25-031 Bijlage 1. Ingekomen stukken - MZ maart 2025
Tekst van het document
Artikel 27: Jaarstukken 1.
2. 3.
4. 5.
Het dagelijks bestuur legt voor 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze uiterlijk 14 juli vast, volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 11: HET ARCHIEF Artikel 28: Archief 1.
2. 3.
Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.
HOOFDSTUK 12: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 29: Toetreding, uittreding 1.
2.
Toe- en uittreding van gemeenten tot deze gemeenschappelijke regeling is slechts mogelijk na wijziging van artikel 14 van de Wet publieke gezondheid of wijziging van de regio-indeling van gemeenten als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding of de uittreding en kan hieraan voorwaarden verbinden.
Artikel 30: Wijziging (wijziging heeft geen betrekking op het toekennen van nieuwe taken) 1.
8
De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en de colleges van tweederde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
2. 3.
4.
5.
Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeenten. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die 3 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het dagelijks bestuur.
Artikel 31: Geschillen 1. 2.
3. 4. 5.
Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.
Artikel 32: Opheffing en liquidatie 1.
2.
3. 4. 5.
6. 7. 8. 9.
De gemeenschappelijke regeling kan slechts worden opgeheven voor zover dit op grond van artikel 14 van de Wet publieke gezondheid en artikel 8 juncto artikel 9 van de Wet veiligheidsregio’s mogelijk is. Opheffing geschiedt in dat geval bij daartoe strekkende besluiten van de raden, de colleges en de burgemeesters van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het openbaar lichaam. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. Het besluit tot opheffing van deze regeling wordt direct gezonden aan de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten. De organen van het openbaar lichaam blijven ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.
Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland i.l.”.
HOOFDSTUK 13: SLOTBEPALINGEN Artikel 33: Overgangsbepaling 1. 2.
Het algemeen bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien. Het dagelijks bestuur blijft haar functie vervullen totdat een nieuw dagelijks bestuur wordt aangewezen. Een nieuw dagelijks bestuur wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat de regeling in werking is getreden.
Artikel 34: Inwerkingtreding 1. 2. 3.
9
Het college van de gemeente Goes zorgt voor het inzenden van de regeling, alsmede besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan Gedeputeerde Staten. De deelnemende gemeenten zorgen voor inschrijving in het register, als bedoeld in artikel 27, lid 1, Wgr. De regeling treedt in werking na publicatie in de Staatscourant.
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Artikel 35: Slotbepaling In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur
Artikel 36: Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.
Artikel 37: Titel De regeling kan worden aangehaald als “De gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland”. Aldus vastgesteld op 11 oktober 2019.
10
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Toelichting Bij het formuleren van dit voorstel is de huidige GR GGD uit 2014 als uitgangspunt genomen. De voorgestelde wijzigingen zijn in rode, blauwe, groene en bruine tekst weergegeven. Er is gekozen voor een doorlopende tekst van de regeling vanwege het grote aantal voorgestelde wijzigingen en de wens om de voorgestelde wijzigingen te plaatsen in de context van het betreffende artikel. In beginsel is het model van de VZG gevolgd, behalve waar de huidige GR nu reeds bewust van het model afwijkt, of waar het model strijdig is met de Wgr of andere wetgeving. De volgende bepalingen zijn aangepast conform het VZG-model: art. 1 lid 1 sub d, art. 3, art. 9 lid 2 en lid 4, art. 10 lid 2 sub a., art. 11 lid 5, art. 12, art. 13 lid 2, art. 14 lid 1, art. 16 lid 3, art. 21a, art. 21b, art. 22, art. 24 lid 1 en lid 3, art. 25 lid 1, art. 26 lid 2, art. 27 lid 1 en lid 2, art. 28, art. 30 titel en lid 3, art. 34, art. 35 en art. 36. In de volgende bepalingen is afgeweken van het VZG model: art. 1 lid 1 sub e, art. 1 lid 2, art. 10 lid 2 aanhef, art. 10 lid 2 sub c., art. 10 lid 2 sub f., art. 11 lid 7, art. 13 lid 1, art. 14 lid 3, art. 18, art. 21 lid 2, art. 22, art. 23, art. 25, art. 30 lid 5 en art. 34 lid 3. In de was-/wordt lijst die u hieronder aantreft worden alle voorgestelde wijzigingen artikelsgewijs toegelicht.
