25-051 Bijlage 1. Tekst Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg 2025
Tekst van het document
ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING MIDDELBURG 2025.
Datum vaststelling Datum inwerkingtreding Laatste wijziging Inwerkingtreding laatste wijziging
17 april 2025
Vastgesteld door de gemeenteraad op 17 april 2025. Gepubliceerd op . Inwerkingtreding op .
1
De raad van de gemeente Middelburg; gelezen het voorstel d.d. 18 maart 2025, van burgemeester en wethouders, volgnummer ; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
besluit:
vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg 2025:
INHOUDSOPGAVE
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Definities Artikel 1.2
Beslistermijn
Artikel 1.3
Te late indiening aanvraag VERVALLEN
Artikel 1.4
Voorschriften en beperkingen
Artikel 1.5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel 1.6
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1.7
Termijnen
Artikel 1.8
Weigeringsgronden
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2.1
Samenscholing en ongeregeldheden
Afdeling 2
Betoging
Artikel 2.2
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Afdeling 3
Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2.3
Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Afdeling 4
Vertoningen op openbare plaatsen
Artikel 2.4
Straatartiest e.d.
Afdeling 5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg VERVALLEN
Artikel 2.5
Vergunning voor het plaatsen en houden van voorwerpen op of aan de weg VERVALLEN
Artikel 2.6
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg VERVALLEN
Artikel 2.7
Omgevingsvergunning voor het maken en veranderen van een uitweg VERVALLEN
Afdeling 6
Veiligheid op de weg
Artikel 2.8
Winkelkwagentjes
Artikel 2.9
Paardentrams of toeristische vervoersmiddelen
Artikel 2.10
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp VERVALLEN
Artikel 2.11
Openen straatkolken e.d.
Artikel 2.12
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
2
Afdeling 7
Evenementen
Artikel 2.13
Definities
Artikel 2.14
Evenementenvergunning
Artikel 2.15
Ordeverstoring
Afdeling 8
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.16
Definities
Artikel 2.17
Exploitatievergunning
Artikel 2.18
Vrijstelling vergunningplicht
Artikel 2.19
Eisen exploitant en leidinggevende
Artikel 2.20
Vervallen
Artikel 2.21
Intrekkingsgronden
Artikel 2.22
Sluitingstijden
Artikel 2.23
Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
Artikel 2.24
Aanwezigheid in gesloten inrichting
Artikel 2.25
Ordeverstoring
Artikel 2.26
Handel binnen openbare inrichtingen
Artikel 2.27
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Artikel 2.27a
Drinkgerei van glas en glazen flessen
Afdeling 9
Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2.28
Definities
Artikel 2.29
Regulering paracommerciële rechtspersonen
Artikel 2.30
Beperking sterke drank
Artikel 2.31
Beperkingen voor horecabedrijven en slijterijbedrijven
Artikel 2.32
Verbod “happy hours”
Afdeling 10
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.33
Definitie
Artikel 2.34
Kennisgeving exploitatie
Artikel 2.35
Verschaffing gegevens nachtregister
Afdeling 11
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.36
Speelgelegenheden
Artikel 2.37
Speelautomaten
Afdeling 12
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2.38
Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel 2.39
Plakken en kladden
Artikel 2.40
Vervoer plakgereedschap e.d.
Artikel 2.41
Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel 2.42
Vervoer geprepareerde voorwerpen VERVALLEN
Artikel 2.43
Natuurlijke behoefte doen
Artikel 2.44
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2.45
Kaartspel e.d. op de weg
3
Artikel 2.46
Verbod rijden op skateboards en skeelers
Artikel 2.47
Verboden drankgebruik
Artikel 2.48
Verboden gedrag bij of in gebouwen
Artikel 2.49
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2.49a
Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties VERVALLEN
Artikel 2.49b
Verbod op bedelen
Artikel 2.50
Neerzetten van fietsen e.d.
