25-069 Bijlage 1. Ingekomen stukken - MZ mei 2025
Tekst van het document
Ingekomen stukken Commissie: Commissie Maatschappelijke Zaken Datum brief
17-04-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
108. Brief aan gemeenten over belang vrijwillige schuldhulp (2025)
Ingekomen stuk
108. Brief aan gemeenten over belang vrijwillige schuldhulp (2025)
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
Alliantie Vrijwillige Schuldhulp
Advies
Voor kennisgeving aannemen
Raadsvergadering
22 mei 2025
Bijlagen: 108. Bijlage 1. Gids Effectief Partnerschap (AVS)
Datum brief
16-04-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
104. Begeleidend schrijven B&W+ gemeenteraad Passend Veilig Leerlingenvervoer
Ingekomen stuk
104. Begeleidend schrijven B&W+ gemeenteraad Passend Veilig Leerlingenvervoer
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
Gemeente Katwijk, gemeente Breda
Advies
Via de gemeentesecretaris in handen stellen van het college ter afdoening
Raadsvergadering
22 mei 2025
Bijlagen: 104. Bijlage 1. Position paper Passend Veilig Leerlingenvervoer 104. Bijlage 2. Kort Position paper Passend Veilig Leerlingenvervoer
Datum brief
04-04-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
094. Onderzoek Armoedefonds April 2025
Ingekomen stuk
094. Onderzoek Armoedefonds April 2025
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
Stichting Armoedefonds
Advies
Voor kennisgeving aannemen
Raadsvergadering
22 mei 2025
Bijlagen: 094. Bericht onderzoek lokaal Armoedefonds - Stijging van armoede te zien in praktijk
Datum brief
01-04-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
083. Sociale Clientenraad Walcheren Orionis - advies SCW verordening
Ingekomen stuk
083. Sociale Clientenraad Walcheren Orionis - advies SCW verordening
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
Sociale Clientenraad Walcheren
Advies
Via de gemeentesecretaris in handen stellen van het college ter afdoening
Raadsvergadering
22 mei 2025
Datum brief
01-04-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
082. Verzoek om gesprek met wethouder aangaande tarief WMO
Ingekomen stuk
082. Verzoek om gesprek met wethouder aangaande tarief WMO
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
Buurtdiensten
Advies
Via de gemeentesecretaris in handen stellen van het college ter afdoening
Raadsvergadering
22 mei 2025
Datum brief
26-03-2025
Commissie
Commissie Maatschappelijke Zaken
Datum commissie
7 mei 2025
Onderwerp
078. Nieuwsbrief CSW en Mondia Scholengroep
Categorie
Organisatie
Afdeling
Samenleving
Afzender
CSW en Mondia Scholengroep
Advies
Voor kennisgeving aannemen
Raadsvergadering
22 mei 2025
Bijlagen: mailchi.mp/mondia/nieuwsbrief_csw_ mondia_3 (https://mailchi.mp/mondia/n ieuwsbrief_csw_mondia_3)
108. Brief aan gemeenten over belang vrijwillige schuldhulp (2025)
Het bestand 108. Brief aan gemeenten over belang vrijwillige schuldhulp (2025) kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/15445742/1/108_+Brief+aan+gemeenten+over+belang+vrijwil lige+schuldhulp+%282025%29?connection_type=17&connection_id=11781466
108. Bijlage 1. Gids Effectief Partnerschap (AVS)
Het bestand 108. Bijlage 1. Gids Effectief Partnerschap (AVS) kon niet correct worden ingeladen, het is mogelijk corrupt of beschadigd. Het originele bestand kunt u hier vinden: https://middelburg.raadsinformatie.nl/document/15445741/1/108_+Bijlage+1_+Gids+Effectief+Partnerschap+ %28AVS%29?connection_type=16&connection_id=1038168
College van B&W en Gemeenteraad Geachte lezer Als college van B&W en als gemeenteraad weet u als geen ander hoe belangrijk onderwijs en welzijn zijn voor jeugdigen. Niet voor alle jeugdigen is er een sluitend onderwijsaanbod in hun regio. Deze kinderen zijn veelal aangewezen op leerlingenvervoer, aangepast vervoer in de vorm van taxi of taxibusjes. Er spelen inmiddels al jarenlang problemen op het gebied van leerlingenvervoer, welke het leerrecht en de belangen van de leerlingen dreigen te beschadigen. Goed geregeld leerlingenvervoer is belangrijk voor leerlingen, ouders en scholen. Of het nu gaat om te laat komen, niet komen, lange wachttijden, lange ritten, onvoldoende begeleiding of onduidelijkheid over verantwoordelijkheden – het huidige systeem biedt te weinig houvast voor de praktijk. We geloven dat een gezamenlijke aanpak, waarbij ook het leerlingenvervoer goed wordt afgestemd op de specifieke ondersteuningsbehoeften van de leerlingen, de sleutel is tot verbetering voor alle betrokkenen. Vanwege de kracht van samenwerking hebben daarom een aantal ouders, wethouders en belangenverenigingen de handen ineengeslagen om niet langer tegen elkaar, maar vooral mét elkaar in te zetten op een constructieve verbetering van het leerlingenvervoer. Voor een landelijke oplossing. Voor onvoorwaardelijke toegang tot onderwijs.
Om onze gedeelde zorgen kracht bij te zetten, vragen we u om het bijgevoegde position paper mede te ondertekenen en/of te steunen. Dit paper, bevat vijf concrete voorstellen om het leerlingenvervoer structureel te verbeteren en te zorgen voor een veiliger en effectiever systeem. Het doel: zorgen dat elk kind passend, veilig en zorgzaam naar school kan. Op 21 mei vindt in de Tweede Kamer het debat over Passend Onderwijs plaats – een goed moment om ook het leerlingenvervoer nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. Een breed gedragen oproep vanuit gemeenten, brancheorganisaties, maatschappelijke partners en ouders kan dan het verschil maken. In het bijgevoegde position paper pleiten we voor: 1.
2.
3.
4.
5.
Verplaats de verantwoordelijkheid naar het ministerie van OCW. Door leerlingenvervoer onder te brengen bij OCW wordt het structureel onderdeel van het leerrecht en beter afgestemd op onderwijs- én zorgbehoeften. Herzie de wetgeving en financiering. Pas de Wet op het leerlingenvervoer aan zodat niet alleen de vervoerskosten, maar ook de zorgcomponent (veiligheid, welzijn, begeleiding) structureel wordt gefinancierd. Stel landelijke richtlijnen op. Bepaal basisnormen voor reistijd, vervoerskwaliteit en veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk voor kinderen met specifieke zorgbehoeften. Verzamel landelijke data. Laat OCW structureel data verzamelen over uitvoering, behoeften en knelpunten. Dit maakt gericht beleid en tijdige aanpassingen mogelijk. Versterk de samenwerking. Stimuleer nauwe afstemming tussen gemeenten, rijksoverheid en ouders, binnen heldere landelijke kaders.
Wij geloven dat een brede en diverse groep ondertekenaars een krachtig signaal afgeeft richting politiek: het huidige systeem werkt niet en vraagt om verbetering, om landelijke keuzes én om samenwerking. Samen zorgen we ervoor dat het systeem het kind weer centraal stelt – en alle betrokkenen ondersteunt om dat waar te maken. Wilt u dit initiatief steunen? Dan kunt u kiezen uit de volgende opties: Optie 1: Ik word medeondertekenaar. Optie 2: Ik steun het initiatief inhoudelijk en teken als sympathisant. Optie 3: Ik onderteken het position paper én steun het initiatief inhoudelijk.
Wij ontvangen uw keuze graag uiterlijk woensdag 23 april per e-mail. Als u voor 1 van de opties kiest, dan ontvangen wij gaarne uw voor- en achternaam en de naam van uw gemeente.
Uiteraard lichten wij het stuk graag nader toe.