Om het leidende karakter van het VZG model te onderstrepen is de nummering van de artikelen in het VZG model overgenomen. Enkele onderwerpen vragen om een meer algemene toelichting: Taken en bevoegdheden Om een scherper onderscheid te maken tussen de taken die zijn opgedragen aan het openbaar lichaam en de bevoegdheden die in dit verband in eerdere besluitvorming aan de organen van het openbaar lichaam zijn overgedragen, wordt op enkele plaatsen een andere formulering voorgesteld dan het VZG model. Een inhoudelijke wijziging van de regeling is hiermee niet beoogd en er vindt dan ook geen nieuwe overdracht van bevoegdheden plaats. Taakverdeling AB/DB Met betrekking tot de taakverdeling tussen AB en DB zijn de huidige GR en het VZG model tot uitgangspunt genomen. De voorgestelde wijzigingen komen voort uit de wetswijziging van de Wgr in 2015, en worden hieronder per wijziging toegelicht. De taakverdeling tussen AB en DB stond op de agenda van de bestuursconferentie op 24 november 2018. Een eventueel huishoudelijk reglement brengt geen wijziging aan in de GR en in een dergelijk reglement vindt dan dus ook geen overdracht van taken van de gemeenten aan het openbaar lichaam plaats.
Directeuren Sinds 2015 ligt de bevoegdheid om regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam, om ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan, en om het ‘dagelijks bestuur’ van het openbaar lichaam te voeren o.g.v. art. 33b Wgr bij het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam, tenzij de wet iets anders regelt of de gemeenschappelijke regeling het dagelijks bestuur aan het AB overlaat. Voor de benoeming van de directeur publieke gezondheid is in de Wet publieke gezondheid een afwijkende regeling getroffen, nl. benoeming door het AB in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. In de voorgestelde tekst is deze bestaande bevoegdheid van het AB dan ook gehandhaafd. De benoeming, schorsing en ontslag van de directeur jeugdhulp zijn bij het DB belegd, in overeenstemming met het AB. Dit is in lijn met art. 33b Wgr, maar respecteert tevens het gegeven dat de Inkooporganisatie is ondergebracht in een bestuurscommissie, waarin het dagelijks bestuur van de GGD Zeeland geen rol heeft. Verordenende bevoegdheid ten aanzien van subsidies In art. 6a aanhef en sub a.
van de regeling is bepaald dat het bestuur van het openbaar lichaam tot taak heeft het uitvoeren van taken uit de Jeugdwet door middel van het contracteren en subsidiëren van aanbieders van jeugdhulp en uitvoerders van jeugdreclassering en jeugdbeschermingsmaatregelen in het kader van de Jeugdwet, hetgeen ook het beëindigen van deze contracten door opzegging of ontbinding en het terugvorderen van deze subsidies omvat. Om subsidiebesluiten (w.o. verlening, vaststelling, intrekking en terugvordering) te kunnen nemen is echter op grond van art. 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht een subsidieregeling of -verordening vereist, die regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Om een subsidieverordening tot stand te kunnen brengen moet in de gemeenschappelijke regeling een verordenende bevoegdheid worden gecreëerd ten aanzien van subsidies. Het creëren van verordenende bevoegdheid heeft op zichzelf geen overdracht van bevoegdheden tot gevolg. De bepaling voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt vindt plaats in de subsidieverordening, die is gebonden aan de taken die aan het openbaar lichaam zijn overgedragen en de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn.
11
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Bijzondere positie van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland Uit de Wet publieke gezondheid volgen specifieke voorschriften voor de inrichting van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. In de voorgestelde regeling worden deze voorschriften nageleefd. Een en ander heeft tot gevolg dat in de voorgestelde regeling aanleiding is gezien af te wijken van de bepalingen in het VZG model over toe- en uittreding. Aan het VZG model ligt immers de veronderstelling ten grondslag dat toe- en uittreding geschieden op basis van keuzevrijheid van de gemeenten, terwijl deze keuzevrijheid bij GGD’en op grond van de Wet Publieke Gezondheid beperkt is, zoals dit ook het geval is bij Veiligheidsregio’s op grond van de Wet veiligheidsregio’s. Een en ander werkt door in de bepalingen over de opheffing van de regeling en liquidatie van het openbaar lichaam. De gemeenschappelijke regeling van de Veiligheidsregio Zeeland is nagevolgd in de art. 23, art. 24 lid 1 en lid 2, art. 25 lid 3 en lid 4, art. 26 lid 1, art. 27 lid 1, lid 3 en lid 4, art. 29 en art. 32. De Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland is zowel de naam van het openbaar lichaam, als de aanduiding van één van de twee organisatieonderdelen van het openbaar lichaam.
