CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

25-093 Bijlage 2. BP Sir Winston Churchilllaan Middelburg vastgesteld (excl. bijlagen)

Gemeenteraad 2 juli 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Bestemmingsplan Sir Winston Churchilllaan Middelburg (25-094 RM)17.845 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 4.4

De verkeersafwikkeling

De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden op de Sir Winston Churchilllaan en de Generaal Hakewill Smithlaan, waar een verkeerstoename zal plaatsvinden van 122 mvt/etmaal op een werkdag (60% van 203 mvt/etmaal). Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen type I. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Uitgaande

37/102

van een gemiddelde capaciteit van 5.000 mvt/etmaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een procentuele toename van minder dan 5% van de totale wegcapaciteit. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de doorstroming op de weg gering zal zijn. Verkeersveiligheid De toename in de verkeersgeneratie zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid. Door middel van de lage maximumsnelheid van 30 km/uur op de omliggende wegen en de aanwezigheid van fietssuggestiestroken op de Sir Winston Churchilllaan wordt de verkeersveiligheid van fietsers gewaarborgd. Conclusie In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 203 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate klein dat het niet tot een verslechtering zal leiden van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet. Het aspect verkeer staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.8

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Als de Wgh van toepassing is, dan dient een nieuwe geluidsgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidsgevoelige functie ten minste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal 'dove gevels' per woning tot maximaal één te beperken.

Geluidszones Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Toetsing en conclusie De omliggende wegen (Sir Winston Churchilllaan, Nadorstweg, Gerrit van der Veenstraat en Koos Voorrinksraat) hebben een snelheidsregime van 30 km/u. Op basis van de Wgh is akoestisch onderzoek niet nodig. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake

38/102

is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Voor de ontwikkeling is dan ook akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 12. Het volgende kan geconcludeerd worden. Voor wegverkeerslawaai is het plan enkel gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze wegen geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen nabij 30 km/uur wegen echter alsnog te worden bepaald. Derhalve is in het onderhavige akoestisch onderzoek de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen Sir Winston Churchilllaan, Nadorstweg, Parklaan, Gerrit van der Veenstraat, Anton de Komstraat en de Koos Vorrinkstraat inzichtelijk gemaakt. Voor alle 30 km/uur wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde.

Ondanks dat voor onderhavig plan een procedure hogere grenswaarde niet van toepassing is, wordt geadviseerd om bij de aanvraag omgevingsvergunning te controleren of in de verblijfsruimten sprake is van een maximaal geluidbinnenniveau van 33 dB. Afhankelijk van de woninghoogte, de bouwconstructie, de indeling van de appartementen en het ventilatietype is mogelijk een aanvullend akoestisch onderzoek geluidwering gevels noodzakelijk om een goed akoestisch woon- en leefklimaat te waarborgen.

4.9

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

39/102

Toetsing De ontwikkeling vindt plaats in een gebied met voornamelijk woningbouw en enkele maatschappelijke functies aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied. Ten zuidwesten van de ontwikkeling, aan de Nadorstweg ligt 'Toevlucht Middelburg'. In deze maatschappelijke voorziening vindt begeleid wonen plaats. Hier wonen zo'n 20 mensen. Deze maatschappelijke functie kan op grond van de categorie-indeling van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering onder 'Verpleeghuizen' worden geschaad. Voor deze categorie dient een richtinggevende afstand van 10 m van deze bedrijven tot milieugevoelige bestemmingen, waaronder wonen, in acht te worden genomen. Het plangebied is buiten deze afstand gelegen. Op basis hiervan wordt milieuhinder geen belemmering geacht tussen de beoogde oprichting van de woningen en het ontmoetingscentrum. Omgekeerd is sprake van een nieuwe woonfunctie in een omgeving met hoofdzakelijk woningen. Daarbij gelden geen onderlinge richtafstanden. Binnen de beoogde ontwikkeling is nog van belang dat de bestaande sportzalen vooralsnog gehandhaafd blijven. In dat licht is de vraag relevant in hoeverre de sportzalen hinder veroorzaken voor de nieuwe woningen op het terrein. Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geldt een voor een gymzaal een richtafstand van 30 m, in verband met het maatgevend aspect geluid.

