25-045 Bijlage 1. omgevingsplan gemeente Middelburg
Tekst van het document
Omgevingsplan gemeente Middelburg De raad van de gemeente Middelburg; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 maart 2025 met volgnummer ; Overwegende dat: het ontwerp van de ‘eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg’ van 9 januari 2025 tot en met 19 februari 2025 zes weken ter inzage heeft gelegen; gedurende genoemde termijn eenieder een zienswijze tegen het ontwerp kon indienen; in die periode geen zienswijzen zijn ingediend; een aantal ambtshalve wijzigingen wordt voorgesteld; gelet op de artikelen 2.4, 16.23 eerste lid, 16.30 en 16.78 eerste lid van de Omgevingswet; besluit: 1. de door burgemeester en wethouders in de 'Staat van wijzigingen eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg' voorgestelde ambtshalve wijzigingen over te nemen en te verwerken in het vaststellingsbesluit; 2. het ontwerp van de 'eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg' met inachtneming van de wijzigingen zoals deze zijn benoemd in de 'Staat van wijzigingen eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg' vast te stellen.
Artikel I De wijziging van "eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg" staan weergegeven in Bijlage A.
Artikel II De eerste wijziging omgevingsplan gemeente Middelburg betreft het beleidsneutraal overzetten van verschillende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dit is een basisset regels voor verschillende bouwactiviteiten, regels vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg die zien op de fysieke leefomgeving en een basisset regels voor erfgoed en archeologie. Voorafgaand heeft er een informerend participatieproces plaatsgevonden, hier zijn geen reacties op gekomen. Het ontwerp heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Hierop zijn geen zienswijzen ingediend.
1
Bijlage A Bijlage bij artikel I
Omgevingsplan gemeente Middelburg Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.
2.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen Bij de toepassing van de regels wordt op de volgende wijze gemeten: a. Afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling en ook de afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinste zijn. b. Bebouwingspercentage: een op de verbeelding of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd, ondergrondse parkeergarages niet meegerekend. c. Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, airco-units, liftopbouwen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwdelen: 1. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; 2. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; 3. ingeval van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (rotor)as van de windturbine; en 4.
ingeval van een woonschip: vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van het woonschip, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antenne-installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderdelen. d. Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren. e. Breedte straatprofiel: de kortste afstand tussen (denkbeeldig doorgetrokken) zij- en of voorgevel van hoofdgebouwen onderling. Ingeval slechts aan één zijde een hoofdgebouw aanwezig is geldt de kortste afstand tussen (denkbeeldig doorgetrokken) zij- en of voorgevel van hoofdgebouwen tot aan de buitenkant van de rijloper(weg)/voetpad aan de overzijde, loodrecht gemeten. f. Dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. g. Goothoogte van een bouwwerk: tussen peil en de snijlijn tussen de bovenkant van het dakbeschot en de buitenkant van de gevel, hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen - voor zover deze minder dan 50% van de breedte van het dakvlak beslaan - en lift opbouwen daaronder niet begrepen: 1. bij meerdere/ verschillende (hellende) dakvlakken met verschillende goot- en/of boeibordhoogten wordt de goot- en/of boeibordhoogte gemeten bij het dakvlak, waarvan de verticale projectie meer bedraagt dan 50% van het grondoppervlak van een gebouw. h.
Inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen i. Maaiveld: de gemiddelde bestaande hoogte van het aangrenzend terrein. j. Maatvoering: alle maten zijn tenzij anders aangegeven: 1. voor lengte in meters (m); 2. voor oppervlakten in vierkante meters (m2); 3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m3); 4. voor verhoudingen in procenten (%); en 5. voor hoeken/hellingen in graden (º). k. Waarden uitgedrukt in m of m2 worden op de volgende wijze gemeten: 1. afstanden loodrecht; 2. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en 3. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
2
l.
Oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk: 1. Ingeval van een woonschip: tussen de buitenzijde van de zijwanden, neerwaarts geprojecteerd op het niveau van het waterpeil. m. Peil: voor het vaststellen van het peil gelden de volgende regels en uitzonderingen: 1. Het peil is de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein; 2. als de hoofdtoegang van een bouwwerk direct aan één weg grenst, dan is de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang het peil; 3. als een perceel direct grenst aan meerdere wegen, dan is de hoogte van de laagste weg het peil; 4. als een bouwwerk op of in een dijk is gebouwd, dan is de hoogte van de kruin van de dijk ter hoogte van de hoofdtoegang het peil; 5. als een bouwwerk drijft op het water, dan is de waterlijn het peil; 6. als een bouwwerk aan een oever is gebouwd, dan is het peil de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein; 7. als een bouwwerk op of in het water is gebouwd en niet drijft of aan een oever is gebouwd, dan is het peil de hoogte van de bodem; 8. voor een bouwwerk ter plaatse van de bestemming 'Verkeer' met de aanduiding 'spoorweg': bovenkant spoorstaaf; en 9.
als een bijbehorend bouwwerk geen aan- of uitbouw van het hoofdgebouw is, dan is het peil van dat bijbehorend bouwwerk de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein. n. Straatprofiel: de verticale doorsnede van een straat, gemeten van gevel tot gevel. o. Vloeroppervlakte: de bruto vloeroppervlakte, zoals omschreven in de Nederlandse Norm NEN 2580. p. Voorgevelrooilijn: de voorgevelrooilijn is een denkbeeldige lijn waarop doorgaans de voorgevel van de woning is geplaatst. Soms ligt de voorgevelrooilijn voor de voorgevel van de woning. Op dat moment staat de woning dus niet op, maar achter de voorgevelrooilijn.
Artikel 1.3 Algemene voorrangsbepalingen De regels in hoofdstuk 1 t/m 21 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 22 lid 1 onder a van de Omgevingswet.
Artikel 1.4 Toepasbare regels artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving Dit artikel bevat geen juridische regels. Het zorgt voor het mogelijk maken van dienstverlening in het Digitaal Stelsel Omgevingswet op van rijkswege toestemmingsvrije activiteiten. De juridische regels zijn te vinden in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving.
Hoofdstuk 2 Doelen Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3. Omgevingswet, gericht op: a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat; c. het waarborgen van de veiligheid; d. het beschermen van de gezondheid; e. het beschermen van het milieu; f. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening; g. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; h. het behoud van cultureel erfgoed; i. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed; j. de natuurbescherming; k. het tegengaan van klimaatverandering; l. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress; m. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken; n. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; o. het beheren van infrastructuur; p. het beheren van watersystemen; q. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen; r. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; s. het beheren van natuurlijke hulpbronnen; t. het beheren van natuurgebieden; u. het gebruiken van bouwwerken;
3
v. w. x. y. z. aa.
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; het realiseren van een gemeentelijk natuurnetwerk; het doelmatig gebruiken van energie en grondstoffen; het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden; het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; het bieden van voldoende fysieke en milieuruimte voor milieubelastende bedrijven en andere activiteiten, anders dan wonen; ab. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; ac. het kunnen overschakelen van fossiele energie naar hernieuwbare energie; ad. het kunnen produceren binnen gesloten kringlopen; ae. het kunnen benutten van de openbare ruimte voor verkeer, parkeren en afvalinzameling; af. het bieden van voldoende woonruimte; ag. het bereikbaar en toegankelijk maken van gebieden; ah. het doelmatig beheren van afvalstoffen; ai. het verlagen of voorkomen van emissies van geur van agrarische activiteiten; aj. het bevorderen van een grotere variatie in de bedrijfsvoering van grondgebonden veehouderijbedrijven; ak. het voorkomen van leegstand van voormalige agrarische bebouwing; al. het bevorderen van extensief recreatief medegebruik; am. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap; an. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing; ao.
het behouden en herstellen van waardevolle bouwwerken en landschappelijke elementen; ap. het vergroten van de natuurbeleving en recreatieve waarde, zonder afbreuk te doen aan natuurwaarden; aq. het behouden van een klimaatbestendig watersysteem; ar. het realiseren van een hoge architectonische kwaliteit van het openbaar gebied en van bebouwing; as. het bieden van ruimte aan bedrijfsactiviteiten; at. het realiseren van een woongebied dat goed ontsloten is met openbaar vervoer; au. het realiseren van een akoestisch aanvaardbaar woongebied; av. het realiseren van een veilig woongebied; aw. een realiseren van een energieneutraal woongebied; ax. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied; en ay. het realiseren van een speel- en beweegvriendelijk woongebied.
