CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

22-133 rvs Ambtshalve wijziging bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ambtshalve wijziging bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020 (22-133 RM)4.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

raadsvoorstel volgnummer

15-12-2022 22-133

onderwerp

Ambtshalve wijziging bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020

behandelen in raadscommissie

Ruimte

portefeuillehouder

Rutger Schonis Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en stedelijke vernieuwing Arnold Schiettekatte a.schiettekatte@middelburg.nl (0118) 675113

datum vergadering

programma behandeld door e-mail telefoon

Conceptbesluit

De raad besluit: 1. Het bestemmingsplan ‘Waterpark Veerse Meer 2020’, vastgesteld op 7 juli 2021 en vervat in de bestandenset met planidentificatie NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VG01 te wijzigen zoals aangegeven in dit raadsvoorstel, het herstelbesluit (ex artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht) voor bestemmingsplan 'Waterpark Veerse Meer 2020' vast te stellen en de planidentificatie te wijzigen in NL.IMRO.0687.BPBGMWVMEER2020-VG02. 2. Geen exploitatieplan vast te stellen omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd. 3. Het besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken en dit tevens toe te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Aanleiding

Op 7 juli 2021 stelde de gemeenteraad het bestemmingsplan 'Waterpark Veerse Meer 2020' (gewijzigd) vast. Het plan maakt de doorontwikkeling mogelijk van het gelijknamige recreatiepark dat in 2015 failliet is verklaard. Een aantal appellanten stelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep in tegen het vaststellingsbesluit. Twee van hen dienden een verzoek tot voorlopige voorziening in bij de voorzitter van de Afdeling en vroegen de inwerkingtreding van het bestemmingsplan te schorsen. De voorzieningenrechter wees die verzoeken op 15 december 2021 toe. De Afdeling gaf begin 2022 opdracht aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak om advies uit te brengen over de ingediende beroepen. De Stichting bracht haar advies op 30 augustus 2022 uit aan de Afdeling. Zowel het besluit tot schorsing van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan als het advies van de Stichting geeft aanleiding om het bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen, voordat de beroepen ter zitting worden behandeld. Hiermee komen we op onderdelen tegemoet aan een aantal ingediende beroepschriften. Van de gelegenheid maken we gebruik om een aantal (ondergeschikte) wijzigingen door te voeren. Tevens voeren we enkele (deels redactionele) wijzigingen en correcties door in de toelichting bij het bestemmingsplan.

Daarmee brengen we de voor het herstelbesluit relevante passages in overeenstemming met de huidige inzichten. Effect

Een bestemmingsplan als juridisch-planologisch kader voor de herontwikkeling van Waterpark Veerse Meer te Arnemuiden. Argumenten

1.1 Het bestemmingsplan bevat een aantal omissies De ingediende beroepen worden behandeld in een bodemprocedure. Vooruitlopend daarop vroegen twee appellanten aan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de voorzieningenrechter) de inwerkingtreding van het bestemmingsplan te schorsen. De voorzieningenrechter wees die verzoeken toe vanwege spoedeisend belang van de verzoekers en omdat hij er niet van overtuigd dat het bestemmingsplan in de bodemprocedure in stand kan blijven, onder andere vanwege de motivering dat omliggende Natura2000gebieden niet worden aangetast door de doorontwikkeling van het Waterpark Veerse Meer. 1