De afstand tussen de gymzalen (SBI-code 931) en de nieuwe appartementen bedraagt slechts enkele meters. Aan de zuidoostelijke en zuidwestelijke zijde van de sportzalen is sprake van een gesloten gevel en de entree van de sportzalen ligt niet aan de zijde van de nieuwe woonbebouwing. Gelet op deze situatie wordt de beoogde woningbouw op korte afstand van de sportzalen aanvaardbaar geacht. Bovendien is sprake van een tijdelijke situatie, hoewel nog niet bekend is hoe lang die zal duren. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook vormen de woningen geen belemmeringen voor de bedrijfsvoering van functies in de omgeving.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:  bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Risico relevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (hierna: PR) een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft.

40/102

Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (hierna: GR); wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met een uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.

Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Toetsing De toekomstige woningen zijn kwetsbare objecten die beschermd moeten worden tegen externe veiligheidsrisico's. Volgens de professionele risicokaart, waarop risicobronnen worden getoond, zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante risicovolle bronnen gelegen (zie figuur 4.5). Het plangebied ligt op ruim 1.000 m van de route gevaarlijke stoffen over de N57 die vanaf het kruispunt met de Rooseveltlaan naar het noorden loopt. Conform het Basisnet Weg blijkt dat ter hoogte van het traject Afrit N287 (Serooskerke)-Middelburg geen veiligheidsafstand en geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Gezien de grote afstand en de geringe vervoersaantallen (GF3 82) is de risicobron niet van belang voor de externe veiligheidssituatie ter plaatse.

41/102

Op circa 6 kilometer bevindt zich Verbrugge Zeeland Terminals. Uit de QRA van Verbrugge Zeeland Terminals blijkt dat de PR 10-6 contour 600 meter bedraagt en het invloedsgebied 7.200 meter.Binnen deze contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen niet toegestaan. Het plangebied valt buiten de PR 10-6 contour. Mogelijke wijzigingen op een grotere afstand dan 1.500 meter vormen geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn ener binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. De ontwikkeling ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf. Deze ontwikkeling is gelegen in een stedelijke reeds druk bewoonde woonomgeving, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. In verband met een toxisch scenario dient wel aandacht te worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De ontwikkeling zelf betreft ook geen risicovolle bron. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen dan ook worden uitgesloten.

Figuur 4.5

Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. risicovolle inrichtingen en routes (Bron: www.risicokaart.nl)

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee

42/102

verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied is goed bereikbaar en biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woningen gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.

De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'niet in betekenende mate' (het Besluit nibm) en de ministeriële regeling nibm. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

43/102

)

toetsing van

grenswaarde

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Nibm In het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 80 woningen en een ontmoetingsruimte. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 203 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 24-04-2024) is 2025 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,08 µg/m³ en van fijnstof van 0,02 µg/m³ (tabel 4.5). De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.5 Resultaten NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de President Rooseveltlaan (zie figuur 4.7). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.6.

44/102

Tabel 4.6

Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof

grenswaarde

maximale waarden in jaar maximale waarden in jaar 2025 2030

stikstofdioxide (NO2))

40 µg/m³

11,1 µg/m³

10,1 µg/m³

fijn stof (PM10)

40 µg/m³

13,5 µg/m³

12,9 µg/m³

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³

6,0 µg/m³

6,0 µg/m³

25 µg/m³

6,7 µg/m³

6,1 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

Figuur 4.7 Luchtkwaliteit rondom het plangebied (blauw omkaderd het plangebied) (Bron: NLS-Monitoringstool)

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologische relevantie Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van:  elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV;  brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger;

45/102

 

brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4 inch en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter.

Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olieen gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.13 Duurzaamheid Toetsingskader Klimaatbestendige Middelburgse Samenleving 2018-2050 De gemeente stelt zich tot doel dat Middelburg bewoonbaar blijft en dat de Middelburgers gezond en goed kunnen wonen, leven en werken ondanks de klimaatverandering. De visie gaat in hoe in de gemeente Middelburg gebouwen, tuinen, openbare ruimte en wellicht ook de mensen zodanig kan veranderen dat de gevolgen van klimaatsverandering beheersbaar blijven. Voor de ontwikkeling zijn onderstaande maatregelen relevant:  meer groen en minder verharding;  'water sturen';  donkere verharding vervangen door wit of beplanting;  meer water in de bodem. Middelburgse Milieuvisie 2019-2025 In de Middelburgse Milieuvisie (MVM) is het duurzaamheidsbeleid opgenomen. Het belangrijkste doel is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. De MVM heeft betrekking op alle milieuthema's met als doel voor 2025 en 2050. De belangrijkste ambities en doelstellingen die voor de ontwikkeling relevant zijn en uitgangspunt moeten zijn worden hierna genoemd, waarbij is uitgegaan van het doel voor 2025:

46/102

      

klimaat en energie: energieverbruik beperken; duurzaam gebouwde omgeving: realiseren van energieneutraal en duurzaam bouwen bij nieuwbouw; emissie van geluid en stoffen: huidige geluids- en luchtkwaliteit van Middelburg verbeteren; duurzame mobiliteit: het op een verantwoorde, veilige en duurzame manier verplaatsen van mensen en goederen; externe veiligheid: voorkomen van onaanvaardbare risico's voor de bevolking door vervoersbewegingen en bronnen/bedrijven die tijdelijke, dan wel permanente schade aan de leefomgeving toebrengen; van afval naar grondstof; klimaatadaptatie en duurzaam watersysteem.

BENG-eisen Ten behoeve van de energieopwekking is vanuit de overheid de eis gesteld dat bij de bouw van nieuwe overheidsgebouwen per 2021 voldaan moet worden aan de eis van bijna energieneutrale gebouwen (BENG-eisen). In de praktijk betekent dit dat de energieprestatie van nieuwe gebouwen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende drie BENG-eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar; 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar; 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Toetsing en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woningen worden bijna energieneutraal en wordt zonder gasaansluiting gebouwd.

4.14 Bezonning Toetsingskader Als gevolg van de ontwikkeling ter plaatse van het voormalige schoolgebouw is d.d. 5 december 2023 een bezonningsstudie uitgevoerd naar de beschaduwing c.q. bezonning ten gevolge van de ontwikkeling op de directe omgeving. Daarbij is gekeken naar hoeveel mogelijke bezonningsuren aanwezig zijn in de volgende situaties:  situatie conform het huidige bestemmingsplan;  situatie conform de voorgenomen aanpassing op het bestemmingsplan. De bezonningsstudie is als bijlage 13 bij het plan opgenomen. Toetsing en conclusie De nieuwbouw heeft geen dusdanig schaduwwerkend effect dat de gestelde eisen voor bezonning worden overschreden.

47/102

48/102

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.

5.2

Opzet van het nieuwe bestemmingsplan

Ten aanzien van de opzet van het bestemmingsplan (verbeelding en regels) is het volgende van belang. Karakter bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is gericht op een goede borging van de specifieke stedenbouwkundige opzet. Voor de verschillende woningtypen zijn verschillende aanduidingen toegepast. Opzet verbeelding De verbeelding bestaat uit de bestemming 'Wonen'. De locatie van de bebouwing is vastgelegd door middel van een bouwvlak. Binnen deze grens is de precieze ligging van het gebouw niet vastgelegd. Om enige flexibiliteit te bieden bij de realisatie, is de grens van het bouwvlak enkele meters buiten de grens van het betreffende gebouw gelegd. Opzet planregels Volgens SVBP2012 hebben de planregels een vaste hoofdstukindeling, in een vaste volgorde:  in hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald;  in hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven;  hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een anti-dubbeltelbepaling en een algemene bouwregel;  hoofdstuk 4 (slotregel) ten slotte de titel van het plan. Bestemmingsartikelen hebben ook een standaard opbouw. In het voorliggende plan hebben deze de volgende opbouw.

 bestemmingsomschrijving;  bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud);  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de specifieke gebruiksregels.