Hartelijke groet, Els Vink Passend Veilig Leerlingenvervoer, namens ouders 06 29 03 84 11 passendenveiligleerlingenvervoer@outlook.com Emile Soetendal Gemeente Katwijk Wethouder Welzijn en Zorg 06 13 33 32 53 e.soetendal@katwijk.nl
Position paper Passend en veilig leerlingenvervoer: op weg naar een duurzame en zorgzame oplossing Na jarenlange pogingen om het leerlingenvervoer in Nederland te optimaliseren binnen de bestaande kaders en scope, is het noodzakelijk om het roer om te gooien en de gebruikers van het leerlingenvervoer in bescherming te nemen. Diverse waarschuwingen vanuit de Kinderombudsman, legio artikelen in kranten en bladen en de zorgelijke items op de landelijke televisie hebben deze noodzaak volop onderstreept. Uit deze position paper kunt u opmaken dat leerlingenvervoer al jaren een essentieel onderdeel is van de toegang tot onderwijs voor kwetsbare kinderen, alleen het huidige systeem schiet tekort door een te sterke focus op logistiek en onvoldoende aandacht voor de zorgcomponent. Dit gegeven heeft een belemmerend gevolg voor het leerrecht, het welzijn en de prestaties van leerlingen.
Oproep Omdat de huidige wetgeving onvoldoende passend is om de zorgbehoeften in het leerlingenvervoer adequaat te dekken, is een gezamenlijke oplossing van gemeenten, de rijksoverheid, ouders en andere betrokkenen noodzakelijk. Vandaar deze oproep om de inrichting van het systeem op een vijftal punten te wijzigen: 1. Herziening van de wetgeving en financiering De wetgeving moet worden aangepast zodat zowel de vervoerskosten als de zorgcomponent voor leerlingen (veiligheid, welzijn zorgbehoeften) goed gefinancierd worden, zodat we geen kinderen – soms letterlijk – in de kou laten staan. 2. Landelijke richtlijnen en uniforme uitvoering Er zijn duidelijke landelijke richtlijnen nodig voor het leerlingenvervoer. Dit betreft onder andere afspraken over reistijden, vervoersomstandigheden en veiligheidsprotocollen. Zo zorgen we ervoor dat het vervoer voor alle leerlingen passend en gelijk is geregeld, ongeacht hun regio of woonplaats. Tegelijkertijd behouden gemeenten de verantwoordelijkheid voor lokaal maatwerk, zoals aanpassingen voor leerlingen met bijzondere zorgbehoeften of in specifieke situaties. 3.
Verplaats de verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer naar het ministerie van OCW: De verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer van het ministerie van VWS naar OCW verschuiven, zodat het beter wordt geïntegreerd in het onderwijsbeleid en onderdeel wordt van het leerrecht van kinderen. 4. Verzamel landelijke data over leerlingenvervoer Laat het ministerie van OCW landelijke data verzamelen over het leerlingenvervoer, zodat beter inzicht ontstaat in de behoeften van leerlingen en trends kunnen worden gemonitord. Dat draagt bij aan beter beleid en tijdige aanpassingen. 5. Verbeter de samenwerking Intensieve samenwerking tussen gemeenten, ouders, de Rijksoverheid en de vervoersbranche is nodig om ervoor te zorgen dat leerlingenvervoer altijd passend, veilig en zorgzaam is. Gemeenten behouden de verantwoordelijkheid en ruimte voor lokaal maatwerk, maar werken binnen de kaders van landelijke richtlijnen en beleid. V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 1 van 6
Het doel is om leerlingenvervoer te verbeteren en het leerrecht van kwetsbare kinderen beter te borgen. De voorgestelde hervormingen dienen als basis voor een duurzame en zorgzame oplossing.
Noodzaak tot aanpassing
Leerlingenvervoer speelt een essentiële rol bij de toegang tot onderwijs van duizenden kwetsbare kinderen in Nederland. Het leerrecht is een fundamenteel recht voor ieder kind, opgenomen in nationale wetgeving en internationale verdragen, zoals in het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind. Ieder kind heeft, ongeacht zijn of haar beperking, de afstand tot school of geografische ligging, recht op onderwijs. In Nederland hebben we dit recht vastgelegd in de Leerplichtwet. Deze wet bepaalt dat kinderen vanaf 5 jaar verplicht zijn om onderwijs te volgen. Het is daarom van groot belang dat zij optimaal in staat worden gesteld om dit recht te verzilveren. Met de komst van de Wet Passend Onderwijs heeft het leerrecht een verdere verdieping gekregen. Alle kinderen hebben recht op een plek op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden. De komst van deze wet vraagt het regulier onderwijs om meer in te zetten op leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften. Hierdoor blijven veel kwetsbare leerlingen over het algemeen langer in het regulier onderwijs. Dit betekent dat de leerlingen die onvoldoende van het regulier onderwijs kunnen profiteren, aangewezen blijven op speciaal onderwijs. De intensiteit en complexiteit van de problematiek van deze leerlingen is de laatste jaren toegenomen. De roep om beter op hen aan te sluiten ook.
De kinderen die het meest kwetsbaar zijn, maken gebruik van speciaal onderwijs, waarbinnen in die groep veel kinderen tevens afhankelijk zijn van het leerlingenvervoer om naar school te komen. Het huidige systeem ziet leerlingenvervoer echter vaak als een puur logistieke opgave, waarbij de zorgcomponent – een onlosmakelijk onderdeel – onvoldoende wordt meegewogen. Dit vormt een directe dreiging voor het leerrecht en het recht op passend onderwijs. De situatie vraagt om een structurele wijziging in de wet- en regelgeving, een verheldering van de verantwoordelijkheden en een herziening van de financiering. Recente cijfers benadrukken de ernst van de situatie. Uit onderzoek van Oberon (2025), uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW, blijkt dat gemiddeld 18 procent van de leerlingen die afhankelijk zijn van leerlingenvervoer wekelijks te laat op school komt. Bij een schooljaar van 200 dagen betekent dit dat er jaarlijks zo’n 4,3 miljoen ritten te laat aankomen. Volgens hetzelfde onderzoek krijgt 12 procent van de leerlingen structureel minder onderwijstijd door te laat komen. Daarnaast laat een peiling van Ouders & Onderwijs zien dat een kwart van de leerlingen oververmoeid of overprikkeld op school arriveert, waardoor zij niet goed aan de les kunnen deelnemen.
Deze uitkomsten maken duidelijk dat het niet gaat om incidenten, maar om een hardnekkig, structureel probleem dat de toegang tot onderwijs ondermijnt en het welzijn van kinderen aantast. De gevolgen raken niet alleen leerlingen, maar zetten ook druk op gezinnen, scholen en jeugdhulpvoorzieningen. Tijdigheid en voorspelbaarheid van de dienstverlening, maar ook passende ondersteuning tijdens de ritten, zijn essentiële voorwaarden voor de ontwikkeling van leerlingen die afhankelijk zijn van leerlingenvervoer. Als er onvoldoende wordt voldaan aan deze voorwaarden, komt de ontwikkeling van het kind in gevaar – met alle maatschappelijke gevolgen van dien.
V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 2 van 6
Meer dan een vervoersopdracht De huidige wetgeving biedt momenteel vooral een basis voor het regelen van vervoer voor kinderen met een beperking, voor kinderen die niet zelfstandig kunnen reizen en/of de school niet nabij kunnen vinden. De huidige wetgeving schiet echter tekort in het expliciet waarborgen van de zorgcomponent die onlosmakelijk verbonden is met het vervoer naar dit passende onderwijs. Leerlingenvervoer gaat over veel meer dan het brengen van kinderen van A naar B. Het gaat hierin om het algemene welzijn van de kinderen, om het waarborgen van hun sociale, emotionele en fysieke veiligheid en om hun gezondheid. Dit brengt een zorgaspect met zich mee. Het vereist maatwerk, kennis en begrip van de specifieke ondersteuningsbehoeften van de leerlingen. Het vraagt om een (h)erkennen dat leerlingenvervoer van invloed is op het gevoel van welzijn en de schoolprestaties van leerlingen. De huidige wetgeving is ontoereikend om de essentiële zorgcomponent goed af te dekken, wat leidt tot onduidelijkheden over verantwoordelijkheden en tekortkomingen in de uitvoering van deze opdracht. Door de zorgcomponent expliciet in de wet te verankeren, zorgen we ervoor dat leerlingenvervoer in de eerste plaats wordt gezien als een zorgtaak. De ruimte om haar als een logistieke opdracht te interpreteren wordt hiermee zoveel mogelijk weggenomen.
