CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

26-059 Bijlage 1. Ingekomen stukken MZ

Gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken periode 4 (26-059 MZ/RM/AB)39.187 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

3 alinea's met “beeldvorming”: 652 686 696

Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp. (zie ook bij artikel 12) Artikel 27. Voorliggende voorzieningen Eerste en tweede lid Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.

Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Derde[en vierde] lid Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen.

[Bij een verwijzing naar zorg op grond van de Wlz wordt tevens cliëntondersteuning ingeschakeld om de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger te ondersteunen bij het aanvraagproces.] Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

41/44

met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 28 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen. Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.

Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten.

Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

42/44

Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 29 voorziet hierin[, waarbij een aantal elementen met aanvullende criteria nader zijn uitgewerkt]. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp. Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. HOOFDSTUK 9. [KLACHTEN EN ]MEDEZEGGENSCHAP [Artikel 30. Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.] Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN [Artikel 32. Evaluatie Artikel 2.10, van de wet bepaalt dat de evaluatiebepaling van artikel 2.5.1, van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3, van de Regeling Jeugdwet regelt welke zaken in elk geval aan de orde moeten komen bij een representatief cliëntervaringsonderzoek. In artikel 34 wordt de evaluatie van het beleid op grond van deze verordening nader geconcretiseerd. […].] Artikel 33. Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

43/44

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van: • • •

Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is; Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift; Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening. Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

44/44

Bijlage 2: Model Raadsbesluit wijziging Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026) Leeswijzer Dit VNG modelwijzigingsbesluit biedt verschillende mogelijkheden tot aanpassing aan de lokale situatie van een gemeente. - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Bijvoorbeeld de gemeentenaam in het opschrift. Het model is opgemaakt in de Word-importstijlen van KOOP. Het model kan hierdoor na aanpassing eenvoudig worden geüpload in DROP voor publicatie. Zie voor meer informatie: DROP | Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties | Voor overheden | KOOP Kennis- en exploitatiecentrum officiële overheidspublicaties. Voorafgaand aan het aanbieden aan de gemeenteraad en het uploaden moeten de keuzes zijn gemaakt en moeten deze leeswijzer, het opschrift van de bijlage boven de leeswijzer en de kop- & voettekst zijn verwijderd. Nadere uitleg en instructies zijn opgenomen in de implementatiehandleiding die hoort bij dit model. Bij dit model hoort ook een model toelichting in de vorm van een was/wordt tabel met toelichting voor de gemeenteraad.

Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot wijziging van de [citeertitel Verordening jeugdhulp] [naam gemeente en eventueel jaartal] De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op artikel 2.9 van de Jeugdwet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit: Artikel I Artikel 7 van de [citeertitel Verordening jeugdhulp] komt te luiden: Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 2. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is: a. gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp; b. ter voorkoming van fraude; of c. ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige. 3. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit: a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. buitenlands paspoort; of d. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel II

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/2

Dit besluit treedt in werking op [datum]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Bijlage 3: Model Toelichting was-wordt-tabel bij Model Raadsbesluit wijziging Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026) Leeswijzer Deze VNG modeltoelichting was-wordt-tabel bij wijzigingsbesluit sluit aan bij het Model Raadsbesluit wijziging Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026).

Artikel 7 komt te luiden (artikel I van het wijzigingsbesluit) Bestaande tekst Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Nieuwe tekst Artikel 7. Identificatie 1. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. 2. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is: a. gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp; b. ter voorkoming van fraude; of c. ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige. 3. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit: a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b. verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. buitenlands paspoort; of d. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Het college maakt op grond van de wet gebruik van het burgerservicenummer bij de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van jeugdhulp (artikel 7.4.0, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet). Op grond van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer is het college verplicht zich hierbij te vergewissen van het feit dat het burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De wet kent in dit verband ook een verplichting tot het vaststellen van het burgerservicenummer van de jeugdige bij het eerste contact door raadpleging van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, tenzij de gegevens zijn verkregen uit een

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/2

betrouwbare bron waarbij mag worden aangenomen dat die deze controle al heeft uitgevoerd (artikelen 7.2.2 en 7.2.3 van de wet; en Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 210). De wet en de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kennen geen identificatieplicht. Het is voor de vergewisplicht niet verplicht om een identiteitsbewijs op te vragen. Er moet een afweging worden gemaakt in hoeverre het noodzakelijk en evenredig is om een identiteitsbewijs te vragen of dat kan worden volstaan met een minder verstrekkende methode, zoals het stellen van een aantal controlevragen die middels het systeem gecontroleerd kunnen worden. Het is aan het college om deze afweging te maken. Met deze wijziging wordt hiervoor ruimte in de verordening geboden. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om deze ruimte te bieden, omdat een groot deel van de doelgroep jonger dan 14 jaar is en dus niet wettelijk verplicht is om over een identificatiemiddel te beschikken, en de risico’s klein worden geacht. Wel laat de wetgever in elk geval de optie open dat er een identiteitsbewijs wordt gevraagd als het college dit nodig acht, gelet op de aard en de zwaarte van de zorg. Ook kunnen jeugdigen via hun ouders geïdentificeerd worden, doordat deze ouders wel over een identiteitsbewijs beschikken (Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 7-8; en Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6, p. 6-7).

