CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

21-122 Ingekomen stukken commissie Algemeen Bestuur - organisatie

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Ingekomen stukken gemeenteraad (MZ/RM/AB-21-112)30.010 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ingekomen stukken Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

30-08-2021

onderwerp

228. Staak- en Verbodsbevel inzake alle Covid-19 maatregelen.

ingekomen stuk

229. Staak- en Verbodsbevel inzake alle Covid-19 maatregelen.

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

Wij het Volk Nederland

advies

Voor kennisgeving aannemen

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

26-08-2021

onderwerp

227. Kennisbijeenkomsten coronacrisis 14 oktober en 8 december

ingekomen stuk

227. Kennisbijeenkomsten coronacrisis 14 oktober en 8 december

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

Gert-Jan Ludden Adviseur crisisbeheersing SVDC

advies

Voor kennisgeving aannemen

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

09-08-2021

onderwerp

220. Persbericht 'Gemeente doneert 2 euro per inwoner op Giro 777'

ingekomen stuk

220. Persbericht 'Gemeente doneert 2 euro per inwoner op Giro 777'

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

Gemeente Voerendaal

advies

Voor kennisgeving aannemen

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

14-07-2021

onderwerp

202. ledenbrief_ledenraadpleging-onderhandelaarsakkoord-caosw-2021-2025

ingekomen stuk

202. ledenbrief ledenraadpleging-onderhandelaarsakkoord-caosw-2021-2025

categorie

Organisatie

afdeling

Bedrijfsvoering, Wijk en Bestuur

afzender

VNG

advies

Voor kennisgeving aannemen

Bijlagen: 202 Bijlage-1 onderhandelaarsakkoo rd-cao-sw-2021-2025 202 Bijlage-2 regeling-eerderstoppen-met-werken

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

29-06-2021

onderwerp

191. Aanbieding ROB-advies Droomland of niemandsland

ingekomen stuk

191. Aanbieding ROB-advies Droomland of niemandsland

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

Raad voor Openbaar Bestuur

advies

Voor kennisgeving aannemen

Bijlagen: 191 Bijlage 1 Droomland of niemandsland-Advies 2021 06DigitaalDEF

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

25-06-2021

onderwerp

186. Informatiebrief distributie jodiumtabletten 2021

ingekomen stuk

186. Informatiebrief distributie jodiumtabletten 2021

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

VRZ

advies

Voor kennisgeving aannemen

Bijlagen: 186 Bijlage 1 Informatiebrief distributie jodiumtabletten 2021 - t b v Tholen en Schouwen-Duiveland

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

25-06-2021

onderwerp

185. Nieuwsledenbrief 21-055 - coronacrisis-nr-33

ingekomen stuk

185. Nieuwsledenbrief 21-055 - coronacrisis-nr-33

categorie

Organisatie

afdeling

Leefomgeving

afzender

VNG

advies

Voor kennisgeving aannemen

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

25-06-2021

onderwerp

184. Ledenbrief-stand-van-zaken-omgevingswet

ingekomen stuk

184. Ledenbrief-stand-van-zaken-omgevingswet

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

VNG

advies

Voor kennisgeving aannemen

Commissie

Commissie Algemeen Bestuur

raadsvergadering

30 september 2021

datum brief

14-06-2021

onderwerp

172. Jaarverslag 2020 Zeeuwse Ombudsman

ingekomen stuk

172. Jaarverslag 2020 Zeeuwse Ombudsman

categorie

Organisatie

afdeling

Wijk en Bestuur

afzender

Zeeuwse Ombudsman

advies

Voor kennisgeving aannemen

Pagina 1 van 2 Voor onmiddellijke publicatie

Van: Wij Het Volk van het Grondgebied van Nederland

Dinsdag, 8 Juni 2021

Ter attentie van : Koning Willem-Alexander der Nederlanden, Minister-president Mark Rutte, de Ministerraad, Minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge, Staatssecretarissen, Hoge Colleges van Staat, Hoge Raad der Nederlanden, Decentrale overheden van de Provincies, Gemeenten, Openbare lichamen in Caribisch Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba, overige openbare lichamen binnen het Grondgebied van Nederland, uitvoeringsorganisaties van Rijksoverheid, Nederlandse Krijgsmacht, Korps Landelijke Politiediensten KLPD en Landelijke Eenheid LE, korpschef van de Nationale Politie, burgemeesters, artsen, verpleegkundigen, apothekers, zaakvoerders en bestuurders/directeurs van Ondernemingen. cc: Commander-in-Chief of, United States Armed Forces cc: Commander-in-Chief of, Federation Command Forces & Allied Forces

Betreft : Staak- en verbodsbevel Geachte heer/mevrouw, Wij, het Volk/mannen en vrouwen van het Grondgebied van Nederland, brengen onder uw onmiddellijke aandacht en bevelen u te stoppen en te doen ophouden, ALLE genocide en misdaden tegen de menselijkheid krachtens natuurrecht, gewoonterecht, verdragsrecht, artikelen 6 en 7 van het Statuut van het Internationaal Strafhof, de Code van Neurenberg, de Conventie van Genève, de Conventie van de Verenigde Naties, de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren, in uw rechtsgebied. 1. Alle Covid19/Coronavirus 19-vaccinaties en experimenten (genetische bio-oorlogsvoering) nationaal. 2. Alle PCR-tests en de mondkapjesplicht (nationaal). 3. Alle afschermingen (privé- en openbare ruimtes, alle transporten ter land, water en zee - in heel het Grondgebied van Nederland). 4. Alle lockdowns (nationaal). 5. Alle quarantaines (nationaal).

Pagina 2 van 2 Voor onmiddellijke publicatie

6. Alle sluitingen van provinciale en territoriale grenzen. 7. Alle sluitingen van internationale grenzen.

Dit document zal dienen als uw wettige kennisgeving om alle verdere acties zoals hierboven beschreven, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden. Verder verklaren wij heel het Grondgebied van Nederland OPEN, bij publicatie van dit bevel inclusief alle Grenzen, tussen België en het Grondgebied van Nederland, Duitsland en het Grondgebied van Nederland, Het Verenigd Koninkrijk en het Grondgebied van Nederland en de gehele Rijksgrens van het Grondgebied van Nederland.

Ik vraag ook uw aandacht voor het volgende: a) Joseph (Joe) Biden is geen president van de VS, en de Amerikaanse strijdkrachten hebben sinds 14 januari 2021 de controle. b) Een e-mail van de opperbevelhebber van de strijdkrachten van de VS is op 27 mei 2021 naar de strijdkrachten van Canada gestuurd, waarin het gezag van ZKH Koningin Lady Romana Didulo, als staatshoofd en opperbevelhebber van de Canadese Republiek, hoofd van de regering van Canada en Koningin van Canada wordt erkend en bevestigd. c) Alleen voor wereldvrede en welvaart. Ondertekend door, ZKH Koningin Lady Romana Didulo, staatshoofd en opperbevelhebber van de Republiek Canada, Hoofd van de Regering van Canada, Koningin van Canada. ~Overgang van Democratische Regering naar Republikeinse Regering~

Bestuur uzelf dienovereenkomstig.

Ondertekend en verzegeld, Door: Wij het Volk (mannen en vrouwen) van het Grondgebied van Nederland

~ einde van document ~

Gemeenten t.a.v. College van B&W, gemeenteraadsleden, gemeentesecretaris, beleidsmedewerkers crisisbeheersing en OOV en communicatiemedewerkers Geachte relatie, Op donderdagmiddag 14 oktober organiseren wij in Zeist het symposium ‘Reflectie coronacrisis’ waarbij we met zes experts terugblikken op de geleerde lessen en ervaringen uit deze crisis. Alle fysieke deelnemers ontvangen daarbij het Engelstalige inspirerende boek Catching Corona. Voor meer achtergrondinformatie over het symposium en de aanmeldingsprocedure klik hier. Het boek is ook afzonderlijk te bestellen via deze link.

