25-020 Bijlage 1. Wijziging GR de Zeeuwse Muziekschool met wijzigingen
Tekst van het document
HOOFDSTUK 7: INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 19: Intern 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. 4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, al dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
7
Artikel 20: informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur 1. Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. 3. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.
3.4. Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie. Artikel 21: informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur 1. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan de raadhet college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad aangegeven wijze. 2. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door de raadhet college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de raad bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 22: Bekendmaking Besluiten van het bestuur van een openbaar lichaam, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, zijn pas geldig als deze via het gemeenteblad bekend zijn gemaakt. Artikel 23: Inwerkingtreding De bekend gemaakte besluiten zijn van kracht op de achtste dag na de dag van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.
HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL Artikel 2422: Personeel 1. Bij de gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool is personeel werkzaam. 2. Het algemeen dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool de arbeidsvoorwaardenverordening de collectieve arbeidsovereenkomst Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (cao SGO) vast. 3. Het algemeen dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur, behoudens het bepaalde in artikel 10, lid 2, sub b.
HOOFDSTUK 9: FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 2523: Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 15 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren van de gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 2. De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 8
4.
5. 6.
Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, maar in ieder geval vóór 1 augustus15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.. 7.
Het bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.
Artikel 2624: Bijdragen van de gemeenten 1. De deelnemende gemeenten verplichten zich bij te dragen in de kosten van de Zeeuwse Muziekschool zijnde vaste kosten, niet-toerekenbare kosten en variabele kosten. a. De kosten worden als volgt over de deelnemende gemeenten omgeslagen: bijdrage in de vaste kosten volgens de formule: aantal inwoners deelnemende gemeente (per 1 jan begrotingsjaar) ------------------------------------------------------------------------------ x totaal vaste kosten totaal aantal inwoners deelnemende gemeenten bijdrage in de niet-toerekenbare kosten volgens de formule: totaal aantal docentenuren deelnemende gemeente ---------------------------------------------------------------- X totaal niet-toerekenbare kosten totaal aantal docentenuren alle deelnemende gemeenten bijdrage in de variabele kosten: het, met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 lid 2, met de gemeente overeengekomen budget.
b.
2.
Onder vaste kosten worden verstaan de huisvestingskosten van de Zeeuwse Muziekschool over het betreffende kalenderjaar, voor zover deze door het algemeen bestuur als redelijk zijn aangemerkt. c. De niet-toerekenbare kosten zijn de overige kosten die niet rechtstreeks aan de onderwijssectoren worden toegerekend, namelijk de inhoudelijke overheadkosten, de overige personele verplichtingen, de administratie- en organisatiekosten en de algemene kosten en baten. d. Er kan een voorziening worden gevormd tot een maximum van 5% van de totale begroting, waaruit incidentele tekorten op de exploitatierekening kunnen worden bestreden. Deze voorziening wordt gevoed door en aangewend voor het verschil tussen het effectieve en begrote bedrag voor organisatiekosten en de overige zelf verworven inkomsten. e. De variabele kosten zijn de personeelskosten voor docenten en de diverse uitvoeringskosten, die rechtstreeks aan de onderwijssectoren zijn toe te rekenen. f. Kosten en baten, voortvloeiend uit eventuele verschillen tussen de normatief vastgestelde en de werkelijk afgenomen docentenuren worden ten laste van, respectievelijk ten gunste van een voorziening variabele en niet-toerekenbare kosten gebracht.
Deze voorziening is gebonden aan een maximum van 2,5% van de loongevoelige kosten en wordt tevens gevoed door en aangewend voor het effectieve en begrote bedrag voor, vervangingskosten, wachtgelden, kosten garantie-uren en andere personele lasten. Indien de voorziening in enig jaar niet toereikend is om de kosten uit te bestrijden, dan worden deze in verhouding tot het aantal normatief vastgestelde docentenuren door de gemeenten gedragen. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks in de begroting het budget voor de docentenuren vast volgens de in de begroting opgenomen onderwijssectoren. a. Het dagelijks bestuur zendt vóór 1 januari ten behoeve van de nog vast te stellen begroting een opgavenformulier aan de raden van de deelnemende gemeenten. Hierin wordt een prognose gegeven van de kosten per docentenuur per onderwijssector en een voorstel gedaan voor de af te nemen 9
3.
4.
