvraag biedt, dan kan deze hulp niet door iemand uit het sociaal netwerk worden geboden. Professionele hulp betekent immers niet alleen dat er aan de hand van bepaalde methoden wordt gewerkt en de betreffende professional de noodzakelijke diploma’s heeft, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk kan handelen. Een persoon uit het sociale netwerk kan door zijn persoonlijke relatie met de aanvrager niet volledig objectief en onafhankelijk handelen.