Van het college wordt verwacht dat het hier in de evenredigheidsbeoordeling rekening mee houdt. Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bevat de verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling voorziet hier mede in. Het tweede lid benoemt een aantal concrete zaken waarmee het college bij de afweging in elk geval rekening houdt, onverminderd de wettelijke vergewisplicht. Het gaat om de zwaarte van de voorziening, het belang van het voorkomen van fraude (misbruik of oneigenlijk gebruik) en de noodzaak van het vaststellen van het gezag over de jeugdige. Deze laatste categorie is van belang op het moment dat de voorziening bedoeld is ten behoeve van de jeugdige zelf en degene(n) met gezag hiervan op de hoogte moeten zijn en hiermee in moeten stemmen. Voor een voorziening ten behoeve van de ouder(s), zoals opvoedondersteuning, geldt dit onderdeel c niet.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Bijlage 4: Implementatiehandleiding bij Model Verordening jeugdhulp (gewijzigd model, februari 2026) Een rechtvaardiging voor een standaard identificatieplicht is niet uit de (totstandkomingsgeschiedenis van de) Jeugdwet te halen. Vanuit het oogpunt van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik valt hier wel wat voor te zeggen. Het oorspronkelijke model uit december 2024 bevatte dan ook een verplichting. Nu de wetgever hier niet voor gekozen heeft bevat de wijziging echter een meer genuanceerde bepaling, die uitgaat van de wettelijke vergewisplicht en de afweging in het individuele geval bij het college legt. Personen met de Nederlandse nationaliteit kunnen zich in ieder geval legitimeren door middel van een: 1. paspoort; 2. Europese identiteitskaart; 3. een rijbewijs. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de verblijfsrechtelijke status. De volgende documenten kan de gemeente voor de wet in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aanmerken: vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); buitenlands paspoort; vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Het rijbewijs is een algemeen erkend identiteitsbewijs (artikel 1, Wet op de identificatieplicht), maar in situaties waarin gegevens over verblijfsstatus en nationaliteit belangrijk zijn, geeft een rijbewijs geen duidelijkheid. Een rijbewijs zegt namelijk niets over de nationaliteit en verblijfsstatus. Voor personen zonder de Nederlandse nationaliteit is het rijbewijs daarom geen geschikt identificatiemiddel. In het kader van de verblijfsrechtelijke status is het van belang te beseffen dat gemeenten ook een taak hebben ten aanzien van jeugdigen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Dit is geregeld in artikel 1.2, van het Besluit Jeugdwet. Dit doet uiteraard niet af aan het feit dat ook de identiteit van deze jeugdigen moet worden vastgesteld.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/1

Aan alle fractievoorzitters

Woerden, 25 februari 2025

Geachte fractievoorzitter, In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart 2026 vraag ik namens de MBO Raad graag uw aandacht voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In het regeerakkoord is er terecht veel aandacht voor het mbo. Tegelijkertijd spelen gemeenten minstens zo een belangrijke rol in het succes en de positionering van het mbo. Het mbo heeft als enige onderwijsrichting in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) een wettelijke vastgelegde drievoudige opdracht. Die luidt als volgt: 1. 2. 3.

Opleiden voor een beroep – het opleiden van vakmensen voor de arbeidsmarkt; Opleiden voor vervolgonderwijs – het voorbereiden op doorstroom naar hbo of verdere scholing; Opleiden tot goed burgerschap – het begeleiden van jongeren en volwassenen naar zelfstandige en betrokken deelnemers aan de samenleving.

Om die reden is het mbo onmisbaar voor een sterke lokale en regionale economie, sociale samenhang en gelijke kansen voor jongeren en volwassenen. Daarnaast is het mbo ook essentieel voor het behoud van jongeren in (krimp) gemeentes en instrumenteel voor de bereikbaarheid en infrastructuur van gemeentes. Gemeentelijk beleid, in aanvulling op landelijk beleid, maakt daarin een belangrijk verschil. Wat gemeenten lokaal doen is bovendien van grote invloed op het studentenklimaat. Om die redenen roepen wij u daarom op om het mbo expliciet te betrekken bij uw collegeonderhandelingen, en om ook in de komende bestuursperiode structureel te investeren in een sterke samenwerking tussen gemeente, mbo-instellingen en regionaal bedrijfsleven.

Graag lichten wij vier onderwerpen toe waarop gemeentelijke betrokkenheid bij het mbo essentieel is: 1. Vroegtijdig Schoolverlaten (VSV) Gemeenten dragen de primaire verantwoordelijkheid voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten. Het terugdringen van VSV is van groot maatschappelijk belang: jongeren zonder startkwalificatie lopen een aanzienlijk groter risico op werkloosheid, armoede en andere sociaaleconomische problemen. Met alle gevolgen en financiële consequenties van dien voor studenten en de gemeentes waarin ze wonen. Het nieuwe wettelijke kader (de Wet van School naar duurzaam werk) heeft de ambitie om VSV verder terug te dringen. Daarvoor is de leeftijd van jongeren die beoordeeld worden verhoogd van 23 naar 27 jaar. Als jongeren uitvallen willen we samen zorgen dat ze zo snel mogelijk weer instromen. Met name omdat we weten dat schooluitval vaak tijdelijk is. De school en studenten zijn daarbij het logische startpunt: met en dichtbij studenten, zodat signalen vroeg zichtbaar zijn en ondersteuning snel effect heeft. De mbo-scholen en vertegenwoordigers van studenten maken graag met gemeenten heldere afspraken over inzet van professionals, warme overdracht naar specialistische zorg en samenwerking binnen de regio. 2.

Leven Lang Ontwikkelen (LLO) Digitalisering, technologische ontwikkelingen, vergrijzing en de opkomst van AI veranderen de arbeidsmarkt en het leven van studenten in hoog tempo. Wendbaarheid, weerbaarheid en het vermogen om jezelf te blijven ontwikkelen zijn sleutelvaardigheden voor duurzame inzetbaarheid en maatschappelijke participatie. Leven Lang Ontwikkelen (LLO) wordt steeds belangrijker. Het mbo speelt hierin een cruciale rol: via BBL-opleidingen en diverse scholingstrajecten leiden wij veel Nederlanders op voor (nieuw) werk. Daarom is het mbo ook kernpartner in de Regionale Beraden van de nieuwe werkcentra. Toch is LLO (nog) geen wettelijke taak van het mbo. Hierdoor wordt de bestaande mbo-infrastructuur onvoldoende benut voor alle werkenden en werkzoekenden die bij- of omscholing nodig hebben. Dat is een gemiste kans, zeker omdat mensen met een (risico op) afstand tot de arbeidsmarkt binnen het huidige LLO-stelsel aantoonbaar niet de scholingskansen krijgen die ze zo hard nodig hebben voor hun bestaanszekerheid. Gemeenten dragen verantwoordelijkheid voor onderwijs aan mensen in een kwetsbare situatie. Samenwerking tussen gemeenten en mbo-instellingen is daarom noodzakelijk om deze inwoners de kans te geven zich te kwalificeren voor de arbeidsmarkt en zo aan het werk te komen, bij voorkeur op minimaal startkwalificatieniveau.