In het kader van de bodemprocedure gaf de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling ) de opdracht aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) om advies aan de Afdeling uit te brengen over de ingediende beroepen. Dit advies verscheen eind augustus 20222. De StAB is (eveneens) van mening dat het bestemmingsplan een aantal omissies bevat. Daardoor lopen we het risico dat de Afdeling het bestemmingsplan (op onderdelen) vernietigt. Daarom stellen we uw raad voor een wijziging van het bestemmingsplan vast te stellen. Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. Dit staat bekend als een herstelbesluit. We stellen u voor om het bestemmingsplan te wijzigen op de volgende onderdelen: 1. Veiligheidscontour vliegveld Midden-Zeeland; 2. Faseringsregeling stikstof; 3. Voorzieningen opwekken duurzame energie; 4. Bufferzone rond boerderij Muidenweg 11 Arnemuiden; 5. Verlichting binnen het recreatiepark; 6. Principeprofielen bufferzone zuidelijk van de Oranjeplaatweg; 7. Ligplaatsen binnen de bestemming 'Water'; Hieronder lichten we deze onderdelen toe en doen we per onderdeel een concreet voorstel. Tevens voeren we enkele (deels redactionele) wijzigingen en correcties door in de toelichting bij het bestemmingsplan.

Daarmee brengen we de voor het herstelbesluit relevante passages in overeenstemming met de huidige inzichten. 1. Wijzigingsvoorstel contouren vliegveld a. Veiligheidscontour Aanleiding Naar aanleiding van het beroep dat door het vliegveld is ingesteld tegen het bestemmingsplan, is geconstateerd dat de veiligheidscontour die is opgenomen in het geldende luchthavenbesluit ten onrechte niet in het bestemmingsplan is opgenomen. Wijzigingsvoorstel Op de verbeelding wordt de aanduiding ‘veiligheidszone – luchthaven’ opgenomen. In art. 11 van de planregels wordt na lid 11.3 een nieuw lid 11.4 ingevoegd: 11.4 Veiligheidszone – luchthaven 1. Op gronden met de aanduiding ‘veiligheidszone – luchthaven’ is nieuwbouw van woningen, kwetsbare gebouwen en/of beperkt kwetsbare gebouwen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit burgerluchthavens, zoals geldend op de datum van vaststelling van dit bestemmingsplan, verboden, met uitzondering van de bouw van bedrijfswoningen als bedoeld in dat besluit. 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik worden verleend voor nieuwbouw van woningen, kwetsbare gebouwen en/of beperkt kwetsbare gebouwen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van het Besluit burgerluchthavens op gronden die niet liggen binnen een plaatsgebonden risicocontour als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder a.

van het Besluit burgerluchthavens , zoals geldend op de datum van vaststelling van dit bestemmingsplan, die krachtens een onherroepelijk luchthavenbesluit is aangewezen, mits de situering van de start- en landingsbaan feitelijk in overeenstemming is met dat luchthavenbesluit en in gebruik is of kan worden genomen. Toelichting Met deze regeling wordt gewaarborgd dat zolang de veiligheidscontour van het vliegveld over het plangebied ligt, binnen die contour geen woningen, kwetsbare gebouwen en/of beperkt kwetsbare gebouwen mogen worden gerealiseerd. Op die manier wordt in overeenstemming gehandeld met het Besluit burgerluchthavens en het luchthavenbesluit dat voor het vliegveld genomen is. De regeling sluit daarmee uit dat de exploitatie van het vliegveld door het bestemmingsplan wordt belemmerd. Voor de betekenis van de begrippen ‘woning’, ‘kwetsbaar gebouw’, ‘beperkt kwetsbaar gebouw’, ‘plaatsgevonden risicocontour’ en 'bedrijfswoning' wordt verwezen naar de definities in het Besluit burgerluchthavens. De bestemmingsregeling komt op die manier overeen met het verbod dat is 2

neergelegd in art. 11 lid 1 van het Besluit burgerluchthavens. Net als in art. 11 lid 1 van het Besluit burgerluchthavens is de bouw van bedrijfswoningen binnen de veiligheidscontour als bedoeld in dat besluit wel toegestaan. Zodra een luchthavenbesluit in werking is getreden op grond waarvan de baanrotatie is gerealiseerd en dus een verschuiving van de plaatsgebonden risicocontouren heeft plaatsgevonden, vormt het luchthavenbesluit niet langer een belemmering voor de nieuwbouw van woningen, kwetsbare gebouwen en/of beperkt kwetsbare gebouwen op gronden in het plangebied die niet langer binnen een risicocontour liggen. Vanaf dat moment kan op grond van de regeling een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw worden verleend. Evenwel is er voor gekozen om in de planregels vast te leggen dat omgevingsvergunningen pas kunnen worden verleend als het luchthavenbesluit onherroepelijk is en dus is uitgesloten dat dit besluit nog vernietigd wordt. Hiermee wordt ook een mogelijke overgangssituatie gedekt waarin al een nieuw luchthavenbesluit genomen is, maar de start- en landingsbaan van het vliegveld nog niet is geroteerd en dus nog wordt gebruikt.