Op woensdagmiddag 8 december wordt tijdens een seminar in Zeist ons nieuwe boek ‘Leren van corona; inspirerende inzichten vanuit de praktijk’ gepresenteerd. Deskundigen uit de publieke-, private- en onderwijssector hebben daar een professionele bijdrage aan geleverd:           

Rob de Wijk (directeur Den Haag Centrum voor Strategische Studies) Bas Eenhoorn (burgemeester gemeente Vlaardingen) Caren Frentz (directeur Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid) Claudia Bisschops (vm. Wethouder gemeente Valkenburg aan de Geul) Peter Langenbach (bestuursvoorzitter Maasstad Ziekenhuis) Els Govers en Ineke Strijp (bestuurders GGZ Westelijk Noord-Brabant) Saskia Baas (vm. directeur publieke gezondheid Veiligheidsregio RotterdamRijnmond) Wilbert Sijstermans (directeur afvalverwerkingsbedrijf Rd4) Els Kooijmans en Stéphane Cépèro (bestuurders scholengemeenschap Lowys Porquinstichting) Paul Nieuwenburg (hoogleraar politieke filosofie Universiteit van Leiden) Eelco Dykstra (DIEM; internationaal perspectief)

Voor meer achtergrondinformatie over het seminar en de aanmeldingsprocedure klik hier.

Voor informatie over onze masterclasses crisisbeheersing specifiek voor de zorgsector en de onderwijssector in het najaar klikt u hier.

Ten slotte attenderen wij u graag nog op onze unieke aanbieding van vijf boeken die verschillende thema’s rond crisisbeheersing en integrale veiligheid beschrijven. Voor meer informatie en bestelprocedure klikt u hier. Met vriendelijke groet, Gert-Jan Ludden Adviseur crisisbeheersing 06 51817733 www.svdc.nl

Klik hier om u af te melden voor onze informatieve mailings onder vermelding van het af te melden mailadres.

Raadhuisplein 1 6367 ED Voerendaal Postbus 23000 6367 ZG Voerendaal

T 045 - 575 33 99 F 045 - 575 11 95 E info@voerendaal.nl W voerendaal.nl

Persbericht 5 augustus 2021

Gemeente doneert 2 euro per inwoner op Giro 777 Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten, na de oproep van een aantal gemeenteraadsfracties, een bedrag van € 2,- per inwoner over te maken op Giro 777. Met 12.500 inwoners komt dit neer op een bedrag van € 25.000,-. De opbrengst van Giro 777 komt ten goede aan het nationaal rampenfonds. Hoewel ook Voerendaal is getroffen door de wateroverlast van de afgelopen periode, zijn er echter gemeenten die veel harder zijn getroffen en waar de ellende niet te overzien is. Voerendaal heeft gedurende de eerste dagen van de crisis in Zuid-Limburg al haar solidariteit getoond door onder andere gedupeerde inwoners van Valkenburg aan de Geul op te vangen en tijdelijk onderdak aan te bieden in de accommodaties De Borenburg en De Joffer. Burgemeester Wil Houben: “Met deze actie tonen wij als gemeente ons medeleven en solidariteit met alle getroffenen van dit vreselijke natuurgeweld. Ook roep ik namens het college en de gemeenteraad hierbij alle andere gemeenten in Nederland op om onze actie te ondersteunen door hetzelfde te doen. We moeten schouder aan schouder staan om de getroffenen te helpen er weer snel bovenop te komen!”

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Noot voor de redactie: Voor meer informatie over dit bericht kunt u contact opnemen met Communicatie Gemeente Voerendaal via communicatie@voerendaal.nl of 045 - 575 33 99.

Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad

Datum

12 juli 2021 Kenmerk

TAZ/U202100651/ Lbr. 21/057 Telefoon

070-3738393 Bijlage(n)

2 College voor Arbeidszaken Kamer Inclusieve Arbeid Onderwerp

Ledenraadpleging onderhandelaarsakkoord Cao SW 2021 - 2025

Geachte college en gemeenteraad, De VNG en de vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties FNV Overheid en CNV Overheid hebben op 17 mei 2021 een onderhandelaarsakkoord bereikt over een nieuwe cao voor de sociale werkvoorziening (Bijlage 1). Eerdergenoemde organisaties leggen het akkoord met een positief advies voor aan de respectievelijke achterbannen. Met deze ledenraadpleging vraagt de VNG uw mening over het bereikte resultaat. De gemeentesecretaris ontvangt bij deze ledenbrief een link naar het reactieformulier waarin ruimte is voor inhoudelijke opmerkingen. U kunt tot en met vrijdag 3 september 2021 reageren. De mogelijkheid tot reageren is voorbehouden aan bestuurders. Op basis van de uitkomsten van de ledenraadpleging neem het VNG-bestuur half september een definitief besluit over het onderhandelaarsakkoord. In deze brief staat: 1. Proces naar het onderhandelaarsakkoord 2. Samenvatting van het akkoord 3. Duiding van het akkoord 4. Procedure van de ledenraadpleging en bekrachtiging van het akkoord 5. Een overzicht van de bijlagen bij deze brief

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl

U202100651

PROD

1. Proces naar het onderhandelaarsakkoord De Cao voor de sociale werkvoorziening (Cao SW) 2020 is per 31 december 2020 geëxpireerd. De eerste gesprekken over een nieuwe Cao SW zijn in december 2020 gestart. In 2019 en 2020 hadden partijen de intentie om een cao met een lange looptijd overeen te komen. Vanwege het ontbreken van een regeling die het voor werknemers mogelijk maakt om eerder te stoppen met werken, de COVID-19 crisis en de onzekerheid over de financiering door het ministerie van SZW is dat niet gelukt en zijn cao’s met een looptijd van één jaar afgesproken. Nu zijn partijen een regeling overeengekomen die het voor werknemers mogelijk maakt om eerder te stoppen met werken en is ondanks de COVID-19 crisis regulier – hoofdzakelijk digitaal – overleg gevoerd. Voor de Kamer Inclusieve Arbeid (KIA) was een langjarige toezegging van het ministerie van SZW dat gemeenten de compensatie voor de loon – en prijsontwikkeling (LPO) blijven ontvangen noodzakelijk. Voor 2021 is die toezegging er, maar voor de jaren 2022 t/m 2025 nog niet. Toch heeft de KIA de keuze gemaakt om een 5-jarige cao af te sluiten. Dit zorgt voor rust in de sector. De gesprekken over de financiering van de jaren 2022 t/m 2025 zullen in de loop van 2021 met het ministerie van SZW plaatsvinden. 2. Samenvatting van het akkoord A. Looptijd De Cao SW loopt van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.

Het vastleggen van de afspraken voor 5 jaar is goed voor werknemers en werkgevers en zorgt voor een langere periode van rust in de sector. B. Duurzame inzetbaarheid De afspraken over de duurzame inzetbaarheid zijn afgeleid van het Pensioenakkoord en zijn voorlopig alleen voor de looptijd van de cao afgesproken. De AOW-leeftijd loopt langzaam op naar 67 jaar. Verschillende werknemers hebben zich onvoldoende kunnen voorbereiden op de latere AOW-leeftijd. Dit en het feit dat werknemers in de SW-sector gemiddeld 4 tot 5 jaar korter leven dan mensen in het reguliere arbeidsproces hebben cao-partijen doen besluiten de afspraken te maken. Gedurende de looptijd van de cao kunnen werknemers twee jaar voor hun AOW-leeftijd stoppen met werken en is voor die periode een extra seniorenregeling voor 64-jarigen afgesproken. Voor werkgevers is het van belang dat de subsidie voor werknemers die gebruik willen maken van de regeling doorloopt. •