Artikel 2.51
Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
Artikel 2.52
Verontreiniging door honden en paarden
Artikel 2.53
Gevaarlijke honden
Artikel 2.54
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2.56
Voederverbod vogels
Afdeling 13
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.56
Definities
Artikel 2.57
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel 2.58
Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 2.59
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Afdeling 14
Vuurwerk
Artikel 2.60
Definities
Artikel 2.61
Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
Afdeling 15
Drugsoverlast
Artikel 2.62
Drugshandel op straat
Artikel 2.63
Openlijk drugsgebruik
Afdeling 16
Veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzeggingen, aanpak woonoverlast en tegengaan ondermijning
Artikel 2.64
Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2.65
Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2.66
Gebiedsontzeggingen (wijkverbod)
Artikel 2.67
Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Artikel 2.68
Sluiting voor een publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
Artikel 2.69
Messen en andere steekwapens
Artikel 2.70
Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
HOOFDSTUK 3 PROSTITUTIE(BEDRIJVEN) EN ESCORT Afdeling 1
Definities en nadere regels
Artikel 3.1
Definities
Artikel 3.2
Bevoegd bestuursorgaan VERVALLEN
Artikel 3.3
Algemene regels VERVALLEN
Afdeling 2
Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3.4
Seksinrichting of escortbedrijf
4
Artikel 3.5
Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3.6
Sluitingstijden
Artikel 3.7
Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting
Artikel 3.8
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel 3.9
Straatprostitutie en raamprostitutie
Artikel 3.10
Sekswinkels
Artikel 3.11
Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3
Beslistermijn; weigeringsgronden.
Artikel 3.12
Beslistermijn
Artikel 3.13
Weigeringsgronden
Afdeling 4
Beëindiging exploitatie; wijziging beheer
Artikel 3.14
Beëindiging exploitatie
Artikel 3.15
Wijziging beheer
HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU, DE NATUUR EN HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1
Geluidhinder en verlichting
Artikel 4.1
Definities
Artikel 4.2
Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4.3
Kennisgeving incidentele festiviteiten
Artikel 4.4
Onversterkte muziek
Artikel 4.4a
Carbidschieten
Artikel 4.5
Overige geluid- en lichthinder
Afdeling 2
Het bewaren van houtopstanden VERVALLEN
Artikel 4.6
Begripsomschrijvingen VERVALLEN
Artikel 4.7
Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden VERVALLEN
Artikel 4.8
Bestrijding boomziekte VERVALLEN
Afdeling 3
Bescherming van flora en fauna VERVALLEN
Artikel 4.9
Bescherming groenvoorzieningen VERVALLEN
Afdeling 4
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4.10
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d.
Artikel 4.11
Opslag op terreinen bestemd voor woonwagenstandplaatsen
Artikel 4.12
Vergunningplicht handelsreclame VERVALLEN
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling 1
Parkeerexcessen VERVALLEN
Artikel 5.1
Begripsomschrijvingen VERVALLEN
Artikel 5.2
Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. VERVALLEN
Artikel 5.3
Te koop aanbieden van voertuigen VERVALLEN
5
Artikel 5.4.
Defecte voertuigen VERVALLEN
Artikel 5.5
Voertuigwrakken VERVALLEN
Artikel 5.6
Kampeermiddelen, aanhangwagens e.a. VERVALLEN
Artikel 5.7
Parkeren van reclamevoertuigen VERVALLEN
Artikel 5.8
Parkeren van grote voertuigen VERVALLEN
Artikel 5.9
Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen VERVALLEN
Artikel 5.10
Verkeerd geplaatste (brom-)fietsen, fietswrakken en weesfietsen VERVALLEN
Afdeling 2
Venten
Artikel 5.11
Definities
Artikel 5.12
Ventverbod
Afdeling 3
Standplaatsen VERVALLEN
Artikel 5.13
Begripsomschrijvingen VERVALLEN
Artikel 5.14
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden VERVALLEN
Artikel 5.15
Toestemming rechthebbende VERVALLEN
Artikel 5.16
Afbakeningsbepalingen VERVALLEN
Afdeling 4
Openbaar water VERVALLEN
Artikel 5.17
Ligplaats VERVALLEN
Afdeling 5
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5.18
Crossterreinen
Artikel 5.19
Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling 6
Verbod vuur te stoken
Artikel 5.20
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Afdeling 7
Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 5.21
Definitie
Artikel 5.22
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Artikel 5.23
Aanwijzing kampeerplaatsen
HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6.1
Strafbepaling
Artikel 6.2
Toezichthouders
Artikel 6.3
Binnentreden woningen
Artikel 6.4
Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
Artikel 6.5
Overgangsbepaling
Artikel 6.6
Citeertitel
6
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Definities In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester van Middelburg; - bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in bijlage A van de Omgevingswet. - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders van Middelburg; - gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.
- openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - weg: o de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; o de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; o de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; o andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Artikel 1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste 8 weken verlengen. Artikel 1.3
Te late indiening aanvraag VERVALLEN
Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
7
Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. Artikel 1.7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1.8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.
8
HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Degene die op een openbare plaats; a. aanwezig is bij een voorval, waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op een bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen en/of stoffen worden meegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts. 6.