Hoofdstuk 3 Programma [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 4 Omgevingswaarden [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 5 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling 5.1 Bedrijventerrein Artikel 5.1 Toepassingsbereik Er is een gebied aangewezen met geometrische begrenzing Bedrijventerrein.
Afdeling 5.2 Buitengebied Artikel 5.2 Toepassingsbereik Er is een gebied aangewezen met geometrische begrenzing Buitengebied.
Afdeling 5.3 Centrumgebied Artikel 5.3 Toepassingsbereik Er is een gebied aangewezen met geometrische begrenzing Centrum.
Afdeling 5.4 Woongebied
4
Artikel 5.4 Toepassingsbereik Er is een gebied aangewezen met geometrische begrenzing Woongebied.
Afdeling 5.5 Recreatiegebied Artikel 5.5 Toepassingsbereik Er is een gebied met geometrische begrenzing Recreatiegebied.
Hoofdstuk 6 Bouwen en slopen Afdeling 6.1 Toepassingsbereik, oogmerk en maatwerkvoorschriften Artikel 6.1 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk geldt voor het bouwen en het in stand houden van bouwwerken en voor slopen.
Artikel 6.2 Oogmerk Voor bouwactiviteiten of het in stand houden van bouwwerken gelden de volgende oogmerken: a. de energiezuinigheid van bouwwerken; b. de bescherming van het milieu; c. het beschermen van de gezondheid; en d. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden.
Artikel 6.3 Maatwerkvoorschriften [Gereserveerd]
Afdeling 6.2 Regels omgevingsvergunning voor bouwen Artikel 6.4 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsplanactiviteit 1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan, in ieder geval de volgende documenten verstrekt: a. een opgave van de bouwkosten excl. BTW; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft; c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. een overzicht van eventueel te slopen bebouwing; 4. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 5. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
e. f. g.
h. i.
5
6. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk. de goot- en bouwhoogte ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen; de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein; gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld; voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
1. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; 2. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; 3. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
j.
k.
2.
4. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boei- delen en de dakbedekking; als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie: 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en 2. als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Een tekening die wordt verstrekt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen voldoet aan de volgende regels: a. een tekening heeft een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding; b. een situatietekening heeft: een noordpijl waaruit de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel blijkt ten opzichte van de omgeving; en een schaal die niet kleiner is dan 1:1.000; c. een detailtekening heeft een schaal van 1:5, 1:10 of 1:20; of d. een geveltekening, plattegrond en doorsnede heeft een schaal van: 1:100 als de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk kleiner is dan 10.000 m2; of 1:200 als de bruto vloeroppervlakte van het bouwwerk 10.000 m2 of groter is.
Artikel 6.5 Algemene beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken [Gereserveerd]
Artikel 6.6 Repressief welstand 1.
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Middelburg 2016 of diens rechtsopvolger, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Artikel 6.7 Inperking vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten vanwege cultureel erfgoed
6
1.
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is het bepaalde in de algemene regels in artikelen 6.22, 6.32, 6.37, 6.42, 6.47, 6.56 en 6.61 niet van toepassing.
2.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn alleen de artikelen 6.32, 6.42, 6.56 en 6.61 van toepassing.
3.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie binnen het Beschermd stadsgezicht zijn de artikelen 6.22, 6.32, 6.37, 6.42, 6.47, 6.56 en 6.61 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen;
b. c.
d. 4.
een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
De artikelen 6.22 en 6.37 zijn ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Afdeling 6.3 Bouwwerken Paragraaf 6.3.1 Hoofdgebouw Artikel 6.8 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van hoofdgebouwen, met uitzondering van bedrijfswoningen.
Artikel 6.9 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een hoofdgebouw gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 6.10 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en het bouwwerk in stand te houden.