Om verwarring te voorkomen is op meerdere plaatsen in de GR het woord ‘openbaar lichaam’ of ‘organisatieonderdeel’ toegevoegd aan de naam Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. Het onderscheid in de huidige GR tussen ‘Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland’ en ‘GGD Zeeland’ is komen te vervallen. Gedeputeerde Staten In navolging van het VZG model wordt dit bestuursorgaan in de voorgestelde regeling met hoofdletters geschreven. Was-/wordt lijst (artikelsgewijs) Considerans; de considerans van de GR uit 2014 is aangevuld met een toelichting op de aanleiding voor de wijziging. In de opsomming van wetten is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 toegevoegd vanwege de overgedragen taken van de GGD Zeeland op het terrein van Veilig Thuis. De Wet Kinderopvang is toegevoegd vanwege de al bestaande wettelijke toezichthoudende taken van de directeur PG. Art 1b: de zinsnede ‘op het gebied van de publieke gezondheidszorg’ in de huidige GR is nogal onbepaald en daarom vervangen door ‘als beschreven in artikel 6 van deze regeling’. Art. 1d: de opsomming van de deelnemende gemeenten is toegevoegd in navolging van het VZG model. Art. 1e: hier is de bestaande tekst van de GR aangehouden, omdat het VZG model taalkundig niet juist is. Art.
1j en k: de definities van jeugdreclassering en kinderbeschermingsmaatregel zijn toegevoegd omdat de Inkooporganisatie in het bestaande artikel 6a al taken op dit vlak heeft toegekend gekregen. Art. 1 lid 2: de bestaande tekst van de GR is aangehouden, omdat het VZG model VZG zowel juridisch als taalkundig niet klopt. Art. 3: de formulering is gelijk getrokken met het VZG model, met dien verstande dat wordt gesproken over ‘gezamenlijke belangen’ i.p.v. ‘de gezamenlijke belangen’. Niet alle gezamenlijke belangen op het terrein van de genoemde wetgeving behoren immers tot de taken van de GR. De Wmo 2015 en de Wet Kinderopvang zijn toegevoegd vanwege nieuwe (Wmo 2015) en reeds bestaande (Wet Kinderopvang) taken van de GGD resp. directeur PG. Art. 4: De mogelijkheid om bestuurscommissies in te stellen is niet voorzien in het model van de VZG, maar moet in de regeling zijn opgenomen om commissies te kunnen inrichten. De bevoegdheid in de huidige GR is toegepast bij de instelling van de Inkooporganisatie. Art. 5: De zinsnede achter de komma is toegevoegd in verband met het gegeven dat de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet slechts aan het organisatieonderdeel Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland is opgedragen voor wat betreft Veilig Thuis. De taken van de Inkooporganisatie zijn vermeld in artikel 6a. Art.
6a lid 2 over de subsidieverordening, zie de opmerking in de algemene toelichting. Art. 9 lid 2: De aanvulling is overgenomen uit het VZG model, en komt overeen met het geschrapte lid 7. Art. 9 lid 4: De aanwijzing van een secretaris en penningmeester zijn geschrapt, conform het VZG model.
12
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Art. 9 leden 5 t/m 8 en 12 van de GR komen niet voor in het VZG model en zijn geschrapt. Art. 10 lid 1a: zie het commentaar bij art. 4 van deze regeling. Dit is het huidige art. 10 lid 2 van de GR. De nummering is aangepast om die van het volgende lid gelijk te trekken met die van het VZG model. Art. 10 lid 2, aanhef: de zinsnede ‘in ieder geval’ is, omdat er behalve de genoemde bevoegdheden ook andere kunnen zijn waarvan de aard zich tegen delegatie verzet, zie ook art. 33a lid 2 Wgr. Art. 10 lid 2 sub a. Conform het VZG model zijn de secretaris en de penningmeester geschrapt, zie ook art. 9 lid 4 van de regeling. Art. 10 lid 2 sub b. Deze bevoegdheid is niet overdraagbaar in verband met art. 14 lid 3 van de Wet publieke gezondheid. Met ‘bestuur’ van de VRZ wordt gedoeld op het algemeen bestuur. Art. 10 lid 2 sub c. Het VZG model noemt ook het meerjarenbeleidsplan. Het meerjarenbeleid is bij de GGD Zeeland echter geïntegreerd in de begroting. De huidige GR noemt dit plan ook niet. Art. 10 lid 2f: Deze bepaling is geschrapt omdat de bevoegdheid tot vaststellen van de verordening waarin de rechtspositie van het personeel wordt bepaald door de Wgr thans bij het DB wordt belegd, zie art. 33b Wgr. Art.