Regeling ‘Eerder stoppen met werken’: Werknemers kunnen maximaal twee jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd gebruik maken van de regeling. De medewerker blijft in dienst maar wordt op eigen verzoek op nonactief gesteld. Gedurende de looptijd van de regeling loopt de subsidie ten behoeve van de betreffende medewerker door. Gebruik maken van de regeling is, conform huidige weten regelgeving, mogelijk tot en met 31-12-2025. Een medewerker kan voordat hij gebruik wil maken van de regeling deskundig financieel advies vragen. Tot een bedrag van € 500,- exclusief BTW kan een adviseur een nota sturen naar de werkgever.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/5

De werkgever betaalt aan de voltijd medewerker een bedrag ter hoogte van het maximaal RVU-vrijgestelde bedrag (in 2021: € 1.847,= bruto per maand). Voor parttimers geldt dit bedrag naar rato van de omvang van de arbeidsduur. De wettelijk verplichte inhoudingen, zoals de loonheffingen (loonbelasting en premies volksverzekeringen) worden afgetrokken van dit bedrag. De werknemer bouwt geen verlof, eindejaarsuitkering en pensioen meer op. De Regeling is in bijlage 2 opgenomen bij deze brief. • Seniorenregeling voor 64-jarigen: Gedurende de looptijd van de cao wordt een extra seniorenregeling toegevoegd aan de cao, die voor 64-jarigen. De werktijd wordt teruggebracht met 2/5 en er vindt doorbetaling van het loon plaats van 92,5%. C. Salarisontwikkeling Voor de loonsverhogingen tijdens de looptijd van de cao wordt aangesloten bij de systematiek die in 2015 is afgesproken. Dat betekent dat de compensatie van de loon – en prijsontwikkeling (LPO) die het Kabinet toevoegt aan het macrobudget WSW klassiek wordt ingezet voor de salarisverhoging van mensen die meer dan het wettelijk minimumloon (WML) verdienen. Het bedrag in euro’s wordt door middel van een rekenmodel omgezet in een percentage. In 2021 heeft het kabinet € 36,8 miljoen toegevoegd aan het macrobudget, dat komt overeen met een LPO van 2,16%. Voor de jaren 2022 – 2025 moet het gesprek met het kabinet nog plaatsvinden. •

Uitwerking van de afspraak voor 2021: Op 1 juli 2021 is het WML gestegen met 0,96%. Werknemers met een salaris op WMLniveau ontvangen per 1 juli een loonsverhoging van 0,96%. In januari 2021 is het WML gestegen met 0,29%. Ten opzichte van de salarissen van juli 2020 is het WML over 2021 dus met 1,25% gestegen. De salarissen van werknemers die meer dan WML verdienen zullen, nadat de cao is bekrachtigd, met terugwerkende kracht per 1 juli stijgen met 0,96%. In januari 2022 zullen zij een salarisverhoging ontvangen van 1,2%. Dat is het verschil van de LPO (2,16%) en de eerder ontvangen verhoging per 1 juli 2021 (0,96%). De stijging van 2,16% is ten opzichte van het salaris van januari 2021.

•

Uitwerking afspraak voor de jaren 2022 t/m 2025: Voor de jaren 2022 t/m 2025 gaan sociale partners in overleg met het ministerie van SZW. SZW heeft al eerder aangegeven dat de systematiek staande praktijk is, maar een formele toezegging ontbreekt nog. Mocht de LPO meerdere jaren achter elkaar minder zijn dan de stijging van het WML over dat jaar dan gaan sociale partners in overleg. Als SZW geen LPO toekent is er in principe geen salarisverhoging beschikbaar is voor de mensen die meer dan het WML verdienen.

D. Andere onderwerpen en technische wijzigingen. 1. Voor werknemers wordt een mogelijkheid gecreëerd om extra vakantie-uren te kopen. Aan artikel 6.1 van de cao wordt een dertiende lid toegevoegd: De werknemer mag jaarlijks vakantie-uren kopen. De navolgende bronnen kunnen hiervoor worden uitgeruild:

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/5

a. het bruto salaris met inachtneming van het minimum als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; b. de vakantiebijslag met inachtneming van het minimum als bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag; c. de eindejaarsuitkering. De werknemer mag jaarlijks maximaal extra vakantie-uren kopen ter hoogte van zijn formele arbeidsduur per week. Eenmaal aangekocht verlof kan niet meer worden verkocht. 2. Het maximaal aantal verplicht aan te wijzen verlofdagen door de werkgever wordt verlaagd van 10 naar 8. Artikel 6.1 lid 8 zal luiden: De werkgever kan, in overleg met de ondernemingsraad, voor alle werknemers of een groep van werknemers, acht dagen per kalenderjaar als verplicht verlof aanwijzen, verdeeld over maximaal 2 perioden van aaneengesloten dagen. 3. Er bestond veel onduidelijkheid over de berekening tijdens het tweede ziektejaar van de hoogte van de gratificatie bij een dienstjubileum en de overlijdensuitkering. Partijen zijn overeengekomen om beide te baseren op het overeengekomen loon, het loon vóór het tweede ziektejaar. Deze aangepaste uitleg wordt in de toelichting bij de cao opgenomen. 4. Aan artikel 5.9 lid 2, sub a (loongarantie) wordt “andere passende, maar “ toegevoegd.

Dit luidt dan: Het bepaalde in lid 1 vindt geen toepassing indien het moeten aanvaarden van een andere passende, maar lagere functie verband houdt met een toename of wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer. 5. Aan artikel 8.2 (arbeidsongeschiktheid minder dan 35%) wordt een vierde lid, een inspanningsverplichting van de werkgever, toegevoegd. Lid 4 luidt: De werkgever heeft bij de plaatsing in een andere passende functie als bedoeld in het eerste lid de inspanningsverplichting om de werknemer te plaatsen op een functie waarvan de beloning zo veel als mogelijk overeenkomt met het oude loon van de werknemer. 6. In het cao-akkoord van 2020 is een gezamenlijke actie afgesproken over de heffing van de WGA-premie (Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Er is nagegaan of en hoe vaak een beroep wordt gedaan op de WGA. Ondanks dat het wel voorkomt zijn cao-partijen van mening dat de heffing van de WGA-premie voor een doelgroep die daar (bijna) nooit een beroep op doet oneerlijk is. Partijen zullen gezamenlijk optrekken om de heffing van de WGApremie voor de sector SW af te schaffen. 7. Cao-partijen hebben afgesproken om 2-jaarlijks de afspraken rond het eerder stoppen met werken te evalueren. Ook worden die momenten gebruikt om de andere ontwikkelingen te bespreken.

Hieronder vallen de mogelijke stijging van het WML en de gevolgen voor de loontabel en de toekomst van de sector. 3. Duiding van het akkoord In 2015 beschikten gemeenten niet over arbeidsvoorwaardenruimte voor de werknemers in de SW. Door het toekennen aan gemeenten van een compensatie voor de loon – en prijsontwikkeling (LPO) door van het Ministerie van SZW zijn tussen 2015 en 2020 drie cao’s tot stand gekomen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/5

Voor 2021 is de LPO toegezegd en al opgenomen in de meicirculaire Gemeentefonds. Die € 36,8 miljoen wordt ingezet om de salarissen van werknemers die meer dan WML verdienen te verhogen. Conclusie van de Kamer Inclusieve Arbeid De Kamer Inclusieve Arbeid (KIA) heeft de onderhandelingen namens de VNG gevoerd. Dit akkoord borduurt voort op de Cao SW 2015 – 2018. Zoals in §1 aangegeven hadden cao-partijen de intentie om een langdurige cao af te spreken. Het liefst voor de maximale duur van 5 jaar. Het opnemen van een regeling om eerder te stoppen met werken was voor werknemersverenigingen een voorwaarde voor een langlopende cao. De financiering van de cao is dat voor de VNG. Omdat de afspraken over de loonsverhogingen in 2022 t/m 2025 voorwaardelijk zijn aan de toekenning van LPO voor die jaren en de subsidies voor mensen die gebruik maken van de regeling ‘Eerder stoppen met werken’ door blijven lopen acht de KIA het bereikte akkoord verantwoord. Een akkoord dat zorgt voor rust in de sector en koopkrachtbehoud van de SWwerknemers. De VNG legt het onderhandelaarsakkoord om bovenstaande redenen met een positief advies voor. 4. Procedure van de ledenraadpleging en bekrachtiging van het akkoord De ledenraadpleging start met de verzending van deze ledenbrief, op maandag 12 juli. De ledenraadpleging sluit op vrijdag 3 september. Vanwege het zomerreces is de reactietermijn verlengd.