Artikel 6.11 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.2 Bedrijfswoning Artikel 6.12 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bedrijfswoningen.
Artikel 6.13 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bedrijfswoning gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid.
7
Artikel 6.14 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfswoning te bouwen en in stand te houden.
Artikel 6.15 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.3 Bedrijfsgebouwen Artikel 6.16 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bedrijfsgebouwen.
Artikel 6.17 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bedrijfsgebouw gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; en e. het beschermen van de gezondheid.
Artikel 6.18 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning bedrijfsgebouwen te bouwen en in stand te houden.
Artikel 6.19 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.4 Bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan Artikel 6.20 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk.
Artikel 6.21 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van het woon- en leefklimaat; d. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken; e. het beschermen van de gezondheid; en f. het veilig gebruiken van bouwwerken.
Artikel 6.22 Algemene regels vergunningsvrij bouwen, in stand houden, gebruiken of uitbreiden 1.
8
Het is toegestaan een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als wordt voldaan aan de volgende regels: a. op de grond staand; b. gelegen in achtererfgebied; c. op een afstand van meer dan 1 meter vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. niet hoger dan 5 meter; e. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en f. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan: 1. 5 meter; 2. 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
h.
i.
j.
k.
l.
2.
3. het hoofdgebouw; voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw: 1. als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en 2. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg; als een bijbehorend bouwwerk bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het bepaalde in sub h, onder 2, van dit artikel van overeenkomstige toepassing; de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied mag niet meer zijn dan: 1. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied; 2. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 ; en 3.
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 , tot een maximum van in totaal 150 m2. niet aan of bij: 1. een woonwagen; 2. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of 3. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden. als een bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in dit artikel onder j gestelde eisen, de volgende eisen: 1. in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; 2. de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en 3. buiten de bebouwde kom.
Het is toegestaan een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg te gebruiken zonder omgevingsvergunning.
Artikel 6.23 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.22.
Artikel 6.24 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.5 Bouwwerk geen gebouw zijnde Artikel 6.25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Artikel 6.26 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende oogmerken: a. de energiezuinigheid van bouwwerken; b. de bescherming van het milieu; en c. het beschermen van de gezondheid.
9
Artikel 6.27 Algemene regels 1.
Het is toegestaan een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan volgende regels: a. het bouwwerk geen gebouw zijnde is niet hoger dan 3 meter.
2.
Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de volgende bouwwerken, geen gebouw zijnde: a. een erf- of perceelafscheiding; b. een vlaggenmast; c. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik; d. tuinmeubilair; en e. een lichtmast (bouwwerk voor infrastructurele of openbare voorziening).
Artikel 6.28 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.27.
Artikel 6.29 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.6 Bouwwerk, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering Artikel 6.30 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied.
Artikel 6.31 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en b. het benadrukken van de grens tussen agrarisch bedrijfsperceel en open buitengebied.
Artikel 6.32 Algemene regels 1.
Het is toegestaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied te bouwen en in stand te houden, voor zover het gaat om: a. een silo; of b. een ander bouwwerk niet hoger dan twee meter.
2.
In aanvulling op het bepaalde in lid 1 geldt dat tevens moet worden voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van dit omgevingsplan.
Artikel 6.33 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor agrarische bedrijfsvoering in achtererfgebied te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.32.
Artikel 6.34 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.7 Bouwwerk voor recreatief nachtverblijf Artikel 6.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.
10
Artikel 6.36 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden; b. het beschermen van cultuurhistorische waarden; c. het beschermen van de gezondheid; d. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling; en e. het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken.
Artikel 6.37 Algemene regels Het is toegestaan een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. op de grond staand; b. niet hoger dan 5 m; en c. de oppervlakte niet meer dan 70 m².
Artikel 6.38 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.37.
Artikel 6.39 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.8 Bouwwerk veranderen Artikel 6.40 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen van een bouwwerk.
Artikel 6.41 Oogmerk Voor het veranderen van een bouwwerk gelden de volgende oogmerken: a. de energiezuinigheid van bouwwerken; b. de bescherming van het milieu; c. het beschermen van de gezondheid; en d. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden.