5. 6.
docentenuren per onderwijssector. De gemeenten zenden dit formulier, met de door de gemeente normatief vastgestelde af te nemen docentenuren, vóór 15 februari retour. Indien het dagelijks bestuur geen opgave heeft ontvangen dient de betreffende gemeente het in de prognose opgenomen budget af te nemen. b. De vermindering van het budget ten opzichte van de laatste vastgestelde begroting is, behoudens het bepaalde sub c van dit artikel, gebonden aan een maximum. Het budget van de deelnemende gemeente voor de variabele kosten mag niet meer dan 5% worden verminderd. Daarbij dient eerst rekening gehouden te worden met de trendmatige fluctuatie van de kosten. c. Indien de toepassing van de 5% vermindering genoemd onder b. leidt tot een verlaging van de totale gemeentelijke bijdragen van het variabele kostenbestanddeel (genoemd in art. 26 sub a) met meer dan 2% van de laatst vastgestelde begroting, vermeerderd met de trendmatige, fluctuatie van de kosten, dan wordt de vermindering van het budget van de betreffende gemeente zodanig evenredig verlaagd, dat de eerder genoemde 2% niet wordt overschreden. Het dagelijks bestuur dient de conceptbegroting daarmee in overeenstemming te brengen.
Indien de vermindering van het budget voor variabele kosten leidt tot extra personeelslasten, voortvloeiend uit het op de Zeeuwse Muziekschool van toepassing verklaarde rechtspositieregelingen, door teruggang van het aantal formatieplaatsen, zullen de betreffende gemeenten hier extra bijdragen voor beschikbaar stellen, in verhouding tot de mate, waarin de budgetverminderingen door die gemeenten de teruggang van het aantal formatieplaatsen hebben veroorzaakt. De deelnemende gemeenten zijn verplicht op verzoek van het Dagelijks Bestuur het bedrag van de in de begroting geraamde bijdrage bij wijze van voorschot, in vier gelijke termijnen, aan de Zeeuwse Muziekschool uit te keren, met dien verstande dat het gehele voorschot voor het einde van ieder cursusjaar is voldaan. De eerste termijn is op 1 februari verschuldigd, de tweede op 1 april, de derde op 1 juni en de vierde op 1 augustus. Bij niet tijdige betaling is de wettelijke rente verschuldigd. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.
Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doe het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.
Artikel 2725: Reserve 1. De gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur
van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld.tot maximaal 5% van de jaaromzet, 2.
inclusief de bijdrage van de deelnemers. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de deelnemende gemeenten over de te vormen reserve toe.
Artikel 2826: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 15 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdrage, naast het rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden. 3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening
een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4.
De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.
10
5.
Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 10: HET ARCHIEF Artikel 2927: Archief 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet vast te stellen regeling. 2. Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.
Artikel 28: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen Artikel 29: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.
HOOFDSTUK 11: TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, GESCHILLEN, OPHEFFING EN LIQUIDATIE Artikel 30: Toetreding, uittreding 1. Het bestuur college van de gemeente die wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 na ontvangst door aan de besturen van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 3. Toetreding vindt plaats indien de deelnemende gemeenten daarmee instemmen. 4. Elke gemeente kan bij besluit van de raad en het college bepalen dat de deelneming aan deze gemeenschappelijke regeling wordt opgezegd. 5. Van het besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk drie kalendermaanden vóór het einde van het kalenderjaar kennisgegeven aan het algemeen bestuur. 6.5. Na inwerkingtreding van de regeling, is uittreding door deelnemers gedurende een periode van vijf kalenderjaren niet mogelijk. Na het verstrijken van deze periode is uittreding te allen tijde mogelijk, mits 11
daarvan conform het vierde lid, met een opzegtermijn van tenminste twee kalenderjaren, van tevoren schriftelijk aankondiging is gedaan en mits wordt voldaan aan de daaraan door het algemeen bestuur te stellen voorwaarden. 7. Het algemeen bestuur regelt de financiële gevolgen evenals de overige gevolgen van de uittreding. 8. Voor de vaststelling van de financiële gevolgen als bedoeld in lid 7 wordt door de gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool en de uittredende gemeente gezamenlijk advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van deze deskundige is voor partijen bindend. De kosten voor het inschakelen van de deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente. 9.6. Elk besluit tot toe- of uittreding van een gemeente wordt direct aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde Staten en aan het Handelsregister Kamer van Koophandel gestuurd. 10.7. Het algemeen bestuur zorgt voor alle openbaarmaking als er sprake is van wijziging, verlenging of opheffing van de regeling of toetreden en uittreding van deelnemende gemeenten.
Artikel 31: Aanvang uittredingsprocedure 1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 4. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van twee jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen. Artikel 32: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risicoopslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten 12
8.
gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.
Artikel 33: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door Muziekschool Zeeland die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 34: Verplichtingen uittreder 1.