Het mbo biedt hiervoor een stabiele, toegankelijke en praktijkgerichte infrastructuur in alle arbeidsmarktregio’s. Wij roepen gemeenten op deze infrastructuur optimaal te benutten en, ondanks de stelselknelpunten, structurele (publiek-publieke) samenwerking te bewerkstelligen met het mbo. 3. Inburgering en taalonderwijs aan nieuwkomers Gemeenten hebben een grote (wettelijke) verantwoordelijkheid voor volwasseneneducatie, inburgering en taalonderwijs aan nieuwkomers. Voor integratie en participatie van mensen die de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig zijn is het essentieel dat zij het leren van taal- en andere praktische vaardigheden kunnen leren in de beroepscontext, onder de juiste begeleiding. Het mbo beschikt over een stevige, bestaande infrastructuur hiervoor in elke regio, met locaties, docenten, leerbedrijven en duidelijke routes naar werk of vervolgonderwijs. In verschillende gemeenten wordt al gewerkt met een aanpak waarbij gemeenten en mbo-instellingen direct samenwerken aan geïntegreerde trajecten voor nieuwkomers. Deze manier van werken zorgt voor betere kwaliteit, minder uitval en een snellere doorstroom naar werk of opleiding. Wij vragen gemeenten daarom om het mbo actief te betrekken bij volwasseneneducatie, inburgering en taalonderwijs aan nieuwkomers en om samenwerkingsvormen te kiezen die continuïteit en kwaliteit bevorderen.

Daarmee ontstaat een stabiele route naar participatie en wordt de regionale arbeidsmarkt versterkt.

2/4

4. Verbinding met regionaal bedrijfsleven en arbeidsmarkt Gemeenten vervullen een onmisbare schakelfunctie tussen mbo-instellingen, studenten, het regionale bedrijfsleven en de arbeidsmarkt. Een hechte samenwerking tussen gemeenten, studenten, mboscholen en het bedrijfsleven is essentieel om een stevige en toekomstbestendige arbeidsmarkt te realiseren. Dit geldt in het bijzonder voor regio’s met krimp of arbeidsmarktkrapte. Alleen door gezamenlijk op te trekken kunnen we studenten en lerende blijvend perspectief bieden op een baan, een goed bestaan en hen blijvend binden aan hun regio. Daar kunnen gemeentes een belangrijke faciliterende rol in spelen. Het overeind houden van een passend en toegankelijk mboonderwijsaanbod is daarbij van groot belang voor zowel de leefbaarheid als de economische ontwikkeling van gemeentes en regio’s. Investeringen van gemeenten, bijvoorbeeld in de bereikbaarheid van mbo-instellingen en/of sociale voorzieningen voor studenten, kunnen een belangrijke bijdrage leveren om belangrijk om deze ambities te bewerkstelligen.

Oproep: ‘wethouder mbo’ & lokale mbo-aanvalsagenda Om het mbo de aandacht te geven die het verdient, roepen wij gemeenten die mbo instellingen hebben op om tijdens de collegeonderhandelingen van het mbo een aparte portefeuille te maken of die expliciet onderdeel te maken van de portefeuille onderwijs en om mbo studenten onderdeel te maken van het gesprek tijdens onderhandelingen. Daarnaast pleiten wij er bij gemeenten die mbo instellingen hebben voor om samen met mbo-studenten een lokale aanvalsagenda voor het mbo op te stellen, waarin concrete doelen en afspraken worden vastgelegd met regionale mbo-instellingen en studenten. Inspiratieagenda gemeenten Bij deze brief is een mbo-inspiratieagenda voor gemeenten bijgevoegd met voorbeelden van programma’s, campagnes, initiatieven en samenwerking met het mbo uit verschillende gemeenten. Daar is niet altijd aanvullende financiering voor nodig, er staan tal van succesvolle initiatieven beschreven wat gemeenten kunnen doen om met het mbo samen te werken, te positioneren of instellingen/studenten te ondersteunen. Ik wil een aantal inzichten daaruit benadrukken: 1. Herwaardering en gelijkwaardigheid van het mbo: Gemeenten zetten expliciet in op positieve beeldvorming van mbo en vakmanschap, het doorbreken van denken in ‘hoger’ en ‘lager’ onderwijs en publiekscampagnes. 2.

Structurele samenwerking in de driehoek: Gemeente – onderwijs – bedrijfsleven Gemeenten werken vanuit een publiek-private samenwerking (PPS-structuur) door bestuurlijke overleggen en stuurgroepen, gezamenlijke agenda’s, actieplannen en regionale sectorale tafels en koppelen onderwijs aan maatschappelijke opgaven. 3. Stages en praktijkleren als speerpunt In vrijwel alle programma’s krijgt stagebeleid bijzondere aandacht: voldoende en betaalde stageplekken, proactieve aanpak van stagediscriminatie, verbeteringen in begeleiding en de gemeente als voorbeeldwerkgever die zelf meedoet. 4. Doorlopende leerlijnen en vroege oriëntatie Meerdere gemeenten investeren in vroege kennismaking met vakmanschap: loopbaan oriëntatie in primair en voortgezet onderwijs, doe-dagen en snuffelstages en oriëntatie van tekortsectoren vanaf de basisschool. 5. Volwaardig studentenleven voor mbo’ers Mbo’ers moeten mee kunnen doen met een volwaardig studentenleven. Door toegang tot studentenvoorzieningen, sport, introductieweken, studentenkaarten en studentenhuisvesting

3/4

Wanneer je de voorbeelden abstraheert, zie je een herkenbaar “gemeentelijk mbo-model” ontstaan: 1. Regierol van de gemeente: gemeenten doen weinig “zelf”, maar organiseren regie, verbinding en samenwerking. Ze agenderen, verbinden, faciliteren en geven zelf het goede voorbeeld, o.a. door een minimumaantal stageplekken voor mbo'ers aan te bieden. 2. Publiek-private samenwerking als fundament: Alle programma’s rusten op structureel overleg, gezamenlijke doelstellingen, gedeeld eigenaarschap en georganiseerde samenwerking, met expliciete aandacht voor het betrekken van studenten. 3. Integrale benadering: beleid combineert partners uit het onderwijs (incl. mbo studenten), de arbeidsmarkt en het bedrijfsleven. Ik hoop dat de bijgevoegde voorbeelden u zullen helpen het mbo centraal te stellen in een nieuw College. In het verlengde daarvan zal de MBO Raad, na de formatie van colleges, een oriëntatiebijeenkomst over ontwikkelingen en lokale interventies voor het mbo voor gemeenten organiseren, gericht op nieuwe wethouders mbo en hun ondersteunende medewerkers. Samen kunnen we ervoor zorgen dat het mbo een zichtbare en stevige plek krijgt in uw gemeentelijk beleid en daarmee bijdraagt aan een sterke, inclusieve en toekomstbestendige gemeente. Met vriendelijke groet,