49/102

5.3

Gehanteerde bestemmingen

Artikel 1 Begrippen De begrippen zijn overeenkomstig het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Middelburg. Artikel 2 Wijze van meten De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn, conform de SVBP2012, onveranderd overgenomen. Artikel 3 Maatschappelijk De maatschappelijke voorzieningen in het gebied zijn voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk’. Het gaat om de gymzalen die vooralsnog gehandhaafd worden. Binnen de bestemming zijn uitsluitend de bestaande gymzalen toegestaan, alsmede bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Artikel 4 Wonen De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende voorzieningen. Voor de gronden is alleen gestapelde bebouwing toegestaan. Door middel van het bouwvlak is aangegeven waar het gebouw mag komen te staan. De bouwhoogte zijn op de verbeelding geregeld door middel van een maatvoeringsaanduiding.

5.4

Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: binnen de bestemming Wonen mag een bepaald percentage van het erf worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk erf van het aangrenzende perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deelerf kan worden betrokken. Artikel 6 Algemene bouwregels Dit artikel bevat één lid, namelijk 'Overschrijding bouwgrenzen' (lid 6.1 Overschrijding bouwgrenzen): Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn.

Artikel 7 Algemene wijzigingsregels In dit artikel (lid 7.1) is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel

50/102

6.1. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen. Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien:  open water dat als zodanig is bestemd een andere vorm moet krijgen;  een bruggetje dat anders moet worden geconstrueerd of een stukje moet opschuiven;  een fietspad iets anders moet aansluiten op een kruising. Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied kan blijken dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van het tegenwoordige kaartmateriaal gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters. Artikel 8 Overige regels Dit artikel bevat 2 bepalingen, namelijk lid 8.1 en lid 8.2.

Het eerstgenoemde lid is opgenomen omdat in een (toenemend) aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen wordt verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel 'Wettelijke regelingen' op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad. Het tweede lid regelt het parkeren in dit bestemmingsplan. Daarvoor is in onderhavig bestemmingsplan gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt om voorwaardelijke verplichtingen in de regels op te nemen.

Dit is noodzakelijk omdat stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen en de regeling voor het parkeerfonds) niet meer is geregeld in de gemeentelijke bouwverordening. Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten. De voorwaardelijke verplichtingen zijn middelen om afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) planologisch te borgen. Omdat deze afspraken door gebruikmaking van een publiekrechtelijk regeling kunnen worden vastgelegd, behoeven en kunnen deze niet via privaatrechtelijke weg

51/102

worden vastgelegd. Een voordeel van voorwaardelijke verplichtingen is dat er geen nader toetsingsmoment aan te pas komt. Er is ook geen nadere besluitvorming door het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) nodig. In het bestemmingsplan is alleen een voorwaardelijke verplichting opgenomen die is verbonden aan het gebruik van gronden en bouwwerken. Hiermee kan relatief eenvoudig parkeren op eigen terrein worden afgedwongen. Omdat parkeren zal plaatsvinden binnen Wonen, is de regeling voor parkeren opgenomen in hoofdstuk 3 Algemene regels, (artikel 8, leden 8.2.1 en 8.2.2) en niet in de bestemmingsartikelen. In lid 8.2.1 is onder andere bepaald dat parkeervoorzieningen niet voor de voorste voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd. In de begripsbepaling voor voorgevel is bepaald dat het gaat om de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Het gaat dus om de feitelijke voorgevel.