Zo ontstaat er een helder kader, waarin duidelijk is aan welke eisen het leerlingenvervoer dient te voldoen. Door de financieringsstrategie af te stemmen op het zorgaspect en minder te richten op de vervoerskosten, kunnen de betrokken partijen beter voldoen aan de complexe ondersteuningsvraag van de leerlingen. Hier ligt een gezamenlijke uitdaging én uitnodiging voor gemeenten, ouders, belangenorganisaties en de politiek – om het leerlingenvervoer een duurzaam en zorgzaam fundament te geven. Laten we ons samen inzetten om passend en veilig leerlingenvervoer te organiseren voor iedere leerling die hier recht op heeft.
Uniform, landelijk en met zorg op maat
De belangrijkste wetgeving rondom leerlingenvervoer is de Wet op leerlingenvervoer die specifiek werd bedoeld om te waarborgen dat leerlingen met een beperking of leerlingen die vanwege afstand of andere redenen niet zelfstandig naar school kunnen reizen, recht hebben op leerlingenvervoer om zo hun leerrecht te kunnen verzilveren. Er ontbreken echter landelijke kaders met tenminste basis kwaliteitseisen voor het leerlingenvervoer. Dit, in combinatie met het tekortschieten van de financiering, leidt heden tot onwenselijke verschillen in de kwaliteit van het leerlingenvervoer tussen gemeenten. Sommige leerlingen ontvangen wel passend vervoer, waar anderen het zonder moeten stellen, op wachttijden stuiten of met de gevolgen van bezuinigingen worden geconfronteerd. Leerlingenvervoer vraagt om een uniforme en landelijke aanpak, waarbij heldere richtlijnen gelden ten aanzien van het regelen van leerlingenvervoer, in combinatie met een deugdelijke financiering. Zodoende wordt er een meer gelijke toegang tot onderwijs geborgd in de verschillende regio’s en wordt er voorkomen dat de toegang tot passend onderwijs wordt beperkt door budgettaire keuzes.
Van VWS naar OCW
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat de meest kwetsbare kinderen, die anders geen toegang tot onderwijs hebben, toch hun leerrecht kunnen verzilveren. Het maakt de fysieke toegang tot V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 3 van 6
scholen voor hen mogelijk. Leerlingenvervoer ligt primair aan onderwijs gekoppeld. De kwestie vraagt daarom om een verschuiving naar een bredere integratie met het landelijk onderwijsbeleid. De wijze waarop het leerlingenvervoer op dit moment is geregeld heeft geleid tot een versnippering van verantwoordelijkheden. Hierdoor worden ouders, gemeenten, onderwijsinstellingen én vervoerders geconfronteerd en belast met onduidelijke en verspreide taken en verantwoordelijkheden. Het resulteert in een complex en moeilijk beheersbaar netwerk. Het zorgt voor een onbestuurbaar palet aan contractmanagementpartijen, versnipperde lokale loketten voor uiteenlopende vragen en klachten en een inefficiënt systeem als geheel. Hoewel er veel motivatie is om binnen de bestaande (on)mogelijkheden tot optimalisatie te komen, ontbreekt het lokaal aan voldoende slagkracht om dit naar een landelijk niveau en/of uniforme norm te brengen. Regie vanuit het ministerie geeft ruimte voor structurele verbeteringen op het vlak van kwaliteit, doeltreffendheid en kostenefficiëntie. Op dit moment valt leerlingenvervoer onder het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Gelet op de correlatie tussen het recht op onderwijs, de verbinding tussen onderwijs en leerlingenvervoer, de noodzaak van een meer adequate uitvoering van leerlingenvervoer en de impact op het gevoel van welzijn en de schoolprestaties van leerlingen, liggen de verantwoordelijkheden veel dichter bij de portefeuille van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Het zou daarom meer recht doen aan de opgave leerlingenvervoer om haar van VWS te verschuiven naar OCW. Het ministerie van OCW kan het leerlingenvervoer beter integreren in haar brede onderwijsbeleid en het leerlingenvervoer een onderdeel maken van het leerrecht door het op te nemen in haar verantwoordelijkheden. Dit ministerie draagt momenteel al de verantwoordelijkheid voor de toegankelijkheid van het onderwijs zelf waar het leerlingenvervoer essentieel onderdeel is. Bovendien beschikt het OCW over uitgebreide kennis van de specifieke behoeften van leerlingen, inclusief die van kinderen met bijzondere ondersteuningsbehoeften. Het gaat erom de beschikbare middelen optimaal in te zetten, zonder concessies te doen aan de kwaliteit van het leerlingenvervoer of de toegankelijkheid voor de leerlingen. Van het ministerie van OCW mag worden verwacht dat zij beter in staat is om leerlingenvervoer te koppelen aan onderwijstoegang.
Door deze verschuiving kunnen we het leerlingenvervoer benaderen als een essentieel onderdeel van het leerrecht en niet langer als een bijkomende dienst. Het ministerie van OCW kan daarnaast op landelijke niveau data verzamelen die kan helpen bij het optimaal aansluiten bij nieuwe trends en/of het oplossen van problemen. Zij kan dit meenemen in het formuleren van adequaat beleid op landelijk niveau, iets wat op lokaal niveau niet of onvoldoende mogelijk is.
Passende financiering Het tekortschieten van de huidige financiering voor leerlingenvervoer leidt ertoe dat gemeenten, ondanks hun wettelijke taak, vaak worstelen om de kosten te dekken. Dit veroorzaakt onwenselijke verschillen tussen gemeenten. Dit is onacceptabel en leidt tot kansenongelijkheid, terwijl de Memorie van Toelichting, horende bij de Wet op leerlingenvervoer, juist spreekt over het tegengaan van dit gegeven. Een eerlijke en bijvoorbeeld hybride financieringsvorm zorgt voor een gelijk speelveld voor alle kinderen in Nederland, ongeacht hun beperking, woonplaats en/of geografische ligging. Dit voorkomt dat de toegang tot passend onderwijs wordt beperkt door budgettaire keuzes en/of (on)mogelijkheden van gemeenten. Een landelijke kader met betrekking tot gelijkheid, efficiency
V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 4 van 6
en coördinatie ondergebracht bij de Rijksoverheid, terwijl flexibiliteit en zorg op maat bij de gemeente blijft, dicht bij de leerling. Op deze manier worden noodzakelijke randvoorwaarden ontwikkeld die onrechtmatigheid terugdringen, ontstaat er een basisniveau dat geldt voor ieder gemeente en blijft er ruimte om op de individuele ondersteuningsbehoeften van de leerlingen aan te sluiten.
Sluit aan voor gelijke en duurzame ontwikkelingskansen Samen staan we sterker. We hebben samen de verantwoordelijkheid om dit onderwerp niet te laten verslonzen in de marges van de politieke besluitvorming. Door onze krachten te bundelen, kunnen we ervoor zorgen dat leerlingenvervoer niet langer gezien wordt als een kostenpost, maar als een investering in de toekomst van onze kinderen. Samen kunnen we werken aan een duurzame oplossing die recht doet aan het belang van goed onderwijs voor iedereen. Gemeenten en ouders niet tegen elkaar, maar met elkaar, met vereende krachten en een gezamenlijk perspectief. Leerlingenvervoer is niet meer te optimaliseren binnen de bestaande onmogelijkheden. Zij vraagt dringend om een bredere scope en een betere integratie met het landelijke onderwijsbeleid. Het verbeteren van het leerlingenvervoer is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid, gemeenten, ouders en andere betrokkenen zoals de vervoersbranche. We roepen iedereen op om samen te werken aan een herziening van de organisatie van het leerlingenvervoer. Want ieder kind verdient de kans om veilig en passend naar school te kunnen gaan, ongeacht beperking of woonplaats, met de zorg die nodig is. Passend en veilig leerlingenvervoer voor alle kinderen die hier recht op hebben én met ondersteuning die nodig is.