Adnan Tekin voorzitter

Neem voor verdere vragen contact op met Public Affairs Adviseur Coen Pustjens; c.pustjens@mboraad.nl of 06-24351967

4/4

mbo inspiratieagenda gemeenten

Amsterdam: MBO-Agenda 2023 -2027 MBO-Agenda 2023-2027 | Sociaal Domein De MBO-Agenda in Amsterdam kent vijf doelen: 1. Gezamenlijke investering van bedrijfsleven en onderwijs in opleiden en begeleiden. 2. Meer toeleiding van studenten naar het mbo. 3. Aantrekkelijk en hoogwaardig mbo-onderwijs. 4. Extra inzet via het Plusprogramma. 5. Duurzame inzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen. De gemeente Amsterdam heeft een werkgroep met beleidsadviseurs van de mbo-instellingen en de gemeente, een bestuurlijk overleg en een communicatie-werkgroep. Gezamenlijk werken die aan de drie doelen van de MBO-Agenda. Naast de MBO-Agenda 2023-2027 staat het Economisch Arbeidsmarktbeleid 2023-2026 van de gemeente Amsterdam. Binnen de Economisch Arbeidsmarktbeleid zijn MBO-instelling op meerdere onderdelen een cruciale partner. Daarin wordt samengewerkt aan; (1) het vernieuwen van de beroepspraktijk door nieuwe manieren van werken en leren te ontwikkelen, (2) het realiseren van nieuwe vormen van arbeidsproductiviteit en (3) het invoeren en toepassen van technologische vernieuwingen. Voorbeelden van samenwerkingen zijn Huis van Talent en Green Tech Campus. Het Huis van Talent richt zich specifiek op mbo-studenten op niveau 1 en 2.

Met goede oriëntatie, een hybride leeromgevingen en begeleiding op maat helpt het Huis van Talent deze jongeren bij het afronden van hun opleiding en het vinden van aansluiting op de arbeidsmarkt. De Green Tech Campus is een high-impact public-private partnership waarin meerdere publiek-private samenwerkingen, waaronder de Vakschool Technische Installaties (VTi), NexTechnician en de BouwAcademie, zijn gebundeld. De Green Tech Campus richt zich op het vergroten van de instroom van vakmensen in de technische sector en het versnellen van de energietransitie, onder meer door het organiseren van LOB-activiteiten en het ontwikkelen van LLO-modules voor werkenden. Amsterdams Stagepact MBO | Gemeente Amsterdam In Amsterdam werken mbo-instellingen, bedrijfsleven, SBB en de gemeente binnen het Amsterdams Stagepact MBO nauw en structureel samen aan voldoende en goede stageplekken. De ondertekenaars committeren zich aan vier doelstellingen: 1. het creëren van voldoende stageplekken 2. het voorkomen van stagediscriminatie 3. het verbeteren van de stagebegeleiding 4. en het zorgen voor een passende onkosten- en stagevergoeding. De gemeente vervult hierbij een faciliterende en verbindende rol, terwijl het eigenaarschap voor de uitvoering bij onderwijs en bedrijfsleven ligt.

Bedrijven, mbo-instellingen, SBB en de gemeente spreken elkaar en vertalen de vier ambities van het Stagepact tijdens sectorale overleggen naar concrete acties en afspraken, bijvoorbeeld over het aantal stageplekken en de kwaliteit van begeleiding. Bredere vraagstukken en de algemene voortgang van het pact worden besproken in een stuurgroep bestaande uit gemeente, mbo en bedrijven. Inmiddels zijn ruim 110 bedrijven bij het Stagepact aangesloten. Zij committeren zich actief aan het bieden van stageplekken, een stagevergoeding en goede begeleiding.

2/10

Roosendaal: Aanpak Onderwijs–Arbeidsmarkt 2040 Roosendaal staat voor structurele arbeidsmarktkrapte, vergrijzing, tekorten in techniek en zorg, en sociaaleconomische ongelijkheid. Tegelijk is er sprake van braindrain, een relatief laag opleidingsniveau en een kwetsbare positie van jongeren en arbeidsmigranten. Goed beroepsonderwijs is cruciaal om talent te ontwikkelen, vast te houden en de brede welvaart te versterken. Zonder sterke positionering van het mbo en gerichte samenwerking tussen gemeente, onderwijs en werkgevers komt de lokale economie én leefbaarheid onder druk te staan. Daartoe heeft de gemeente de volgende programma’s geïnitieerd: Actieprogramma 1 – Roosendaal als studentenstad Doel: jong talent binden en boeien door studeren, wonen, leven en werken aantrekkelijk te maken. Wat de gemeente doet: • • • • • •

Betrekt mbo-studenten structureel bij stedelijke ontwikkeling en beleid. Investeert in sociale veiligheid, bereikbaarheid en leef kwaliteit (OV, station, wijken). Ontwikkelt een onderwijscluster waar onderwijs, bedrijven en voorzieningen samenkomen. Faciliteert studenten- en starterswoningen op goed bereikbare locaties. Ontwikkelt een lokaal platform voor stages, bijbanen en studiemogelijkheden. Versterkt het vrijetijdsaanbod, ontmoetings- en studeerplekken voor studenten.

Effect: meer instroom in het mbo, hogere waardering van de stad als studentenstad en meer mboafgestudeerden die lokaal blijven werken. Actieprogramma 2 – Kansrijk en kansengelijk onderwijs Doel: iedereen een eerlijke kans op een startkwalificatie en kansrijk werk, met het mbo als volwaardige route. Wat de gemeente doet: • • • • • • •

Zet campagnes op die vakmanschap en mbo-opleidingen positief positioneren. Organiseert loopbaanoriëntatie (zoals On Stage) samen met mbo en werkgevers. Stimuleert opleidingen die leiden naar kansrijke sectoren. Koppelt mbo-opleidingen aan baangaranties via regionale werkgevers. Voorkomt voortijdige schooluitval door betere begeleiding bij overstappen (school–werk). Faciliteert entree- en mbo-niveau 2-onderwijs dichtbij huis voor kwetsbare jongeren. Ontwikkelt flexibele leer- en zij-instroomroutes voor volwassenen en nieuwkomers (Leven Lang Ontwikkelen).