Artikel 6.42 Algemene regels Het is toegestaan een bouwwerk te veranderen als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; b. geen uitbreiding van het bouwvolume; en c. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.
Artikel 6.43 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te veranderen als niet wordt voldaan aan de algemene regels in artikel 6.42.
Artikel 6.44 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.9 Dakkapel Artikel 6.45 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een dakkapel.
11
Artikel 6.46 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een dakkapel gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van stedenbouwkundige waarden; en b. het beschermen van de architectonische kwaliteit.
Artikel 6.47 Algemene regels Het is toegestaan een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gekeerd zijdakvlak te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan de volgende regels: a. de dakkapel is gelegen op een locatie binnen welstandsvrij gebied; b. de dakkapel wordt voorzien van een plat dak; c. de dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet hoger dan 1,75 meter; d. de onderzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet; e. de bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 meter onder de daknok; en f. de zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak.
Artikel 6.48 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gekeerd zijdakvlak te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.47.
Artikel 6.49 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.10 Vlaggenmast Artikel 6.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een vlaggenmast.
Artikel 6.51 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een vlaggenmast gelden de volgende oogmerken: a. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en b. het beschermen van het woon- en leefklimaat.
Artikel 6.52 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlaggenmast te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de regels als bedoeld in Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.53 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.11 Sport- of speeltoestel Artikel 6.54 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een sport- of speeltoestel.
Artikel 6.55 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een sport- of speeltoestel gelden de volgende oogmerken: a. de bescherming van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; b. het waarborgen van de veiligheid; en c. het beschermen van het woon- en leefklimaat.
12
Artikel 6.56 Algemene regels Het is toegestaan een sport-of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en aan volgende regels: a. het sport-of speeltoestel is niet hoger dan 4 m; en b. het sport-of speeltoestel is alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
Artikel 6.57 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.56.
Artikel 6.58 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Paragraaf 6.3.12 Erf- of perceelafscheiding Artikel 6.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van erf- of perceelafscheidingen.
Artikel 6.60 Oogmerk Voor het bouwen en in stand houden van een erf- of perceelafscheiding gelden de volgende oogmerken: a. het waarborgen van de verkeers- en sociale veiligheid; b. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; en c. het benadrukken van de grens tussen publieke en private ruimte.
Artikel 6.61 Algemene regels Het is toegestaan een erf- of perceelafscheiding te bouwen en in stand te houden als wordt voldaan aan de volgende regels: a. maximaal 2 meter hoog; b. op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en c. achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Artikel 6.62 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- of perceelafscheiding te bouwen en in stand te houden als niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in artikel 6.61.
Artikel 6.63 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
Afdeling 6.4 Slopen [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 7 Gebruik [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Hoofdstuk 8 Erfgoed en Archeologie Afdeling 8.1 Algemene regels archeologisch en gemeentelijk monument Paragraaf 8.1.1 Algemene regels gemeentelijk monument [Gereserveerd]
13
Artikel 8.1 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.2 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.3 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.4 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.5 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.6 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.7 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Artikel 8.8 [Gereserveerd] [Gereserveerd]
Paragraaf 8.1.2 Gemeentelijk monument veranderen of slopen Artikel 8.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen of slopen van een gemeentelijk monument.
Artikel 8.10 Oogmerk Voor het veranderen van een gemeentelijk monument gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen en behouden van stedenbouwkundige, architectonische, monumentale en cultuurhistorische waarden; b. Het beschermen en behouden van cultureel erfgoed.
Artikel 8.11 Verbod 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college: a. een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
2.
Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.
3.
Het college verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het eerste lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.
Artikel 8.12 Beoordelingsregels [Gereserveerd]
14
Artikel 8.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijk monument: algemeen Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument; b. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en c. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
Artikel 8.14 Vergunningvoorschriften verplaatsen gemeentelijk monument [Gereserveerd]
Afdeling 8.2 Beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel 8.15 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht.
Artikel 8.16 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten.
Artikel 8.17 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.
2.
Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie.
3.
Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.
