21-053 Bijlage 1. Eindrapportage evaluatie participatieprocessen Middelburg
Tekst van het document
a.
Participatielessen
Participatie & democratie
Aanbevelingsnota over participatie Middelburg op basis van geëvalueerde participatieprocessen
62689 – Openbaar 2 februari 2021
1
62689 – Openbaar
Participatielessen Aanbevelingsnota over participatie Middelburg op basis van geëvalueerde participatieprocessen
Johannes ten Hoor & Steven Blok 2 februari 2021
2
62689 – Openbaar
Inhoudsopgave Inleiding
3
1.
Leren over participatie door evalueren
4
1.1
De context van participatie
4
1.2
Het doel van het evalueren van participatietrajecten
4
1.3
Evaluatiekader
5
2.
3.
Aandachtspunten en aanbevelingen
7
2.1
Rolinvulling van de gemeente in participatieprocessen
7
2.2
Het matchen van participatievormen bij de aard van de vraagstukken
10
2.3
Maak participatie de moeite waarde
12
Tot slot: verder leren door doen en evalueren
14
3.1
Aanbevelingen en mogelijke vervolgstappen
14
3.2
Verder met evalueren
15
3.3
Verder met leren
15
Evaluatiekader participatietrajecten
17
Foto eindblad: Jaromír Kavan
62689 – Openbaar
3
Inleiding Binnen de gemeente Middelburg hebben in de afgelopen periode meerdere participatietrajecten plaatsgevonden, wisselend van omvang en scope. De gemeenteraad heeft gevraagd om een evaluatie van een aantal van deze trajecten en een advies over hoe participatieprocessen beter vorm te geven op basis van deze trajecten. Het doel van de evaluatie is om te verbeteren, te leren en participatietrajecten op een goede manier af te sluiten. Ook wil de gemeente Middelburg leren hoe zij evaluatietrajecten op een goede manier moet evalueren. In de periode van september 2020 tot en met januari 2021 hebben we: •
het participatieproces Trekdijk geëvalueerd als onafhankelijke partij;
•
de gemeente Middelburg begeleid bij het evalueren van twee andere processen: -
het participatieproces rondom invulling van Cleene Hooge en
-
het proces voor het opstellen van de Cultuurvisie.
Deze drie geëvalueerde participatieprocessen hebben een eigen evaluatierapport. Deze rapporten verschillen uiteraard op de inhoud per casus, maar de manier waarop het geëvalueerd is, is gelijk voor de drie trajecten. In dit rapport gaan we dieper in op de waarde en wijze van evalueren (hoofdstuk 1), en beschrijven we een aantal overkoepelende lessen en aanbevelingen die voortkomen uit de afzonderlijke evaluaties (hoofdstuk 2). Daarnaast geven we een aantal aanbevelingen mee om (het evalueren van) toekomstige participatietrajecten te versterken (hoofdstuk 3).
62689 – Openbaar
4
1. Leren over participatie door evalueren In dit hoofdstuk gaan we wat dieper in op de theoretische kant van participatieprocessen en het evalueren daarvan. We gaan in op de context van participatie, en de waarde van het evalueren daarvan. Ook beschrijven we welke aandachtspunten voorafgaand aan de evaluatie in de gemeente Middelburg zijn opgehaald voor het evaluatieproces.
1.1 De context van participatie Steeds meer overheden – en niet in het minst gemeenten – zijn de afgelopen jaren aan de slag gegaan met participatief werken. Een aantal grote maatschappelijke ontwikkelingen liggen ten grondslag aan deze nieuwe manier van werken: informatisering, individualisering, informalisering, intensivering en internationalisering hebben geleid tot het ontstaan van een netwerksamenleving. In die netwerksamenleving zijn individuele actoren (of dat nu overheden, inwoners of andere partijen zijn) steeds minder in staat om eigenstandig maatschappelijke resultaten te bereiken. Meer dan ooit komt samenwerking binnen het netwerk tot stand, van energiecoöperaties tot zorginitiatieven en van buurttuinen tot burgerbegrotingen. Participatie is een van die specifieke samenwerkingsvormen die in de netwerksamenleving sterke impulsen krijgt. De gemeentelijke actoren (raad, bestuur, ambtelijke organisatie) gaan met tal van partners in allerlei procesvormen aan de slag. Evengoed kunnen die verschillende partners het initiatief nemen en met het politiekbestuurlijke domein aan de slag gaan. Representatieve, participatieve en maatschappelijke democratische vormen ontwikkelen zich naast en in samenhang met elkaar. Bij dat participatief werken komen inwoners, ambtenaren, ondernemers, politici en bestuurders elkaar telkens tegen.
In de praktijk zien we wisselende ervaringen met participatie, zowel in processen als in de basisrelatie tussen overheid en gemeenschap. Ondanks duidelijke successen blijkt de ontwikkeling lastig te voorspellen: rollen en verantwoordelijkheden zijn soms moeilijk grijpbaar en verwachtingen over en weer soms onbekend of onbenoemd. Het vormgeven van betekenisvolle interactie – wat participatief werken uiteindelijk beoogt – is geen sinecure. Uiteindelijk draaien participatieprocessen om het komen tot, wat we noemen, publieke waarde. Deze publieke waarde bestaat uit de resultaten die in de participatieprocessen tot stand komen, en de steun die daardoor ontstaat voor het resultaat, het proces, én het participatief werken in meer algemene zin.
1.2 Het doel van het evalueren van participatietrajecten Het evalueren van participatieprocessen is de afgelopen jaren relatief achtergebleven in vergelijking met het groeiende aantal participatieprocessen en -vormen. Inmiddels gaan steeds meer gemeenten georganiseerde participatieprocessen of specifieke regelingen voor bijvoorbeeld burgerinitiatieven evalueren. Op 28 september 2020 hebben we een bijeenkomst georganiseerd waarbij we de thema’s (1) participatie en (2) de reden tot evaluatie gezamenlijk besproken hebben met de gemeenteraad, het college, managementteamleden en ambtenaren van de gemeente Middelburg. Op de vraag waar evaluatie toe moet leiden, kwam een verscheidenheid aan begrippen naar voren (zie figuur 1).
5
62689 – Openbaar
Figuur 1. Antwoorden op de vraag ‘waar moet het evalueren toe leiden?’ Op basis van deze inventarisatie is het volgende doel geformuleerd voor het evalueren van participatietrajecten: Het doel van de evaluatie is om te verbeteren, te leren en participatietrajecten op een goede manier af te sluiten.