5.5

Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen

In artikel 9 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 9.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 9.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

52/102

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor deels een ontwikkeling van de gemeente en deels een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat er budget beschikbaar is voor de realisatie van de woningen. Kostenverhaal Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan te worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het kostenverhaal is verzekerd. De grond is door de gemeente aan de initiatiefnemers verkocht. Gemeentelijke kosten komen ten laste van de vastgestelde grondexploitatie.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Informatiebijeenkomst

Het wijkteam en de aanwonenden zijn geïnformeerd over het initiatief. De aanwonenden kregen hierover een brief in de bus. Op 28 februari 2022, 7 juni 2022 en 17 april 2023 informeerden de gemeente en Woongoed en Zorgstroom samen met de architect de omwonenden over de plannen. 6.2.2

Vooroverlegreacties

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening aan het bepaal de in artikel 3.8 lid 1, sub b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en Veiligheidsregio Zeeland.

53/102

De Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio hebben aangegeven onder voorbehoud akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. Zie hiervoor bijlage 14. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Gedurende deze periode zijn er tien zienswijzen ingediend die betrekking hebben op het ontwerp bestemmingplan. De zienswijzen zijn tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk. De zienswijzen leiden tot een aantal aanpassingen van het bestemmingsplan. Ook hebben bij de vaststelling van het bestemmingsplan een aantal ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. De zienswijze is samengevat en beantwoord in de 'nota van beantwoording overlegreacties en zienswijzen incl. staat van wijzigingen', die als bijlage 14 bij de toelichting is opgenomen.

54/102

REGELS

86/102

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende bepalingen

Begrippen

1.1 het plan het bestemmingsplan Sir Winston Churchilllaan Middelburg met identificatienummer NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01 van de gemeente Middelburg. 1.2

het bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6

bedrijf

een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van de onderneming. 1.7

bedrijf-aan-huis

activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.8

beroep-aan-huis

een beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met uitzondering van detailhandel. 1.9

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.10 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

87/102

1.11

bevoegd gezag

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.12 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.13

bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.14 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.18 bouwwerk, geen gebouw zijnde een bouwwerk als bedoeld in lid 1.17, niet zijnde een gebouw. 1.19

dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.20 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor gebruik ter plaatse. 1.21 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en de bestemming ingevolge het bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt.

88/102

1.22

erfafscheiding

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient als afscheiding van een erf of terrein en is geplaatst in of rondom een erf of terrein. 1.23

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.24 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.25

huishouden

een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die gezamenlijk één eenheid vormen en als zodanig ook gebruik maakt van één woning. 1.26

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.27

maatvoeringsaanduiding

alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen. 1.28

NEN

een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.29 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.30 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak. 1.31

peil

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang); b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

89/102

1.32

wonen

de huisvesting van personen die zelfstandig, of nagenoeg zelfstandig dan wel onder geringe en vrijblijvende begeleiding plaatsvindt. 1.33

woning gestapeld

een woning, deel uitmakende van een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en uit twee of meer bouwlagen bestaat, of waarbij (een deel van) de eerste bouwlaag van het gebouw voor andere met de betreffende bestemming in overeenstemming zijnde doeleinden wordt gebruikt. 1.34

woning

een complex van ruimten, dat krachtens zijn indeling geschikt en bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

90/102

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2

bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, liftkokers/ trappenhuizen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3

breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.4

dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 goot(- of boeibord)hoogte van een bouwwerk a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen – voor zover deze minder dan 50% van de breedte van het dakvlak beslaan – en lift-opbouwen daar niet onder begrepen; b. bij meerdere/verschillende (hellende) dakvlakken met verschillende goot- en/of boeibordhoogten wordt de gooten/of boeibordhoogte gemeten bij het dakvlak, waarvan de verticale projectie meer bedraagt dan 50% van het grondoppervlak van een gebouw. 2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7

oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8

vloeroppervlakte

op de vloer tussen de binnenzijden van de gevelmuren en/of de gemeenschappelijke scheidingsmuren.

