CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

25-031 Bijlage 1. Ingekomen stukken - MZ maart 2025

Gemeenteraad 13 maart 2025, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken gemeenteraad maart 2025 (25-031 MZ/RM/AB)39.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

2.

3.

4. 5. 6.

7. 8.

De bestuursorganen van het openbaar lichaam worden bijgestaan door twee directeuren, die in de vergaderingen van het algemeen bestuur een adviserende stem hebben ten aanzien van aangelegenheden waarover zij de dagelijkse leiding hebben. De directeur publieke gezondheid vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en ten behoeve van het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris en hij heeft een adviserende stem in het dagelijks bestuur. Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur publieke gezondheid in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland en met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 lid 2 sub b. van deze regeling. Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur jeugdhulp in overeenstemming met het algemeen bestuur. De directeur publieke gezondheid is belast met de dagelijkse leiding van het organisatieonderdeel Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. De directeur jeugdhulp is belast met de dagelijkse leiding van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. De directeur publieke gezondheid ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeuren worden vastgelegd in een statuut. Het statuut wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.

De directeur publieke gezondheid is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur heeft bepaald dat de directeur jeugdhulp aan een ingestelde bestuurscommissie verantwoording schuldig is. De directeur publieke gezondheid is bestuurder in de zin van de Wet op ondernemingsraden. Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur publieke gezondheid in geval van diens afwezigheid voor langere duur. Het algemeen bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur jeugdhulp in geval van diens afwezigheid voor langere duur, tenzij het algemeen bestuur heeft bepaald dat een ingestelde bestuurscommissie deze functionaris aanwijst.

HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 19: Intern 1. 2. 3. 4.

5.

De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 20: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur 1.

2. 3.

Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.

Artikel 21: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur 1.

6

Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan de raad door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze.

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

2.

Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raad waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit.

Artikel 21a: Bekendmaking Besluiten van het bestuur die een algemeen verbindend voorschrift inhouden zijn pas geldig als ze via de gemeentebladen van de deelnemende gemeenten bekend zijn gemaakt.

Artikel 21b: Inwerkingtreding De bekend gemaakte besluiten zijn van kracht op de achtste dag na de dag van de bekendmaking. In het besluit kan een latere datum genoemd zijn waarop het voorschrift gaat gelden.

HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 22: Personeel 1. 2.

3. 4.

Bij het openbaar lichaam de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland is personeel werkzaam. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur, behoudens het bepaalde in artikel 10, lid 2, sub b en artikel 16 lid 2, sub f van deze regeling.

HOOFDSTUK 9: HET BELEIDSPLAN EN HET BELEIDSVERSLAG Artikel 23: (Meerjaren)beleid en beleidsverslag Het meerjarenbeleid van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland wordt verwerkt in de meerjarenprogrammabegroting. Verslag wordt gedaan in de jaarstukken.

HOOFDSTUK 10: FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 24: Begrotingsprocedure 1.

2.

3.

4.

5. 6. 7.

Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 15 april de ontwerpbegroting van het openbaar lichaam voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in artikel 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). In de ontwerpbegroting wordt een analyse opgenomen van de begrotingscijfers ten opzichte van de cijfers uit de laatst opgemaakte jaarstukken. De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk 14 juli vast.

Het dagelijks bestuur stuurt de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.

Artikel 25: Bijdragen van de gemeenten 1.

7

In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het organisatieonderdeel Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland alsmede staat afzonderlijk vermeld welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

2.

3.

de taken van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van de maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het organisatieonderdeel Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland en de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland over voldoende middelen beschikken om aan al hun verplichtingen te kunnen voldoen. Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Artikel 25a: Administratie, bijdragen en informatievoorziening Jeugdhulp 1. 2. 3.

De Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland houdt de administratie voor de jeugdhulp gescheiden van de administratie van de andere taken. De voor jeugdhulp verkregen bijdragen van de gemeenten worden beheerd op een uitsluitend daartoe bestemde rekening. Het algemeen bestuur zendt periodiek aan de colleges van burgemeesters en wethouders van de gemeenten een overzicht van de verplichtingen, inkomsten en uitgaven voor jeugdhulp. Daarbij wordt in ieder geval aangesloten bij de Planning en Controlcyclus van de gemeenten.