1.3 Evaluatiekader We gebruiken bij het evalueren van participatietrajecten het input-throughput-output-model als blauwdruk, omdat dit model expliciet onderscheid maakt tussen de verschillende fasen waaruit een participatietraject bestaat. Dit onderscheid helpt bij het maken van scherpe(re) analyses en ondersteunt bij het formuleren van lessen om toekomstige participatietrajecten beter te begrijpen en vorm te geven.1 In de verschillende fases spelen een aantal concepten een rol: 1.
Hoe krijgt de input vorm? De startsituatie van een participatief proces is medebepalend voor het verloop ervan. Hierbij kijken we onder andere naar de aard van het vraagstuk, en de context en afbakening bij aanvang van het proces: de inhoudelijke opgave, betrokkenen, mensen, tijd, geld, etc. In de input onderscheiden we: a.
Gerichtheid: de basishouding ten aanzien van het vraagstuk van stakeholders én de geïnternaliseerde waarden/normen, identificaties, emoties en kennis die uiteindelijk tot uitdrukking komen in een verhaal met een logica van handelen.
b.
Coalitie: zijn er gedeelde posities onder de betrokken stakeholders, en krijgen partijen met een afwijkende mening voldoende ruimte?
c.
Kennisfonds: het totaal aan beschikbare kennis (experts, inzichten en onderzoek) over het betreffende vraagstuk en van participatieve processen; dus niet zozeer de individuele kennis van stakeholders.
d.
Arena: de context waarbinnen de participatieve interactie vorm moet krijgen, waaronder middelen, macht en toegestane participatievormen.
2.
Hoe krijgt de throughput vorm? Een participatieproces wordt gekenmerkt door throughput: wat wordt er met de input gedaan, hoe wordt het proces met elkaar doorlopen? Dit bestaat in zekere zin weer uit diverse kleinere cycli van input, throughput en output, waarbij de output van de ene processtap weer de input vormt voor de volgende stap. We analyseren dit proces: welke voortgang is geboekt, en wat is er gebeurd met de gerichtheid, het kennisfonds, de coalitie en de arena?
Zie bijvoorbeeld Wesseling, H., van Dalfsen, F. & Blok, S. (2021). Leren in participatieland. Utrecht: Berenschot; ook in vergelijkbare onderzoeken is dit model de blauwdruk. 1
62689 – Openbaar
3.
6
Hoe krijgt de output vorm? Output zien we als publieke waarde, te definiëren aan de hand van: a.
Resultaat: wat heeft het participatietraject opgeleverd?
b.
Steun voor het gevolgde proces: een resultaat dat veel actoren niet delen als gewenste uitkomst of zien als uitkomst van een onwenselijk proces, tast het karakter van publieke waarde aan.
c.
Gerichtheid op participatie voor publieke waarde: leidt het proces tot meer of minder vertrouwen in democratisch en participatief met elkaar omgaan (ook als burgers onderling)?
In de genoemde bijeenkomst op 28 september zijn per fase ook inhoudelijke aandachtspunten voor de evaluatie geïnventariseerd. Op basis van deze inventarisatie is het volgende evaluatiekader geformuleerd:
Figuur 2. Het met Middelburg opgestelde evaluatiekader voor participatieprocessen Een korte toelichting op het opgestelde evaluatiekader: •
De startfase (input) gaat over alles wat te maken heeft met hoe het participatieproces begonnen is. Ten eerste hoe en met wie het startmoment is bepaald. Ten tweede of er duidelijke afspraken zijn gemaakt over wat de doelen zijn, wie de belangrijke stakeholders zijn (bijvoorbeeld omdat ze bepaalde kennis over het op te lossen vraagstuk bezitten), wat de rollen en kaders zijn (en door wie deze rollen en kaders wel of niet zijn vastgesteld) en hoe het proces eruit moet gaan zien.
•
De doorloopfase (throughput) gaat over alles wat er tijdens het proces is gebeurd. Welke verwachtingen hadden participanten en hoe is de gemeente omgegaan met die verwachtingen (of uiteraard vice versa: welke verwachtingen had de gemeente en hoe zijn participanten daarmee omgegaan)? De doorloopfase gaat ook over:
•
-
of informatie beschikbaar was en of participanten informatie konden inbrengen;
-
of de communicatie duidelijk was en of er tijdig werd teruggekoppeld;
-
of de omgang goed was; en
-
of er, wanneer nodig, ingegrepen was in het proces.
De opbrengstfase (output) gaat over alles wat het participatieproces heeft voortgebracht: het resultaat (is dat kwalitatief goed en is er sprake van ‘meerwaarde’? Heeft het echt wat moois opgeleverd?), draagvlak voor het resultaat en het proces (is dat er?), acceptatie van participanten en gemeente (is het goed zo?) en betrokkenheid (hebben participanten elkaar of de gemeente beter leren kennen? Wil de gemeente nog een keer meedoen als overheid en wil een participant ook nog een keer meedoen met een toekomstig traject?).
In bijlage 1 is het evaluatiekader te vinden met bij iedere indicator één of meerdere voorbeeldvragen ter operationalisering. Deze vragen vormen ook het uitgangspunt bij de gevoerde gesprekken ten behoeve van de evaluaties die in afgelopen periode zijn uitgevoerd.
7
62689 – Openbaar
2. Aandachtspunten en aanbevelingen In de individuele evaluatierapporten zijn de analyses op basis van het beschreven evaluatiekader opgenomen, als ook de specifieke conclusies en aanbevelingen voor de betreffende participatietrajecten. Uit die evaluaties komen een aantal aandachtspunten en aanbevelingen naar voren die in algemenere zin relevant zijn voor het participatiebeleid van de gemeente Middelburg. Deze bespreken we in het volgende hoofdstuk. Participatie was, is en blijft een uitdaging voor veel gemeenten en inwoners. Er valt dus – in algemene zin – nog het nodige te verbeteren op het gebied van participatie. Ook in Middelburg zijn er verbeterpunten aan te wijzen. Op basis van de afzonderlijke evaluaties onderscheiden we drie aandachtsvelden: 1.
de rolinvulling van de gemeente in participatieprocessen;
2.
het matchen van participatievormen bij de aard van de vraagstukken;
3.
participatie ‘de moeite waard maken’.
We werken de drie aandachtsvelden in dit hoofdstuk verder uit in een aantal concrete aandachtspunten en aanbevelingen.
2.1 Rolinvulling van de gemeente in participatieprocessen Welke rol heeft de gemeente in participatieprocessen? En wie wordt eigenlijk bedoeld als het over ‘de gemeente’ gaat? Dit zijn belangrijke vragen bij de start van een participatietraject. In deze paragraaf gaan we eerst in op de samenhang tussen de ambtelijke organisatie, het college en de gemeenteraad in participatieprocessen. Daarna gaan we specifiek in op de rol van de gemeenteraad.