10 lid 2g: De subsidieverordening is aan deze bepaling toegevoegd omdat het ook voor deze verordening niet wenselijk is dat de bevoegdheid tot het vaststellen daarvan wordt gedelegeerd. Art. 11 lid 5: De formulering is aangepast aan het VZG-model. Art. 11 lid 7: De zinsnede ‘een derde deel’ is vervangen door ‘een vijfde deel’ vanwege art. 22 lid 4 Wgr. Art. 11 lid 10: De bepaling komt overeen met het huidige art. 12 lid 6. De laatste zin is aangepast omdat de CBS-gegevens per 31 december van het voorafgaande jaar vaak niet tijdig beschikbaar zijn. Art. 12: De bepaling is aangepast aan het VZG model. Het meerjarenbeleid wordt bij de GGD Zeeland verwerkt in de programmabegroting. Art. 13 lid 1: De voorzitter van de GR wordt in functie benoemd. Door middel van de voorgestelde wijzigingen voldoet de bepaling aan art. 14 Wgr. Het AB kent volgens het VZG-model al niet langer de functies van secretaris en penningmeester. Art. 13 lid 2: De voorzitter van de GR is tevens voorzitter van het DB, en hoeft dus niet te worden benoemd. In de huidige GR wordt ‘overeenkomstig’ gebezigd. In de voorgestelde tekst wordt aangesloten bij het VZG model. Art. 13 lid 4: Deze bepaling komt niet voor in het VZG model, maar is ingegeven door de wijziging van de Wgr in 2015. Art. 14 lid 1: In de huidige GR staat nog ‘externe leden’. De voorgestelde tekst is conform model VZG. Art.
14 lid 3: De formulering is aangepast aan het nieuwe art. 19a lid 3 Wgr. Art. 16 lid 2 e1 is gebaseerd op art. 33b lid 1 sub c. van de Wgr. Gedacht kan worden aan het stellen van regels m.b.t. de formatieruimte, het functiegebouw, rechtspositie van het personeel e.d. Art. 16 lid 2 sub f: uitsluitend de directeur PG is uitgesloten van het benoemingsrecht van het DB vanwege de wettelijke rol van het AB hierin o.g.v. de Wet publieke gezondheid. De benoeming van de directeur jeugdhulp geschiedt in overeenstemming met het AB, dit vanwege het gegeven dat de inkooporganisatie door het AB is ondergebracht in een bestuurscommissie. De bevoegdheid van het DB tot benoeming is niet overdraagbaar. Art. 16 lid 3 is overgenomen uit het VZG model. Art. 16 lid 4: zie de algemene opmerking over de taakverdeling tussen AB en DB. Art. 17 lid 6: ‘openbaar lichaam’ is ook het begrip dat in art. 33d lid 1 Wgr wordt gebruikt. Art. 18: Vanwege de bijzondere situatie met twee directeuren is de voorkeur gegeven aan de huidige GR-bepaling, in plaats van het VZG-model. In art. 14 lid 3 van de Wet publieke gezondheid is bepaald
13
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
dat de gemeentelijke gezondheidsdienst onder leiding staat van een directeur publieke gezondheid, die wordt benoemd door het algemeen bestuur in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. Art. 21 lid 2: De verwijzing naar art. 8:1 Awb is geschrapt omdat bij gemeenschappelijke regeling geen wijziging kan worden gebracht in hetgeen rechtstreeks voortvloeit uit de Awb. Het VZG model is op dit punt niet gevolgd. Zie ook art. 16 lid 4 Wgr. Art. 21a en art. 21b zijn overgenomen uit het VZG model. Art. 22: Vanwege de ‘normalisering’ van de rechtspositie van het ambtelijk personeel komt het praktische belang van artikel 22 m.i.v. 1 januari 2020 te vervallen. De aanstellingen van het personeel worden dan van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het ligt in de lijn der verwachting dat ten behoeve van ambtenaren van de sector gemeenten een afzonderlijke cao zal worden gesloten, die algemeen verbindend zal worden verklaard. Op deze ontwikkeling wordt in het voorgestelde art. 22 niet vooruitgelopen. Het VZG model is gevolgd. Wel wordt voorgesteld om de leden 2 en 3 te wijzigen, omdat het stellen van algemene regels t.a.v. de ambtelijke organisatie en het personeel op grond van art. 33b Wgr niet langer bij het AB berust, maar bij het DB. Aan art. 22 lid 4 is een zinsnede toegevoegd om tekstuele redenen. Art.