Om het voortgezette gebruik van de bestaande start- en landingsbaan in de tussenliggende periode mogelijk te maken, moet in het nieuwe luchthavenbesluit immers een overgangsregeling worden opgenomen waarin (tijdelijk) in dat gebruik wordt voorzien, inclusief de bijbehorende veiligheidscontouren. Zonder een dergelijke overgangsregeling zou het vliegveld de exploitatie moeten staken zolang de nieuwe landingsbaan nog niet gereed is, omdat het luchthavenbesluit dan uitsluitend in het gebruik van de nieuwe landingsbaan zou voorzien. Het (tijdelijke) voortbestaan van de veiligheidscontouren staat in de weg aan de toepassing van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan die in de voorgestelde regeling is opgenomen. Volledigheidshalve is in de afwijkingsbevoegdheid bepaald dat pas een vergunning voor het bouwen van woningen, kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen mag worden verleend als de landingsbaan ook feitelijk is geroteerd en gereed is om het vliegverkeer af te wikkelen. b. Geluidsbelasting Aanleiding In lid 11.1 van de planregels wordt verwezen naar het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart. Dat besluit is niet langer van kracht. De relevante regels zijn op dit moment neergelegd in het Besluit burgerluchthavens.

Wijzigingsvoorstel In lid 11.1 van de planregels wordt de aanhef vervangen door de volgende tekst: Onverminderd het bepaalde in Hoofdstuk 2 en 3, is het verboden om binnen de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – 2’ woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, en geluidsgevoelige gebouwen te bouwen als bedoeld in art. 1 lid 1 van het Besluit burgerluchthavens, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Toelichting In lid 11.1 van de planregels wordt nog verwezen naar het Besluit geluidsbelasting kleine luchtvaart. Dat besluit is echter niet langer van kracht. Om dit te corrigeren, wordt een verwijzing opgenomen naar het thans geldende Besluit burgerluchthavens. Daarbij wordt de formulering van de aanhef van lid 11.1 van de planregels in overeenstemming gebracht met art. 12 van het Besluit burgerluchthavens. Dit artikel sluit de nieuwbouw van woningen en geluidsgevoelige gebouwen uit binnen de geluidscontour van het vliegveld, maar bedrijfswoningen niet. Volledigheidshalve wordt in de aanhef uitdrukkelijk bepaald dat de beperking van de bouwmogelijkheden die in lid 11.1 van de planregels is neergelegd, geen afbreuk doet aan de overige bouw- en gebruiksbeperkingen die in de bestemmingsplanregels zijn neergelegd.

Dit voorkomt dat de indruk wordt gewekt dat lid 11.1 van de planregels onder voorwaarden voorziet in de bouw van woningen en geluidsgevoelige gebouwen, waarvoor de bestemmingen ‘Groen’, ‘Verblijfsrecreatie’, ‘Verkeer’ en ‘Water’ geen ruimte bieden. 3

2. Faseringsregeling Stikstof Aanleiding Uit het rapport van Sweco van 30 september 2022 volgt dat de ontwikkeling en de ingebruikname van het recreatiepark niet leidt tot een toename van stikstofdepositie binnen een Natura 2000-gebied. Daarbij is het reële en aannemelijke uitgangspunt gehanteerd dat de ontwikkeling gefaseerd plaatsvindt. De exacte fasering laat zich echter moeilijk voorspellen, zodat de theoretische mogelijkheid bestaat dat op een zeker moment meer stikstofemissie plaatsvindt dan waarvan Sweco in de berekening is uitgegaan, hetgeen onder omstandigheden ook tot een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied zou kunnen leiden. Wijzigingsvoorstel In art. 1 van de planregels worden de volgende begripsbepalingen toegevoegd, onder vernummering van de daaropvolgende leden: 1.37 Emissie N/kg/jaar: Stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht, waarbij de ‘N’ een verzamelnaam is voor NH3 en NOx.