2.1.1 Een duidelijke rol van de gemeente als geheel Voor inwoners is het lang niet altijd duidelijk hoe de gemeente precies werkt: hoe verhouden de ambtelijke organisatie, de gemeenteraad en het college zich tot elkaar? En hoe is die verhouding van invloed op participatieprocessen. Het wisselt per participatieproces welke actorgroepen binnen de gemeente betrokken zijn. In sommige participatieprocessen hebben inwoners alleen met ambtenaren te maken en zijn die ambtenaren voor die inwoners ‘de gemeente’. Dit perspectief van ‘de gemeente’ is in dit specifieke geval eenzijdig, maar ook heel duidelijk. Vervolgens zijn er processen waarbij de wethouder een rol speelt. Soms is dat meer symbolisch (een avond openen of een bijeenkomst bezoeken), in andere gevallen is dat actiever (bijvoorbeeld een inhoudelijke rol in een werkgroep). In dit geval is het perspectief van inwoners over ‘de gemeente’ minder eenzijdig, maar vaak nog duidelijk genoeg. Wanneer een wethouder een actieve rol in het proces inneemt, is dat prettig voor participanten. Een wethouder kan bijvoorbeeld makkelijker een toezegging doen dan een ambtenaar die eerst ‘bestuurlijke rugdekking’ nodig heeft.
Het risico van te veel bestuurlijke betrokkenheid is dat het lastiger wordt een wethouder in te zetten voor een interventie in het proces, bijvoorbeeld als het participatieproces niet meer vordert of als er een conflict is tussen deelnemers binnen het proces.
Voorbeeld: rollen verkennen De gemeente Ede onderzoekt geschikte rollen aan de hand van drie concrete trajecten geselecteerd door de gemeenteraad. Dit onderzoek vindt plaats op basis van gezamenlijk reflectie en dus aan de hand van drie participatieprocessen.
8
62689 – Openbaar
Tot slot zijn er participatieprocessen waarbij ook de raad een rol speelt. De regel geldt: hoe meer gemeentelijke actoren er betrokken zijn, hoe groter de behoefte aan duidelijkheid. Inwoners vragen zich dan af: wie van de gemeentelijke actoren is verantwoordelijk voor wat? Hoe werkt het? Bij wie moeten we zijn voor wat? Naast de grotere behoefte aan duidelijkheid over de rolinvulling van de gemeente als ook de gemeenteraad betrokken raakt, leidt die betrokkenheid van de raad tot meer vraagstukken (zie de volgende subparagraaf). De aanbeveling: zorg ervoor dat je als gemeente duidelijk als ‘één geheel’ optreedt, of heel scherp onderscheid tussen rollen en verantwoordelijkheden maakt binnen een participatieproces. Hoe gevoeliger het onderwerp of hoe ongestructureerder het vraagstuk, hoe belangrijker deze rolscherpte wordt.
2.1.2 De rol van de raad Middelburg heeft een Participatiecode waarin staat: “De raad formuleert en communiceert een helder en duidelijk beleidskader waarin o.a. bij elk raadsvoorstel de participatiegraad van de participatietrap wordt vastgesteld.” In geen van de geëvalueerde participatieprocessen is dit gebeurd. Dit is een belangrijke bevinding om binnen de gemeente te bespreken, ook ten aanzien van de functie van de Participatiecode. In iets bredere zin is dit een belangrijk aandachtspunt voor participatieprocessen in de toekomst: breng de raad goed in positie bij (met name bij grote) participatieprocessen. Het goed in positie brengen, heeft meerdere betekenissen en opties, zoals: •
In ieder geval gedeelde beelden en opvattingen over de rolverdeling van de gemeente als geheel hebben. Waarom vinden we participatie belangrijk en welke rolverdeling is gepast om participatieprocessen zo goed mogelijk te doen? En wat verwachten we van elkaar binnen de gemeente?
•
De raad een expliciete rol geven in een participatieproces (en expliciet bespreken wat er nodig is om deze rol in te vullen2). Bijvoorbeeld door: -
de raad te betrekken bij de (ambtelijke) voorbereiding;
-
de raad kaders te laten vast stellen; Waarbij de raad zich wel of niet op voorhand kan committeren aan die kaders (zie kader ‘Achtergrond en verdieping: de rol van de raad’); en
-
gezamenlijk met de raad afspraken maken over hoe vaak en wanneer de raad geïnformeerd wordt tijdens het proces.
•
Aangeven dat de raad hoe dan ook het besluit neemt. Waarbij misschien al iets gedeeld kan worden over wat in algemene zin belangrijke besluitvormingscriteria voor de gemeenteraad zijn of over hoe het besluitvormingsproces werkt.
•
De raad heel bewust afzijdig houden van het participatieproces (bijvoorbeeld bij (kleinschalige) burgerinitiatieven of bij regelingen die dit soort initiatieven stimuleren.3).
Voorbeeld: als raad oefenen met positie nemen Voor inspiratie zie: Raadsleden.nl en zijn ook trainingen (2) (3) / workshops aangezien de lokale context, de (politieke) cultuur, het verschil in kennisniveau en bereidwilligheid altijd vragen om maatwerk. Vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt ook een programma ‘versterking van positie gemeenteraden’ georganiseerd (dit loopt nog). In een breder kader zijn alle ontwikkelingen die te maken met ‘bestuurlijke vernieuwing’ hier ook aan de orde.
Dit blijft vaak onbesproken, blijkt uit vrij recent onderzoek van Klaartje Peters en Peter Castenmiller. Denk aan initiatievenfondsen: https://www.heemstede.nl/melden-en-meedoen/idee-of-initiatief/ of https://www.teylingen.nl/groen/meedoen-met-groen 2 3
9
62689 – Openbaar
•
De raad heel bewust een actievere rol geven in het participatieproces (bijvoorbeeld een ‘toeschouwende’ rol tijdens een plenaire startavond van een beleidsvormingsproces. Op basis van die avond kan de raad tot kaderstelling komen4).
