21-051 Bijlage 2 c. Toelichting Ontwerp bp Adriaen Lauwereyszstraat 6
Tekst van het document
Voor de toekomstige situatie is gekeken naar de kencijfers voor ‘koop, huis, tussen/hoek’, ‘koop, appartement, duur’ en ‘gezondheidscentrum’. De kencijfers voor een gezondheidscentrum zijn per behandelkamer. In voorliggende situatie wordt uitgegaan van maximaal 4 behandelkamers. Huidige verkeersgeneratie 2 (1.288 m kerk)
Toekomstige verkeersgeneratie (8 grondgebonden, 12 apparte2 menten & 230 m zorg)
Verschil
Minimaal
11,2 x 12,88 = 144,256
6,7 x 8 & 6,7 x 12 & 16,0 x 4 = 198
+ 54
Maximaal
13,5 x 12,88 = 173,88
7,5 x 8 & 7,5 x 12 & 20,2 x 4 = 230,8 + 57 per etmaal
Zoals uit bovenstaande tabel is af te leiden neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie in geringe mate toe ten opzichte van de huidige situatie. Dit leidt nauwelijks tot effecten op de omgeving alsmede op de infrastructuur. 4.9.1.3
Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
11
CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 29
4.9.2
Parkeren
4.9.2.1
Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de parkeersituatie ter plaatse.
4.9.2.2
Onderzoek 12 In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Goudappel Coffeng een parkeerbalans opgesteld. Uit het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: Bij de ontwikkeling worden 47 parkeerplaatsen gerealiseerd. Ten behoeve van dit plan komen 24 parkeerplaatsen te vervallen. Per saldo bedraagt de toevoeging van het aantal parkeerplaatsen 23. De parkeerbehoefte van de nieuwe functies bedraagt maximaal 30 parkeerplaatsen op zaterdagavond (maatgevend moment). Op de werkdagavond/koopavond, werkdagnacht en zaterdagavond ontstaat een tekort van maximaal 7 parkeerplaatsen op eigen terrein. Uit het resultaat van de parkeerdrukmeting blijkt dat er voldoende restcapaciteit in de omgeving is om het tekort op eigen terrein op te kunnen faciliteren. De parkeerdruk blijft ook na ontwikkeling ruimschoots onder de 85%. Op basis van deze onderzoeksresultaten is het aspect parkeren in voldoende mate onderzocht en is verzekerd dat er voldoende parkeergelegenheid en rondom het plangebied aanwezig is. In de regels van dit bestemmingsplan zijn de van toepassing zijnde parkeernormen opgenomen zodat bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen getoetst kan worden of er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Het uitgevoerde onderzoek toont dit al aan.
4.9.2.3
Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering in de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Water
4.10.1
Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’.
4.10.2
Beleid Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
12
Goudappel Coffeng (2020). Parkeerbalans locatie De Morgenster te Middelburg. Projectnummer: 004938.20190722.N1.03. 6 november 2020. 30
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water.
Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Beleid Waterschap Scheldestromen – Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 2016-2021 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. Het waterschap heeft daar namelijk een specifieke verantwoordelijkheid voor. Wettelijk vastgelegde taken zoals het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het doelmatig zuiveren van afvalwater. Ook heeft het waterschap de taak om het watersysteem en de afvalwaterketen robuust te maken voor de toekomst zodat we gevolgen van de klimaatverandering kunnen opvangen.
Concreet betekent dat voor het watersysteem de volgende doelen: Watersystemen zijn zo ontworpen dat ernstige en langdurige wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen: oppervlaktewater treedt niet vaak buiten zijn oevers. De gehanteerde waterpeilen zijn afgestemd op het grondgebruik oftewel de functies landbouw, natuur en wonen: goed waterpeil onder normale omstandigheden. Zorgen voor waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: gezond oppervlaktewater. Faciliteren van een verantwoord gebruik van het beschikbare zoetwater. In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiënte manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit.
31
Het waterbeheerplan staat voor verbinding van het werk van het waterschap met het werk van andere overheden: Provincie Zeeland, gemeenten, Rijkswaterstaat, naburige Vlaamse waterbeheerders en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het waterschap schept randvoorwaarden voor gebruikers, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers zoals burgers, agrariërs, terreinbeheerders, ondernemers en bedrijven, recreanten. 4.10.3
Onderzoek Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. Deze tabel is ingevuld voor de beoogde ontwikkeling. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Waterveiligheid Het plangebied is niet gelegen binnen de Waarborgen van het veiligheidsniveau en kern- of beschermingszone van een waterrekening houden met de daarvoor beno- kering. digde ruimte. Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) De ontwikkeling voorziet in de realisatie van Het plan biedt voldoende ruimte voor het woningbouw en maatschappelijke dienstvervasthouden, bergen en afvoeren van wa- lening. Op deze locatie is op dit moment ter. Waarborgen van voldoende hoog een kerkgebouw aanwezig. Met de beoogde bouwpeil om inundatie vanuit oppervlak- herontwikkeling geldt de verwachting dat het tewater in maatgevende situaties te verhard oppervlak in het plangebied slechts voorkomen. Rekening houden met de in beperkte mate zal toenemen (van circa 2 2 gevolgen van klimaatverandering en de 2.100 m naar circa 2.600 m ). Watercomkans op extreme weersituaties. penserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Grondwaterkwantiteit en verdroging De ontwikkeling voorziet niet in het oppomTegengaan/verhelpen van grondwater- pen van grondwater. Het plangebied wordt overlast en -tekort. Rekening houden met zo groen mogelijk ingericht, zodat er zich de gevolgen van klimaatverandering. Be- mogelijkheden voorzien om het hemelwater schermen van infiltratiegebieden en be- via een natuurlijke weg in de bodem te infilnutten van infiltratiemogelijkheden. treren.