De uitslag van de ledenraadpleging wordt in het College voor Arbeidszaken(CvA) besproken. Het CvA geeft een advies aan het bestuur van de VNG. Het bestuur besluit half september of de VNG het akkoord bekrachtigt. Als de VNG en de werknemersorganisaties het akkoord bekrachtigen, wordt het akkoord definitief. De ledenraadpleging is elektronisch. Bij de gemeente ontvangt de gemeentesecretaris een link naar het reactieformulier waarin inhoudelijke opmerkingen vermeld kunnen worden. De VNG gaat er van uit dat u bij uw besluit de organisaties betrekt die belast zijn met de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Alleen gemeenten kunnen stemmen over het akkoord. Elke gemeente heeft één stem per 1.000 inwoners met een maximum van 75 stemmen. Alleen uitgebrachte stemmen tellen mee. 5. Overzicht van de bijlagen Bijlage 1: Onderhandelaarsakkoord Cao SW 2020 Bijlage 2: Regeling ‘Eerder stoppen met werken’ College voor Arbeidszaken van de VNG

J. Jongepier Secretaris van het College voor Arbeidszaken

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5/5

Collectieve arbeidsovereenkomst voor de sociale werkvoorziening (CAO SW)

ARTIKEL XX TIJDELIJKE RVU REGELING CAO-PARTIJEN NEMEN HET VOLGENDE IN AANMERKING: -

-

In het Pensioenakkoord van 5 juni 2019 zijn o.a. afspraken gemaakt om eerder te kunnen stoppen met werken; De “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” (hierna te noemen: “de wet”) strekt tot uitwerking van deze afspraken; De wet biedt de mogelijkheid tot tijdelijke facilitering van uittredingsmogelijkheden door een werkgever met een daaraan verbonden tijdelijke versoepeling van de pseudo eindheffing Regeling Vervroegde Uittreding (hierna te noemen: “RVU”); Gelet op de levensverwachting van de doelgroep, het toenemende ziekteverzuim van oudere werknemers en in verband met de overbrugging van de stijgende AOW-leeftijd, willen werkgevers verenigd in de VNG en werknemersorganisaties FNV en CNV Connectief in deze collectieve arbeidsovereenkomst) een regeling treffen om het eerder stoppen met werken, gedurende de periode die de Wet Bedrag ineens, RVU en Verlofsparen toestaat, mogelijk te maken. Deze tijdelijke RVU regeling is de uitwerking van dat voornemen.

Artikel 1 – Definities In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de definities omschreven in deze cao. Verder wordt ter verduidelijking en/of in afwijking van en in aanvulling op die definities verstaan onder: 1. AOW-gerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, zoals bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. 2. Werknemer: de werknemer die gebruikt maakt van de RVU-regeling en die op grond van de RVU regeling en gemaakte afspraken, recht heeft op een RVU uitkering. 3. Werkgever: de werkgever, die een vaststellingsovereenkomst aangaat of is aangegaan zoals bedoeld in lid 6 van dit artikel. 4. RVU Uitkering: het bedrag dat werknemer maandelijks van werkgever ontvangt en wat werknemer en werkgever vastleggen in de vaststellingsovereenkomst. 5. Vrijstellen van werk: de werknemer die deelneemt aan de tijdelijke RVU regeling neemt op eigen verzoek deel aan de tijdelijke RVU regeling, waarna de werknemer wordt vrijgesteld van werkzaamheden. Gedurende de periode van de deelname aan de tijdelijke RVU regeling blijft de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer bestaan en ontvangt de werknemer een RVU uitkering. In dat geval is sprake van een zogenaamde non-activiteitsregeling (NAR) die voldoet aan de voorwaarden van artikel 22a, lid 3, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Op basis van een vooroverleg met de Belastingdienst wordt in dat geval de RVU uitkering gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid; 6. Vaststellingsovereenkomst: overeenkomst waarin afspraken worden vastgelegd over de voorwaarden waaronder de werknemer kan deelnemen aan de tijdelijke RVU regeling, onder andere dat de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en werknemer tijdens deelname aan de tijdelijke RVU regeling in stand blijft en dat de werknemer op eigen verzoek vrijwillig wordt vrijgesteld van werkzaamheden, alsmede de datum vanaf wanneer de werknemer, vanwege deelname aan de tijdelijke RVU regeling, geen werkzaamheden meer verricht voor de werkgever en per wanneer de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer door het bereiken van de AOW-leeftijd eindigt.

Artikel 2 - Recht op uitkering/deelname regeling 1. Recht op een uitkering, onder de voorwaarden als uitgewerkt in dit reglement, heeft de werknemer die: a. in de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 op de datum van deelname aan de tijdelijke RVU regeling een leeftijd heeft bereikt die maximaal twee jaar en minimaal 1 maand voor zijn AOW-gerechtigde leeftijd ligt, en; b. direct voorafgaand aan de uittredingsdatum tenminste vijf jaar in een dienstbetrekking werkzaam is geweest; c. tijdens de periode van deelname aan de RVU regeling geen beroep doet op een loon vervangende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) 2. Geen recht op een RVU uitkering heeft de werknemer die recht heeft op een WGA en/of een IVAuitkering en daarnaast geen loon uit arbeid ontvangt. 3. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2021 en eindigt van rechtswege op 31 december 2025 zonder dat opzegging is vereist. De doorlooptijd van de regeling is maximaal twee jaar na de einddatum, derhalve 31 december 2027. 4. Deelname aan de RVU regeling is vrijwillig. De werknemer bepaalt zelf hoeveel maanden hij wil deelnemen aan de RVU regeling met een minimum van 6 maanden, tenzij de wettelijke periode korter is, en een maximum van 24 maanden. 5. De werkgever vindt het van belang dat de werknemer die deelneemt aan de RVU regeling zich bewust is van de financiële gevolgen daarvan.

De werkgever adviseert de werknemer zich, voorafgaand aan de deelname, goed te laten voorlichten over de financiële gevolgen van deelname aan de regeling middels een financieel planningsgesprek met een deskundige / financieel adviseur. De door de werknemer benaderde financieel adviseur kan tot een bedrag van maximaal € 500,- exclusief BTW bij de werkgever declareren. Artikel 3 - Duur, hoogte en uitbetaling uitkering 1. Aan de werknemer wordt een maandelijkse uitkering in de zin van deze regeling toegekend met ingang van de datum van deelname aan de tijdelijke RVU regeling. De uitkering wordt voor maximaal 24 maanden toegekend. 2. Het toekennen van de RVU uitkering in de zin van deze regeling kan niet met terugwerkende kracht. 3. De maandelijkse bruto uitkering over een volle maand is gelijk aan het van RVU-heffing vrijgestelde bedrag op het moment van betaling van de RVU uitkering of bij een parttime dienstverband naar rato van het dienstverband. 4. De uitkering wordt maandelijks door de werkgever aan de werknemer betaald, onder aftrek van de wettelijk verplichte inhoudingen, zoals de loonheffingen (loonbelasting en premies volksverzekeringen); 5. De werknemer ontvangt maandelijks een (digitale) specificatie van de betaalde uitkering en eenmaal per jaar een (digitale) jaaropgave. 7.