91/102

92/102

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Maatschappelijk

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' (M) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gymzalen; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Toelaatbare bouwwerken Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden worden gebouwd: 1. ter plaatse van het bouwvlak:  gebouwen;  overige bouwwerken; 2. buiten het bouwvlak:  overige bouwwerken, uitgezonderd overkappingen. 3.2.2 Maatvoering a. de goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk

goothoogte

a. gebouwen

zie maatvoeringsaanduiding zie maatvoeringsaanduiding zie maatvoeringsaanduiding

b. erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied

-

1m

-

c. lichtmasten

-

2m

-

d. lichtmasten

-

9m

-

e. bouwwerken

-

3m

-

3.3

bouwhoogte

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. (bedrijfs)woningen zijn niet toegestaan; b. buurt- of clubhuizen en daarmee vergelijkbare voorzieningen zijn niet toegestaan.

93/102

oppervlakte/inhoud

3.4

Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 3.3 teneinde de vestiging van een buurt- of clubhuis toe te staan, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. de aard en omvang van het buurt- of clubhuis dient te worden afgestemd op de in de omgeving woonachtige doelgroep; gelet daarop dient ook de noodzaak, doelmatigheid en wenselijkheid van de vestiging van een buurtof clubhuis ter plaatse te worden aangetoond; b. de wijziging wordt niet toegepast indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de openingstijden en de mogelijkheden voor ontsluiting; flankerend dient zo nodig ander instrumentarium te worden toegepast ter voorkoming van onevenredige overlast; c. de afstand van gebouwen tot woonpercelen in de omgeving van de maatschappelijke voorziening, dient ten minste 30 m te bedragen. 3.5

Wijzigingsbevoegdheid

3.5.1 Bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Maatschappelijk' wijzigen in de bestemming 'Wonen' al dan niet in combinatie met zorgverlening met in achtneming van de volgende voorwaarden: a. het aantal wooneenheden bedraagt ten hoogste 30; b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 16 meter; c. de afstand van een mogelijke bouwlaag boven een bouwhoogte van 10 meter (inclusief balkons en dakterrassen) tot de grens van het bouwvlak in de richting van de bestemming 'Verkeer' bedraagt ten minste 3 meter; d. voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen, zodanig dat geen onevenredige druk ontstaat op de beschikbaarheid van openbare parkeerplaatsen; e. woningbouw is slechts mogelijk als het gebruik van de gymzalen is beëindigd.

94/102

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, met dien verstande dat uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mag worden gebouwd: 1. uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak:  gebouwen;  overige bouwwerken; 2. buiten het bouwvlak:  overige bouwwerken, uitgezonderd overkappingen. 4.2.2 Maatvoering a. de goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk

bouwhoogte

oppervlakte

1.

gebouwen; binnen een bouwvlak

zie de aanduiding: zie de aanduiding: 'maximum bouwhoogte (m)' 'maximum bebouwingspercentage (%)'

2.

erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied

1m

-

3.

overige erfafscheidingen

2m

-

4.

lichtmasten

9m

-

5.

overige bouwwerken

3m

-

b. per bouwvlak bedraagt het aantal wooneenheden maximaal 27. 4.3

Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. op de gronden met de bestemming 'Wonen' is – in samenhang daarmee – ook het gebruik toegestaan van gedeelten van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, voor vrije beroepen, voor zover: 1. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; 2. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is;

95/102

3. het geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreffen dat deze kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; 4. er geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met het beroep of bedrijf aan huis; 5. ten hoogste 30% van het vloeroppervlak, met een maximum van 50 m², van de woning inclusief aan- en uitbouwen ten behoeve van een vrij beroep in gebruik zal zijn; 6. het bedrijvigheid betreft die niet onder de werking van de Wet milieubeheer valt; 7. het beroep niet wordt beoefend in een vrijstaand bijgebouw; b. op de gronden met de bestemming 'Wonen' zijn een bedrijf aan huis en logies niet toegestaan; c. gebruik van een ontmoetingsruimte is toegestaan met een oppervlak van ten hoogste 150 m².