Effect: minder voortijdig schoolverlaters, hogere arbeidsparticipatie en betere aansluiting tussen mbo en arbeidsmarkt.

3/10

Actieprogramma 3 – Arbeidsmarkt beter in balans Doel: schaars talent effectiever benutten en zorgen voor eerlijke, duurzame arbeidsverhoudingen. Wat de gemeente doet: • • •

•

Stimuleert goed werkgeverschap via convenanten (o.a. rond arbeidsmigranten). Ontwikkelt samen met mbo en werkgevers een regionaal stage- en banenplatform. Ondersteun werkgevers bij: o het aantrekken en behouden van jong talent; o inclusieve personeelsinzet (job-carving); o automatisering, robotisering en AI om productiviteit te verhogen. Zet in op beter benutten van onbenut arbeidspotentiee.

Effect: hogere arbeidsproductiviteit, minder afhankelijkheid van laagbetaalde arbeid en sterkere positie van mbo-opgeleiden.

4/10

Eindhoven: Actieplan – Samen voor het MBO In Eindhoven heeft de gemeente, samen met partners het actieplan Samen voor het MBO vorm gegeven. Die zet in op de volgende gebieden: 1. Zet het mbo zichtbaar en gelijkwaardig op de kaart Doel: versterk de maatschappelijke waardering en erkenning van mbo-studenten en vakmanschap. Wat de gemeente doet: • • • •

Positioneert het mbo expliciet als gelijkwaardig onderwijs in beleid en communicatie. Ontwikkelt met mbo-studenten een campagne die mbo-talent zichtbaar maakt in de stad. Organiseert of ondersteunt initiatieven zoals een MBO Award om vakmanschap te vieren. Stimuleert ambassadeurschap van mbo-studenten, alumni, docenten en werkgevers.

Effect: positiever imago van het mbo, meer instroom en trots onder studenten 2. Zorg voor een volwaardig studentenleven voor mbo-studenten Doel: mbo-studenten laten meedoen als volwaardige studenten in de stad. Wat de gemeente doet: •

• •

Zorgt dat mbo-studenten toegang hebben tot studentenvoorzieningen zoals: o studentenkaart en kortingsregelingen; o studentensport; o introductieweken en studentenactiviteiten. Werkt met onderwijsinstellingen en studentenorganisaties aan inclusieve studentencultuur. Richt beleid niet alleen op hbo/wo, maar expliciet ook op mbo-studenten.

Effect: grotere binding met de stad, persoonlijke ontwikkeling en sterkere netwerken voor mbostudenten. 3. Betrek mbo-studenten structureel bij lokaal beleid Doel: beleid maken mét studenten, niet alleen voor studenten. Wat de gemeente doet: • • •

Stelt studentenvertegenwoordigers aan (bij voorkeur ook mbo-studenten) als brug tussen gemeente, onderwijs en studenten. Organiseert dialoog met studenten over thema’s als onderwijs, stage, wonen en welzijn. Betrek mbo-studenten bij beleidsontwikkeling, uitvoering én evaluatie.

Effect: beter beleid, hogere betrokkenheid en beleid dat aansluit bij de leefwereld van studenten.

5/10

4. Stimuleer samenwerking tussen mbo, hbo en wo Doel: laat studenten met verschillende talenten samen leren en werken aan maatschappelijke vraagstukken. Wat de gemeente doet: • • •

Organiseert projecten en challenges waarin mbo-, hbo- en wo-studenten samenwerken. Zet gemeentelijke opgaven (zoals duurzaamheid, zorg, leefbaarheid) in als leeromgeving. Faciliteert ontmoetingen tussen verschillende studentenpopulaties.

Effect: wederzijds begrip, betere voorbereiding op de arbeidsmarkt en innovatie vanuit divers talent. 5. Versterk de route naar kansrijk werk, positieve beeldvorming & stagediscriminatie Doel: mbo-studenten duurzaam voorbereiden op de arbeidsmarkt. Wat de gemeente doet: • • • •

Sluit aan bij regionale of landelijke campagnes over de waarde van het mbo. Ondersteund loopbaanoriëntatie in primair en voortgezet onderwijs, samen met mbo en bedrijfsleven. Faciliteert gesprekken tussen onderwijs, werkgevers, SBB en antidiscriminatievoorzieningen. Maak stagediscriminatie bespreekbaar en ondersteun meldstructuren.

Effect: eerlijke kansen, betere stage-ervaringen en sterkere arbeidsmarktpositie van mbo-studenten. 6. Werk vanuit partnerschap en regie Doel: duurzame samenwerking tussen gemeente, mbo-instellingen, studenten en werkgevers. Wat de gemeente kunnen doet: • • • •

Neemt regie als verbinder, initiator en facilitator. Richt een bestuurlijk overleg en een uitvoerend kernteam in met onderwijs en studenten. Reserveert structurele middelen voor mbo-gericht beleid en samenwerking. Monitort voortgang samen met studenten en onderwijsinstellingen.

Effect: samenhangend beleid, bestuurlijk draagvlak en blijvende impact.

6/10

Den Haag: De Brug naar je toekomst 1. Verbind maatschappelijke opgaven via werk De Haagse Coalitie Wonen, Onderwijs en Werk laat zien hoe gemeenten grote opgaven – zoals woningbouw, verduurzaming en leefbaarheid – kunnen verbinden met werk en onderwijs. Door leerwerktrajecten te koppelen aan concrete opdrachten in de stad (bouw, techniek, groen) ontstaan duurzame banen voor bewoners én voldoende vakmensen voor de toekomst. Zo versterken wonen,werken en leren elkaar. 2. Werk als gelijkwaardige coalitie Succesvol samenwerken vraagt om gelijkwaardigheid tussen gemeente, mbo-instelling, woningcorporaties en werkgevers. In Den Haag werken deze partijen als één team, met ruimte om te experimenteren en af te wijken van vaste protocollen. Gemeenten kunnen dit faciliteren door bestuurlijke steun, een gezamenlijke agenda en ruimte voor maatwerk. 3. Organiseer laagdrempelige instroom via de wijk De Coalitie werft deelnemers actief in de wijk, samen met buurtorganisaties en jongeren uit de buurt. Oriëntatie gebeurt via Doe-dagen, waar iedereen welkom is om een vak uit te proberen. Gemeenten kunnen zo inwoners bereiken die eerder buiten beeld bleven en drempels naar werk en onderwijs verlagen. 4. Combineer job- én life-coaching Een sleutel tot succes is de integrale begeleiding van deelnemers, vanaf de eerste oriëntatie tot ver na plaatsing op het werk.