1.79 Toename van stikstofemissie: Er is sprake van een toename van stikstofemissie als de emissie N/kg/jaar als gevolg van het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar als gevolg van het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van die gronden en bouwwerken, waaronder mede begrepen het gebruik dat voorafgaand aan de vaststelling uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt, en dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. In art. 10 van de planregels wordt na lid 10.5 een nieuw lid 10.6 ingevoegd: 10.6 Stikstof Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken als dit leidt tot een toename van stikstofemissie. Toelichting

Met de aan de algemene gebruiksregels toegevoegde stikstofregeling wordt geregeld dat een toename van de stikstofemissie als gevolg van het (laten) gebruiken van de gronden en bouwwerken niet toegestaan is. Er is sprake van een toename van stikstofemissie van gronden en bouwwerken wanneer de emissie N/kg/jaar meer bedraagt dan de emissie N/kg/jaar afkomstig van het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken en dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. 3. Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie a. Planologische mogelijkheid Aanleiding In de bestemmingsomschrijvingen van de bestemmingen ‘Groen’, ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’, ‘Verkeer’ en ‘Water’ wordt ruimte geboden voor zowel de realisatie van ‘nutsvoorzieningen’ als van ‘Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie’. Dat is dubbelop, omdat uit de definitiebepaling van het begrip ‘Nutsvoorziening’ volgt dat onder dit begrip mede voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie moeten worden begrepen. Wijzigingsvoorstel In lid 1.58 van de planregels wordt de zinsnede “en Voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie:” vervangen door “, niet zijnde voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie”. Toelichting 4

Met deze wijziging wordt aangegeven dat voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie niet onder het begrip ‘nutsvoorzieningen’ vallen. Het bestemmingsplan voorziet in aparte en uitdrukkelijke mogelijkheden voor het realiseren van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. Daarom kan het verwarring wekken als dergelijke voorzieningen ook onder de algemene mogelijkheid voor het realiseren van nutsvoorzieningen worden geschaard. b. Bouwhoogte Aanleiding In lid 9.3 van de planregels worden voor bouwwerken, niet zijnde gebouwen, ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie per abuis twee verschillende maximale bouwhoogten voorgeschreven. In lid 9.3 onder b van de planregels wordt voor gebouwen en bouwwerken een maximale hoogte voorgeschreven van 4 meter, terwijl in lid 9.3 onder c van de planregels voor “andere bouwwerken” een maximale hoogte van 10 meter wordt genoemd. Wijzigingsvoorstel In lid 9.3 onder b van de planregels wordt de zinsnede “en bouwwerken” geschrapt. Toelichting Door de zinsnede “en bouwwerken” in lid 9.3 onder b van de planregels te schrappen, wordt voorkomen dat de hier voorgeschreven maximale bouwhoogte van 4 meter ook van toepassing is op bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dat is nodig, omdat lid 9.3 onder c voor dergelijke bouwwerken (geen gebouw zijnde) een maximale bouwhoogte voorschrijft van 10 meter.

Met de wijziging wordt deze innerlijke tegenstrijdigheid verholpen. c.