32
Hemel- en afvalwater Het afvalwater ten gevolge van de ontwikke(inclusief water op straat/overlast) ling zal (gescheiden) afgevoerd worden op Waarborgen optimale werking van de de aanwezige gemeentelijke riolering. zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van Er zal DWA en HWA worden aangelegd. (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Volksgezondheid (water gerelateerd) De ontwikkeling heeft geen invloed op de Minimaliseren risico water gerelateerde water gerelateerde volksgezondheid. ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via onder andere de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Het plangebied bevindt zich niet een gebied Voorkomen van maatregelen die (extra) dat gevoelig is voor bodemdaling. maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud/realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.
In de direct omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Dit plan zal dan ook niet van invloed zijn op de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Grondwaterkwaliteit De grondwaterkwaliteit wordt door het plan Behoud/realisatie van een goede grond- niet negatief beïnvloed. waterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Natte natuur De ontwikkeling zorgt niet voor (negatieve) Ontwikkeling/bescherming van een rijke effecten op natte natuur. gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlakteOppervlaktewater moet adequaat onder- water aanwezig. houden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
33
Andere belangen waterbeheerder(s) Relatie met eigendom waterbeheerder De ontwikkeling vormt geen belemmering Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de voor eigendommen van de waterbeheerder. werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Niet van toepassing Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap. Tabel Watertoetstabel
4.10.4
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
34
5
Juridische planopzet
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
35
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
36
5.2.1
Bijzonderheden in dit bestemmingsplan De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Dit bestemmingsplan kent de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3'. Groen (artikel 3) De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de gronden in het zuiden en oosten van het plangebied. De gronden mogen onder andere worden gebruikt voor groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen. Enkel gebouwen in de vorm van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen hier worden gebouwd. Voor deze bouwwerken zijn in de regels maatvoeringseisen vastgelegd. Verkeer (artikel 4) De bestemming ‘Verkeer’ is opgenomen voor de gronden van de beoogde parkeervoorzieningen in het plangebied. De gronden mogen onder andere worden gebruikt voor groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, watervoorzieningen en wegen met ten hoogste twee maal één doorgaande rijstrook. Enkel gebouwen in de vorm van nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen hier worden gebouwd. Voor deze bouwwerken zijn in de regels maatvoeringseisen vastgelegd. Wonen (artikel 5) De bestemming Wonen maakt het mogelijk op binnen die gronden maximaal 20 woningen met bijbehorende voorzieningen te realiseren.
Voor ieder bestemmingsvlak is het maximum aantal wooneenheden op de verbeelding vastgelegd. Ook is met de aanduiding ‘gestapeld’ de plek van de appartementen bepaald en regelt de aanduiding ‘maatschappelijk’ de mogelijkheid voor de maatschappelijke dienstverlening op de begane grond. Ook zijn, onder voorwaarden, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven toegestaan. De ter plaatse toegestane woning typologieën zijn aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen (alleen ter plaatse van de aanduiding). Deze woningen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan de op de verbeelding aangegeven maximaal bouwhoogte. Daarnaast zijn in de bouwregels voor diverse andere bouwwerken regels ten aanzien van de maatvoering opgenomen. Waarde - Archeologie 3 (artikel 6) De binnen het plangebied voorkomende waardevolle archeologische gebieden worden beschermd met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3'. Deze dubbelbestemming regelt dat op deze gronden uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. Er geldt een archeologische vrijstelling voor bodemingrepen tot een diepte van 1,75 meter onder het huidig maaiveld (1,81 meter beneden NAP).
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken ten behoeve van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de onderliggende bestemmingen, mits is aangetoond dat de (hoge) archeologische waarden niet (kunnen) worden geschaad. Onder voorwaarden is geen afwijking vereist. Voor het uitvoe-
37
ren van diverse werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is bovendien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig. 5.2.2
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Noemenswaardig is wel dat in de overige regels een parkeerregeling is opgenomen.
38
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofd2 gebouw met ten minste 1.000 m of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 2 m bedraagt; 2 de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m . Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.
Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
39
In mei 2019 heeft een informatie-inloopavond plaatsgevonden op locatie (Morgensterkerk). Er waren over de avond verspreidt zo’n 50-60 buurtbewoners aanwezig. Het plan werd getoond aan de hand van panelen op basis waarvan men vragen aan zowel de ontwikkelaar als de architect kon stellen. De reacties waren overwegend positief, een mooie inpassing in de wijk. Met een direct aanwonende is een aanvullende afspraak gemaakt om het plan nader uit te leggen waarna ook zij zich in het plan kunnen vinden. Aandacht werd gevraagd voor de groeninpassing. Het plan heeft naar aanleiding van de reacties op de informatieavond geen aanpassingen behoeft. Een aantal aanwezigen heeft eventuele interesse in een woning dan wel appartement aangegeven. 6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
40