23: Het (meerjaren)beleidsplan wordt bij de GGD Zeeland tegenwoordig verwerkt in de begroting, zie ook art. 24. Het beleidsverslag wordt verwerkt in de jaarstukken, zie art. 28. Deze werkwijze sluit aan bij die van de VRZ. Art. 24 lid 1: voorgesteld wordt om de datum waarop de begroting moet worden ingezonden te wijzigen conform het model van de VZG. Ook de verwijzing naar het BBV is overgenomen uit het model VZG. Art. 24 brengt tot uitdrukking dat in de begroting tevens aandacht wordt besteed aan de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen. De gebruikte formulering is afkomstig uit de GR van de VRZ. Art. 24 lid 2: De eerste zin van deze bepaling is overgenomen uit de GR van de VRZ. Art. 24 lid 3: Het laatste zinsdeel is overgenomen uit het model VZG. Art. 25 lid 1: De zin over het maandelijkse voorschot is overgenomen uit het model VZG. Art. 25 lid 3: De verwijzing in de huidige GR en het model VZG naar artikelen 198 en 199 Provinciewet is onjuist en daarom gecorrigeerd, een en ander conform de GR van de VRZ. Het huidige art. 25 lid 4 is geschrapt omdat uittreding uit de GR van de GGD Zeeland niet mogelijk is zonder voorafgaande wetswijziging, een en ander conform de GR van de VRZ. Art. 25a is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de huidige GR. Art. 26 lid 1 de voorgestelde bepaling is gebaseerd op de bepaling over de reserve in de GR van de VRZ. Art.
26 lid 2: de voorgestelde wijzigingen zijn tekstueel en komen voort uit het model VZG. Art. 27 lid 1: de datum voor inlevering van de jaarstukken is overgenomen uit het model VZG. De bepaling is ingekort conform model VZG. Het zinsdeel over de controleverklaring is afkomstig uit de GR van de VRZ. Art. 27 lid 2 is aangepast aan het model VZG, inclusief het schrappen van de zienswijze door de raad. Art. 27 leden 3 en 4: de datum van 14 juli voor vaststelling van jaarstukken is overgenomen uit de GR van de VRZ. Ook de datum van 15 juli voor toezending van jaarstukken aan GS is afkomstig uit de GR van de VRZ, en is gebaseerd op art. 34 lid 4 Wgr. Art. 28: De citeertitel van de Archiefwet is aangevuld. Lid 2 is een tekstuele aanpassing aan model VZG. Art. 29: Zie algemene toelichting Art. 30: De aanvulling in de titel van deze bepaling is afkomstig uit het VZG model. Art. 30 lid 3: De termijn voor besluitvorming in de raden is in het model VZG op 3 maanden gesteld.
14
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Art. 30 lid 5: De toezending aan het handelsregister van de Kamer van Koophandel is uit de bepaling geschrapt, omdat deze niet langer wettelijk verplicht is. Art. 32: Zie algemene toelichting Art. 34 is tekstueel aangepast aan het VZG model. De inzending is o.g.v. art. 26 lid 1 Wgr een verplichting van het bestuur van de gemeente van de plaats van vestiging van het openbaar lichaam. Bij de GGD Zeeland is dat Goes. Lid 3 wijkt af van VZG model omdat art. 26 lid 2 Wgr bekendmaking in de Staatscourant voorschrijft. Art. 35: De leden 1 en 2 van het VZG model zijn niet meer van toepassing, omdat de GR GGD Zeeland reeds bestaat. Het derde lid van het VZG model is daardoor enig lid van dit artikel. Deze bepaling is nieuw t.o.v. de huidige GR. Art. 36 ontbreekt in de huidige GR en is overgenomen uit het VZG model.