Het is funest voor een participatieproces als het benaderen van de gemeenteraad – zeker tijdens het proces – een manier is voor participanten om elders hun gelijk te halen. Met name bij beladen onderwerpen (waarden spelen een grote rol) waar ook nog eens veel op het spel staat (belangen spelen een grote rol), bestaat het risico dat dit gebeurt. Participanten zijn in die gevallen eerder bereid een poging te doen buiten het ‘hoofdproces’ (dat vaak door ambtenaren georganiseerd / gefaciliteerd wordt) hun invloed uit te oefenen (zeker als de participanten andere medeparticipanten verdenken van het ‘elders hun gelijk halen’). Als gemeenteraden hierin meegaan, treden ze (1) niet meer op als één gemeente en (2) komen raad (plus een groepje participanten) en college / ambtenaren regelmatig lijnrecht tegenover elkaar te staan binnen hetzelfde participatieproces. Tot slot (3) geef je hiermee als raad het signaal dat het gelijk bij jou gehaald kan worden (zie ook het blok ‘achtergrond en verdieping’ op pagina 10).
Voorbeeld: startgesprekken De gemeente Meierijstad houdt bijvoorbeeld ‘participatie startgesprekken’. Op basis van een startnotitie wordt een gesprek georganiseerd met de gemeenteraad (maar inwoners en / of andere participanten zijn ook welkom) over het participatieproces dat eraan komt. Op basis van dit gesprek kan de startnotie – waarin onder andere kan staan hoe vaak de gemeenteraad geïnformeerd wordt en of er de mogelijkheid tot bijsturen is – aangepast worden. Een startgesprek zorgt voor een gezamenlijke start, forceert tot extra onderzoek naar het vraagstuk (wat speelt er allemaal, maatschappelijk en politiek), het geeft duidelijkheid en rust aan de gemeenteraad die weet hoe ze betrokken wordt, en geeft duidelijkheid en rust aan de ambtelijke organisatie. Een duidelijke rolinvulling van de gemeente betekent onder meer duidelijkheid over de rol van de raad. Spreek vooraf duidelijk af hoe de raad wel betrokken wordt bij het participatieproces én hoe de raad niet betrokken wordt (zie kader ‘voorbeeld: startgesprekken’). Zorg er ook voor dat deze afspraken duidelijk zijn voor de deelnemers aan het participatietraject.
Voorbeeld: kaderstelling en fasering Net als bij het organiseren van een participatieproces of het evalueren van participatie is het onderscheid van start-, doorloop- en opbrengstfase ook nuttig bij het nadenken over kaderstelling. Waar wil je als gemeenteraad kaders op formuleren? Willekeurige voorbeelden ter inspiratie: Kader op opbrengst: “de raad wil dat het participatieproces leidt tot één agenda met speerpunten per wijk” of “de
•
raad wil dat er in de buurtvisie een apart stuk over verkeersveiligheid komt” Kader op proces (doorloopfase): “de raad wil dat iedereen kan meedenken over de agenda met speerpunten. Dit
•
betekent dat de raad wil dat de gemeente digitale participatie toepast” of “de raad wil dat er minimaal vijf snelheidsmetingen worden gedaan voor inzicht over veiligheid en leefbaarheid” Kader op input: “de raad wil dat een groep inwoners het participatieproces trekt en de gemeente dit proces
•
faciliteert” of “de raad wil dat de gemeente tijdens het participatieproces snelheidsmeters beschikbaar stelt”
4
Zie bijvoorbeeld: https://www.raalte.nl/sites/default/files/Groen-samen-doen.pdf
Achtergrond en verdieping: de rol van de raad 62689 – Openbaar
10
Hoe ga je om met de bevoegdheden van de politiek en hoe geef je de politiek een goede plek in het participatieproces? Traditioneel bereidt het bestuur een besluit voor en vervolgens oordeelt de politiek. Maar bij participatie is die volgorde minder handig. Tijdens het participatieproces investeren verschillende partijen tijd en moeite om samen te komen tot een breed gedragen resultaat. Als dat lukt, zijn de verwachtingen van de participanten vanzelfsprekend hooggespannen. De bekrachtiging van het resultaat lijkt zo goed als een formaliteit. Als een politiek gremium het bereikte compromis vervolgens overhoop haalt of van tafel veegt, bijvoorbeeld omdat tegenstanders het escaleren bij de politiek, leidt dat tot onbegrip en grote teleurstelling bij de participanten. Bemoeienis van de politiek aan het einde van de rit leidt dan mogelijk tot wantrouwen bij de hele ‘participatiearena’ (alle deelnemers die in een bepaalde participatievorm aan iets werken). De verliezers voelen zich miskend. De winnaars rekenen de volgende keer weer op de raad, en de bereidheid bij alle partijen om tot een compromis te komen neemt fors af. Uiteindelijk mondt dit uit in ‘achteruit leren': men krijgt minder vertrouwen in de overheid en in de participatieve democratie.
Van laatste naar eerste woord Om dit te voorkomen moet je nadenken over een andere volgorde. Betrek politici eerder bij het proces. Dat kan door in de startfase met de politiek kaders vast te stellen voor de uitkomsten van het participatieproces. Wij noemen dat: de politiek niet het laatste, maar het eerste woord geven. Het eerste woord regelt dat er gemandateerde ruimte is waarbinnen van alles mogelijk is. Pas bij een overschrijding van die ruimte krijg je te maken met nieuwe formele besluitvorming. Hiermee wordt al beperkt geëxperimenteerd, maar het staat allemaal nog een beetje in de kinderschoenen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het ook niet altijd de meest eenvoudige weg is. Het is voor iedereen wennen. Een heldere, transparante werkwijze helpt om zowel ambtelijk als bij de politiek hiervoor de handen op elkaar te krijgen. Zie ook dit voorbeeld uit Zaanstad.
2.2 Het matchen van participatievormen bij de aard van de vraagstukken 2.2.1 Betere vraagstukherkenning en meer onderzoek naar de achtergrond Dat elke participatiecasus anders is en dat hoe een participatieproces verloopt sterk afhankelijk is van de context, is vanzelfsprekend. De vraag is hoe je dat ‘anders zijn’ en die ‘context’ goed in kaart brengt. Doorgaans is participatie relatief resultaatgericht. Het proces moet iets opleveren (vaak is dat ‘iets’: meer draagvlak) terwijl participatie er baat bij heeft om vraagstukgericht te zijn (in modetermen: participatie is opgavegericht): wat is precies het probleem / vraagstuk dat opgelost moet worden? Vraagstukken kunnen natuurlijk variëren van het schrijven van een visie of het beheren van een speeltuin naar het werken aan ‘eigenaarschap’ of ‘actiebereidheid’ in een wijk, buurt of stad. Los van wat het vraagstuk precies is, is de vraag hoe zit dat vraagstuk in elkaar? nog belangrijker: •
Zijn participanten het in grote lijnen (nog) eens over de probleemdefinitie van het vraagstuk en mogelijke oplossingsrichtingen?