De werknemer die voorafgaand aan de datum van deelname aan de tijdelijke RVU regeling een parttime dienstverband had, heeft recht op een uitkering naar rato van zijn arbeidsduur ten opzichte van een voltijds dienstverband. 8. Voor de toepassing van deze regeling wordt een werknemer die deelneemt aan de seniorenregeling uit de cao SW aangemerkt als een werknemer met de omvang van de arbeidsovereenkomst direct voorafgaand aan de seniorenregeling. Artikel 4 – Anti-cumulatie Tijdens de deelname van de werknemer aan de tijdelijke RVU regeling blijft de werknemer in dienst van de werkgever. Echter, omdat de werknemer op eigen verzoek wordt vrijgesteld van werkzaamheden gelden een aantal bijzondere regels. De werknemer ontvangt geen salaris. In plaats daarvan ontvangt de werknemer een RVU uitkering. Ten aanzien van de werknemer die gebruik maakt van deze regeling en ziek wordt, wordt door de werkgever geen re-integratie activiteiten ontplooid. Tijdens ziekte van de werknemer loopt de betaling van de RVU uitkering door. De werknemer bouwt geen verlof op over de periode van deelname aan de tijdelijke RVU regeling. De werknemer kan geen aanspraak maken op een eindejaarsuitkering,

vakantietoeslag, andere emolumenten of andere faciliteiten van de werkgever, zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst, deze cao of een bedrijfsregeling. Gedurende de periode van deelname aan de tijdelijke RVU regeling bouwt de werknemer geen pensioen op en wordt geen pensioenpremie ingehouden en afgedragen. Artikel 5 - Einde recht op uitkering 1. Het recht op uitkering op grond van deze regeling eindigt met ingang van de dag waarop de werknemer de voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; 2. Het recht op uitkering eindigt vóór de in het eerste lid bedoelde datum als de werknemer: a. Overlijdt, met ingang van de dag na de laatste dag van de tweede maand na de maand waarin het overlijden plaatsvond, tenzij het overlijden plaatsvindt binnen twee maanden voorafgaand aan einde van deelname aan de regeling; b. in weerwil van artikel 2 lid 1 letter c tijdens de periode van deelname aan de tijdelijke RVU regeling een loon vervangende uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt; c. tijdens de duur van deelname aan de tijdelijke RVU regeling opnieuw een dienstbetrekking aanvaardt en wel met ingang van de eerste dag waarop hij in die dienstbetrekking werkzaam is, met uitzondering van vrijwilligerswerk waarvoor maximaal een vrijwilligersvergoeding wordt ontvangen als genoemd in artikel 2 lid 6 Wet op de loonbelasting 1964 (2021: € 1.800 bruto per jaar); d.

zich tijdens de duur van deelname aan de tijdelijke RVU regeling vestigt als ondernemer en inkomsten als zelfstandige uit deze onderneming verkrijgt, dan wel reeds voorafgaand aan deze datum was gevestigd als ondernemer, er inkomsten als zelfstandige uit deze onderneming worden verkregen en het aantal uren waarop werkzaamheden als zelfstandige worden verricht wordt verhoogd op of na de datum van vrijstelling van werk. 3. Het is niet mogelijk dat de werknemer die deelneemt aan de tijdelijke RVU regeling tijdens of na deelname aan de regeling weer werkzaamheden gaat verrichten voor de werkgever. Artikel 6 - Aanvragen uitkering en verstrekken van gegevens 1. De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor een uitkering op grond van deze regeling dient minimaal drie maanden vóór de datum van deelname aan de tijdelijke RVU regeling een daartoe strekkende aanvraag in bij de werkgever. Als de werknemer opgebouwde verlofdagen heeft, dan neemt hij deze op voor deelname aan de tijdelijke RVU regeling. De aanvraagtermijn van drie maanden kan door de werkgever gemotiveerd (schriftelijk) worden aangepast op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen. 2.

De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij de werkgever die de aanvraag binnen vier weken honoreert of de periode van drie maanden gemotiveerd verlengt, waarna de deelname aan de tijdelijke RVU regeling wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die door de werkgever en de werknemer worden ondertekend. Een kopie van de vaststellingsovereenkomst wordt in het personeelsdossier van de werknemer bewaard. 3. De werknemer en de werkgever verklaren zich akkoord met de op hen van toepassing zijnde rechten en verplichtingen die voortvloeien uit deze regeling. 4. Gedurende de looptijd van de uitkering is de werknemer verplicht om uit zichzelf dan wel op eerste verzoek van de werkgever alle informatie aan de werkgever te verstrekken waarvan hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat die van invloed is op het voortbestaan van het recht, de hoogte en de duur van de uitkering (zoals het aanvaarden van een dienstbetrekking en/of het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige en/of het ontvangen van een (loon vervangende) uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) na de datum van deelname aan de tijdelijke RVU regeling).

Artikel 7 - Intrekking en wijziging van een besluit tot uitkering 1. De werkgever is bevoegd de uitkering in te trekken of te wijzigen indien de werknemer of zijn nabestaanden niet tijdig of volledige informatie verstrekken die gevolgen kan hebben voor hun uitkering, zoals een verandering in inkomen of door overlijden. 2. De werkgever is, onder andere bij het overtreden van artikel 6 lid 4, bevoegd de geheel of gedeeltelijk onverschuldigde uitkering terug te vorderen bij werknemer of zijn nabestaanden. 3. De werkgever stuurt de werknemer of nabestaanden bij wijziging, intrekken of terugvorderen van de uitkering een schriftelijk gemotiveerd besluit. Artikel 8 – Nadere voorschriften De werkgever is bevoegd nadere voorschriften vast te stellen die nodig zijn voor een verantwoorde uitvoering van de RVU regeling. Artikel 9 - Hardheidsclausule Indien de uitvoering van deze regeling naar oordeel van werkgever in een afzonderlijk geval zou leiden tot een onbillijke situatie, kan werkgever besluiten van de regeling af te wijken ten gunste van de betreffende werknemer. In die gevallen waarin het reglement niet voorziet, handelt werkgever naar de geest van de regeling (waarbij enig besluit van haar kant geen precedent zal scheppen voor andere situaties).

Artikel 10 – Geschillenregeling De werknemer die een geschil heeft met zijn werkgever over deelname aan deze regeling, de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, dan wel de werknemer die zich niet kan verenigen met een beslissing die hem betreft, kan zich schriftelijk tot de geschillencommissie wenden zoals bedoeld in artikel 2.5 van de cao SW met het verzoek om een advies.

Van: ROB [mailto:info@raadopenbaarbestuur.nl] Verzonden: vrijdag 25 juni 2021 12:27 Onderwerp: Aanbieding ROB-advies "Droomland of niemandsland?" T.a.v. B&W en Gemeenteraad Geachte heer/ mevrouw, Hierbij ontvangt u het advies Droomland of niemandsland? Uitgangspunten voor het besturen van regio’s dat de Raad voor het Openbaar Bestuur op 24 juni 2021 heeft uitgebracht en aangeboden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister vroeg de Raad te adviseren over het organiseren van regionale opgaven. Nu steeds meer taken op een regionaal niveau tussen gemeenten en provincies worden belegd, moet het nieuwe kabinet er werk van maken om regio’s democratischer te organiseren. Bovendien moet de wildgroei aan regionale samenwerkingsverbanden worden gestopt en heeft het Rijk tot taak om te sturen op een meer congruente regio-indeling. Dat bepleit de Raad in het door het kabinet gevraagde advies. Het advies is te downloaden via de website: www.raadopenbaarbestuur.nl. Wilt u meer informatie over het advies, dan kunt u contact opnemen met Michael Mekel via michael.mekel@raadopenbaarbestuur.nl of 06-1179 4392.