15
Staatscourant 2019 nr. 64101
20 november 2019
Was-wordt-lijst bij wijzigingsvoorstel Gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland 2025 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsomschrijvingen Toegevoegd:
a) algemeen bestuur: het algemeen bestuur van Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland; b) dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland; c) voorzitter: de voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur; d) directeur publieke gezondheid: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen: directeur publieke gezondheid; e) directeur Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen de directeur jeugdhulp; f) Veilig Thuis: het organisatieonderdeel van het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2,dat de taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent als het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling in Zeeland. Artikel 2: Openbaar Lichaam Verwijderd:
“4. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.” Vervangen:
1. “Er is een openbaar lichaam Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. 2. Het openbaar lichaam is rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Goes. 3. Het rechtsgebied van het openbaar lichaam omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.” (oud) Door:
1. “Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, zoals bedoeld in artikel 14, lid 1 en 2, van de Wet Publieke Gezondheid met de aanduiding Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd in Goes. 3. Het rechtsgebied van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten conform artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.” (nieuw)
Artikel 3: Belang Vervangen
“Het openbaar lichaam is ingesteld om gezamenlijke belangen van de deelnemers te behartigen op het gebied van de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet Kinderopvang.” (oud) Door:
1
“De GGD Zeeland behartigt de belangen van de deelnemende gemeenten op het gebied van de Wet publieke gezondheid, de Wet veiligheidsregio’s, de Wet op de lijkbezorging, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet Kinderopvang.” Artikel 4: Bestuursorganen Verwijderd:
“Dit onverminderd de bevoegdheid tot het instellen van een bestuurscommissie.” Hoofdstuk 2: Taken en bevoegdheden Artikel 5: Belang Dit artikel is in zijn geheel verwijderd. Artikel 5: Taken en bevoegdheden (nieuw) Toegevoegd aan lid 7:
“De colleges wijzen de directeur publieke gezondheid aan als toezichthouder in de zin van de Wet Kinderopvang en “de Wet maatschappelijke ondersteuning.” De directeur publieke gezondheid mandateert zijn toezichthoudende bevoegdheden aan medewerkers die werkzaam zijn als toezichthouder met betrekking tot de Wet Kinderopvang en de “Wet maatschappelijke ondersteuning.” Toegevoegd voor de volledigheid. Artikel 5a: Taken en bevoegdheden in het kader van de Jeugdwet en 6: Bezwaar en beroep Beide artikelen zijn niet gewijzigd. Artikel 7: Klachtrecht Toegevoegd:
“Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.” In verband met de opheffing van de Zeeuwse Ombudsman per 1 januari 2023. Hoofdstuk 3: Algemeen Bestuur Artikel 8: Samenstelling Vervangen lid 2, 3, 5 en 7:
“de raad/raden van de gemeente(n)” (oud) door
“het college/colleges van de gemeente(n)” nieuw Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 9: Bevoegdheden van het algemeen bestuur Verwijderd:
“1a Het algemeen bestuur kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 25 van de Wetgemeenschappelijke regelingen bestuurscommissies instellen.” Én
2
“2g het vaststellen van een subsidieverordening als bedoeld in artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht,” Én
“2i
het vaststellen van een directiestatuut”
Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Toegevoegd:
“Lid 2: Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 10: Werkwijze Verwijderd
“3. In dit laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Toegevoegd
“4. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 11: Besloten vergadering Verplaatsing
“Artikel 10 […] 6. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. 7. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 8. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.” (oud) Wordt:
“Artikel 11 In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken, liquidatieplan, afschaffen retributies of andere heffingen, vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen, treffen van wijzigingen verlengen of opheffen van een GR tussen gemeentelijke gezondheidsdienst Zeeland en andere openbare lichamen, alsmede toetreden tot en uittreden uit dergelijke regeling.” (nieuw)
3
Hoofdstuk 4: Het dagelijks bestuur Artikel 12: Samenstelling Toegevoegd:
“3. De directeur publieke gezondheid neemt deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur, in de rol van ambtelijk secretaris.” Verwijderd: “4. Het dagelijks bestuur mag geen meerderheid vormen in het algemeen bestuur.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 13: Einde Lidmaatschap Verwijderd:
“3. ….De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 14: Werkwijze Blijft ongewijzigd Artikel 15: Taak Toegevoegd:
“2h. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in art. 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen; 2i. met besluiten inzake inkoop- en verkoopbeleid; 2j. Het dagelijks bestuur stelt de rechtspositieregelingen vast voor het personeel van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland; 2k. te besluiten namens Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover dit het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; 3. Het algemeen bestuur is bevoegd kaders te stellen ten aanzien van het bepaalde onder sub f. en i t/m k.” Hoofdstuk 5: de Voorzitter Artikel 16: Benoeming en taak Toegevoegd:
“5. Deze stukken worden door de ambtelijk secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur mede ondertekend. 6. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het dagelijks bestuur de voorzitter toestaan om de ondertekening van stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur of de ondertekening te mandateren aan de ambtelijk secretaris van het dagelijks bestuur of aan een ander persoon;”
4
Hoofdstuk 6: de Directeuren Artikel 17: Functie, Benoeming en Taak Vervangen
“6. De directeur publieke gezondheid is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur, tenzij het algemeen bestuur heeft bepaald dat de directeur jeugdhulp aan een ingestelde bestuurscommissie verantwoording schuldig is.” (oud) Door:
“6. De directeur publieke gezondheid is zowel inhoudelijk als financieel verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur. De directeur jeugdhulp is financieel verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur. Inhoudelijke verantwoording is hij verschuldigd aan de door het AB ingestelde bestuurscommissie. Dat laatste indien het algemeen bestuur een bestuurscommissie heeft ingesteld.” (nieuw) Hoofstuk 7: Inlichtingen, verantwoording en ontslag Artikel 18: Intern Ongewijzigd Artikel 19: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter Toegevoegd:
“3. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/ of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke ontwikkelingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 20: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur Vervangen
“1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan de raad door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raad waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit. (oud) Door:
” 1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en verstrekt indien gewenst door een of meer leden van zijn raad gevraagde inlichtingen. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.”(nieuw) Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 5
Artikel 21a en 21b (oud) komen te vervallen Artikel 22 (oud) wordt artikel 21: Personeel (nieuw) Verwijderd:
“Artikel 22 […] 2. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van het openbaar lichaam de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur, behoudens het bepaalde in artikel 10, lid 2, sub b en artikel 16 lid 2, sub f van deze regeling.” Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Artikel 23 komt te vervallen Conform de VZG modelregeling GR – versie oktober 2023 Hoofdstuk 9: Financiële bepalingen Artikel 22: Begrotingsprocedure Artikel 24 (oud) wordt artikel 22 (nieuw) en wordt als volgt vervangen:
“Artikel 24:Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 15 april de ontwerpbegroting van het openbaar lichaam voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in artikel 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). 2. In de ontwerpbegroting wordt een analyse opgenomen van de begrotingscijfers ten opzichte van de cijfers uit de laatst opgemaakte jaarstukken. De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk 14 juli vast. 4.
Het dagelijks bestuur stuurt de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 5. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. 6. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. 7. Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geenbelangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.” (oud) Wordt:
“Artikel 22: Begrotingsprocedure 6
1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 3. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 4. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. 5. Een begrotingswijziging wordt ingediend, indien de gemeentelijke bijdragen van de deelnemers worden verhoogd.” (nieuw) In verband met in de artikelen 34 en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen opgenomen gewijzigde begrotingsprocedure.
Artikel 23: Bijdragen van de gemeenten Artikel 23a: Administratie, bijdragen en informatievoorziening Jeugdhulp Artikel 25 en 25a (oud) worden artikel 23 en 23a (nieuw) en zijn inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 24: Reserve Nieuwe bepaling, een regeling omtrent de financiële reserve conform hetgeen is afgesproken binnen de VZG. Artikel 25: Jaarstukken Artikel 26 (oud) wordt artikel 25 (nieuw) en is als volgt gewijzigd:
“Artikel 26: Jaarstukken 1.Het dagelijks bestuur legt voor 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2.De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden; 3.Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar uiterlijk 14 juli vast, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. 4.De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar uiterlijk voor 15 juli; 5.Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (oud) Wordt:
“Artikel 25: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.
7
3. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. 6. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (nieuw) Conform het bepaalde in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Hoofdstuk 10: Het Archief en Informatieveiligheid Artikel 26: Archief Artikel 28 (oud) wordt artikel 26 (nieuw) en wijzigt als volgt:
“Artikel 28: Archief 1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. 2.Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (oud) Wordt:
“Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (nieuw) Artikel 27: Informatieveiligheid Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op informatieveiligheid en luidt als volgt:
“Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.” Artikel 28: Participatie Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op participatie en luidt als volgt:
“Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; 8
b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.” Dit in verband met het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN EN OPHEFFING Artikel 29: Toetreding en uittreding Is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de procedure voor het vaststellen van een uittredingsplan en luidt als volgt:
“Artikel 30: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.” 9
De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op een vergoeding van kosten in geval van uittreding en luidt als volgt:
“Artikel 31: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 32: Verplichtingen uittreder Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de verplichtingen van de uittreder en luidt als volgt:
“Artikel 32: Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Veiligheidsregio Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
10
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 33: Wijziging Artikel 30 (oud) wordt artikel 33 (nieuw) en wijzigt als volgt:
“Artikel 30: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die 3 maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeentenen het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. 5. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten geschiedt door het dagelijks bestuur.” (oud) Wordt:
“Artikel 33: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.” (nieuw) De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 34: Geschillen Is inhoudelijk niet gewijzigd. Artikel 35: Ontbinding en liquidatie Artikel 32 (oud) wordt artikel 35 (nieuw) en wijzigt als volgt:
Artikel 32 […]: 2. Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.”(oud) Wordt:
11
“2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.”(nieuw) Artikel 35 lid 1, 4 t/m 9 (oud) blijven in het nieuwe artikel 36 lid 1, 4 t/m 8 (nieuw) ongewijzigd. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 36: Overgangsbepaling Artikel 33 (oud) worden opgenomen in artikel 36 (nieuw). Artikel 37: Inwerkingtreding Artikel 34 (oud) wordt artikel 37 (nieuw) betreft de bekendmaking en inwerkingtreding en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 35 oud Is verwijderd. Artikel 38: Evaluatie Artikel 36 (oud) wordt artikel 38 en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 39: Titel Artikel 37 (oud) wordt artikel 39 (nieuw) en omvat de citeertitel, deze is ongewijzigd.