Het verbod in het vijfde lid is niet van toepassing als de in dit lid bedoelde voorwerpen kennelijk niet bestemd zijn voor het daar aangeduide gebruik. 7. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Afdeling 2
Betoging
Artikel 2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats van de start en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, gelet op de daar genoemde termijn, zou vallen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, dan wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
9
Afdeling 3
Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2.3 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Op de aanvraag van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 4
Vertoningen op openbare plaatsen
Artikel 2.4 Straatartiest e.d. 1. Het is verboden muziek ten gehore te brengen op openbare plaatsen indien dit gepaard gaat met hinder van verkeersstromen, gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken. 2. Een ieder die zich hinderlijk op een openbare plaats gedraagt zoals omschreven in lid 1 van dit artikel, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een andere daartoe bevoegde ambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden muziek ten gehore te brengen op de door de burgemeester aangegeven openbare plaatsen. 4. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op of aan de door de burgemeester aangegeven wegen of gedeelten daarvan. 5. De burgemeester kan het verbod van lid 3 en lid 4 beperken tot bepaalde dagen of uren. 6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in lid 3 en lid 4. Afdeling 5.
Bruikbaarheid en aanzien van de weg VERVALLEN
Artikel 2.5
Vergunning voor het plaatsen en houden van voorwerpen op of aan de weg VERVALLEN
Artikel 2.6
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg VERVALLEN
Artikel 2.7
Omgevingsvergunning voor het maken en veranderen van een uitweg VERVALLEN
Afdeling 6
Veiligheid op de weg
Artikel 2.8 Winkelwagentjes 1. De winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken; en b. direct te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
10
Artikel 2.9 Paardentrams of toeristische vervoersmiddelen 1. Het is de rechthebbende op een bespannen wagen of toeristisch vervoersmiddel, die er zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt personen te vervoeren, verboden zonder vergunning van het college de weg te gebruiken of te laten gebruiken voor het vervoer van personen met bespannen wagens of toeristische vervoersmiddelen. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.10
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp VERVALLEN
Artikel 2.11 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2.12 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door hoofdstuk 10 Omgevingswet. Afdeling 7
Evenementen
Artikel 2.13 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen in een gebouw; b. markten als bedoeld in artikel 160, aanhef en onder g, Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. voorstellingen, vertoningen en tentoonstellingen die gegeven worden in een gebouw dat qua bestemming en inrichting in het bijzonder daarvoor aangewezen is; g. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.4 en 2.36 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid, met uitzondering van de nationale dodenherdenking; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op of aan de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. 3. Onder klein evenement wordt verstaan: een straatfeest, (buurt)barbecue of een daarmee gelijk te stellen evenement op eigen terrein of in de open lucht, dat op één dag plaatsvindt, een lage belasting van de woon-en leefomgeving heeft en geen te verwachten inzet van de hulpdiensten. Artikel 2.14 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het evenement niet plaatsvindt op de volgende pleinen en (winkel-)straten in de binnenstad: het Abdijplein, het Damplein, de Koorkerkstraat (pleingedeelte), de Lange Delft, de Langeviele, de Markt, de Nieuwe Burg, Plein 1940, de Pottenmarkt, de Segeersstraat, de Vismarkt en de Vlasmarkt; b. het aantal redelijkerwijs te verwachten bezoekers niet meer bedraagt dan 100 personen; c. het evenement plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag tussen 07.00 en 23.30
11
uur of op een zon- en feestdag tussen 13.00 en 23.30 uur; tijdens de duur van het evenement enkel achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht; e. het evenement geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid, de verkeersdoorstroming of de veiligheid van personen of goederen; f. er slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object, met een maximum van 50 m²; g. er een organisator is; h. er geen ander evenement op dezelfde locatie of in de nabijheid plaatsvindt; i. de organisator ten minste 21 dagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier; j. de organisator tijdens het evenement een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een klein evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. d.
3.
4. 5.
Artikel 2.15 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 8
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.16 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, afhaalrestaurant, discotheek, buurthuis of clubhuis alsmede een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden; - terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt; - exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven, en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Alcoholwet; - leidinggevende: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een openbare inrichting; - harde horeca: cafés, danscafés en discotheken. Artikel 2.17 Exploitatievergunning 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien: a. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
12
3.
4. 5.
6.
b. niet wordt voldaan aan de in artikel 2.19 gestelde eisen. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in dit lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van de openbare inrichting; c. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Indien de vergunningaanvraag mede betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras op de weg, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van deze weg voor het terras. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vierde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c.
