CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

22-093 Bijlage 1. Ingekomen stukken - MZ

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken gemeenteraad (22-093 MZ/RM/AB)29.584 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Een schaap op de rug is een voorbeeld van een SPOED/NU-melding. Dieren op wegen zijn een gevaar voor openbare orde, het kan gevaar of hinder opleveren voor het verkeer. Dus dat gaat dan rechtstreeks door naar het operationeel centrum. Bij een SPOED-melding is er wél warm contact tussen de centralist van 144 en het operationeel centrum.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 41

De Dierenbescherming heeft een eigen meldkamer. Zij krijgen vele tienduizenden telefoontjes per jaar binnen (75.000 in 2020) die worden doorgezet via 144, maar met name ook direct van burgers zelf. Er wordt het meest gebeld voor niet gehouden dieren, 60 á 70% van de telefoontjes gaan daarover. Dat zijn voornamelijk vogels, maar ook in grotere mate hazen, konijnen, egels, en in kleinere mate eekhoorns marterachtigen en vossen (in die volgorde). Dierenambulance Amsterdam is (op lokaal niveau) een van de grootste van het land. Het is een zelfstandige organisatie en heeft onder de inwoners van Amsterdam een hoge naamsbekendheid: 93-94% van de burgers van Amsterdam weet ze zelf te vinden. In andere regio’s rijden ook andere ambulances waarmee je te maken kan hebben, dan is niet altijd duidelijk wie gebeld kan worden. Bij Dierenambulance Amsterdam komen 40.000-50.000 telefoontjes per jaar binnen. Dierenambulances en wildopvangcentra houden allerlei gegevens bij over aantallen dieren, wat er binnenkomt, aard van de hulpbehoefte, mogelijke behandeling en succespercentage van uitzetting. Het meldpunt 144 daarentegen houdt geen cijfers bij over meldingen, het is bijvoorbeeld niet bekend hoeveel procent van de meldingen wilde dieren betreft.

Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties. Het informeren van burgers is volgens de geïnterviewden cruciaal om te zorgen dat dieren de hulp krijgen die ze nodig hebben, maar ook om te voorkomen dat er onnodig wordt ingegrepen bij bijvoorbeeld jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels. Goede voorlichting aan de voorkant voorkomt veel (onnodige) problemen later in de keten. Die voorlichting zou volgens de RDA dan ook in alle delen van de keten een goede plek moeten krijgen. Nu is bijvoorbeeld 144 niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen.

Vervoer van dieren Nadat een melding is gedaan van een dier in nood, en de vinder is zelf niet in staat of geschikt om zelf hulp te verlenen, dan is de volgende stap dat het dier opgehaald wordt voor beoordeling/ behandeling. Dit kan ter plekke (bevrijden, vangen en vrijlaten) of in een daartoe geschikte instelling zoals een wildopvangcentrum of bij een dierenarts (zorg, behandeling, euthanasie). Soms brengen particulieren zelf de dieren naar een dierenarts of een opvangcentrum (schattingen van 20-50%% van de gevallen genoemd in interviews), maar het vervoer van wilde dieren in nood gebeurt voornamelijk door dierenambulances (in interviews geschat op 50-80%). Er zijn maar heel beperkt wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances en het is evenmin een beschermde titel. Er staan veel ambulances ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Als je Dierenambulance op je auto hebt staan, is meteen de ontheffing geldig. Er zijn dan ook veel verschillende dierenambulances in het land, zowel in ‘doen’ als in visie. Dat heeft tot gevolg dat er ook geen echte eenheid is. Er zijn verschillende ambulancediensten: • Dierenbescherming (ongeveer 18019 eigen wagens) • Federatie Dierenambulances Nederland (FDN) met 30 aangesloten dierenambulances • (Overige ambulances(personen, verenigingen, stichtingen) • Van de hiervoor genoemde aantallen worden er 150 gesponsord door Dierenlot 19

In een eerder interview werd hier een getal van 25-28 gegeven, dit is later gecorrigeerd.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 42

Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. De FDN, waar een klein aantal ambulances is aangesloten, stelt voor de eigen leden kwaliteitseisen en -criteria zoals 7 dagen per week beschikbaarheid. Er bestaan verschillende keurmerken voor dierenambulances. Sommige keurmerken toetsen meer op de veiligheid van het voertuig en hygiëne, maar je hebt ook keurmerken waar dierenwelzijnsaspecten mee worden genomen. Hoe ver ambulances daarin willen gaan is voornamelijk afhankelijk van de ‘goodwill’ van de partij zelf. Ook voor uitzetten van de opgelapte wilde inheemse dieren zijn geen vervoersregels. Veel van de FDN ambulances hebben het keurmerk van Stichting Dierkeur (geïnitieerd door Dierenbescherming, zelfstandige stichting). Daarin zitten eisen voor opleidingsniveau, veiligheid voor alles bij medewerkers, hygiëne, kennis van vogels tot reptielen die door het keurmerk worden geborgd. Aan het keurmerk van de wagens van Dierenlot zijn geen eisen verbonden. Deze fondsenwervende organisatie stelt materialen, middelen en kennis beschikbaar stelt voor hun achterban, vooral voor kleinere organisaties in Nederland. Dierenlot is niet aangesloten bij de FDN. Een deel van de leden van FDN rijdt met Dierenlot wagens.

De eigen ambulances (wagens+ logo) van de Dierenbescherming hebben een eigen kwaliteitsstandaard. Dierenbescherming steunt de FDN met een gift, maar zijn zelf geen lid van de FDN. Financiering is erg verschillend per ambulance. Er wordt gerekend met verschillende kostprijzen, dat kan variëren van 15 euro tot 75 euro per rit. De vergoedingen die dierenambulances ontvangen zijn ook divers. Veel gemeenten hebben contracten met dierenambulances (Dierenbescherming, lokale partijen) vanuit hun verplichtingen voor het opvangen van gevonden dieren met een vermeende eigenaar (bewaarplicht van twee weken volgens Burgerlijk Wetboek). Verschillende gemeenten nemen als ‘extra dienst’ bij deze opvangorganisaties het vervoer (en soms opvang) van gewonde wilde dieren geheel of gedeeltelijk af, naar eigen zeggen als invulling van de zorgplicht. Er zijn ook gemeenten die voornamelijk subsidies verstrekken, er zijn gemeenten waar alleen mondelinge afspraken mee zijn, en er zijn gemeenten die niet willen betalen. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Daarnaast zijn er verschillende andere manieren van financiële steun, zoals steun van burgers, subsidies, inkomsten van donateurs, giften en erfenissen.

De (mogelijke) risico’s door het ontbreken van duidelijke beleidsregels en kwaliteitseisen voor dierenambulances vanuit de overheid zijn al genoemd in paragraaf 3.3.1. Wat daarnaast volgens de geïnterviewden de kwaliteit van vervoer van dieren kan beïnvloeden, zijn de vele verschillen in financiering en ondersteuning van de kosten. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Gemeenten die wel contracten hebben, stellen niet vaak eisen. Er is volgens enkele geïnterviewden kwaliteitsverschil en de partijen die gecontracteerd zijn hebben niet altijd evenveel kennis en expertise, of ruimte om zich te verdiepen. Daar hebben ze ook niet allemaal dezelfde mogelijkheden voor, aldus enkele geïnterviewden. Het zijn in de kern, behalve een enkele uitzonderingen zoals Dierenbescherming, allemaal vrijwilligersorganisaties, volgens sommige geïnterviewden vaak bestaande uit mensen die vanuit gedrevenheid instappen en soms al 20-30 jaar rondrijden. Volgens sommige geïnterviewden is daar niet altijd ruimte voor nieuwe inzichten op het gebied van dierenhulpverlening, zelfreflectie en overdracht van dieren.