Passend Veilig Leerlingenvoer Ouders
Els Vink Rosalie Dykhuizen passendenveiligonderwijs@outlook.com
Gemeente Katwijk
Wethouder Emile Soetendal e.soetendal@katwijk.nl
Gemeente Breda
Wethouder Arjen van Drunen
V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 5 van 6
Medeondertekenaars
Sympathisanten
V 04 2025 - Position paper –Passend en Veilig Leerlingenvervoer Pagina 6 van 6
Passend en veilig leerlingenvervoer: Op weg naar een duurzame en zorgzame oplossing De organisatie van het leerlingenvervoer moet grondig worden herzien. Er is een uniforme landelijke aanpak nodig met duidelijke richtlijnen en adequate financiering. Alleen zo kunnen we de huidige problemen rond het leerlingenvervoer oplossen en ervoor zorgen dat elke leerling passend, veilig en met de nodige zorg naar school kan. De toegang tot onderwijs voor ieder kind ligt vast in verschillende internationale verdragen en in onderwijswetgeving. Voor veel kinderen is leerlingenvervoer de enige manier om naar school te gaan, vooral voor degenen die door afstand, fysieke beperkingen of andere belemmeringen niet zelfstandig kunnen reizen.
Noodzaak Leerlingenvervoer gaat over veel meer dan het brengen van kinderen van A naar B en vice versa. Het vereist maatwerk, kennis en begrip van de specifieke behoeften van de leerlingen en aandacht voor sociale, emotionele en fysieke veiligheid van de kinderen. Het gaat hier om het algehele welzijn van kinderen. Uitblijven van dergelijke aansluiting schaadt de ontwikkelingsvoorwaarden van kinderen en organiseert risico voor de ontwikkeling van het kind. Uit onderzoek van Oberon (in opdracht van het ministerie van OCW, 2024) blijkt dat gemiddeld 18 procent van de leerlingen die afhankelijk zijn van leerlingenvervoer wekelijks te laat op school komt. Bij een schooljaar van 200 dagen leidt dit tot circa 4,3 miljoen ritten die niet op tijd aankomen. Volgens dezelfde meting krijgt 12 procent van de leerlingen structureel minder onderwijstijd door te laat komen. Daarnaast blijkt uit een peiling van Ouders & Onderwijs dat een kwart van de leerlingen zo vermoeid of overprikkeld aankomt, dat zij niet goed kunnen deelnemen aan de les. Deze cijfers laten zien dat het niet om incidenten gaat, maar om een structureel probleem dat de afgelopen jaren alleen maar nijpender is geworden. De impact op het leerrecht, het welzijn en de veiligheid van leerlingen is groot en vraagt om een fundamentele aanpak.
Momenteel wordt het leerlingenvervoer vooral als logistieke opgave gezien, zonder voldoende aandacht voor de zorgcomponent. Dit heeft negatieve gevolgen voor de veiligheid, gezondheid en welzijn van leerlingen tijdens het vervoer. Bovendien verschilt de uitvoering sterk tussen gemeenten: sommige kinderen krijgen passend vervoer, terwijl anderen het zonder moeten stellen of geconfronteerd worden met lange wachttijden. Doordat de zorgcomponent onvoldoende is gedekt bij het leerlingenvervoer zijn er vaak onduidelijkheden over verantwoordelijkheden en tekortkomingen in de uitvoering. Oproep Omdat de huidige wetgeving onvoldoende passend is om de zorgbehoeften in het leerlingenvervoer adequaat te dekken, is een gezamenlijke oplossing van gemeenten, de rijksoverheid, ouders en andere betrokkenen zoals de vervoersbranche noodzakelijk. Vandaar deze oproep om de inrichting van het systeem tenminste op de vijf punten te wijzigen: 1. Verplaats de verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer naar het ministerie van OCW Door de verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer bij het ministerie van Onderwijs onder te brengen, kan leerlingenvervoer beter worden geïntegreerd in het onderwijsbeleid. Leerlingenvervoer wordt zo onderdeel van het leerrecht van kinderen.
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die anders geen toegang zouden hebben tot het onderwijs, toch hun leerrecht kunnen uitoefenen. Het maakt de fysieke toegang tot scholen mogelijk. Het is primair het onderwijs waarvoor dit gespecialiseerde vervoer wordt geregeld. Een verschuiving van de verantwoordelijkheid van het leerlingenvervoer naar en een bredere integratie met het landelijke onderwijsbeleid ligt daarom in de rede. Het ministerie van OCW kan het vervoer adequaat integreren in haar bredere onderwijsbeleid en het leerrecht voor deze kwetsbare leerlingen beter borgen. Het ministerie van OCW is tenslotte verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs zelf en het leerlingenvervoer is daar een essentieel onderdeel van. Het
ministerie van OCW heeft bovendien uitgebreide kennis van de specifieke behoeften van leerlingen, bijvoorbeeld in het geval van kinderen met een beperking of andere zorgbehoeften. Dit zou kunnen leiden tot beter afgestelde vervoersregelingen die rekening houden met de specifieke zorg- en onderwijsbehoeften van leerlingen, in plaats van alleen logistieke aspecten. 2. Herzie de wetgeving en financiering De Wet op het leerlingenvervoer moet worden aangepast zodat zowel de vervoerkosten als de zorgcomponent voor leerlingen (veiligheid, welzijn, zorgbehoeften) goed gefinancierd worden, zodat we geen kinderen - soms letterlijk - in de kou laten staan. Een hybride financieringsmodel ontzorgt gemeenten financieel en administratief, terwijl ze wel invloed houden op de uitvoering. Hierdoor kunnen wethouders zich richten op wat écht telt: toegankelijk en passend leerlingenvervoer voor ieder kind, zonder onnodige bureaucratie of financiële onzekerheid. Samenwerken aan een efficiënter, eerlijker en toekomstbestendig systeem. 3. Stel landelijke richtlijnen op voor uniforme uitvoering Er zijn duidelijke landelijke richtlijnen nodig voor het leerlingenvervoer. Dit betreft onder andere afspraken over reistijden, vervoersomstandigheden en veiligheidsprotocollen. Zo zorgen we ervoor dat het vervoer voor alle leerlingen passend en gelijk geregeld is, ongeacht hun regio of woonplaats.
Tegelijkertijd behouden gemeenten de verantwoordelijkheid voor lokaal maatwerk, zoals aanpassingen voor leerlingen met bijzondere zorgbehoeften of in specifieke situaties. 4. Verzamel landelijk data over leerlingenvervoer Laat het ministerie van Onderwijs landelijk data verzamelen over leerlingenvervoer, zodat beter inzicht ontstaat in de behoeften van leerlingen en trends kunnen worden gemonitord. Dit draagt bij aan beter beleid en tijdige aanpassingen. 5. Verbeter de samenwerking tussen gemeenten, ouders en rijksoverheid Intensieve samenwerking tussen gemeenten, ouders en de rijksoverheid is nodig om ervoor te zorgen dat leerlingenvervoer altijd passend, veilig en zorgzaam is. Gemeenten behouden de verantwoordelijkheid voor lokaal maatwerk, maar werken binnen de kaders van landelijke richtlijnen en beleid. Gezamenlijke verantwoordelijkheid Het verbeteren van leerlingenvervoer is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, gemeenten, ouders, belangenverenigingen, de vervoersbranche en andere betrokkenen. Wij roepen iedereen op om samen te werken aan een herziening van de organisatie van het leerlingenvervoer. Zo zorgen we ervoor dat elke leerling, ongeacht beperking of woonplaats, veilig en passend naar school kan gaan, met de zorg die nodig is.
Leerlingenvervoer moet niet langer worden gezien als kostenpost, maar als een investering in de toekomst van kinderen.
Passend Veilig Leerlingenvoer Ouders Els Vink Rosalie Dykhuizen passendenveiligonderwijs@outlook.com Gemeente Katwijk Wethouder Emile Soetendal e.soetendal@katwijk.nl Gemeente Breda Wethouder Arjen van Drunen
Steun elkaar!