Rien Fraanje Secretaris-directeur

Dit bericht kan informatie bevatten die niet voor u is bestemd. Indien u niet de geadresseerde bent of dit bericht abusievelijk aan u is toegezonden, wordt u verzocht dat aan de afzender te melden en het bericht te verwijderen. De Staat aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard ook, die verband houdt met risico's verbonden aan het elektronisch verzenden van berichten. This message may contain information that is not intended for you. If you are not the addressee or if this message was sent to you by mistake, you are requested to inform the sender and delete the message. The State accepts no liability for damage of any kind resulting from the risks inherent in the electronic transmission of messages.

advies van de raad voor het openbaar bestuur

DROOMLAND OF NIEMANDSLAND? uitgangspunten voor

het besturen van regio’s

de raad voor het openbaar bestuur is een onafhankelijk adviesorgaan van de regering en het parlement. De ROB ­adviseert – gevraagd of op eigen initiatief – over de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur en de beleids­ matige aspecten van financiële verhoudin­ gen ­tussen Rijk, gemeenten en provincies. Extra aandacht gaat uit naar de beginselen van democratie en rechtsstaat. wettelijke verankering De ROB is ingesteld bij Wet van 12 december 1996 (Wet op de raad voor het openbaar bestuur, Staatsblad 1996, nr. 623). Per 1 juli 2017 is de adviesfunctie van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) overgedragen aan de Raad voor het Openbaar Bestuur. De Rfv was ingesteld bij wet van 21 februari 1997. De geschiedenis van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) gaat terug tot in 1960. Toen werd de Raad voor de ­gemeentefinanciën (Rgf) opgericht. In 1965 werd de Raad voor de Territoriale Decentralisatie (RTD) ingesteld. Beide zijn voorlopers van de huidige Raad voor het Openbaar Bestuur.

werkwijze Adviesaanvragen kunnen van alle minis­teries en van de beide Kamers der Staten-Generaal afkomstig zijn. De ROB baseert zijn adviezen op bestuurlijke kennis en ­ervaring, state-of-the-art wetenschap­ pelijke inzichten en kennis­name van opinies en inzichten uit de samenleving. Ook via andere activiteiten (lezingen, rondetafel­gesprekken, congressen, inleidingen) levert de ROB een bijdrage aan het politiek-­bestuurlijke en maatschappe­ lijke debat over het functioneren van het openbaar bestuur en de democratie. samenstelling De Raad bestaat uit een voorzitter en acht leden die worden benoemd bij Koninklijk Besluit. Zij zijn geselecteerd op basis van hun deskundigheid en maatschappelijke ervaring. Daarnaast kan de Raad voor ­projecten tijdelijke raadsleden aanstellen. staf Een compacte staf ondersteunt de ROB. De secretaris en zijn medewerkers leggen over hun werk verantwoording af aan de Raad. adresgegevens Bezoekadres: Korte Voorhout 7 Postadres: Postbus 20011, 2500 EA Den Haag T 070 426 7540 E info@raadopenbaarbestuur.nl www.raadopenbaarbestuur.nl @Raad_ROB

Vormgeving: Studio Tint, Den Haag © juni 2021 Raad voor het Openbaar Bestuur isbn/ean 978-90-5991-137-6 nur 823

Voorwoord

Tijdens de debatten in de Tweede Kamer over de jeugdzorg in het najaar van 2019 en de eerste maanden van 2020, constateerden enkele woordvoerders dat steeds meer gedecentraliseerde taken in de zorg op regionaal niveau zijn belegd. Nu het kabinet ervoor koos om gemeenten ook in de jeugdzorg niet vrijblijvend te laten samenwerken op regionaal niveau, vroegen deze Kamer­ leden zich af of enige regie in deze regionalisering gewenst was. Uiteindelijk nam de Tweede Kamer een motie aan waarin de regering werd verzocht de Raad voor het Openbaar Bestuur advies te vragen over ‘de kansen en risico’s van de huidige en toenemende regionalisering in de zorg, en of de schaal van de huidige regio’s, inclusief het aantal regio’s, past bij een doelmatige uitvoe­ ring en bestuurlijke inrichting van Nederland’. Het kabinet koos ervoor om de motie te vertalen in een adviesvraag die de tendens van regionalisering breder agendeert dan die in de zorg alleen. Minis­ ter Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst erop dat ‘regionalisering’ ook plaatsvindt in andere domeinen, zoals bij Regionale Ener­ gie Strategieën, de Omgevingswet die straks om regionale afwegingen vraagt en de bestrijding van de coronacrisis en de rol daarbij van veiligheidsregio’s.

De minister stelt vervolgens een urgente vraag: ‘Ondanks dat het ogenschijn­ lijk steeds lukt om voor afzonderlijke opgaven een passende governance te vinden binnen het bestaande kader van organieke wetten, klinkt inmiddels steeds luider de vraag of gemeenten nog voldoende grip hebben op of sturing kunnen geven aan het samenstel van samenwerkingsverbanden en daarmee op de realisatie van hun maatschappelijke opgaven.’ De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft met dit advies de dubbelhartigheid die in regio’s ligt besloten willen adresseren. Enerzijds blijkt de regio een ade­ quate schaal om de aanpak van tal van maatschappelijke opgaven te orga­ niseren: de regio als droomland. Anderzijds stelt de Raad vast dat de regio in het Nederlandse binnenlandse bestuur een problematische want een formeel niet bestaande organieke bestuurseenheid is. Om de uitgebreide en grondige analyse van dit advies samen te vatten: opgave en uitvoering, bestuurlijk ver­ mogen, verantwoordelijkheden en financiën (kaderstelling en controle) en democratische legitimiteit zijn in de regio niet in balans. De regio is op dat punt een niemandsland.

3

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

De Raad realiseerde zich dat sinds de Tweede Wereldoorlog al vele lijvige rap­ porten zijn verschenen met voorstellen om de bestuurlijke organisatie van ons land grondig onder handen te nemen. Zonder resultaat, want de basis van gemeenten, provincie en rijk is niet veranderd. Om te voorkomen dat ook dit rapport hetzelfde lot beschoren zou zijn als zijn vele voorgangers heeft de Raad niet een nieuwe structuur willen ontwerpen. Om de in dit rapport beschreven spanning te verlichten adviseert de Raad om voor het besturen van de regio zes uitgangspunten toe te passen: de inhoud staat centraal, het bestuur is democratisch gelegitimeerd, regio’s kennen een bepaalde mate van autonomie, de indeling is meer congruent maar er is in voldoende mate ruimte voor verschil, en bij het besturen van de regio hoort een passend finan­ cieel arrangement. Wanneer deze stappen in praktijk worden onderschreven en toegepast zijn vervolgstappen mogelijk. Dit advies werd voorbereid door een werkgroep onder voorzitterschap van Kees Jan de Vet. Katrien Termeer, Caspar van den Berg en Frank van Ommeren waren de andere leden van de werkgroep. Michael Mekel ondersteunde de werkgroep vanuit de staf, met medewerking van Rien Fraanje, Pieter de Jong en Gerber van Nijendaal. Wij hopen dat dit advies helpt bij het urgente gesprek over de rol van regio’s bij de aanpak van de grote opgaven van deze tijd.

Want zoals dit advies opmerkt: de regio is een blijvertje. En: er is werk aan de winkel voor alle bestuurslagen om regio’s beter en democratischer te organiseren.