De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Muziekschool Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. 13
Artikel 3135: Wijziging (wijziging heeft geen betrekking op het toekennen van nieuwe taken) 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de raden en/of de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de raden van de deelnemende gemeentendeelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die drie maanden na ontvangst ter zake een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur melden. 4.3. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zaken binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. 5.4. De bij wet voorgeschreven toezending van de wijziging aan Gedeputeerde Staten en aan het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel, geschiedt door het dagelijks bestuur. Artikel 3236: Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2.
De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. 3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. 5. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd. Artikel 3337: Ontbinding en liquidatie 1. Deze regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de raden en de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten. 2. In geval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten.
Een liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en verplichtingen van de gemeenschappelijke regeling over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding van de regeling. 4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel. 5.2. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6.3. Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten en Gedeputeerde Staten, mede met het oog op de vereiste goedkeuring door Gedeputeerde Staten van de wijziging van de regeling conform de artikelen 26, 27 en 29 Wgr, alsmede naar het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel van het ressort waaronder de regeling valt. 7.4. De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid. 8.5. Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “(gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool i.l.)”
HOOFDSTUK 12: SLOTBEPALINGEN Artikel 3438: Overgangsbepaling Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien. Artikel 3539: Inwerkingtreding 14
1. 2. 3. 4. 5.
Het college van de gemeente Middelburg zorgt voor het inzenden van de regeling, alsmede besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan Gedeputeerde Staten en de Kamer van Koophandel. De deelnemende gemeenten zorgen voor inschrijving in het register, als bedoel in artikel 27, lid 1, Wgr. Het college van de gemeente Middelburg zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking in een regionaal dagblad. De kosten daarvan komen ten laste van de regeling. De regeling treedt in werking na opname in het door Gedeputeerde Staten bij te houden register, evenals in Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. De gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool is de werkzaamheden gestart op 1 januari 1984.
Artikel 3640: Slotbepaling In gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur. Artikel 3741: Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie. Artikel 3842: Titel De regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling de Zeeuwse Muziekschool’.
Aldus besloten in de algemeen bestuursvergadering van
Mr. E.G.M. Smit, voorzitter
15
Overzicht voorstel wijzigingen vanuit de werkgroep VZG
Herziening gemeenschappelijke regeling de Zeeuwse Muziekschool Inwerking getreden op <datum actuele versie> Nr. Artikel actuele versie GR 1 Aanhef De raden, de colleges en de burgemeester van de gemeenten … 2 Artikel 1 lid 1 onder c 3 Artikel 2, eerste zin 4 Artikel 3 5 Artikel 6 lid 1 6 Artikel 9 lid 2, lid 3, lid 5 en lid 7
Voorgestelde aanpassing artikel De colleges van de gemeenten …
7 8
Artikel 9 lid 4 en lid 9 Artikel 10 lid 2
9
Artikel 10 lid 3 aanpassen
10 11 12
Artikel 11 lid 1 Artikel 11 lid 3 Artikel 11 lid 4 en lid 5 samenvoegen en actualiseren
Secretaris en penningmeester schrappen en lid 9 schrappen a. secretaris en penningmeester schrappen b. in zijn geheel schrappen i. in zij geheel schrappen j. artikel 24a toevoegen Modelbepaling: Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Gedeputeerde staten schrappen Formulering aanpassen, zin loopt niet Modelbepaling:
Gemeenteraden en burgemeesters schrappen Nummering leden aanpassen 1 t/m 3 Formulering aanpassen, zin loopt niet Formulering aanpassen, zin loopt niet De raad vervangen door Het college
Opmerkingen/toelichting Het betreft een collegeregeling, raden en burgemeesters dragen geen bevoegdheden over Zie opm. onder 1
Het betreft een collegeregeling Geen formele functie in Wgr Zie opm. onder 7 Geen bevoegdheid AB Geen bevoegdheid AB Nieuwe Wgr Oude bepaling niet volledig
Dit is geen verplichting meer
De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk Va,
1
Nr. Artikel actuele versie GR
Voorgestelde aanpassing artikel
Opmerkingen/toelichting
Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.