Jobcoaching wordt gecombineerd met life-coaching (bijvoorbeeld bij schulden, wonen of gezondheid). Gemeenten spelen hierin een cruciale rol door deze brede ondersteuning mogelijk te maken. 5. Gebruik inkoop en Social Return strategisch De Haagse woningcorporaties zetten hun gezamenlijke inkoopkracht in om werkgevers te stimuleren startbanen te creëren en te investeren in begeleiding. Gemeenten kunnen dit versterken door hun eigen inkoopbeleid hierop aan te laten sluiten. 6. Werk toe naar duurzame uitstroom en vakmanschap De leer-werktrajecten zijn gericht op duurzame banen, niet op tijdelijke plaatsingen. Via praktijkverklaringen, begeleiding van leermeesters en doorstroom naar mbo-diploma’s groeien deelnemers door tot vakmensen. 7. Leer, evalueer en schaal wat past De Coalitie werkt continu lerend: elk traject wordt geëvalueerd en aangepast.

7/10

Utrecht: Mbo-uitvoeringsplan (2023-2026) 1. Waardering voor vakmanschap als fundament van de stad Utrecht kiest expliciet voor vakmanschap als pijler onder de stad en haar toekomst. Het mbo wordt gezien als onmisbaar voor maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, zorg, bouw en ICT. Tegelijk erkent de gemeente dat mbo-studenten zich nog te vaak ondergewaardeerd voelen. Met een meerjarige, gezamenlijke aanpak met mbo-instellingen zet Utrecht in op structurele herwaardering van het mbo. 2. Werk samen mét mbo-studenten, niet alleen vóór hen Een belangrijke les uit Utrecht is dat beleid sterker wordt wanneer mbo-studenten vanaf het begin meedoen. Studentenraden, zoals de Utrechtse mbo-studentenraad SR030, zijn volwaardige partners in beleidsontwikkeling en uitvoering. Gemeenten kunnen studenten structureel betrekken als adviseur, klankbord en mede-uitvoerder, en hen faciliteren om zelf initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan waardering en inclusie. 3. Doorbreek het hiërarchische denken over onderwijs Utrecht omarmt het idee van onderwijs als een ‘waaier’ in plaats van een ladder. Gemeenten kunnen actief bijdragen aan gelijkwaardigheid door afstand te nemen van waarde-geladen taal zoals ‘hoog’ en ‘laag opgeleid’.

Door in beleid, communicatie en werving consequent te spreken over mbo, hbo en wo als gelijkwaardige vormen van vervolgonderwijs, geven gemeenten het goede voorbeeld en beïnvloeden zij maatschappelijke beeldvorming. 4. Zet vakmanschap zichtbaar op het podium De gemeente Utrecht laat zien hoe publiekscampagnes kunnen bijdragen aan een positiever imago van het mbo. Met initiatieven zoals de mbo-straat en de campagne ‘Mede mogelijk gemaakt door Utrechtse mbo’ers’ wordt vakmanschap letterlijk zichtbaar in de stad. Gemeenten kunnen mbostudenten en vakmensen actief een podium geven door hun verhalen, bijdragen en successen te laten zien in de openbare ruimte en stedelijke communicatie. 5. Maak het studentenleven toegankelijk voor mbo’ers Gelijkwaardigheid stopt niet bij woorden, maar vraagt om gelijke toegang tot voorzieningen. Utrecht werkt eraan dat mbo-studenten volwaardig kunnen deelnemen aan het studentenleven: van introductieweken en studentensport tot huisvesting, verenigingen en nachtleven. 6. Begin vroeg met waardering voor vakopleidingen Interesse in vakmanschap ontstaat al in het primair en voortgezet onderwijs. Utrecht zet daarom in op versterkte loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB), met extra aandacht voor mbo-routes en beroepsperspectieven.

Gemeenten kunnen samen met mbo-instellingen, scholen en maatschappelijke partners zorgen dat jongeren, ouders en docenten beter zicht krijgen op de kansen van vakopleidingen. 7. Zorg voor voldoende en inclusieve stageplekken Utrecht werkt aan een inclusieve stagemarkt, met aandacht voor stagediscriminatie, begeleiding en kwaliteit van stages. Gemeenten kunnen hierin sturen door samen met mbo’s, werkgevers en SBB te werken aan voldoende stageplekken, monitoring en bewustwording, en door zelf als gemeente het goede voorbeeld te geven. 8. Versterk de driehoek onderwijs – arbeidsmarkt – gemeente Utrecht investeert in nauwere samenwerking tussen mbo-instellingen, werkgevers en de gemeente om beter aan te sluiten op stedelijke en regionale opgaven. Door mbo structureel aan te laten schuiven aan bestuurlijke en regionale arbeidsmarkttafels, ontstaat snellere afstemming en meer gezamenlijke verantwoordelijkheid.

8/10

9. Geef als gemeente het goede voorbeeld als werkgever Als grote werkgever en leerwerkbedrijf kan de gemeente direct impact maken. Utrecht committeert zich aan minimaal 150 mbo-stageplekken per jaar en werkt aan inclusiever werven en selecteren, waarbij competenties centraal staan in plaats van abstracte ‘werk- en denkniveaus’. Gemeenten kunnen hun eigen HR-beleid benutten om mbo-talent zichtbaarder en toegankelijker te maken. 10. Werk lerend, flexibel en met lange adem Tot slot laat Utrecht zien dat duurzame versterking van het mbo vraagt om een lerende aanpak. Zonder alles vooraf vast te leggen, ontstaat ruimte om te experimenteren, bij te sturen en samen te leren. Gemeenten kunnen dit ondersteunen door meerjarige financiering, jaarlijkse voortgangsrapportage en bestuurlijke aandacht, zodat waardering voor vakmanschap geen project is, maar blijvend beleid.