Han Polman Voorzitter Raad voor het Openbaar Bestuur

4

Rien Fraanje Secretaris-directeur

Inhoud

Voorwoord

3

Advies: Droomland of niemandsland? Uitganspunten voor het besturen van regio’s

6

1

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Adviesaanvraag 1.3 Leeswijzer

13 13 13 14

2

Achtergrond, urgentie en probleemanalyse 2.1 Achtergrond 2.2 Urgentie 2.3 Probleemanalyse 2.4 Tussenconclusie

15 15 22 24 29

3

Uitgangspunten voor het besturen van regio’s

30

4

Stappen vooruit in het besturen van regio’s

35

Literatuur

40

Bijlage I

Adviesaanvraag

42

Bijlage II

Democratische legitimiteit

47

Bijlage III

Differentiatie

52

Bijlage IV

Samenstelling Raad voor het Openbaar Bestuur

54

5

Advies: Droomland of niemandsland? Uitganspunten voor het besturen van regio’s

Aanleiding Een effectieve en democratische sturing van de grote toekomstige maatschap­ pelijke opgaven kan niet los worden gezien van het besturen van regio’s. Of het nu gaat over woningbouw (één miljoen woningen er bij), het klimaatak­ koord met een nieuwe Brusselse CO2-norm, de stikstofaanpak, of over gebie­ den als jeugd, werk en inkomen en arbeidsmarkt. Nieuw is de aandacht voor regio’s niet. Maar de vraag is of het bestuur zich (nog steeds) voldoende kan aanpassen aan nieuwe vraagstukken waar het zich voor gesteld ziet. Reden voor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om de Raad voor het Openbaar Bestuur te vragen advies uit te brengen over het effectief en democratisch gelegitimeerd organiseren van de aanpak van maatschappe­ lijke opgaven op regionale schaal. Regionale benadering wint terrein… Voor allerlei maatschappelijke opgaven is de regionale schaal steeds meer de schaal om die opgaven te aan te pakken. Er bestaat brede steun voor de één-overheidsgedachte, dat overheden moeten samenwerken om de grote opgaven het hoofd te bieden. En in praktijk blijkt dat verschillende overheden samenwerken in bestuurlijk regionale ecosystemen. De regio als droomland. … maar is niet zonder problemen Een eenduidig concept voor ‘de regio’ bestaat niet en dat maakt het debat diffuus. In zijn analyse constateert de Raad vijf knelpunten.

In de eerste plaats leiden de toename van (verplichte vormen van) intergemeentelijke samen­ werking en vakdepartementaal beleidsmonopolie tot een incongruente lap­ pendeken van regio-indelingen, wat integrale sturing bemoeilijkt. Verder legt de toename van samenwerkingsverbanden en het toegenomen belang van regio’s druk op het bestuurlijk vermogen van (met name) gemeenten. Een ander knelpunt betreft de politieke zeggenschap van de gemeente op wat er in regio’s gebeurt; die neemt af, maar de inhoudelijke en financiële verant­ woordelijkheid blijft. Verder ontberen regio’s een heldere democratische legi­ timatie en is er sprake van een democratisch tekort. Ten slotte ontbreekt een centrale visie op regiovorming, wat leidt tot een mismatch tussen opgaven/ taken, schaal en bevoegdheden. De regio als niemandsland.

6

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Groter wordende spanning vraagt om verlichting Dit alles leidt volgens de Raad tot een steeds groter wordende spanning die zich voordoet bij het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opga­ ven op regionale schaal: opgave en uitvoering, bestuurlijk vermogen, verant­ woordelijkheden en financiën (kaderstelling en controle) en democratische legitimiteit zijn niet meer in balans. Er wordt al heel lang gesproken over het vraagstuk en de discussie vertoont kenmerken van een pendule. De ene keer met een pleidooi voor flexibele arrangementen en organisch bestuur wat inherent onvolkomenheden in zich draagt. De andere keer met een pleidooi voor een structuuroplossing waar­ tegen allerlei bezwaren worden opgeworpen. De regio als droomland of nie­ mandsland? Volgens de Raad is het nodig om de spanning tussen droomland en niemandsland te verlichten. Zes uitgangspunten Om de spanning te verlichten adviseert de Raad om voor het besturen van regio’s zes uitgangspunten toe te passen: de inhoud staat centraal, het bestuur is democratisch gelegitimeerd, regio’s kennen een bepaalde mate van autonomie, de indeling is meer congruent maar er is in voldoende mate ruimte voor verschil, en bij het besturen van regio’s hoort een passend financieel arrangement. 1.

De inhoud centraal Er is nood aan een integrale regionale agenda voor vraagstukken van klimaat en energie, wonen, infra en mobiliteit, zorg en onderwijs, economie, werk en inkomen, natuur en het gebruik van de schaarse ruimte. Alle reden om de inhoud centraal te stellen nu deze opgaven nauw met elkaar samenhangen. De regionale opgaven vragen daarom om een passende schaal waarop het bestuur is georganiseerd, zodanig dat het goed is toegerust om zijn taak ade­ quaat te kunnen vervullen. 2. Democratisch gelegitimeerd Het bestuur van regio’s moet democratisch zijn gelegitimeerd. Want als de overheid democratisch tekortschiet, verliest ze haar geloofwaardigheid. Bij de keuze en inrichting van regionaal bestuur moet de democratische legitimiteit als waarde worden afgewogen tegen de waarde van ‘bestuurderseffectiviteit’. Regionale opgaven met een beleidsrijk karakter vragen om regionale, politieke en integrale afwegingen. Dit betekent dat taken in beginsel worden toebe­ deeld aan formele bestuurslagen met een democratisch gekozen volksverte­ genwoordiging die zoveel mogelijk integrale afwegingen kan maken.

7

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Waar toebedeling aan een formele bestuurslaag niet is aangewezen, is een meer organische vorm van democratische legitimiteit een optie: maak verant­ woording een gespreksthema in de regionale samenwerking, bepaal zelf in de regio wat een passende wijze is van democratische legitimiteit en bij welke volksvertegenwoordiging(en) deze ligt. Deze vorm van geborgde democrati­ sche verhoudingen heeft als belangrijk voordeel dat er tenminste één geko­ zen vertegenwoordigend lichaam de noodzakelijke legitimiteit biedt voor het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal. 3. Autonomie, tenzij Al heel lang bestaat het spanningsveld tussen de voordelen van centralisatie (bevordering van politieke eenheid, gelijkheid in wetgeving en bestuur) en die van decentralisatie (het decentrale bestuur is beter bekend met de plaat­ selijke situatie, de mensen zijn meer bij het bestuur betrokken). De strijd over de autonomie speelt ook op het regionale niveau: verplicht of vrijwillig? Wie heeft de autonomie om de beslissing te nemen over het regionale arrange­ ment? Uitgangspunt moet zijn dat de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionaal niveau een proces van regio’s zelf moet zijn en van onderop moet komen, tenzij er inhoudelijk zwaarwegende redenen zijn om gemotiveerd van dit uitgangspunt af te wijken. 4.

In beginsel een congruente indeling Congruentie betekent dat overheden hun taken zoveel mogelijk met dezelfde partners uitvoeren, en/of dat de buitengrenzen van samenhangende samen­ werkingsgebieden zoveel mogelijk overeenkomen. De Studiegroep Interbe­ stuurlijke en Financiële Verhoudingen constateerde een groeiende onvrede over het grote aantal bestuurlijke regionale samenwerkingsverbanden en de wens om te komen tot een kleiner aantal. In navolging hiervan meent de Raad dat regionale opgaven in beginsel worden georganiseerd langs een consis­ tente en congruente indeling, tenzij de inhoud zwaarwegende redenen geeft om daar van af te wijken. Want hoewel de inhoud van de opgave bepalend is voor regionalisering, is regiovorming niet onbegrensd: voor de bestuurlijke hanteerbaarheid is een heldere ordening nodig. Het tegengaan van de lap­ pendeken en verrommeling is geen doel op zich en betekent ook niet dat er geen ruimte is voor verschil (zie hierna, onder 5.). Maar als opgaven op regio­ naal niveau zijn opgedeeld in verschillende regionale sectoren, ontbreekt het aan integraal bestuurlijke afwegingen op dat niveau en bestaat het risico van verkokerde inzet van beleidsinstrumenten. Het uitgangspunt van congruentie borgt enige ordening in regiovorming en dwingt tot scherpe motivering als voor een andere inrichting wordt geko­