•
Lopen waarden en normen uiteen of niet?
•
Is er veel of weinig gezamenlijke kennis over het onderwerp?
•
Zijn er tegengestelde belangen?
•
Is het duidelijk wie waarom betrokken is (wisselende coalities tussen participanten en gemeentelijke actoren)
•
Is er grote tijdsdruk (deadlines), urgentie (verwachte impact is fors) of grote belangen (risico’s, verlies, winst)?
•
Zijn participanten het eens over het te volgen proces?
Afhankelijk van de antwoorden op dit soort vragen, is een bepaald type proces nodig. Hoe meer overeenstemming er is over bijvoorbeeld waarden, normen, belangen, probleemdefinities en oplossingsrichtingen, hoe meer het participatieproces lijkt op het leggen van een puzzel. Hoe onduidelijker dit alles is en hoe minder
11
62689 – Openbaar
overeenstemming er is (over waarden, normen, etc.), hoe meer ruimte er nodig is in een proces om met elkaar te verkennen. De aanbeveling hierbij is: het loont altijd om meer de tijd te nemen om (het liefst gezamenlijk) het vraagstuk te verkennen. ‘Wat speelt hier nou precies? Wat zijn de gevoeligheden? Wat zit wel goed?’
2.2.2 Hulpmiddelen bij participatie De Participatiecode geeft heel mooi aan wat er wel of niet gedaan moet worden. Het geeft een set aan uitgangspunten. Maar de Participatiecode geeft niet zo duidelijk aan hoe dat moet gebeuren. Terwijl de procesontwerpen, werkvormen en invulschema’s net zo belangrijk zijn als de uitgangspunten of de algemene spelregels bij participatie. Middelburg lijkt de participatiekennis over procesontwerpen en werkvormen wél te hebben, maar we hebben in de uitgevoerde processen niet de kennis uitgebreid en geëtaleerd terug zien komen. Bij de Cultuurvisie wordt gereflecteerd op een proces wat relatief organisch tot stand is gekomen. Bij de andere twee processen was sprake van een vrij klassieke overlegstructuur. Verschillende soorten vraagstukken vragen om verschillende soorten processen (zie hierboven genoemd in 1.2.1). En verschillende processen vragen natuurlijk om een verschillende mix van hulpmiddelen. Toolboxen met participatievormen en hulpmiddelen zijn in veelvoud beschikbaar (zie kader ‘Voorbeeld: hulpmiddelen’ voor een niet-uitputtende aanzet). Maar maak het ook niet te ingewikkeld om maatwerk, dat vaak nodig is bij participatieprocessen, onmogelijk te maken. Een structurele invuloefening aan de start van een burgerparticipatie of overheidsparticipatieproces kan al een wereld van verschil maken.
Aanbeveling: laagdrempelig aan slag met een praktische en structurele procesvorm / checklist.
Voorbeeld: hulpmiddelen Voor participatie zijn er al tal van hulpmiddelen ontwikkeld: door gemeenten zelf, door de VNG, BZK of DIA of door andere organisaties. Drie aanraders in het bijzonder zijn: •
De Participatiewijzer van ProDemos: hier is ook een databank met participatieve methoden (plus uitleg en voorbeelden) te vinden. Niet alles hoeft gebruikt te worden, maar het kan de participatieve gereedschapskist vergroten en het geeft de mogelijkheid om structureel met een paar methoden te oefenen.
•
Het Groninger Participatiewerkboek beslaat bijna alle facetten waar je als gemeenten over na moet denken bij participatie. Democratische waarden, rolverdeling, procesontwerpen, en hoe je ‘een prettig ontmoeting en een open dialoog’ creëert.
•
Alles wat DIA beschikbaar heeft gesteld over digitale participatie: inspiratiegidsen, handreikingen om met digitale participatie aan de slag te gaan en nog concretere aanwijzingen hoe gemeenten specifieke digitale instrumenten of platforms kunnen gebruiken.
62689 – Openbaar
12
2.3 Maak participatie de moeite waarde 2.3.1 Benader het niet alleen instrumenteel Participatie is één van de manieren om in netwerken van actoren tot concrete resultaten te komen zoals: visies, beleid, plannen, onderhouden stukken groen, speeltuinen, etc. Het is ook een manier om aan de lokale democratie te werken in de hoop die te versterken.5 Participatief werken binnen en aan de lokale democratie gaat verder dan het komen tot een concreet resultaat. Het gaat over de ontwikkeling van wederzijds begrip, de erkenning van problemen en het bouwen aan een goede onderlinge verstandhouding tussen participanten (en tussen participanten en de gemeente). Wanneer het beoogde resultaat te zwaar weegt in een participatieproces, ontstaat er snel een nulsomspel met ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Door veel aandacht te besteden aan de kanten van het participatieproces die niet direct bijdragen aan het resultaat, ontstaat eerder het gevoel van een ‘eerlijk’ proces, een prettig proces en een leerzaam proces. Dit soort processen zorgen vaak ook voor neveneffecten of spin-off: participanten die elkaar hebben leren kennen, een betere relatie met de gemeente of participanten die andere dossiers en vraagstukken met elkaar oppakken.
Dit was heel sterk te zien in de casus Cultuurvisie, waar participanten soms minder bezig waren met het creëren van een visie, maar meer met het aftasten van elkaar, het beter leren kennen van elkaar en samen goede ideeën bedenken. De aanbeveling: organiseer participatieprocessen op een manier dat ‘winnen’ en resultaten behalen niet de enige redenen zijn om mee te doen. Uiteraard kunnen verschillende werkvormen (§2.2.2 ), verschillende typen bijeenkomsten (beelden ophalen, expliciet stilstaan bij waarden en belangen, een rondleiding, dromen) of kan een informeel begin concreet helpen bij het invulling geven aan deze aanbeveling.
2.3.2 Het belang van duidelijke communicatie Dat communicatie belangrijk is in de omgang tussen inwoners en gemeente, is niet nieuw. ‘Gebrek aan communicatie’ wordt het meest genoemd als kritiekpunt bij evaluaties van participatieprocessen. We doen een korte aanbeveling die rechtsreeks uit een van de onderzochte casussen komt: communiceer veel en goed, ook als je (als gemeente) niks te melden hebt. (Deze uitspraak kwam uit de casus Cultuurvisie: het werd ambtelijk als een belangrijk aandachtspunt genoemd en het werd daadwerkelijk gedaan. Maar ook participanten gaven expliciet aan dat ze dit soort communicatie heel prettig vonden.) Een paar redenen waarom communicatie zo belangrijk is, onderstreept de bovengenoemde aanbeveling: •
Communicatie is belangrijk voor het wegnemen van wantrouwen door transparantie;
•
Communicatie is als gemeente je belangrijkste middel om: (1) de ruimte van wat mogelijk is helder af te bakenen, (2) de verwachtingen te managen en (3) de spelregels van een proces duidelijk te maken. Wanneer de communicatie niet goed genoeg is, ontstaan er ook problemen op de zaken die duidelijk gemaakt moeten worden.