13 14 15 16
Artikel 12 Artikel 13 lid 1 Artikel 13 lid 6 Artikel 16, lid 2 onder f
Eerste zin: “Op grond van …. Wgr van toepassing” schrappen Secretaris en penningmeester schrappen en vervangen door 3 leden? Is dit rechtmatig? Schrappen: met uitzondering van de directeur en diens waarnemer
17 18
Artikel 18 lid 2 en lid 5 Artikel 20 lid 4 toevoegen
19
Artikel 21 lid 1 en lid 2
Algemeen bestuur vervangen door dagelijks bestuur Modelbepaling: Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie De raad vervangen door het college
20
Artikel 22 en 23 schrappen
Bekendmaking en inwerkingtreding zijn geregeld in de Awb
21 22 23 24 25 26 27
Artikel 24 lid 2 Artikel 24 lid 3 Artikel 24 lid 4 Artikel 25 lid 1 Artikel 25 lid 2 Artikel 25 lid 3 Artikel 25 lid 3, tweede volzin
Cao SGO nog steeds van toepassing? Algemeen bestuur vervangen door dagelijks bestuur Schrappen: behoudens het bepaalde in artikel 10, lid 2 sub b Vóór 15 april, vervangen door vóór 30 april Aparte ter inzagelegging door de gemeenten is niet verplicht. Acht weken vervangen door twaalf weken Deze zin schrappen
28
Artikel 25 lid 4
1 augustus vervangen door 15 september
Het benomen en ontslaan van de directeur is op grond van de Wgr een bevoegdheid van het dagelijks bestuur Zie opm 16 Volgt uit de Zeeuwse Samenwerkingsafspraken
Omdat het een collegeregeling betreft is het college bevoegd hiertoe. Zijn eigenlijk overbodige bepalingen.
Zie opm. 16 Is bepaald in Wgr Is bepaald in Wgr Het DB dient altijd te reageren op een (inhoudelijke) zienswijze, alvorens de begroting wordt vastgesteld. In Wgr bepaald 2
Nr. Artikel actuele versie GR 29 Artikel 25 lid 6
30 31
Artikel 25 lid 7 Artikel 26 lid 1 tot en met 3
32
Artikel 27 lid 1
33 34
Artikel 28 lid 1 Artikel 28 extra lid 3 toevoegen
35 36
Artikel 29 Na artikel 29, artikel 30 Informatieveiligheid toevoegen
37
Na artikel 30, artikel 31 Participatie toevoegen
Voorgestelde aanpassing artikel Aan deze zin toevoegen: met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begro-tingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. De eerste zin: “Het bestuur geeft…begrotingswijzigingen” schrappen Geen aanpassing, wijkt af van modelbepaling, maar is niet in strijd met de nieuwe Wgr Het zinsdeel “tot maximaal 5 % van de jaaromzet ….deelnemers.” vervangen door conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld. Vóór 15 april vervangen door vóór 30 april Modelbepaling: Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. Nummering leden aanpassen Modelbepaling: Artikel : Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2.
Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen Modelbepaling: Artikel : Participatie, 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.
Opmerkingen/toelichting Volgt uit Zeeuwse samenwerkingsafspraken Is een herhaling van lid 6. Berekening bijdrage gemeente is resultaat van eerdere onderhandelingen Volgt uit Zeeuwse Samenwerkingsafspraken In Wgr bepaald Volgt uit Zeeuwse samenwerkingsafspraken
Gegevensbescherming en informatieveiligheidseisen van gemeenten gelden ook voor GR
In nieuwe Wgr is het verplicht een bepaling over Participatie op te nemen
3
Nr. Artikel actuele versie GR
38 39
Artikel 30 lid 1 Artikel 30 lid 4
Voorgestelde aanpassing artikel 2. (facultatief bij actieve inwonersparticipatie) Ingezetenen en belanghebbenden worden in ieder geval betrokken bij: …. 3. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 4. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt. Het bestuur vervangen door het college De raad schrappen
40
Artikel 30 lid 5
Dit lid schrappen, gezien lid 6
41
Artikel 30 lid 7 en lid 8
Vervangen door de modelbepalingen artikelen 30, 31, 32 en 33, zie bijlage 1
42 43 44
Artikel 31 lid 1 Artikel 31 lid 2 Artikel 31 lid 3
De raden en/of schrappen De raden van de deelnemende gemeenten vervangen door de deelnemers Dit lid schrappen
Opmerkingen/toelichting
Het besluit om uit te treden is bij een collegeregeling aan het college De opzegtermijn is 2 jaar en niet 3 maanden? De nieuwe Wgr schrijft voor dat de uittreding van een deelnemer uitvoerig beschreven moet zijn in de GR zelf. Het besluit ligt bij het college De Wgr bepaalt zelf de procedure van wijziging van 4
Nr. Artikel actuele versie GR
Voorgestelde aanpassing artikel
45
Deze leden schrappen
Artikel 35 lid 2, 3 en 4
Opmerkingen/toelichting de GR (lid is in strijd met de wet) Deze regelingen zijn niet meer van toepassing
5
Bijlage 1 Modelbepalingen uitreding deelnemer: Artikel 30: Aanvang uittredingsprocedure 1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het Algemeen Bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 4. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het Algemeen Bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen. Artikel 31: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast.
Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
6
8.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.
Artikel 32: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door <naam GR> die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5.
Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid. 7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 33: Verplichtingen uittreder 1.
De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van <naam GR> die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
7
8