8

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

zen. Denkbaar is congruentie bijvoorbeeld op fysiek (ruimte, energie, klimaat, wonen, infra), sociaal (zorg, veiligheid) en economisch (economie, werk, inko­ men) terrein. 5. Ruimte voor verschil Veel eerdere voorstellen voor regiovorming ontbeerden steun omdat ze geen recht deden aan de grote diversiteit in ons land. Een uniforme oplossing voor slechts enkele (vaak specifiek Randstedelijke) knelpunten riep elders in het land weerstand op omdat zij aldaar hun bestuurlijke inrichting niet wilden aanpassen aan een oplossing voor een probleem dat zich daar niet voordeed. Dit raakt het vraagstuk van differentiatie. Differentiatie komt neer op het ant­ woord op de vraag: hebben alle decentrale overheden – alle provincies c.q. alle gemeenten – dezelfde taken en bevoegdheden of kan hierin verschil worden gemaakt? Gegeven de regionale verscheidenheid in Nederland moet er voor de aan­ pak van regionale opgaven ruimte zijn voor verschil. Maar die ruimte is niet onbegrensd en vraagt daarom om een kader met uitgangspunten voor gedif­ ferentieerde taaktoedeling. Zo een kader houdt rekening met differentiatie ‘van bovenaf’ of ‘van onderop’ en met differentiatie van taken met een uit­ voerend karakter of beleidsrijke taken. Het kader houdt ook rekening met de bekostiging van de betreffende taken (zie ook hierna, onder 6.).

Het maakt namelijk een groot verschil of het gaat om taken met een overwegend uit­ voerend karakter of dat het juist gaat om taken die een grote mate politieke en beleidsmatige vrijheid veronderstellen. Mits de bekostiging daarop is toe­ gesneden kan bij uitvoerende taken waarbij vooral schaal, doelmatigheid en effectiviteit voorop staan, taakdifferentiatie een optie zijn. Bij beleidsmatige taken die een integrale politiek-bestuurlijke afweging vergen, heeft taakdiffe­ rentiatie veel verdergaande gevolgen in de bekostigingstechniek.

Geen extra vierde formele bestuurslaag De inhoud centraal, democratisch gelegitimeerd, autonomie, ruimte voor verschil: het zijn uitganspunten die gemakkelijk optellen tot een vierde bestuurslaag. Die kant wil de Raad niet op. Ervaringen uit het verleden (stadsprovincie, Wgr-plusregio’s) zijn niet bestendig gebleken. Er is een begrijpelijke weerstand om naast Rijk, provincies en gemeenten nog een bestuurslaag toe te voegen met zijn eigen bestuurders, volksvertegenwoordigers, ambtelijke organisaties, taken en bevoegdheden. Geen extra vierde bestuurslaag strekt ertoe geen nieuwe formele laag in te richten in het Huis van Thorbecke.

9

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Differentiatie is in de eerste plaats een bestuurlijke keuze. De kracht van dif­ ferentiatie schuilt in het eigenaarschap: de bestuurslagen die het vermogen en vertrouwen hebben om een opgave of taak uit te voeren, krijgen die toe­ bedeeld en mogen het doen. 6. Passend financieel arrangement Zoals gezegd moeten de bestuurlijke vormgeving en de democratische bor­ ging in samenhang worden gezien met de benodigde financiën. Ook hier is weer het onderscheid te maken tussen beleidsarm en beleidsrijk. Zo is voor verplichte regionale samenwerking met veel landelijke kaders en weinig beleidsruimte, rechtstreekse bekostiging door het Rijk aangewezen. Gemeen­ telijke bijdragen zouden beperkt moeten blijven voor welomschreven eigen extra wensen van gemeenten of regio’s. Opgaven en transities op het gebied van bijvoorbeeld klimaat, verduurzaming, energie en woningbouw, even­ als gebieden als jeugd, werk en inkomen en arbeidsmarkt, vergen een meer integrale afweging. Deze opgaven zijn vaak regionaal van aard en vragen de inzet van vele (netwerk-)partners. Ze kennen een onzekere dynamiek en uit­ komst en vanwege die onzekerheden is een goede afweging tussen kosten en baten niet eenvoudig: de baten zullen diffuus neerslaan en vaak vallen ze niet bij de investerende partijen. Verder is het moeilijk om verantwoording in een netwerksituatie te organiseren.

Deze transities zijn niet eenvoudig aan te pakken met het huidige ‘robuust’ financieel en bestuurlijk instrumentarium. Voor deze opgaven zijn andere sturings-, verantwoordings- en financieringsin­ strumenten nodig. De gewone marktmechanismen voor financiering schieten daartoe tekort. Aanbevelingen voor stappen vooruit De Raad doet drie aanbevelingen om stappen vooruit te zetten. Want er moet wat gebeuren, urgente grote maatschappelijke opgaven wachten niet. De aanbevelingen van de Raad zijn gericht op het benutten van regio’s en het vlottrekken van de discussie over de bestuurlijke inrichting van regio’s. Vol­ gens de Raad vormt de regeerperiode na de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 een uitgelezen moment om hierover afspraken te maken. 1. Start bij aanvang van de nieuwe kabinetsperiode met het vormgeven van bestuurlijk maatwerk bij een aantal maatschappelijke transities die (zonder nadere wetgeving) gedifferentieerd kunnen worden aangepakt De kwaliteit van regio’s, en de verschillen daarin, worden wel gezien, maar nog onvoldoende benut. De vraag is in hoeverre het in de huidige bestuurlijke inrichting mogelijk is om per gebied tegemoet te komen aan de uitdagingen van dat gebied.

10

In een benadering van geborgde democratische verhoudingen waarin ten­ minste één gekozen vertegenwoordigend lichaam de noodzakelijke legitimi­ teit biedt voor het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal, kunnen grote transitieopgaven (denk aan woningbouw of energie) worden overgelaten aan regio’s waarin de bestuurslagen het vermo­ gen en het vertrouwen hebben om de opgave uit te voeren. Zeeland en Fryslân springen vooral in het oog: zij beschikken over een sterk bestuurlijk regionaal ecosysteem, precies op de schaal van de provincie, dat kan worden gebruikt voor een arrangement voor bestuurlijk maatwerk. Bestuurlijk maatwerk is gebaat bij een goed procesontwerp dat tot doel heeft van tevoren duidelijke afspraken te maken over wat de samenwerkende par­ tijen van elkaar mogen verwachten zodat zij elkaar in de loop van het proces niet kunnen teleurstellen. Want opgaven komen alleen succesvol tot resul­ taat met afgestemde interbestuurlijke afspraken, die passen bij de aard en schaal van de verscheidenheid van regio’s die ons land rijk is. Een arrangement voor bestuurlijk maatwerk wordt periodiek geëvalueerd opdat ervan wordt geleerd. 2.

Formuleer een afwegingskader over het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal Om beweging te krijgen in de discussie over de bestuurlijke inrichting van regio’s, is volgens de Raad de tijd rijp voor een afwegingskader over taak­ toedeling, maatwerk en principes aangaande inhoud en vorm van regionaal bestuur, passend bij het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal. Het afwegingskader komt tot stand in samen­ spraak met vertegenwoordigers uit het openbaar bestuur die actief zijn op regionale schaal, in dialoog mét regio’s. Voor de Raad zijn de voornoemde zes uitgangspunten leidend voor het afwe­ gingskader. Daarnaast omvat het afwegingskader in ieder geval de volgende elementen: - Een uitwerking van wat ‘de regio’ karakteriseert, in termen van taak, opgave, rol, institutionele verhoudingen tot andere bestuurslagen en democratische legitimatie; - Normen over goed bestuur die (mede) van toepassing zijn op de aanpak van opgaven op regionaal niveau.

Het betreft onder meer objectiveer­ bare kwaliteitseisen over democratie, beleidseffectiviteit, doelmatigheid en betrokkenheid van de samenleving (meer dan alleen volksvertegen­ woordigers); - Een verheldering waaróm (in een gezamenlijk proces met relevante bestuurslagen) een taak wordt toegedeeld, waarbij bij elke taaktoede­ ling aan of andere ingreep in het decentraal bestuur de expliciete keuze

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10495032/2