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.18 Vrijstelling vergunningplicht 1. Het verbod in artikel 2.17, eerste lid, geldt niet voor: a. een openbare inrichting in zorginstellingen en scholen. b. een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de exploitatie daarvan ondergeschikt is aan de winkelactiviteit. c. een openbare inrichting in sportscholen/fitnesscentra, musea, crematoria en rouwcentra voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering. d. een bedrijfskantine of –restaurant voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is. 2. In aanvulling op het eerste lid kan de burgemeester in nadere regels bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.17 is vrijgesteld. 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 4.
Voor openbare inrichtingen die op grond van het eerste of tweede lid niet vergunningplichtig zijn, dient vóór aanvang van de exploitatie een schriftelijke melding te worden gedaan aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier. Artikel 2.19 Eisen exploitant en leidinggevende De exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht; b. zij hebben de leeftijd van 18 jaar bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht; c. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; d. zij staan niet onder curatele en zijn evenmin uit het ouderlijk gezag of de voogdij ontzet. Artikel 2.20 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende Vervallen (raadsbesluit d.d. 16 april 2020; Gemeenteblad 2020-105196; 29 april 2020).
13
Artikel 2.21 Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien: a. de exploitant of de leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.19 gestelde eisen; b. de exploitatie van de openbare inrichting voor een periode van zes maanden is of wordt onderbroken. Artikel 2.22 Sluitingstijden 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid onder a van dit artikel geldt voor de harde horeca in de gebieden Plein 1940, Pottenmarkt, Markt (zogenaamde “Tympaanplein”), Vlasmarkt, Schuttershofstraat en de Beddewijkstraat – met uitzondering van de paracommerciële bedrijven in dat gebied - dat het verboden is op de vrijdag, zaterdag en zondag een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 03.00 uur en 06.00 uur. 3. Voor het logiesgedeelte van een logiesverstrekkende openbare inrichting gelden geen sluitingstijden. 4. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 5.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid: a. op grond van bijzondere omstandigheden; b. aan maximaal 4 openbare inrichtingen (nachthoreca) om tot 05.00 uur geopend te zijn; c. aan maximaal 2 openbare inrichtingen waar geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verkocht en die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van geringe etenswaren zoals cafetaria's, broodjeszaken, grillrooms en shoarmazaken om tot 05.00 uur geopend te zijn. 6. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid gelden voor een inrichting als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, sub b, dezelfde sluitingstijden als voor de winkel waarin de inrichting zich bevindt. 7. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. 8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.23 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is. 1.
De burgemeester kan een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn, gesloten verklaren indien: a. de inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2. De burgemeester kan de opgelegde sluiting opheffen indien later bekend geworden feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. Artikel 2.24 Aanwezigheid in gesloten inrichting Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.22 of ingevolge een op grond van artikel 2.23 genomen besluit gesloten dient te zijn.
14
Artikel 2.25 Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren. Artikel 2.26 Handel binnen openbare inrichtingen 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2.27 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treden burgemeester en wethouders op als bevoegd bestuursorgaan bij de toepassing van artikel 2.17 tot en met 2.23. Artikel 2.27a 1. 2.
3. 4. 5.
Drinkgerei van glas en glazen flessen
De exploitant is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drinkgerei van glas en/of geopende danwel ongeopende verpakkingen van glas of blik, die kennelijk bestemd zijn voor het bewaren van drank, bij zich te hebben of met zich mee te voeren. Het bepaalde in het tweede lid geldt eveneens voor een terras dat behoort bij een inrichting, alsmede glaswerk bij een buitenbar. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor de plaats, niet zijnde een inrichting, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode in een horeca inrichting drank in glas te verstrekken.
Afdeling 9
Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Artikel 2.28 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voormeer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat; - horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; - horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; - inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte; - lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting; - paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf; - sterke drank: de drank die bij een
temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn; - slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen;
15
-
wijn: de categorieën alcoholhoudende drank als opgesomd in Bijlage IV van Verordening (EG) 479/2008; zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudend drank, met uitzondering van sterke drank.
Artikel 2.29 Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. maandag tot en met vrijdag vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, maar niet eerder dan 17.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur; b. zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, maar niet eerder dan 12.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur. 2. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-educatieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de tijden dat het de inrichting bij of krachtens deze verordening is toegestaan geopend te zijn voor bezoekers. 3. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten gericht op de emancipatie van lhbtqi+ kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de tijden dat het de inrichting bij of krachtens deze verordening is toegestaan geopend te zijn voor bezoekers. 4.
Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard in de vorm van een poppodium (podium voor een breed aanbod van bijvoorbeeld muziek, theater en dans) kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, maar op zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 24.00 uur en op vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 02.00 uur. 5. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, maar tot uiterlijk 24.00 uur. 6. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 7. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde schenktijden. Artikel 2.30 Beperking sterke drank 1.