Artikel 8.18 Vergunningplicht bouwen in beschermd stadsgezicht Noordweg In het Beschermd stadsgezicht Noordweg is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
Artikel 8.19 Beoordelingsregels bouwen in beschermd stadsgezicht Noordweg [Gereserveerd]
Artikel 8.20 Vergunningplicht bouwen in beschermd stadsgezicht Middelburg In het Beschermd stadsgezicht Middelburg is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.
Artikel 8.21 Beoordelingsregels bouwen in beschermd stadsgezicht Middelburg [Gereserveerd]
Afdeling 8.3 Waarde Archeologie Paragraaf 8.3.1 Algemene regels Archeologie Artikel 8.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op alle regels voor het bouwen, uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en slopen van een bouwwerk in gebieden met archeologische waarden.
15
Artikel 8.23 Oogmerk Voor het bouwen, uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en slopen van een bouwwerk in gebieden met archeologische waarden gelden de volgende oogmerken: a. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; b. het behoud van cultureel erfgoed; en c. het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.
Paragraaf 8.3.2 Bouwregels Artikel 8.24 Waarde - Archeologie - 1 Bouwen 1.
De voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Voor het bouwen van bouwwerken in het gebied Waarde - Archeologie - 1 gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c.
het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van maximaal 30 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst.
Artikel 8.25 Waarde - Archeologie - 2 Bouwen
16
1.
De voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Op de gronden met Waarde - Archeologie - 2 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c.
het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
2. 3.
een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 60 m²; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst.
Artikel 8.26 Waarde - Archeologie - 3 Bouwen 1.
De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Op de gronden met Waarde - Archeologie - 3 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c.
het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst.
Artikel 8.27 Waarde - Archeologie - 4 Bouwen 1.
De voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Op de gronden met Waarde - Archeologie - 4 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c.
het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst.
Artikel 8.28 Waarde - Archeologie - 5 Bouwen 1.
17
De voor Waarde - Archeologie - 5 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Op de gronden met Waarde - Archeologie - 5 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 meter; b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige; c.
het bepaalde in sub b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Artikel 8.29 Waarde - Archeologie - 6 Bouwen 1.
De voor Waarde - Archeologie - 6 aangewezen gronden (waterbodems) zijn, behalve voor de andere aldaar geldende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
2.
Op de gronden met Waarde - Archeologie - 6 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is. De archeologische deskundige heeft hiervoor overleg gehad met de waterbodembeheerder. De waterbeheerder kan een vergunning eisen of vrijstelling geven. Die moet aanwezig zijn. 2. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1: de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder 2 genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige; b.
het bepaalde in sub a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Paragraaf 8.3.3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Artikel 8.30 Waarde - Archeologie - 1 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 1 aangewezen gronden, als bedoeld in artikel 8.24 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen; 2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd;
18
5.
b.
c.
het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien: 1. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.24 tweede lid in acht is genomen; 2. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; 3. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 4. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 30 m²; 5. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm; 6. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sub a nodig is. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld; 2.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
Artikel 8.31 Waarde - Archeologie - 2 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 2 aangewezen gronden, als bedoeld in artikel 8.25 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: a. Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen; 2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd; 5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien: 1. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.25 tweede lid in acht is genomen; 2. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; 3.
de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 4. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 60 m²; 5. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm; 6. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sub a nodig is. c. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
Artikel 8.32 Waarde - Archeologie - 3 Uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op de voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden, als bedoeld in Artikel 8.26 eerste lid, gelden de volgende regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:
19
a.
b.
c.
Het is verboden op of in gronden met deze waarde zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen; 2. het ophogen van gronden tot een hoogte van ten minste 2 m; 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 4. het planten of rooien van bomen waarbij de stobben worden verwijderd; 5. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing, indien: 1. de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 8.26 tweede lid, in acht is genomen; 2. de werken of werkzaamheden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan reeds in uitvoering zijn; 3. de werken en werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 4. de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; 5.
de werken en werkzaamheden betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een diepte van ten hoogste 40 cm; 6. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologisch deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in sub a nodig is. De werken en werkzaamheden, zoals in sub a bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarde van de betrokken locatie in voldoende mate is vastgesteld; 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: het behoud van archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen en begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.