•
Communicatie is belangrijk voor nazorg. Als een participatieproces is afgerond, heerst er vaak een ‘wat nuvraag’ bij participanten. Het kan na een participatieproces vaak heel lang duren voor er daadwerkelijk wat gedaan wordt op basis van de participatief gemaakte plannen. Dit kan voor participanten heel frustrerend zijn en ook tot zorgen leiden.
Zie bijvoorbeeld het recente wetsvoorstel: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2020/06/05/wetsvoorstel-versterkingparticipatie-op-decentraal-niveau-voor-advies-naar-raad-van-state 5
13
62689 – Openbaar
•
Communicatie is een middel om aan zowel kennis als relaties te werken. Om het, misschien overbodig, concreet te maken: communicatie is het middel om je te laten te informeren, anderen wat te vertellen, je zorgen kenbaar te maken of duidelijk te maken dat je de ander begrijpt.
Achtergrond en verdieping: logica’s van handelen Elke belangrijke groep bij participatieprocessen (ambtenaren, politiek-bestuur en de samenleving) gaat anders een participatieproces in. Hoe zit dat en hoe ga je hiermee om? De wereldbeelden, overtuigingen, aannames en manieren van handelen van een groep noemen we de ‘logica van handelen’. Elk van deze groep zit in de eigen bubbel met impliciet gedeelde opvattingen, ervaringen, verhalen, regels en emoties. Deze logica’s zijn sterk bepalend voor hoe iedere participant (van inwoner tot gemeente) met een participatietraject begint. Het is een sterke generalisatie, maar doorgaans zijn de volgende logica’s van handelen te zien: •
Inwoners denken doorgaans praktisch en gaan uit van eigenbelang; dat brengt hun positie met zich mee. Ze worden geconfronteerd met interventies (er gebeurt iets) of ze willen zelf iets: ‘Dit moet toch gewoon kunnen.’ Inwoners zijn heel gevoelig voor een gebrek aan communicatie en voor overmatige bureaucratie. Ze zitten niet in het centrum van de macht en hebben vaak geen idee hoe de ambtelijke molens draaien.
•
Ambtenaren vertrouwen het meest op hun eigen expertise. Bovendien zijn ze mede vanuit bestuurlijke loyaliteit en bescherming van de eigen positie geneigd tot risicobeheersing. Dit kan ertoe leiden dat ze niet echt openstaan voor suggesties van inwoners. Tegelijkertijd zijn ambtenaren er ook op gericht resultaat te behalen vanuit bestuurlijke loyaliteit en eigen professionaliteit. Ze maken in toenemende mate deel uit van netwerken van partijen die voor het behalen van resultaat onmisbaar zijn.
•
Lokale bestuurders zijn gericht op het behalen van resultaat, in ieder geval op korte termijn, en op het beheersen van risico’s. Een participatietraject met veel participanten kan dan al snel als risicovol worden ervaren. Bestuurders maken, meer nog dan ambtenaren, deel uit van ingewikkelde netwerken. Ze zijn afhankelijk van andere actoren voor resultaat en risicobeheersing Als er een groep is die druk ondervindt om te participeren, dan zijn het de bestuurders wel.
•
Lokale politici staan vaak enigszins wantrouwend tegenover burgerinitiatieven, omdat ze bang zijn dat inwoners vanuit het eigenbelang handelen en niet vanuit het algemeen belang (representativiteitsvraagstuk). Bovendien zijn zij gekozen om te besluiten. Tegelijkertijd zijn politici afhankelijk van andere partijen voor het behalen van resultaat en zijn ze gevoelig voor het oordeel van anderen – en de achterban – over de manier waarop ze inwoners betrekken bij vraagstukken. Daarom zien steeds meer politici, schoorvoetend, de waarde in van succesvolle participatieprocessen. Wat niet meehelpt is dat politici vaak te laat worden betrokken.
Het besef dat iedere groep vanuit een fundamenteel ander vertrekpunt redeneert en vaak een andere ‘bril’ op heeft, helpt vaak al een beetje. Een logica van handelen is niet gemakkelijk te veranderen, maar er is wel rekening mee te houden. En net zo grove generalisatie: van bestuurders vragen we geduld omdat complexe vraagstukken meer tijd kosten om overeenstemming te bereiken. Van ambtenaren vragen we om af en toe even uit de ‘doe-stand’ te stappen om langer stil te staan bij hoe het proces verloopt. En van inwoners vragen we begrip voor andermans standpunten en de moeilijke positie waar een lokale overheid vaak in verkeert. Meer informatie over de logica’s van handelen.
14
62689 – Openbaar
3. Tot slot: verder leren door doen en evalueren In dit rapport hebben we een toelichting gegeven op de wijze van evalueren van participatieprocessen in de gemeente Middelburg, en een aantal algemene aandachtspunten en aanbevelingen meegegeven die voortkomen uit de evaluatie van drie participatietrajecten. In dit slothoofdstuk sommen we de aanbevelingen nog kort op, en geven we wat praktische tips om met deze aanbevelingen aan de slag te gaan. Tot slot delen we ook nog een aantal bevindingen met betrekking tot het evalueren van participatieprocessen.
3.1 Aanbevelingen en mogelijke vervolgstappen In het rapport kwamen de volgende aanbevelingen naar voren: 1.
zorg ervoor dat je als gemeente duidelijk als ‘één geheel’ optreedt, of heel scherp onderscheid tussen rollen en verantwoordelijkheden maakt binnen een participatieproces
2.
breng de raad goed in positie bij participatieprocessen.
3.
neem ruim voldoende tijd om (het liefst gezamenlijk) het vraagstuk te verkennen
4.
ga laagdrempelig aan de slag met een praktische en structurele procesvorm / checklist
5.
organiseer participatieprocessen op een manier dat ‘winnen’ en resultaten behalen niet de enige redenen zijn om mee te doen.
6.
communiceer veel en goed, ook als je (als gemeente) niks te melden hebt
We zien drie concrete mogelijkheden om daar op korte termijn als gemeente mee aan de slag te gaan: 1.