Maximale oppervlakte zonnepanelen Aanleiding Lid 9.3 onder a van de planregels bepaalt in algemene zin dat de maximum oppervlakte voor gebouwen en bouwwerken ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie 100 m2 bedraagt. Dit maximum is daarmee ook van toepassing op bijvoorbeeld zonnepanelen die op daken van gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gelegd. Dat is niet de bedoeling. Wijzigingsvoorstel Lid 9.3 onder a van de planregels komt als volgt te luiden: a. de maximum oppervlakte van op zichzelf staande bouwwerken ten behoeve van voorzieningen

voor het opwekken van duurzame energie bedraagt niet meer dan 100 m 2. Dit maximum is niet van toepassing op voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie die worden geplaatst op of aan andere gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Toelichting Met lid 9.3 onder a van de planregels wordt beoogd te voorkomen dat de groene ruimte rondom de recreatiewoningen in grote mate wordt benut voor het realiseren van bouwwerken ten behoeve van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie. In de huidige formulering is de beperking van de maximale oppervlakte van dergelijke bouwwerken echter ook van toepassing op voorzieningen die op of aan bouwwerken worden geplaatst, bijvoorbeeld zonnepanelen die zich op de daken van de recreatiewoningen of een carport bevinden. Het is echter de bedoeling om dergelijke vormen van dubbel ruimtegebruik zonder beperkingen toe te staan. Daarmee wordt immers een bijdrage geleverd aan de duurzaamheid, zonder dat dit ten koste gaat van de groene ruimte binnen het park. 4. Bufferzone rond de boerderij a. Bufferzone Aanleiding Rondom de boerderij ten noorden van het plangebied is in het bestemmingsplan een bufferzone gelegd. Dit is gebeurd met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten – functies’. Aan die 5

functieaanduiding is het verbod gekoppeld om de gronden te gebruiken voor extensieve dagrecreatie, sport- en speelterreinen, nutsvoorzieningen en ondergeschikte voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie. Binnen de bestemming ‘Groen’ blijft desondanks ruimte bestaan voor (ontsluitings)wegen, overige wegen en paden, en parkeervoorzieningen. Ook binnen de bestemming ‘Natuur’ bestaat nog ruimte om in de bufferzone overige wegen en paden aan te leggen. Dergelijk ruimtegebruik staat haaks op de functie als bufferzone die de gronden dienen te hebben. Wijzigingsvoorstel Lid 3.3 van de planregels wordt als volgt gewijzigd vastgesteld: Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten – functies’ zijn ontsluitingswegen, extensieve dagrecreatie, sport- en speelterreinen, overige wegen en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie niet toegestaan. Lid 4.4 van de planregels wordt als volgt gewijzigd vastgesteld: Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten – functies’ zijn extensieve dagrecreatie en wegen en paden niet toegestaan.

Toelichting Met deze wijzigingen wordt de regeling van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen uitgesloten – functies’ in overeenstemming gebracht met de functie die de aangewezen gronden hebben als bufferzone rondom de bestaande boerderij ten noorden van het plangebied. In de huidige regeling worden nog enkele gebruiksmogelijkheden geboden die tot overlast zouden kunnen leiden en daarmee haaks staan op de bufferfunctie, zoals wegen en parkeervoorzieningen. Dat wordt gecorrigeerd. b. Buitenzwembad Aanleiding

De bufferzone rondom de bestaande boerderij aan de noordzijde van het plangebied is 50 meter breed. Daarmee is gewaarborgd dat wordt voldaan aan de richtafstand die in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt aangehouden voor de relevante categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Het bestemmingsplan voorziet binnen de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ echter ook in een algemene mogelijkheid voor het aanleggen van zwembaden, waardoor niet is uitgesloten dat een openluchtzwembad/buitenzwembad wordt gerealiseerd binnen de richtafstand die daar in de VNG-brochure voor wordt aangehouden. Wijzigingsvoorstel