Artikel 26: Reserve 1.

2.

Het openbaar lichaam vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten tot maximaal 5% van de jaaromzet van het organisatieonderdeel Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland, inclusief de bijdrage van de deelnemers. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de gemeenten over de te vormen reserve toe.

Artikel 27: Jaarstukken 1.

2. 3.

4. 5.

Het dagelijks bestuur legt voor 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze uiterlijk 14 juli vast, volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

HOOFDSTUK 11: HET ARCHIEF Artikel 28: Archief 1.

2. 3.

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.

HOOFDSTUK 12: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 29: Toetreding, uittreding 1.

2.

Toe- en uittreding van gemeenten tot deze gemeenschappelijke regeling is slechts mogelijk na wijziging van artikel 14 van de Wet publieke gezondheid of wijziging van de regio-indeling van gemeenten als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding of de uittreding en kan hieraan voorwaarden verbinden.

Artikel 30: Wijziging (wijziging heeft geen betrekking op het toekennen van nieuwe taken) 1.

8

De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en de colleges van tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

2. 3.

4.

5.

Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeenten. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die 3 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het dagelijks bestuur.

Artikel 31: Geschillen 1. 2.

3. 4. 5.

Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 32: Opheffing en liquidatie 1.

2.

3. 4. 5.

6. 7. 8. 9.

De gemeenschappelijke regeling kan slechts worden opgeheven voor zover dit op grond van artikel 14 van de Wet publieke gezondheid en artikel 8 juncto artikel 9 van de Wet veiligheidsregio’s mogelijk is. Opheffing geschiedt in dat geval bij daartoe strekkende besluiten van de raden, de colleges en de burgemeesters van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het openbaar lichaam. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. Het besluit tot opheffing van deze regeling wordt direct gezonden aan de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten. De organen van het openbaar lichaam blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.

Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland i.l.”.

HOOFDSTUK 13: SLOTBEPALINGEN Artikel 33: Overgangsbepaling 1. 2.

Het algemeen bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien. Het dagelijks bestuur blijft haar functie vervullen totdat een nieuw dagelijks bestuur wordt aangewezen. Een nieuw dagelijks bestuur wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat de regeling in werking is getreden.

Artikel 34: Inwerkingtreding 1. 2. 3.

9

Het college van de gemeente Goes zorgt voor het inzenden van de regeling, alsmede besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan Gedeputeerde Staten. De deelnemende gemeenten zorgen voor inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 27, lid 1, Wgr. De regeling treedt in werking na publicatie in de Staatscourant.

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

Artikel 35: Slotbepaling In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur

Artikel 36: Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.

Artikel 37: Titel De regeling kan worden aangehaald als “De gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland”. Aldus vastgesteld op 11 oktober 2019.

10

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

Toelichting Bij het formuleren van dit voorstel is de huidige GR GGD uit 2014 als uitgangspunt genomen. De voorgestelde wijzigingen zijn in rode, blauwe, groene en bruine tekst weergegeven. Er is gekozen voor een doorlopende tekst van de regeling vanwege het grote aantal voorgestelde wijzigingen en de wens om de voorgestelde wijzigingen te plaatsen in de context van het betreffende artikel. In beginsel is het model van de VZG gevolgd, behalve waar de huidige GR nu reeds bewust van het model afwijkt, of waar het model strijdig is met de Wgr of andere wetgeving. De volgende bepalingen zijn aangepast conform het VZG-model: art. 1 lid 1 sub d, art. 3, art. 9 lid 2 en lid 4, art. 10 lid 2 sub a., art. 11 lid 5, art. 12, art. 13 lid 2, art. 14 lid 1, art. 16 lid 3, art. 21a, art. 21b, art. 22, art. 24 lid 1 en lid 3, art. 25 lid 1, art. 26 lid 2, art. 27 lid 1 en lid 2, art. 28, art. 30 titel en lid 3, art. 34, art. 35 en art. 36. In de volgende bepalingen is afgeweken van het VZG model: art. 1 lid 1 sub e, art. 1 lid 2, art. 10 lid 2 aanhef, art. 10 lid 2 sub c., art. 10 lid 2 sub f., art. 11 lid 7, art. 13 lid 1, art. 14 lid 3, art. 18, art. 21 lid 2, art. 22, art. 23, art. 25, art. 30 lid 5 en art. 34 lid 3. In de was-/wordt lijst die u hieronder aantreft worden alle voorgestelde wijzigingen artikelsgewijs toegelicht.