Rapport
DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND Een onderzoek naar trends binnen het werkveld van armoedebestrijding Rosmalen, april 2025
Rosmalen, april 2025 Stichting Armoedefonds De Grote Elst 52 5246 JR Rosmalen Tel. 073 - 7440181
© April 2025. Tekst- en drukfouten voorbehouden. Citeren uit en verwijzen naar is toegestaan met bronvermelding.
2
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Stichting Armoedefonds is in 2013 opgericht met als doel het bestrijden en verzachten van (de gevolgen van) armoede. Dit doet het Armoedefonds door het ondersteunen van meer dan duizend lokale hulporganisaties met geld, producten en kennis. Deze hulporganisaties zijn actief op het gebied van armoedebestrijding in Nederland. Stichting Armoedefonds gelooft in een maatschappij waarin mensen elkaar steunen en waarin we zorgen voor onze medemens.
VOORWOORD. .................................................................................................................4 SAMENVATTING EN A ANBEVELINGEN. ........................................................................5 1.
INLEIDING. ......................................................................................................................7 1.1 Armoede in Nederland. ............................................................................................7 1.2 Doelstelling en belang onderzoek Armoedefonds....................................................8 1.3 Dataverzameling onderzoek Armoedefonds............................................................8
2.
TOENAME IN HET A ANTAL HULPVRAGEN SINDS HET AFGELOPEN HALF JA AR......12 2.1 Aantal hulpvragen..................................................................................................12 2.2 Aard van de veranderingen in hulpvragen..............................................................13 2.3 Soort hulpvragen. ..................................................................................................16
3.
KRACHT VAN LOK ALE HULPORGANISATIES. .............................................................18 3.1 Middelen van organisaties. ....................................................................................18 3.2 Financiële kracht lokale hulporganisaties . ............................................................19 3.3 Hulporganisaties met een wachtlijst ......................................................................21 3.4 Voorwaarden voor hulp en maatwerk . ..................................................................21
4.
TOENAME HULPVRAGEN EN MOGELIJKHEDEN NABIJE TOEKOMST........................23 4.1 Aantal hulpvragen nabije toekomst........................................................................23 4.2 Benodigde middelen..............................................................................................24
5.
CONCLUSIES.................................................................................................................26
6.
A ANBEVELINGEN. ........................................................................................................28 BRONNEN......................................................................................................................30
3
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
INHOUDSOPGAVE
Plotseling de helft minder mensen in armoede. Het klonk als mooi nieuws afgelopen najaar. Zou het dan gelukt zijn om een stap te zetten om armoede structureel aan te pakken? Zo makkelijk is het helaas niet. Het nieuws dat armoede ineens gehalveerd was, kwam door de nieuwe armoededefinitie. En daar zit het addertje onder het gras. Van een nieuwe definitie koopt niemand een extra boterham voor het ontbijt van hun kinderen, of een fiets om mee naar werk of school te kunnen. Een definitie is een papieren werkelijkheid. Zeker wanneer een definitie, die bepaalt hoeveel mensen in armoede leven, slechts een half verhaal toont 1. De nieuwe definitie neemt namelijk wél het vermogen van mensen mee maar níet hun schulden. Het betekent dat mensen met wat spaargeld niet onder de armoedegrens leven. Dat je ondertussen torenhogen schulden hebt waardoor je maar een beperkt weekbudget hebt, wordt niet meegenomen. Poef, ineens is armoede gehalveerd. Dat is problematisch, want een nieuwe definitie leidt al snel tot nieuw beleid. Wie daar de dupe van wordt? De mensen die volgens de nieuwe definitie officieel niet in armoede leven maar in de praktijk dag in dag uit in de overlevingsstand staan. Niet zeker wetend of ze de huur die maand kunnen betalen, of dat de schoolkosten afgeschreven kunnen worden.
Naast de 540.000 mensen die onder de armoedegrens vallen, zijn er nog eens 1,2 miljoen Nederlanders die leven van een inkomen net boven de armoedegrens met amper spaargeld. Die groep is groot en erg kwetsbaar. Eén tegenvaller en de problemen stapelen zich op. En van de een op de andere dag leef je ineens in armoede. De kloof tussen papier en praktijk wordt in dit onderzoek duidelijk. Wanneer Stichting Armoedefonds aan lokale armoedehulporganisaties vraagt wat zij in de praktijk en achter de voordeur zien gebeuren, ontstaat er namelijk een pijnlijk beeld. Een meerderheid van de hulporganisaties ziet dat het aantal hulpvragen stijgt. En een nog grotere meerderheid verwacht dat de hulpvragen de komende tijd verder zullen stijgen. Het is schokkend. Tussen de cijfers en wat er bij mensen achter de voordeur gebeurt, zit een hele wereld. Een wereld waarin hulporganisaties door heel Nederland uit man en macht proberen mensen met geldzorgen te helpen. Of je nu onder de armoedegrens valt of er net boven zit. Henk de Graaf | Stichting Armoedefonds
4
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
VOORWOORD
In Nederland zijn veel huishoudens die moeite hebben met rondkomen of zelfs onder de armoedegrens leven. Voor hen is ondersteuning vanuit armoedehulporganisaties van onschatbare waarde. Het Centraal Planbureau verwacht dat het aantal mensen in armoede gestegen is in 2024. Uit het onderzoek van Stichting Armoedefonds blijkt dat dit terug te zien is in de praktijk. 60% van de armoedehulporganisaties zag in het afgelopen half jaar een stijging in het aantal hulpvragen. Met name alleenstaanden met kinderen, alleenstaanden zonder kinderen en AOW’ers klopten vaker aan voor hulp. Daarnaast ziet 1 op de 3 organisaties dat mensen met betaald werk vaker hun hulp nodig hadden. Ook geven hulporganisaties aan dat zij deze mensen het liefst ondersteunen met producten of tegoedkaarten, om zo de dagelijkse zorgen te verlichten. Denk aan verzorgingsproducten als shampoo of tandpasta, waar lokale organisaties structurele tekorten aan hebben. Stichting Armoedefonds doet periodiek onderzoek naar de impact van armoede op lokale armoedehulporganisaties. Het onderzoek is in februari 2025 uitgezet onder meer dan 1.300 hulporganisaties. In totaal is het ingevuld door 462 respondenten uit heel Nederland. De organisaties die de enquête hebben ingevuld, verschillen in grootte en hulpaanbod. Allen zetten zich in voor het bestrijden en verzachten van de gevolgen van armoede.
In het onderzoek staan drie thema’s centraal: 1.
HOE IS HET A ANTAL HULPVRAGEN BIJ LOK ALE HULPORGANISATIES SINDS HET LA ATSTE HALF JA AR VERANDERD? Lokale hulporganisaties ervaren opnieuw een stijging in het aantal hulpvragen. In ons onderzoek geven zelfs meer organisaties aan dat er in toenemende mate mensen bij hen kwamen voor hulp - 60% ten opzichte van 50% afgelopen oktober. Dit ondersteunt de meest recente landelijke cijfers, die laten zien dat het aantal mensen dat risico loopt op armoede in 2024 stijgt. Deze hulpvraag is voornamelijk gestegen onder alleenstaanden met kinderen, alleenstaanden zonder kinderen, paren met kinderen en AOW’ers/ ouderen. Daarbij zag 36% van de hulporganisaties een stijging in het aantal hulpvragen bij mensen met een betaalde baan. Het soort problemen waar men dagelijks tegenaan loopt is het betalen van boodschappen, gebrek aan een financiële buffer en schulden. Daarnaast zien hulporganisaties dat mensen door hun financiële situatie beperkte toegang hebben tot basisproducten als voedsel, verzorgingsproducten of kleding. Het soort verzorgingsproducten dat men mist zijn bijvoorbeeld shampoo, douchegel, wasmiddel, menstruatieproducten en tandenborstels/tandpasta.