9/10

Vlaardingen: MBO Stad De gemeente Vlaardingen zet zich sinds 2022 in voor het programma Vlaardingen mbo-stad. In dit programma wordt met overheid, onderwijs én ondernemers in de regio samengewerkt aan een stad vol toekomstmogelijkheden. Het programma richt zich op de Food, Zorg en Techniek sectoren: Food Innovation Academy (FIA) De FIA is het kennis- en innovatiecentrum van de levensmiddelenindustrie, stimuleert samenwerking en legt verbindingen tussen ondernemers, studenten en overheid. Daarmee creëren ze innovaties, leiden ze gemotiveerde mensen op voor bedrijven in de sector en bieden ze carrièreperspectief voor studenten. Zorg Innovatie Academie (ZIA) In ZIA werken onderwijs, overheid en ondernemers met elkaar samenwerken aan de toekomst van zorg, welzijn en onderwijs. ZIA werkt aan oplossingen die het wooncomfort en welzijn van ouderen bevorderen om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen én geeft mensen perspectief op een baan in de zorg door uitdagend en flexibel onderwijs. Techniek Oriëntatie Vlaardingen (TOV) TOV is een initiatief vanuit het bedrijfsleven op het gebied van techniek. Verschillende bedrijven en scholen laten leerlingen vanaf groep 7 op een leuke manier kennis maken met Techniek. Doorlopende leerlijn Vlaardingen aan drie doorlopende leerlijnen in de bovengenoemde sectoren.

Een doorlopende leerlijn zorgt ervoor dat lesstof goed op elkaar aansluit, die begint al op de basisschool. 1. Primair onderwijs Al op de basisschool maken leerlingen kennis met techniek en sectoren waar in deze regio veel kansen en mogelijkheden zijn. Ze maken daarnaast kennis met de Food Innovation Academy (FIA) en de Zorginnovatie academie (ZIA). 2. Voortgezet onderwijs Bij het voortgezet onderwijs start de loopbaanoriëntatie. Er zijn snuffelstageplekken beschikbaar, meeloopdagen bij de FIA en de ZIA en er is extra aandacht voor begeleiding van vroegtijdig schoolverlaters. 3. Mbo Op het mbo volgt uitgebreide loopbaan- en arbeidsmarktoriëntatie. Leren in de praktijk staat centraal. Dankzij de goede samenwerking met het bedrijfsleven en (zorg)instellingen zijn er mooie en leerzame stageplekken beschikbaar.

10/10

Den Haag, 18 februari 2026 Onderwerp: Toolkit jeugddebat: in gesprek met de jeugd Geachte raadsleden, Gaat u wel eens in debat met de lokale jeugd over wat zij belangrijk vinden? Of bespreekt u met elkaar als raadsleden hoe u kunt zorgen voor een kindvriendelijke omgeving? In november 2025 werd tijdens de Algemene Ledenvergadering van de VNG een motie aangenomen om de jeugd te betrekken bij de coalitieonderhandelingen. Een belangrijke stap om de jeugd actief een rol te geven in de lokale politiek. Door de gemeente worden immers dagelijks beslissingen genomen met invloed op hun leven. Maar voor dat gesprek hoeft u niet te wachten tot de coalitieonderhandelingen beginnen. Ga nu al met elkaar in gesprek! ➔ Check hier de Toolkit Jeugddebat om een debat te organiseren, het liefst natuurlijk met de jeugd zelf, maar er zijn ook andere opties als dat (nog) niet lukt. UNICEF Nederland ondersteunt gemeenten om te zorgen voor een kindvriendelijke omgeving via het Child Friendly Cities Initiative. Onderdeel daarvan is dat kinderen kunnen meepraten. Op onze participatie webpagina over jeugdparticipatie vindt u allerlei concrete handvatten en voorbeelden om met de jeugd in gesprek te gaan. Ook het nieuwste aanbod van de toolkit is daar terug te vinden. Neem bij vragen gerust contact met ons op via childfriendlycities@unicef.nl.

En wilt u op de hoogte blijven van meer slimme handvatten en voorbeelden? Meldt u zich aan voor onze CFCI-nieuwsbrief. Met vriendelijke groeten, Esther Vreeburg Programmamanager Child Friendly Cities Initiative

Geachte griffie, In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 delen wij — als makelaars Jong Leren Eten Zeeland — graag een set informatieve materialen die relevant kunnen zijn voor raadsleden die zich bezighouden met thema’s zoals gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, leefomgeving, duurzaamheid en educatie. Wij verzoeken u vriendelijk om deze informatie door te sturen naar de fracties. 1. Infographic: Voedseleducatie voor een gezonde en duurzame lokale educatieve agenda Deze overzichtelijke infographic laat in één oogopslag zien hoe voedseleducatie (schooltuinen, koken, boerderijeducatie en een gezonde voedselomgeving) raakt aan meerdere gemeentelijke beleidsvelden en praktische handvatten biedt voor uitvoer. (Afbeelding bijgevoegd) 2. Interactieve Verhalenbundel – inspirerende voorbeelden per Zeeuwse gemeente We werken doorlopend aan een interactieve verhalenbundel waarin per gemeente voorbeelden worden verzameld van voedseleducatie binnen de eigen gemeentegrenzen. In deze bundel delen scholen, moestuincoaches, ouders, boeren, kinderopvang en andere partners hun lokale initiatieven — van schooltuinen tot kooklessen, van boerderijeducatie tot gezonde kinderopvang. Nieuwe verhalen stromen op dit moment binnen vanuit heel Zeeland; de bundel wordt de komende maanden verder aangevuld.

(PDF ‘Verhalenbundel’ bijgevoegd) Deze voorbeelden helpen raadsleden om te zien wat er in hún gemeente mogelijk is, en waar kansen liggen om dit te versterken.

3. Artikel ter inspiratie: ‘Mijn grote wens is dat schooltuinieren een vanzelfsprekend onderdeel van onderwijs en opvoeding is’ Dit artikel van de Alliantie Schooltuinen geeft een inspirerende blik op waarom schooltuinen en voedseleducatie voor kinderen zoveel betekenen, en hoe dit aansluit bij ambities voor gezondheid, kansengelijkheid en toekomstbestendig onderwijs. Link naar het artikel: https://alliantieschooltuinen.nl/artikel/mijn-grote-wens-is-dat-schooltuinieren-een-vanzelfsprekendonderdeel-van-onderwijs-en-opvoeding-is/.

4. Save the Date – Provinciale Opening Week van de Schooltuin 2026 (20 mei) Op woensdag 20 mei 2026 organiseren we in Zeeland de provinciale opening van de landelijke Week van de Schooltuin. Tijdens deze middag brengen we gemeenten, onderwijs, agrarische sector, zorg en gezondheidspartners, vrijwilligers en jongeren samen.