12
Samen kom je verder De gevolgen van de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) voor de gemeenschappelijke regelingen in Zeeland
Notitie in opdracht van de Werkgroep Verbonden Partijen van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten (VZG) Datum
: 19 april 2023
Versie
1.0 DEFINITIEF
Inhoud Inleiding ................................................................................................................................................... 3 1. Overzicht wijzigingen Wet gemeenschappelijke regeling ................................................................... 4 2. Zienswijze van de gemeenteraad ........................................................................................................ 6 2.1.
Aangaan, toetreden uittreden en wijzigingen GR (artikel 1 Wgr) ........................................... 6
2.2.
Ontwerpbegroting (artikel 35 Wgr) ......................................................................................... 6
2.3.
Facultatief bepaalde zienswijzen (artikel 10 lid 5 en 6 Wgr) ................................................... 7
3. Participatie .......................................................................................................................................... 9 4. Actieve Informatieplicht .................................................................................................................... 10 5. Regionale raadsadviescommissie ...................................................................................................... 11 5.1. Totstandkoming van een regionale raadsadviescommissie ...................................................... 11 5.2. Overwegingen voor het instellen van een RAC .......................................................................... 12 6. Evaluatie ............................................................................................................................................ 13 7. Uittreding .......................................................................................................................................... 14
2 Gevolgen van wijziging Wgr 2022, versie april 2023
Inleiding De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is gewijzigd met ingang van 1 juli 2022 1. Deze wijzigingen van de Wgr en enkele andere wetten strekken ertoe de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen en de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van waterschappen in gemeenschappelijke regelingen te versterken. Zeeuwse afspraken gemeenschappelijke regelingen Naast de nieuwe Wgr zijn er door de Zeeuwse gemeenten, verenigd in de VZG ook afspraken gemaakt over gemeenschappelijke regelingen in Zeeland. In Afspraken over samenwerken met gemeenschappelijke regelingen in Zeeland (juli 2022) heeft de Werkgroep Verbonden Partijen in opdracht van de VZG de afspraken voor een goede samenwerking tussen gemeenschappelijke regelingen en de deelnemers geactualiseerd. In deze notitie wordt gesproken over de deelnemende gemeenten, maar voor een aantal Gemeenschappelijke Regelingen in Zeeland zijn ook de provincie Zeeland en het Waterschap Scheldestromen deelnemer. Dus daar waar gesproken wordt van deelnemende gemeenten, worden ook de deelnemende provincie en waterschap bedoeld.
In opdracht van de Werkgroep Verbonden Partijen heeft een werkgroep onder leiding van Arnold van den Berge (gemeentesecretaris van Kapelle) geïnventariseerd welke aanpassingen in de gemeenschappelijke regelingen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de nieuwe Wgr en de geactualiseerde Zeeuwse afspraken. In deze notitie worden de diverse onderwerpen die aanpassing van de tekst van de gemeenschappelijke regeling behoeven nader toegelicht. Daarbij is de eerder vastgestelde modelgemeenschappelijke regeling van de VZG als uitgangspunt genomen. Samenstelling werkgroep implementatie Wgr: de heer A. van den Berge, gemeentesecretaris gemeente Kapelle (voorzitter); de heer M. van Belzen, jurist gemeente Goes; mevrouw X. Born, jurist gemeenschappelijke regeling Sabewa; mevrouw K. Dieleman, concerncontroller Veiligheidsregio Zeeland; de heer M. Haartsen, senior juridisch adviseur gemeente Terneuzen; de heer G. Vos, teamleider Concernzaken gemeente Tholen; mevrouw M.L. van Zon, griffier gemeente Reimerswaal.