96/102

Hoofdstuk 3 Artikel 5

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

97/102

Artikel 6 6.1

Algemene bouwregels

Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt; b. de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 m; in afwijking van het in vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privégebruik maximaal 15 m en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 m; c. voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 3 m.

98/102

Artikel 7 7.1

Algemene wijzigingsregels

Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen bedragen echter niet meer dan 3 m en het bestemmingsvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot.

99/102

Artikel 8 8.1

Overige regels

Werking wettelijke regeling

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 8.2

Regels ten aanzien van het parkeren

8.2.1 Voorwaardelijke verplichting - parkeren Het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor 'wonen' is slechts toegestaan indien voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied die duurzaam in stand worden gehouden. Onder voldoende parkeerplaatsen wordt verstaan conform CROW uitgave 744. 8.2.2 Situering en maatvoering parkeervoorziening Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning nadere eisen te stellen omtrent de situering en maatvoering van een parkeervoorziening, ten behoeve van een samenhangend straatbeeld, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. nadere eisen mogen worden gesteld aan de plaats van uitritten, waarbij mag worden geëist dat de uitrit wordt afgestemd met de inrichting van het openbaar terrein; b. het stellen van nadere eisen mag er niet toe leiden dat daardoor de gebruikswaarde van de gronden onevenredig wordt geschaad.

100/102

Hoofdstuk 4 Artikel 9

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

9.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. b. Eenmalig kan een omgevingsvergunning voor afwijken worden verleend van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregel van dat plan. 9.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, zoals bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, zoals bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

101/102

Artikel 10

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Sir Winston Churchilllaan Middelburg'.

102/102

VERBEELDING

35

Plangebied

1

8B 3 33

n de Anto

Koms

aat

5

tr

Plangrens

28 8A

7

10 31 9

Enkelbestemmingen

8 11

13 29

15

M

Maatschappelijk

W

Wonen

27

17

19

25

21 23

23 6D

it Gerr st Veen der van

2-58

Bouwvlakken

raat

bouwvlak 26

Maatvoeringen

40-76

21 24

maximum bouwhoogte (m)

16 19 33

22

20 31 17

18-82

raat

inkst

Koos

Vorr

18

M 10

29

15

16 27

13

14

Nadorstw

eg

25

12 11 23

1A 8A

21 9

16

Sir Wins

7

ton Chur chill-

19

n

laa

8

17

16

6

1

W 4

2 15 8

13

6A

16

2

11 104

102 100

Laan

98 9

van on Lond

26 96

94 4 92 7

24 5

22

7 89 6 87

85

83

5

GEMEENTE MIDDELBURG

20

18

81

79

77

Afdeling : Ruimtelijk Beleid

6 16

6 75

Nieu

werk : Bestemmingsplan "Sir Winston Churchilllaan Middelburg"

we

14

ad

oetp

ensv

3

nhov

4

ijla

an

Blad : Concept : Voorontwerp : Ontwerp : Vastgesteld : Onherroepelijk :

rand

Gerb

2

onderdeel : Verbeelding

1

schaal :

1:1000

IMRO code : NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01

Pa rkla an

12 4

1 182

10

e nhov

we

Nieu

van

van

Park

Laan

e

nhov

we Nieu

getekend :

J.V.

formaat:

A3

10 0

30 20

50 40

1 van 1 29-04-2022 14-12-2022 13-12-2023

70 60

90 80

100

postbus 6000 4330 LA Middelburg telefoon: 0118-675000 telefax: 0118-623717 bezoekadres: Kanaalweg 3 e-mail : info@middelburg.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15633136/4