Op de verbeelding wordt binnen de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie uitgesloten - buitenzwembad’ opgenomen. Na lid 5.3.5 van de planregels wordt een nieuw lid 5.3.6 ingevoegd: 5.3.6 Zwemmen in de open lucht Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie uitgesloten – buitenzwembad’ is het verboden om gelegenheid te bieden voor het zwemmen in de open lucht. Toelichting Door de richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG-brochure) aan te houden tot de woningen, kan worden gewaarborgd dat ter plaatse van die woningen sprake zal blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bestemmingsplan maakt het echter mogelijk om openluchtzwembaden aan te leggen binnen de richtafstand die daarvoor in de VNG-brochure wordt gehanteerd. Met deze wijziging wordt gewaarborgd dat binnen de richtafstand geen gelegenheid wordt geboden voor zwemmen in de open lucht, zodat kan worden uitgesloten dat de daarmee gepaard gaande milieuhinder zich zal voordoen. 6

5. Verlichting Aanleiding Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is een verlichtingsplan opgesteld. Dat plan is als bijlage 13 bij de toelichting is gevoegd. Op basis van het verlichtingsplan wordt in het MER aangegeven dat verlichting terughoudend wordt toegepast om de uitstraling op de omgeving te beperken en een impact op fauna te voorkomen. Op grond van de planregels is het echter niet verplicht om de verlichting op deze manier uit te voeren. Wijzigingsvoorstel In lid 10.2 wordt de punt aan het einde van onderdeel e vervangen door een puntkomma en wordt een nieuw onderdeel f ingevoegd: f. het aanbrengen van rondstralende verlichting langs wegen en op parkeerplaatsen. Toelichting In de onderzoeken die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen, waaronder de onderzoeken naar de gevolgen voor de fauna buiten het plangebied, is ervan uitgegaan dat de verlichting wordt gericht naar de wegen en parkeerplaatsen en niet rondstralend wordt uitgevoerd. Daarmee wordt lichtuitstraling naar boven zo veel mogelijk voorkomen. 6. Principeprofielen a. Principeprofiel Oranjeplaatweg Aanleiding In de Inrichtingsvereisten die als bijlage 2 onderdeel uitmaken van de regels, is in Principeprofiel 4 geen inrichting voorgeschreven voor de bufferzone langs de zuidzijde van de Oranjeplaatweg, terwijl hier op de verbeelding en in de regels wel een bufferzone wordt voorzien.

Wijzigingsvoorstel Aan bijlage 2 bij de regels ‘Waterpark Veerse Meer inrichtingsvereiste’ wordt aan principeprofiel 4 een profiel toegevoegd voor de groenstrook aan de zuidzijde van de Oranjeplaatweg. Toelichting Met deze wijziging wordt de onduidelijkheid weggenomen of Principeprofiel 4 op locatie DD’ ook een inrichting voorschrijft voor de groene overgangszone aan de zuidzijde van de Oranjeplaatweg. Het principeprofiel wordt voor deze locatie aangevuld. b. Grondwal Aanleiding Rondom een belangrijk deel van het park gaat de landschappelijke inpassing gepaard met het aanleggen van een grondwal. In de inrichtingsvereisten die als bijlage 2 bij de planregels zijn gevoegd, is aan de hand van profielen bepaald waar de grondwal moet komen en wat de omvang daarvan moet zijn. In art. 10 lid 4 van de planregels is de verplichting opgenomen om de landschappelijke inpassing conform de inrichtingsvereisten te realiseren. Door de huidige formulering van dit artikel kan deze verplichting echter zodanig worden geïnterpreteerd, dat het aanleggen van de grondwal facultatief is.

Wijzigingsvoorstel Lid 10.4 van de planregels wordt als volgt gewijzigd vastgesteld: Binnen de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing', zoals opgenomen in de bestemming "Groen", dient bij de ingebruikname van de nabijgelegen recreatiewoningen en bijbehorende voorzieningen een groene overgangszone te zijn aangelegd en in stand te worden gehouden, conform de uitgangspunten en principeprofielen zoals opgenomen in bijlage 2. Toelichting 7