Ga als gemeente gezamenlijk aan de slag (dus met raad, college en ambtenaren) om meer grip op de startfase van participatieprocessen te krijgen. Start met een werksessie/training om meer zicht te krijgen op de mogelijke type vraagstukken en welke instrumenten daar bij zouden kunnen passen, en hoe je dan vervolgens kaders stelt aan een participatietraject. Een dergelijke werksessie is een eerste stap om extra bewustwording hierover te creëren, kennis hierover te delen en hier als één gemeente een gezamenlijke visie en werkwijze op te ontwikkelen. Vraagstukken waar het in elk geval over zou moeten gaan zijn: -
Wanneer is een traject geschikt voor participatie? Dimensies kunnen zijn: in hoeverre draagt participatie bij aan a) kwaliteit van informatie, b) het draagvlak voor de beslissing of c) het verbeteren van de inhoud, d) de bereidheid tot gezamenlijke actie bij grote opgaven en e) bevordert het democratische ervaringen?
-
Aan welke procesvoorwaarden moet voldaan zijn? Bijvoorbeeld: o
Soort participatie
o
Budgettaire condities
o
Inpassing in groter geheel
o
Actoren die aan bod moeten komen (denk aan specifieke doelgroepen, unusual suspects of het werken aan inclusievere participatie (inwoners met een afstand tot de maatschappij of de politiek)
2.
o
Momenten van afstemming en besluitvorming
o
Informatievoorziening
Werk de Participatiecode verder uit in duidelijkere handvatten / uitvoeringskaders voor participatietrajecten. Gedurende de evaluatie hebben we gemerkt dat de huidige Participatiecode wordt gewaardeerd en waar mogelijk gehanteerd, maar dat deze te abstract is om te gebruiken als leidraad bij participatieprocessen.
3.
Ga gelijktijdig aan de slag met de participatieverordening, in samenspraak met raad, college én inwoners.
Met deze drie stappen kan in 2021 gestructureerd gewerkt worden aan het verbeteren van toekomstige participatietrajecten in de gemeente Middelburg.
62689 – Openbaar
15
3.2 Verder met evalueren Het doel van deze evaluatie, en specifiek de rol van Berenschot daarin, was niet alleen om te leren over participatie, maar ook om leren over het evalueren van participatieprocessen. Op basis van het gezamenlijk opgestelde evaluatiekader en met de opgedane ervaring, kan de gemeente ook in de toekomst aan de slag met het evalueren van participatietrajecten. Het evalueren kan zelfstandig, onder begeleiding van een externe partij of volledig door een externe partij. Daarbij kan wel steeds teruggegrepen worden op het ontwikkelde evaluatiekader. Uit de drie uitgevoerde evaluaties putten we ook nog een aantal inzichten en aanbevelingen ten aanzien van het evalueren van participatietrajecten: 1.
Evalueren leidt tot waardevolle inzichten over wat goed werkt en wat beter kan. Daarom is het waardevol na ieder participatieproces enige vorm van evaluatie toe te passen. De zwaarte daarvan kan mede afhangen van de omvang of het verloop van het participatieproces.
2.
Het betrekken van deelnemers bij het evalueren wordt door hen op prijs gesteld, levert waardevolle inzichten op en vergroot draagvlak voor participatie. Bovendien versterkt het de afronding van een participatietraject. Het is dus waardevol om deelnemers altijd te betrekken bij de evaluatie. In de uitgevoerde evaluaties is dat in (groeps)gesprekken gedaan. Dat zou eventueel middels een digitale vragenlijst kunnen.
3.
In de uitgevoerde evaluaties is onzes inziens de juiste afweging gemaakt in het zelfstandig (ambtelijk) evalueren van trajecten en dit uitbesteden aan een onafhankelijke partij. De keuze is gemaakt op basis van een inschatting in hoeverre de gemeente als evaluerende partij wordt vertrouwd in dat specifieke traject. Ook in de toekomst blijft dat een kwestie van inschatten, met name op basis van het verloop van een participatietraject (zijn er bijvoorbeeld signalen van wantrouwen door deelnemers, of is er ontevredenheid over het verloop of de resultaten van het participatieproces?).
4.
Zet in op meerdere personen die de evaluaties kunnen uitvoeren. Dit zorgt voor het ‘borgen’ van de kennis en kunde. Ten eerst, meer mensen weten hoe ze moeten evalueren en dat helpt bij het kiezen van wie de evaluatie doet per project. Ten tweede, wanneer meerdere medewerkers de evaluatiemethode onder de knie hebben en er ervaring mee hebben, creëert dit een beetje een olievlekwerking omdat hiermee ook andere medewerkers in aanraking komen met de evaluaties. Tot slot, als een medewerker vertrekt of ziek is, zit de kennis en kunde ook bij andere medewerkers.
5.
Doe evaluaties minimaal met z’n tweeën. Dit maakt het voeren van gesprekken eenvoudiger en prettiger. Ook geeft het de evaluatoren een ‘sparringpartner’ wat leidt tot betere analyses en conclusies.
3.3 Verder met leren Het doel van de evaluatie is om te verbeteren, te leren en participatietrajecten op een goede manier af te sluiten. Gegeven deze doelstellingen is het van belang om dat verbeteren en leren ook constant centraal te staan en niet enkel ‘te evalueren om het evalueren’. Om te blijven te blijven leren van de evaluaties is het van belang om te zorgen dat het leren op een bepaalde manier verankerd wordt in de organisatie. Dit verankeren kan bijvoorbeeld door het gezamenlijk formuleren van een leerprogramma met: •
Aandacht voor waarom Middelburg wil leren (verbeteren van participatieprocessen of als belangrijke input voor de participatieverordening).
•
Hoe geleerd gaat worden (onder andere door evaluaties, maar denk ook aan aanvullende methodieken zoals kennisdelers in de hele gemeente, bijeenkomsten met inwoners. Of ingrijpendere manieren om te leren zoals experimenten of games.).
•
Wie verantwoordelijk is voor het leren (bestuurlijk en ambtelijk).
•
Wie er (moeten) gaan leren. Wat wordt betrokkenheid van de gemeenteraad, van het college, van het MT, van de ambtelijke organisatie en van de samenleving?
•
Hoe geleerde lessen ‘opgeschreven worden’.
62689 – Openbaar
•
16
Of en hoe er verbinding gemaakt gaat worden met andere initiatieven binnen de gemeente of bestaande programma’s.
•
Een tijdspad: wanneer en volgens wat voor cyclus gaan we leren en evalueren? (We raden aan minimaal een jaar met elkaar af te spreken).