Het is verboden tegen vergoeding sterke drank, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een openbare inrichting: a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten, worden verkocht; b. die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het geven van onderwijs; c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of – instellingen; d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen; e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf; f. die gelegen is op een kampeer- of caravanterrein of een terrein bestemd voor dagrecreatie; g. die in gebruik is bij en/of geëxploiteerd wordt door een paracommerciële rechtspersoon. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 2.31 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de
16
zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank, een en ander in aanvulling op artikel 2.30. Artikel 2.32 Verbod "happy hours" Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling 10
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.33 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2.34 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2.35 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting de nacht doorbrengt of de kampeerder is verplicht aan de exploitant of aan de feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, de dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 11
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.36 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren; 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelgelegenheden waarvoor de Minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; b. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in art. 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten; d. de door de burgemeester in de bijlage aangewezen soorten speelgelegenheden, eventueel voorzien van algemene regels. Artikel 2.37 Speelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de kansspelen b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; c.
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, kansspelautomaten zijn in het geheel niet toegestaan.
17
Afdeling 12
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2.38 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorende erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel 2.39 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de openbare plaats zichtbaar is te bekrassen, te bekladden of te bespuiten. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen, of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing: a. indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift; b. voor de door het college bij openbare bekendmaking aangewezen aanplakgelegenheden voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, geen betrekking hebbende op handelsreclame. c. voor de door het college bij openbare bekendmaking aangewezen plaatsen voor het aanbrengen van spuitwerk. 4. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. Artikel 2.40 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.39.
Artikel 2.41 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, te vervoeren of bij zich te hebben dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, fietsendiefstal te plegen of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van een winkel een tas of ander hulpmiddel bij zich te hebben of te vervoeren dat er kennelijk toe is uitgerust om er winkeldiefstal mee te plegen of winkeldiefstal te vergemakkelijken door het buiten werking stellen en/of houden van detectie- of waarnemingsapparatuur. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing indien kan worden aangenomen dat de bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen redelijkerwijs gezien niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid en tweede lid bedoelde handelingen.
18
Artikel 2.42
Vervoer geprepareerde voorwerpen VERVALLEN
Artikel 2.43 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel 2.44 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent; c. op een openbare plaats op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.45 Kaartspel e.d. op de weg Het is verboden op openbare plaatsen met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen om geld te spelen. Artikel 2.46 Verbod rijden op skateboards en skeelers Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of gedeelten daarvan op skateboards of skeelers te rijden. Artikel 2.47 Verboden drankgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes, glazen en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet. Artikel 2.48 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2.49 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd.
Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2.49a
Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties VERVALLEN
Artikel 2:49b Verbod op bedelen Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels daaronder begrepen) te bedelen om geld of andere zaken.
19
Artikel 2.50 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets, een bromfiets of een andere twee- of driewieler te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2.51 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c. op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander deugdelijk identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. 2. Het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod geldt niet voor plaatsen die door het college zijn aangewezen en door middel van borden ter plaatse zijn aangegeven. 3. De in het eerste lid aanhef en onder a en b gestelde verboden zijn niet van toepassing op eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod is mede van toepassing op honden verblijvend in het recreatiegebied "Oranjeplaat". Artikel 2.52 Verontreiniging door honden en paarden 1. Degene die zich met een hond, respectievelijk met een paard op een openbare plaats begeeft is verplicht er voor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond respectievelijk van dat paard onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond a. die zich vanwege een handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 2. Het bepaalde in het eerste lid is ten aanzien van een hond niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2.53 Gevaarlijke honden 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan zij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevig kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een gering opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.52, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
20
Artikel 2.54 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen in het aanwijzingsbesluit gestelde algemene regels, of c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Artikel 2.55 Voederverbod vogels 1. Het is verboden duiven of andere overlast veroorzakende vogels op of aan een openbare plaats te voeren dan wel anderen de gelegenheid te bieden de duiven of andere overlast veroorzakende vogels te kunnen voeren. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of de houder van duiven die deze hobbymatig of beroepsmatig houdt. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling 13
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2.56 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; - verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2.57 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2.58
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis te stellen dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit welke door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik is genomen; b. de onder a bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld; d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van enig misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan,
21
e.
hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde ambtenaar. wanneer hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet langer uitoefent, de onder a bedoelde ambtenaar hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.
Artikel 2.59 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Afdeling 14
Vuurwerk
Artikel 2.60 Definities In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2.61 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen openbare plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 15
Drugsoverlast
Artikel 2.62 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2.63 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden hebben. Afdeling 16