Om het leidende karakter van het VZG model te onderstrepen is de nummering van de artikelen in het VZG model overgenomen. Enkele onderwerpen vragen om een meer algemene toelichting: Taken en bevoegdheden Om een scherper onderscheid te maken tussen de taken die zijn opgedragen aan het openbaar lichaam en de bevoegdheden die in dit verband in eerdere besluitvorming aan de organen van het openbaar lichaam zijn overgedragen, wordt op enkele plaatsen een andere formulering voorgesteld dan het VZG model. Een inhoudelijke wijziging van de regeling is hiermee niet beoogd en er vindt dan ook geen nieuwe overdracht van bevoegdheden plaats. Taakverdeling AB/DB Met betrekking tot de taakverdeling tussen AB en DB zijn de huidige GR en het VZG model tot uitgangspunt genomen. De voorgestelde wijzigingen komen voort uit de wetswijziging van de Wgr in 2015, en worden hieronder per wijziging toegelicht. De taakverdeling tussen AB en DB stond op de agenda van de bestuursconferentie op 24 november 2018. Een eventueel huishoudelijk reglement brengt geen wijziging aan in de GR en in een dergelijk reglement vindt dan dus ook geen overdracht van taken van de gemeenten aan het openbaar lichaam plaats.

Directeuren Sinds 2015 ligt de bevoegdheid om regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, om ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, en om het ‘dagelijks bestuur’ van het openbaar lichaam te voeren o.g.v. art. 33b Wgr bij het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, tenzij de wet iets anders regelt of de gemeenschappelijke regeling het dagelijks bestuur aan het AB overlaat. Voor de benoeming van de directeur publieke gezondheid is in de Wet publieke gezondheid een afwijkende regeling getroffen, nl. benoeming door het AB in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. In de voorgestelde tekst is deze bestaande bevoegdheid van het AB dan ook gehandhaafd. De benoeming, schorsing en ontslag van de directeur jeugdhulp zijn bij het DB belegd, in overeenstemming met het AB. Dit is in lijn met art. 33b Wgr, maar respecteert tevens het gegeven dat de Inkooporganisatie is ondergebracht in een bestuurscommissie, waarin het dagelijks bestuur van de GGD Zeeland geen rol heeft. Verordenende bevoegdheid ten aanzien van subsidies In art. 6a aanhef en sub a.

van de regeling is bepaald dat het bestuur van het openbaar lichaam tot taak heeft het uitvoeren van taken uit de Jeugdwet door middel van het contracteren en subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders van jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet, hetgeen ook het beëindigen van deze contracten door opzegging of ontbinding en het terugvorderen van deze subsidies omvat. Om subsidiebesluiten (w.o. verlening, vaststelling, intrekking en terugvordering) te kunnen nemen is echter op grond van art. 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht een subsidieregeling of -verordening vereist, die regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Om een subsidieverordening tot stand te kunnen brengen moet in de gemeenschappelijke regeling een verordenende bevoegdheid worden gecreëerd ten aanzien van subsidies. Het creëren van verordenende bevoegdheid heeft op zichzelf geen overdracht van bevoegdheden tot gevolg. De bepaling voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt vindt plaats in de subsidieverordening, die is gebonden aan de taken die aan het openbaar lichaam zijn overgedragen en de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn.

11

Staatscourant 2019 nr. 64101

20 november 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15134110/1