Met de gewijzigde formulering wordt onderstreept dat bij de realisatie van de landschappelijke inpassing de verplichting bestaat om een grondwal aan te leggen op de locaties waar een dergelijke grondwal onderdeel uitmaakt van het principeprofiel dat krachtens de inrichtingseisen in bijlage 2 bij de planregels op de desbetreffende locatie van toepassing is. 7. Ligplaatsen Aanleiding De bestemming Water biedt een onbeperkte mogelijkheid voor het realiseren van ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen, zonder deze overigens te koppelen aan de recreatiedoeleinden. Dit terwijl binnen de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ een maximum geldt van 245 ligplaatsen (zie lid 5.3.4 van de planregels). Wijzigingsvoorstel In lid 7.1 wordt onder de passage ‘met daarbij behorende’ de volgende zinsnede geschrapt: “b. ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen.” In lid 7.1 wordt de nummering van de onderdelen gecorrigeerd. Toelichting Met de wijziging wordt voorkomen dat binnen de bestemming 'Water’ een onbeperkte mogelijkheid bestaat voor het realiseren van ligplaatsen. Deze mogelijkheid wordt beperkt geboden binnen de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’, waarin het aantal is gelimiteerd tot maximaal 245 ligplaatsen (zie lid 5.3.4 van de planregels). Per abuis loopt de nummering van de onderdelen in lid 7.1 van de planregels niet door. Dit wordt gecorrigeerd.

2.1 Het verplichte kostenverhaal is anderszins verzekerd Artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat bij vaststelling van een bestemmingsplan ook een exploitatieplan vastgesteld wordt. Op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld, indien het kostenverhaal anderszins verzekerd. Met de initiatiefnemer, Driestar, sloten we een anterieure overeenkomst. Deze is besproken in raadsvergaderingen van 8 oktober 2018 en 28 januari 2021. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Wij stellen uw raad daarom voor geen exploitatieplan vast te stellen. 3.1 Het herstelbesluit moet worden bekendgemaakt en worden toegezonden aan de Raad van State Artikel 3.8 lid 3 van de Wro geeft de juridische kaders voor de bekendmaking van het herstelbesluit. Ons college is hiermee belast. Het herstelbesluit moet op grond van artikel 6:19 lid 3 Awb onverwijld ter beschikking worden gesteld aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook hiermee is ons college belast. Kanttekeningen

1.1 Beroep mogelijk tegen herstelbesluit Tegen het herstelbesluit kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling. De termijn daarvoor bedraagt zes weken na bekendmaking van het besluit. 1.2 Het herstelbesluit is geen garantie op niet-vernietiging De beroepen die appellanten instelden bevatten meer (juridische) gronden dan waarvoor we nu een voorstel tot een herstelbesluit voorleggen. Hoewel we niet uitgaan van (gedeeltelijke) vernietiging van het bestemmingsplan door de Afdeling is dit ook niet voor 100% uit te sluiten. Dat weten we pas als na de uitspraak van de Afdeling.

Financiën

Wat mag het kosten? De kosten die aan het herstelbesluit zijn verbonden vallen binnen de anterieure overeenkomst die we sloten met Driestar.

8

Hoe gaan we dat financieren? Niet van toepassing. Zijn er significante gevolgen or het weerstandsvermogen? Niet van toepassing.

Duurzaamheid

De wijzigingen die we voorstellen in het herstelbesluit hebben geen gevolgen voor de duurzaamheidsaspecten van Waterpark Veerse Meer. Communicatie en participatie

We publiceren het herstelbesluit op de wijze die de Wro voorschrijft. Daarnaast bepaalt de Awb dat het herstelbesluit onverwijld ter beschikking moet worden besteld aan de Afdeling . Uitvoering

Het college publiceert het herstelbesluit op de voorgeschreven wijze en brengt het herstelbesluit ter kennis van de Afdeling. Advies ingewonnen bij adviesorgaan?

We hebben geen advies ingewonnen bij adviesorganen. Dat is in dit geval ook niet nodig. Bijlagen

1. Herstelbesluit ex art. 6:19 Algemene wet bestuursrecht

Middelburg, 15 november 2022 Burgemeester en wethouders van Middelburg de secretaris,

mr. A. van den Brink de burgemeester,

mr. H.M. Bergmann

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12057012/3