In één van de interviews kwam naar voren dat een overheid hier meer sturing aan zou kunnen geven door goede vragen te stellen, zoals ‘Hoe leiden jullie mensen op?’, ‘Met welk materiaal werken jullie?’, ‘Hoe vindt inwerken plaats?’, ‘Hoe zit het met de veiligheid van medewerkers ’s nachts, gaan ze alleen of met z’n 2-en op pad, hoe handelen ze bij problemen?’. Door goed te bevragen kan volgens de geïnterviewde zo een goed beeld worden gekregen van de organisatie, nog los van

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 43

actuele kennis over hulp aan dieren, over bijv. de persoonlijke bescherming van medewerkers, dingen die ze wel en ook niet verrichten. De verschillen leiden volgens enkele geïnterviewden ook tot verschillen in handelswijze. Zo rijdt de ene dierenambulance dag en nacht voor elk dier en kunnen ze door hun professionaliteit ook worden ingezet voor EHBO aan mensen (AED, zuurstof aan boord); de andere (een enkeling) rijdt alleen onregelmatig voor de ‘leuke’ dieren of heel specifiek voor bepaalde dieren. De burger weet niet altijd waar hij van op aan kan.

Opvang en behandeling De keus bij binnenkomst van dieren bij een wildopvang of dierenarts is gericht op de mogelijkheid voor terugkeer van het dier in de natuur en houdt rekening met het welzijn van het dier op korte (tijdens behandeling en opvang) en langere termijn (daarna). Welke dieren zijn kansrijk en welke niet? Langdurige verzorging van dieren die niet meer kunnen worden uitgeplaatst, die geen soortbehoudswaarde hebben, en waarvan het welzijn door de opvang (niet opzettelijk maar wel een gevolg ervan) wordt aangetast is niet gewenst: niet vanuit het dier, niet vanuit de opvang en ook niet vanuit de wet. In Nederland zijn rond de 70 opvangcentra die zich bezighouden met de opvang van uit het wild afkomstige dieren. Deze opvangcentra kennen een grote variatie, onder andere qua: • grootte – varieert van kleine centra die enkele dieren per jaar opvangen tot grote opvangcentra met wel 11.000 dieren per jaar • specialisatie en expertise – sommige opvangcentra zijn gespecialiseerd in bepaalde soorten zoals egels, eekhoorns of vleermuizen, andere opvangcentra vangen meerdere soorten dieren/ diergroepen op • kennis, kunde, professionaliteit – Sommige centra kunnen bouwen op jarenlange ervaring en continue ontwikkeling daarvan, andere komen nog maar net kijken en zoeken daarin hun weg.

• regionale spreiding – sommige regio’s zijn goed voorzien van verschillende centra waardoor aanrijtijden voor dieren niet lang zijn, andere regio’s zijn minder goed bedeeld of hebben helemaal geen mogelijkheden in de omgeving (in Maastricht wordt bijvoorbeeld samengewerkt met opvang over de grens) • historie – sommige opvangcentra bestaan al tientallen jaren en kennen een uitgebreide voorgeschiedenis en ontwikkeling met bekendheid in de omgeving, andere centra zijn jonger • organisatie – sommige opvangcentra hebben een aantal vaste medewerkers en een grote pool van vrijwilligers, andere opvangcentra draaien geheel op een groep vrijwilligers • opleidingseisen voor medewerkers – van uitgebreide interne opleiding tot leren ‘on the job’ • financiële basis en stabiliteit – net zoals bij vervoer zijn financiële bronnen en verdeling bij alle opvangcentra verschillend, maar geen enkel opvangcentrum kent een stabiele financiële structuur voor langer dan een jaar-enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze volgend jaar nog kunnen bestaan. • bijdrage aan onderzoek – alle opvangcentra registreren informatie over dieren die binnenkomen en wat er mee gebeurt. Sommigen registreren basisinformatie, anderen proberen meer bij te houden voor onderzoeksdoeleinden en informeren burgers wat er met ‘hun’ dieren is gebeurd.

Het ontbreekt meestal aan tijd en capaciteit om zelf iets onderzoeksmatig met geregistreerde gegevens te doen. Meerdere opvangcentra gaven in de interviews bijvoorbeeld aan dat ze ook oorzaken bijhouden. Ter illustratie getallen van een opvangcentra: − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren verweesd − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren ziek (botulisme/vogelgriep) − in 2020 was 1/3 van de dieren gewond (ramen, honden, katten)

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11786021/1