5
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
SAMENVATTING EN A ANBEVELINGEN
IN WELKE MATE ZIJN LOK ALE HULPORGANISATIES OP DIT MOMENT IN STA AT OM A AN DE HULPVRAGEN TE VOLDOEN? Van de respondenten zegt 77% voldoende middelen te hebben om iedereen te helpen die bij hen komt. Een deel van de organisaties heeft echter vrijwilligers en/of betaalde medewerkers tekort (22%). Daarnaast geeft 5% van de hulporganisaties aan dat hun voortbestaan op het spel staat, doordat ze financiële middelen tekort hebben. Ongeveer de helft van de ondervraagde organisaties helpt ook mensen zonder te kijken naar een vaste inkomensgrens (49%). Daarnaast sturen de meeste hulpverleners mensen door naar andere (soorten) hulp, zoals andere armoedehulporganisaties, gemeenten of ze wijzen mensen op (kind)toeslagen. Dit maakt het aanbod aan hulp divers en laat zien dat hulporganisaties onderdeel zijn van een vangnet aan hulp dat aanwezig is voor mensen met geldproblemen.
3.
HOE VERWACHTEN LOK ALE HULPORGANISATIES DAT HULPVRAGEN ZICH DE KOMENDE MA ANDEN GA AN ONTWIKKELEN? Lokale armoedehulporganisaties bereiden zich voor op een stijging in het aantal hulpvragen. Ze zouden deze hulp het liefst willen blijven bieden in de vorm van spullen en tegoedkaarten. Hiervoor zullen ze zelf geld- en hulpbronnen moeten werven. Ze hebben naar eigen zeggen donaties, subsidies van gemeente of overheid en het aanbod van Stichting Armoedefonds hard nodig. A ANBEVELINGEN De stijgende armoede in 2024 (CPB) zorgde het afgelopen half jaar voor meer hulpvragen bij veel armoedehulporganisaties. Ook mensen met een betaalde baan kloppen vaker aan voor hulp. Daarom hebben zij meer ondersteuning nodig, bijvoorbeeld door het verhogen van het minimumloon en daaraan gekoppeld de uitkeringen 2. Daarnaast is structurele financiële steun voor lokale hulporganisaties noodzakelijk. Zo worden deze organisaties versterkt en hebben zij voldoende middelen om ook mensen die nét buiten de armoedegrenzen vallen te helpen. Om mensen in armoede laagdrempelig te helpen, is een sterk netwerk van armoedehulporganisaties belangrijk. Daarbij is er dringend aandacht nodig voor het structurele tekort aan voedsel en verzorgingsproducten.
6
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
2.
1.1 ARMOEDE IN NEDERLAND Sinds oktober 2024 is er een nieuwe armoededefinitie. Waar er voorheen nog vijf verschillende definities waren om het aantal mensen in armoede mee te berekenen, is dit door CBS, SCP en Nibud teruggebracht tot één 3. Dat biedt duidelijkheid. De nieuwe armoededefinitie houdt rekening met de werkelijke kosten die mensen gemiddeld hebben aan wonen (huur of hypotheek) en energie. Dat betekent dat iemand met een gemiddeld inkomen maar extreem hoge energierekening ook in armoede kan leven. In de nieuwe berekeningen wordt ook meegenomen hoeveel vermogen (spaargeld) iemand heeft. Hierdoor neemt het aantal mensen in armoede af. In 2023 leefden 540.000 mensen met een inkomen onder de armoedegrens. Eventuele schulden en de werkelijke zorgkosten van mensen worden niet meegenomen in deze definitie omdat hiervan cijfers ontbreken. Ook bepaalde doelgroepen zoals dakloze mensen en ongedocumenteerde mensen worden niet opgenomen in de cijfers. Eén op de drie mensen in armoede is langdurig arm. Zij hebben minstens drie jaar op rij te weinig inkomen en te weinig vermogen. Onder de mensen in armoede zijn relatief veel kinderen, namelijk ruim 115.000 minderjarige kinderen. Ook werkende mensen leven relatief vaak met een inkomen onder de armoedegrens. Daarnaast is er een grote groep mensen met een inkomen nét boven de armoedegrens.
In 2023 hadden 1,2 miljoen mensen een inkomen net boven de armoedegrens en weinig tot geen financiële buffer 4. Het Nibud geeft aan dat die situatie vaak niet veel beter is. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat door hogere lonen het aantal mensen in armoede de komende jaren licht afneemt 5. Wel is de verwachting dat het aantal mensen in armoede in 2024, ten opzichte van 2023, toeneemt tot 610.000 personen. Volgens het CPB staan mensen die in armoede leven er slechter voor dan voorgaande jaren. De ernst van armoede neemt toe 6. Dat betekent dat mensen in armoede maandelijks meer geld tekort komen dan voorheen. Het CPB verwacht dat in 2026 de helft van de mensen een tekort heeft van meer dan 20% ten op zichten van het inkomen dat de armoedegrens bepaalt. In 2021 was dit nog 10%. Ook is er een groep met een tekort van meer dan 30% van de armoedegrens. Die groep wordt over de jaren niet kleiner. Het gaat vaak om mensen in een huishouden dat betaald werk als belangrijkste inkomstenbron heeft. De lichte afname van het aantal mensen in armoede komt doordat mensen met een inkomen net onder de armoedegrens over de grens zijn getild. De groep met maandelijks het grootste tekort wordt niet goed bereikt met beleid 7.
7
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
1. INLEIDING
“Er komen ook mensen bij ons die werken en minimumloon verdienen. Door de kosten voor bijvoorbeeld het huishouden en energie hebben ze te weinig geld om elke maand rond te komen. Doordat we hun een voedselpakket kunnen geven houden ze geld over voor iets als een telefoonrekening.” Cherity Re-use Ook energiearmoede is een thema waar naar verwachting steeds meer mensen mee te maken krijgen 10. Wanneer de energieprijzen verder zullen stijgen en er geen maatregelen zoals een tegemoetkoming zijn, zal ook het aantal huishoudens dat risico loopt op energiearmoede stijgen. Naar schatting zullen er tussen de 550.000 en 640.000 huishoudens te maken krijgen met energiearmoede. Dit stelt onderzoeksinstituut TNO in maart 2025 vast. De prijs voor gas zit op het hoogste niveau in twee jaar, en blijft oplopen. Dit maakt dat volgens het onderzoeksinstituut steeds meer huishoudens een risico lopen op het niet kunnen betalen van hun energierekening. Zij zullen te maken krijgen met energiearmoede. Uit recent onderzoek van het Nibud blijkt ook dat er grote verschillen zijn in het minimabeleid van gemeenten 11. Sinds 2015 is er een decentralisatie op het domein van werk en inkomen. Dit maakt dat elke gemeente zelf beleid mocht bepalen voor de ondersteuning van mensen met geldzorgen.
Nibud maakte in oktober 2024 bekend dat er grote verschillen zijn in de hoogte van de inkomensondersteuning die huishoudens kunnen krijgen. “Inwoners zijn afhankelijk geworden van het beleid van de gemeente waar zij wonen”, schrijft het Nibud. Ook verklaart het onderzoeksinstituut dat paren zonder kinderen en paren met oudere kinderen zonder het gemeentelijke minimabeleid in 2023 veelal niet hun noodzakelijke uitgaven kunnen doen. 1.2 DOELSTELLING EN BELANG ONDERZOEK ARMOEDEFONDS Om de grote groep mensen met geldzorgen in Nederland te kunnen steunen zijn hulporganisaties hard nodig. Het zijn namelijk de hulporganisaties die ervoor zorgen dat deze groep elke week een volle tas boodschappen hebben, dat ze verzorgingsproducten krijgen voor zichzelf en het gezin en dat hun kinderen een cadeautje hebben met Sinterklaas en kunnen trakteren op school, of dat kwetsbare meisjes en vrouwen gratis menstruatieproducten krijgen. De vitaliteit van deze hulporganisaties is van
8
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Bijstandsgerechtigden lopen het meeste risico op armoede 8. Toch is de ernst van armoede het meest toegenomen onder werkende armen. Het lukt deze groep bovendien minder vaak boven de armoedegrens uit te komen, aldus Universiteit van Amsterdam. Het aantal mensen dat werkt en toch maandelijks tekort komt groeit zelfs jaarlijks volgens het CBS. Daarnaast blijkt dat mensen met een inkomen uit betaald werk het vaakst een inkomenstekort hebben (in 2023 was dit 23%) 9. Uit analyse van de Universiteit van Amsterdam blijkt daarnaast dat mensen met betaald werk als primaire inkomensbron het meeste risico lopen op verborgen armoede.