Nieuw dit jaar:

-

Een expositie met de mooiste beelden van voedseleducatie in Zeeland. Deze expositie toont beelden uit de verhalenbundel én uit nieuwe initiatieven in onze provincie.

-

Uitreiking van de interactieve Verhalenbundel aan alle aanwezigen — met speciale aandacht voor raadsleden.

Zo krijgt elke gemeente een actueel en inspirerend overzicht van wat er in Zeeland gebeurt. (Save the Date PDF bijgevoegd)

Waarom sturen wij dit? Veel gemeenten zijn in deze periode bezig met hun visie op gezondheid, leefomgeving, jeugd, preventie, duurzaamheid en kansengelijkheid. Voedseleducatie raakt aan al deze thema’s en biedt praktische en toegankelijke bouwstenen voor beleid en uitvoering. Deze materialen zijn puur informatief, politiek neutraal en bedoeld om uw raadsleden te helpen bij het maken van weloverwogen keuzes. Wij waarderen het zeer als u dit wilt doorsturen via het raadsinformatiesysteem, een fractieoverzicht of een andere passende route.

Hartelijk dank voor uw medewerking.

Met vriendelijke groet, Brenda Jasperse & Debby Boers Makelaars Jong Leren Eten Zeeland Schooltuinaanjager Zeeland

Voedseleducatie voor een gezonde en duurzame gemeente

Schouw enDu ive la n

In een gezonde gemeente groeien gezonde kinderen op. Jong Leren Eten helpt gemeenten om voedselonderwijs structureel op te nemen in beleid en programma’s. Zo werken we samen aan kansengelijkheid, gezondheid en duurzaamheid door kinderen bewuste keuzes te leren maken. Dit bevordert leerprestaties, mentale gezondheid en een sterke lokale economie.

Noord-Beveland

Ve e r e

g lbur e d Mid

Vlissingen

Klik op de gemeenten voor inspiratie!

Goes

Borsele

Sluis Terneuzen

Thole n Ka pe ll e

Met voorbeelden, netwerkbijeenkomsten en praktische handvatten ondersteunen we gemeenten bij het creëren van een gezonde voedselomgeving en een lokale educatieve agenda. We verbinden scholen met initiatieven zoals moestuinen, kookcoaches en educatieboeren. Samen bouwen we aan een toekomst met gezonde jeugd, gezonde gemeenten en een gezonde aarde.

d

Re

im e

rswaal

Hulst l nd ee

Z

SAVE THE DATE - WOENSDAG 20 MEI 2026 Provinciale Opening Week van de Schooltuin - Zeeland Een middag vol inspiratie, praktijk, beleid en waardering Op woensdagmiddag 20 mei organiseren we in Zeeland de provinciale opening van de landelijke Week van de Schooltuin 2026. Tijdens deze middag brengen we iedereen samen die werkt aan voedseleducatie, gezonde leefomgeving, groen,

koken, bewegen en buiten leren: beleidsmakers, leerkrachten, pedagogisch medewerkers, moestuincoaches, gastdocenten, kooktrainers, klasseboeren, NME/IVN‑professionals, GGD/JOGG en andere partners.

Reken op: • Een sterke keynote • Zeeuwse praktijkverhalen • Twee rondes inspirerende ateliers • Een waarderingsmoment voor onze helpende handjes • Veel ruimte om te ontmoeten, verbinden en samenwerken

Voor wie?

Wanneer?

Waar?

Gemeenten, scholen (PO/VO), IVN/NME, zorg & gezondheid, agrarische sector, vrijwilligers en iedereen die voedseleducatie mogelijk maakt in Zeeland.

Woensdag 20 mei 2026 circa 13:00 uur - 17:00 uur

Locatie volgt zo spoedig mogelijk

Zet 20 mei nu alvast met een grote groene krul in je agenda - dit wil je niet missen. Meer informatie en het volledige programma volgen binnenkort.

College van Gedeputeerde Staten Provinciehuis Abdij 6 4331 BK MIDDELBURG Oostburg, d.d. 11-02-2026 Geacht College, Betreft schriftelijke vragen conform Art. 44 van het Reglement van Orde van het Statenlid François Babijn, PARTIJ VOOR ZEELAND (PVZ), n.a.v. ‘Hongersnood in Zeeland’ (+ bijlagen). Toelichting Naar aanleiding van diverse berichten in de media (zie bijlagen) voelt de Statenfractie van de PARTIJ VOOR ZEELAND (PVZ) zich wederom genoodzaakt om aan de bel te trekken vanwege ‘Hongersnood in Zeeland’. Gezien het feit dat uw college in het verleden ook reeds uw barmhartigheid heeft getoond, hopen wij, in het belang van allen die getroffen zijn, wederom op u te mogen rekenen! Vragen 1. Is uw college op de hoogte van het feit dat voedselbanken in Nederland, ook die in Zeeland, het moeilijk hebben om aan de vraag te kunnen voldoen? 2. Is uw college, gezien de urgentie, bereid om op de kortst mogelijke termijn samen met alle betrokken instanties en overheden, stappen te ondernemen teneinde er voor te zorgen dat om te beginnen niemand, maar dan ook niemand honger moet lijden in onze provincie Zeeland en moet worstelen om weer boven te komen!? 3. Is uw college tevens bereid om deze schrijnende misstand in een zo breed mogelijk verband aan te kaarten in Den Haag, met als doel te komen tot een structurele oplossing? 4.

Graag vernemen wij van uw college of Nederland zich inmiddels al heeft aangesloten bij het EU- Voedselhulpprogramma (zie bijlage aangenomen motie 2012), zo nee, dan verzoeken wij uw college om die wens vanuit Zeeland, in het belang van alle inwoners in Nederland die het moeilijk hebben, wederom onder de aandacht te brengen? In afwachting van uw beantwoording, verblijven wij, Hoogachtend, Statenfractie PARTIJ VOOR ZEELAND (PVZ), François Babijn, Fractievoorzitter

Bijna 400.000 mensen maken geen gebruik van de voedselbank, campagne gestart om drempel te verlagen Bron: NRC https://share.google/enYJVefyacqT8HzdX

Bijna 400.000 mensen maken geen gebruik van de voedselbank, campagne gestart om drempel te verlagen NIEUWS

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16840994/1