17
62689 – Openbaar
Evaluatiekader participatietrajecten Onderstaand geven we een overzicht van de indicatoren van het evaluatiekader voor participatietrajecten, met per indicator één of meerdere voorbeeldvragen ter operationalisering. Dit kader dient daarmee als handig vertrekpunt voor interviewleidraden of enquêtes bij toekomstige evaluaties van participatietrajecten.
Startfase Criterium
Indicatoren
Voorbeeldvragen
Vaststellen startmoment
1.
Met wie
Met wie is startmoment vastgesteld?
2.
Wanneer
Wanneer was het startmoment van het participatieproces? (En was daar een eensgezind beeld over?)
Duidelijkheid & afspraken over: Het doel
3.
Wat is het doel?
4.
Met wie gemaakt?
5.
Tot hoever reikt de participatie
Wat was het doel van het participatieproces? Met wie is dat doel geformuleerd? In hoeverre was iedereen het eens met dit geformuleerde doel? Was er duidelijkheid/een afspraak over tot hoever de participatie zou reiken. In hoeverre was iedereen het daarmee eens? Wat was de participatievorm? (bijvoorbeeld samen denken/doen/besluiten/leren).
De stakeholders (hun kennis) & rollen
6.
Wie zijn de stakeholders en zijn ze voor of tegen?
7.
Wat voor kennis brengen ze in?
Wie waren de stakeholders in het proces? Wat was hun belang en ‘hoe zaten ze er in’? (Speelde emotie bijvoorbeeld een rol?) Wat verwachtte iedereen? Wat voor kennis bezaten de stakeholders en was die kennis nodig? Misten er nog stakeholders? Wie en waarom? Wat is de rol en taak van iedere stakeholder?
Kaders
8.
Zijn er kaders vastgesteld en wat waren ze?
Zijn er kaders vastgesteld? Wat waren die kaders. Hoe zijn de kaders tot stand gekomen?
Het proces
9.
Verschillende processtappen?
Wat waren de – op voorhand – gestelde processtappen? Was het voor iedereen duidelijk?
10. Planning? 11. Kan het proces bijgesteld worden? 12. Hoe gaan we met elkaar om?
Wat was de planning? Was het voor iedereen duidelijk? Was er – op voorhand – een moment gepland om te kijken of het proces of de planning bijgesteld moest worden? (Extra: of de raad tussentijds te informeren) Waren er – op voorhand – omgangsnormen afgesproken? (En bijvoorbeeld ook: wat doen we als het mis gaat?)
Proces/doorloopfase Criterium
Indicatoren
Voorbeeldvragen
Verwachtingen managen
1.
Is er gecheckt of alles nog naar verwachting gaat?
Hoe en door wie zijn de verwachtingen gecheckt? Wat werd er mee gedaan als het niet meer naar verwachting ging?
Open informatie & inbreng
2.
Transparantie
3.
Toegang tot de informatie
Was alle informatie toegankelijk? Werd het aangekondigd als er informatie werd ingebracht en konden participanten ook zelf informatie inbrengen?
Communicatie & terugkoppeling
4.
Eenduidig communicatie
Hoe werd er gecommuniceerd? Door de projectleider/procesverantwoordelijke. Werd er na een stap terugkoppeling gegeven?
18
62689 – Openbaar
Criterium
Indicatoren
Voorbeeldvragen
Letten op de omgang
5.
Gaan we nog met elkaar om zoals afgesproken? En hoe is de toon?
Ging iedereen met elkaar om zoals afgesproken? Werd er ingegrepen op de omgang als het nodig was? Door wie?
(Ingrepen)
6.
Is er ingegrepen en door wie en waarom? (Escalatie naar ander niveau)
Welke ingrepen zijn er in het proces gedaan? Door wie en waarom? Wat was het gevolg van die ingreep?
7.
Is er de flexibiliteit om in te grijpen
Is het proces tussentijds nog bijgesteld? (Hoe verhield de aanpassing zich tot de kaders?)
Opbrengstfase Criterium
Indicatoren
Voorbeeldvragen
Kwaliteit (van het resultaat of het besluit)
1.
Resultaat behaald
2.
Meerwaarde (geen ‘zesje’)
Is er een concreet resultaat behaald (kan ook een denkproduct of conceptueel product zijn).
3.
Binnen de kaders
In hoeverre heeft het participatieproces tot meerwaarde geleid? (Was het ook gelukt zonder participatie? En zo ja, was het net zo goed?) Hoe verhoud het resultaat zich tot de gestelde kaders?
Draagvlak (voor het resultaat & het proces)
4.
Herkenbaarheid
In hoeverre zien participanten hun inbreng terug?
5.
Tevredenheid
6.
Gehoord voelen
Is men tevreden over het resultaat en over het gevoerde proces?
7.
Zorgvuldigheid
Voelde iedereen zich gehoord? (Waarom wel/niet, door wie wel/niet?) In hoeverre vinden betrokkenen dat het resultaat zorgvuldig tot stand is gekomen?
Acceptatie
8.
Respect (elkaar, uitkomst, proces)
9.
Begrip
Respecteert iedereen de uitkomst en hoe dit tot stand is gekomen? Ook als mensen ‘niet hun zin hebben gekregen.’ Waarom wel/niet? Heeft het participatieproces geleid tot meer begrip (onderling en/of naar de gemeente)?
Betrokkenheid
10. Bijdrage aan vitaliteit
Hoe heeft participatieproces bijgedragen aan (een groeiende) betrokkenheid van inwoners en een vitale/actieve gemeenschap?
19
62689 – Openbaar
Berenschot is een onafhankelijk organisatieadviesbureau met 350 medewerkers wereldwijd. Al 80 jaar verrassen wij onze opdrachtgevers in de publieke sector en het bedrijfsleven met slimme en nieuwe inzichten. We verwerven ze en maken ze toepasbaar. Dit door innovatie te koppelen aan creativiteit. Steeds opnieuw. Klanten kiezen voor Berenschot omdat onze adviezen hen op een voorsprong zetten. Ons bureau zit vol inspirerende en eigenwijze individuen die allen dezelfde passie delen: organiseren. Ingewikkelde vraagstukken omzetten in werkbare constructies. Door ons brede werkterrein en onze brede expertise kunnen opdrachtgevers ons inschakelen voor uiteenlopende opdrachten. En zijn we in staat om met multidisciplinaire teams alle aspecten van een vraagstuk aan te pakken.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG Utrecht Postbus 8039, 3503 RA Utrecht 030 2 916 916 www.berenschot.nl /berenschot