1. Hoe is het aantal hulpvragen bij lokale hulporganisaties sinds het laatste half jaar veranderd? 2. In welke mate zijn lokale hulporganisaties op dit moment in staat om aan de hulpvragen te voldoen? 3. Hoe verwachten lokale hulporganisaties dat hulpvragen zich de komende maanden gaan ontwikkelen? 1.3 DATAVERZAMELING ONDERZOEK ARMOEDEFONDS In de eerste week van februari 2025 is een vragenlijst uitgezet onder meer dan 1.300 hulporganisaties door heel Nederland, die zich richten op het helpen van minima. De vragenlijst is ingevuld door 462 unieke organisaties. Het was niet verplicht om een antwoord in te vullen bij de vragen. De groep respondenten bestaat uit verschillende soorten hulporganisaties, zie figuur 1.1. Figuur 1.1 Wat voor soort hulporganisatie ben je? (Ingevuld door 455 organisaties) Overig
30%
Voedselbank
23%
Leergeld
13%
Kleding- en/of Speelgoedbank
9%
Urgente Noden
7%
SchuldHulpMaatje
5%
Voedselhulp
4%
Vincentius
3%
Dak- en thuislozen
3% 2%
Quiet 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
“Wij zetten ons voornamelijk in voor ouderen met een financieel kwetsbare situatie. Ze kunnen bij ons meerdere keren per week terecht voor een warme maaltijd in de avond of tussen de middag. Het zorgt voor minder eenzaamheid én biedt ze eten voor slechts een klein bedrag.” Participatie Keuken
9
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
groot belang. Stichting Armoedefonds brengt daarom in kaart hoe het gesteld is met de armoedehulporganisaties in Nederland middels een onderzoek. Een onderzoek dat terugblikt op ontwikkelingen, licht schijnt op de huidige staat en nieuwe verwachtingen op ontwikkelingen in de toekomst introduceert. Dit doen we aan de hand van de volgende vragen:
Figuur 1.2 In welke provincie(s) is jouw organisatie actief? (Ingevuld door 458 organisaties) Zuid-Holland
21%
Noord-Brabant
18%
Gelderland
13%
Noord-Holland
12%
Utrecht
7%
Limburg
6%
Groningen
5%
Landelijk
5%
Overijssel
5%
Friesland
4%
Drenthe
3%
Flevoland
2%
Zeeland
2% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
“Wij geven lunch aan kinderen die naar de basisschool gaan. Veel kinderen bij ons in de buurt worden zonder ontbijt of broodtrommel naar school gestuurd. Wij geven deze ouders een lunchpakket, zodat de kinderen in ieder geval wat te eten hebben.” Don Bosco Rijswijk
10
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Hulporganisaties uit heel Nederland namen deel aan het onderzoek, zie figuur 1.2. Sommige hulporganisaties werken in meerdere regio’s.
Figuur 1.3 Wat voor soort hulp biedt jouw organisatie? (Ingevuld door 456 organisaties) Voedselhulp
50%
Hygiëne- / verzorgingsproducten
44%
Kleding
41%
Schoolspullen, laptops of Schoolspullenpas
38%
Ontmoetingsplek / uitjes / samenzijn
29%
Begeleiding naar zelfredzaamheid
27%
Speelgoed
27%
Fietsen
26%
Sport & Cultuur: (sportspullen, muziek, zwemles)
23%
Overig
20%
Ondersteuning (financiële) administratie
19%
Financiële (nood)hulp
19%
Spullen/witgoed
14%
Binnen-en buitenschoolse activiteiten
14%
Scholing / training / cursus
13%
Vakantie
13% 4%
Onderdak en woonbegeleiding 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
11
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
De meeste hulporganisaties bieden (een combinatie van) voedselhulp (50%), hygiëneen verzorgingsproducten (44%), kleding (41%) of schoolspullen (38%). Zie figuur 1.3.
Lokale hulporganisaties staan bijna dagelijks in contact met mensen die om hulp vragen. Zij weten dan ook als geen ander waar de hulpvragers tegenaanlopen. De problemen die ze ervaren, welke doelgroep vaker om hulp vraagt of bijvoorbeeld of het aantal mensen dat hulp nodig heeft toeneemt. Daarom is aan hulporganisaties gevraagd: hoe ontwikkelden de hulpvragen zich het afgelopen halfjaar? 2.1 A ANTAL HULPVRAGEN Stichting Armoedefonds vraagt elk halfjaar aan lokale armoedehulporganisaties of ze een verandering zien in het aantal hulpvragen. Van de 420 hulporganisaties die deze vraag invulden, gaven 250 aan dat het aantal hulpvragen in het afgelopen halfjaar is gestegen (60%). 139 hulporganisaties gaven aan dat het aantal hulpvragen gelijk is gebleven (33%) en 31 gaven aan dat zij het aantal hulpvragen hebben zien dalen (7%). Zie figuur 2.1. Figuur 2.1 Aantal hulpvragen sinds het afgelopen halfjaar. (Ingevuld door 420 organisaties) 80%
60%
60%
40%
33%
20% 7% 0%
Het aantal hulpvragen stijgt
Het aantal hulpvragen blijft gelijk
Het aantal hulpvragen daalt
De afgelopen onderzoeken zag het Armoedefonds een (licht) dalende trend in het aantal armoedehulporganisaties dat een stijging ervaart in hulpvragen. In dit periodiek onderzoek geeft 60% aan een toename te zien in het aantal mensen dat om hulp vroeg. Dat is tien procentpunt meer dan oktober 2024 en ruim negen procentpunt meer dan een jaar geleden. Dit is een opvallend verschil en breuk in de trend.
12
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
2. TOENAME IN HET A ANTAL HULPVRAGEN SINDS HET AFGELOPEN HALF JA AR
Voedselbank Gouda
De hulporganisaties die een stijging ervaren zijn met name overige organisaties, zoals Stichting 1 Klein Gebaar of Weggeefwinkels (32%), voedselbanken die bij Voedselbanken Nederland zijn aangesloten (20%) of Stichting Leergeld (12%). Zie figuur 2.2. Figuur 2.2 Organisaties die een stijging ervaren. (Ingevuld door 247 organisaties) Overig
32%
Voedselbank
20%
Leergeld
12%
Kleding- en/of Speelgoedbank
10%
Urgente Noden
7%
SchuldHulpMaatje
6%
Voedselhulp
4%
Quiet
3%
Dak- en thuislozen
3%
Vincentius
2% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
2.2 A ARD VAN DE VERANDERING IN HULPVRA AG Wanneer we de respondenten vragen naar (een combinatie van) doelgroepen die om hulp vragen, zien we dat de alleenstaande ouders met kinderen er bovenuit springen. Volgens 53% van de armoedehulporganisaties is de hulpvraag toegenomen onder deze groep. Ook zien hulporganisaties dat alleenstaanden zonder kinderen (ingevuld door 33%), paren met kinderen (ingevuld door 28%) en AOW’ers/ouderen (ingevuld door 27%) steeds vaker om hulp vroegen. Zie figuur 2.3. Wat opvalt is dat ten opzichte van vorig jaar alleenstaande zonder kinderen (een verschil van 7 procentpunt) en AOW’ers/ ouderen (een verschil van 4 procentpunt) vaker bij hulporganisaties aanklopten.
13
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
“Wij zien de vraag naar hulp steeds meer toenemen. Alles wordt duurder en mensen hebben veel problemen met het doen van dagelijkse boodschappen. Maar dit geldt niet voor iedereen. Mensen komen om verschillende redenen bij ons voor hulp.”
Alleenstaand met kinderen
53%
Alleenstaand zonder kinderen
33%
Paar met kinderen
28%
AOW’ers (ouderen)
27%
Vluchtelingen
26%
Personen met beperking of chronisch ziek
22%
Arbeidsmigranten
19%
Ondernemers en ZZP’ers
18%
Daar heb ik geen zicht op
18% 16%
Overig 2%
Hulpvraag is onder geen groep toegenomen 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
“We zien ook alleenstaanden bij ons komen. Die zijn dan gescheiden en hebben vaak met hun partner geleefd op een loon. Die komen niet meer rond als ze uit elkaar gaan,” Cherity Re-use Daarnaast ziet ruim een derde van de hulporganisaties een toename in het aantal hulpvragen onder mensen met betaald werk (36%). Nog eens 31% van de organisaties geeft aan dat dit aantal gelijk is gebleven. 31% van de hulporganisaties zegt geen zicht te hebben op de hulpvraag vanuit mensen met een baan. Zie figuur 2.4. Figuur 2.4 Hoe ontwikkelt het aantal hulpvragen zich onder mensen met betaald werk? (Ingevuld door 417 organisaties) 40%
36% 31%
30%
31%
20 10% 0%
1% Er is een stijging
Het blijft gelijk
Heb ik geen zicht op
Er is een daling
14
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 2.3 Onder welke groepen is de hulpvraag het laatste half jaar toegenomen? (Ingevuld door 411 organisaties)
Het Armoedefonds heeft aan lokale armoedehulporganisaties gevraagd wat zij opmerken bij mensen die om hulp vragen en waar ze dagelijks tegenaan lopen. Deze organisaties zien dit immers van dichtbij en horen de verhalen uit eerste hand. 72% van de respondenten geeft aan dat mensen moeite hebben met huishoudelijke uitgaven zoals boodschappen. Ook het gebrek aan een financiële buffer (spaarpot) wordt opgemerkt door 63%. Daarnaast geven organisaties aan dat schulden (ingevuld door 62%), energiekosten (ingevuld door 54%) en zorg- en tandartskosten (ingevuld door 48%) als probleem worden ervaren. Zie figuur 2.5. Figuur 2.5 Waar lopen hulpvragers in het dagelijks leven tegenaan? (Ingevuld door 421 organisaties) Huishoudelijke uitgaven (boodschappen)
72%
Geen financiële buffer (spaarpot) hebben
63%
Schulden
62%
Energiekosten
54%
Zorg- en tandartskosten
48%
Woonlasten (huur, hypotheek)
38%
Vastlopen door bureaucratie
36%
Schoolkosten
34%
Vervoerskosten
28%
(auto, benzine, trein, bus, etc.)
Overige (geef nadere toelichting)
16%
Weet ik niet
7% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
“We zien voornamelijk steeds meer mensen bij ons komen met betaald werk. Ze vallen vaak net buiten alle regelingen. Ze werken keihard de hele dag en komen dan toch niet rond. Soms zijn ze zelfs met twee personen die werken en lukt het nog niet om geld over te houden.” Quiet Community Den Haag 2.3 SOORT HULPVRAGEN
15
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
“Er is een groot tekort aan basisproducten bij onze doelgroep. Eigenlijk missen ze al deze producten. Je hoort vaak dat mensen die een klein bedrag te besteden hebben continu keuzes moeten maken tussen bijvoorbeeld het kopen van eten of wat anders. Dat is elke keer prioriteiten stellen.” Quiet Community Den Haag
61% van de armoedehulporganisaties geeft aan dat men voornamelijk een tekort heeft aan voedsel en verzorgingsproducten. Ook aan kleding (ingevuld door 43%) en schoonmaakartikelen (ingevuld door 36%) blijkt een groot tekort. Zie figuur 2.6. Figuur 2.6 Aan welke basisproducten hebben mensen die bij jullie klant zijn een groot tekort? (Ingevuld door 398 organisaties) Voedsel
61%
Verzorgingsproducten
60%
Kleding
43%
Schoonmaakartikelen
36% 30%
Ondergoed en sokken Medische hulpmiddelen
29%
(bijv. steunkousen, een beugel, bril, lenzen, gehoorapparaat, rollator)
Witgoed
28%
(bijv. wasmachine, koelkast)
Overige
25%
(geef nadere toelichting)
Beddengoed/handdoeken
19% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
Het soort verzorgingsproducten waar hulpvragers een tekort aan hebben is nauwelijks veranderd. 60% van de organisaties zegt dat men te weinig shampoo en douchegel heeft. Ook wasmiddel (57%), menstruatieproducten (54%) en deodorant (47%) worden genoemd door organisaties. Zie figuur 2.7.
16
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Voor veel mensen is het hebben van ondergoed en sokken, schoonmaakartikelen, kleding of voedsel vanzelfsprekend. Mensen die leven met geldzorgen hebben hier niet altijd toegang tot. Lokale hulporganisaties laten in het onderzoek al geruime tijd weten dat mensen aan verschillende (hygiëne- en verzorgings-)producten een tekort hebben. Het Armoedefonds vroeg daarom welke producten hun hulpvragers het meest missen.
Shampoo en douchegel
60%
Wasmiddel
57%
Menstruatieproducten
54%
Tandenborstels en tandpasta
53%
Deodorant
47%
Luiers
46% 41%
Schoonmaakartikelen 26%
Scheerspullen
24%
Overig
22%
Incontinentiemateriaal 18%
Zonnebrand
16%
Cosmetica
14%
Voorbehoedsmiddelen
11%
Luizenshampoo 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
17
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
Figuur 2.7 Aan welke verzorgingsproducten hebben mensen die bij jullie klant zijn een groot tekort? (Ingevuld door 362 organisaties)
Niet alleen (de aard van) hulpvragen zijn van invloed op de vitaliteit van een hulporganisatie. Menskracht, hulpmiddelen, wachtlijsten en financiële stabiliteit spelen ook een grote rol. Om een compleet beeld te krijgen van de staat van armoedehulporganisaties in Nederland is daarom belangrijk ook hiernaar te vragen. In dit hoofdstuk wordt dan ook in kaart gebracht in hoeverre de organisaties in staat zijn om aan de hulpvragen te voldoen. 3.1 MIDDELEN VAN ORGANISATIES Hulporganisaties is gevraagd of ze voldoende middelen hebben om hulp te kunnen bieden. Denk hierbij aan menskracht en financiële middelen. Het merendeel van de organisaties geeft aan dat ze de middelen hebben om mensen op de nodige manier te helpen (77%). Zie figuur 3.1. Figuur 3.5 Zijn er voldoende middelen beschikbaar om hulp te bieden die nodig is? Ingevuld door 402 organisaties)
77%
Ja
23%
Nee
“We hebben een groot tekort aan spullen om weg te geven. We zijn heel afhankelijk van wat we binnenkrijgen en voornamelijk non-food artikelen zijn erg schaars. Er is veel vraag naar luiers bijvoorbeeld, maar die hebben we nooit genoeg. Als we een keer dit soort producten hebben zijn de klanten altijd heel erg blij.” Voedselbank Gouda
18
Rapport - DE IMPACT VAN VOORTDURENDE ARMOEDE OP HULPORGANISATIES IN NEDERLAND
3. KRACHT VAN LOK ALE HULPORGANISATIES
Daarnaast is organisaties gevraagd hoeveel mensen ze helpen op jaarbasis. Gemiddeld helpen organisaties 1123 mensen. Dit is een kleine toename in vergelijking met oktober 2024. Zie figuur 3.2. Figuur 3.2 Hoeveel medewerkers en vrijwilligers zijn actief bij de hulporganisatie en hoeveel klanten/cliënten ondersteunen zij actief? Afgerond op gehele getallen. Aantal betaalde medewerkers
Aantal vrijwilligers
Aantal klanten op jaarbasis
10-2024
4-2025
10-2024
4-2025
10-2024
4-2025
Gemiddeld
22
20
163
72
1.119
1.123
Mediaan
0
0*
30
30
300
300
*248 van de 399 hulporganisaties die deze vraag hebben ingevuld, hebben geen betaalde krachten.