21-051 Bijlage 2 a. Regels Ontwerp bp Adriaen Lauwereyszstraat 6
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Regels
Adriaen Lauwereyszstraat 6
Gemeente Middelburg
Datum: 2 december 2020 Projectnummer: 170136 ID: NL.IMRO.0687.BPBREALAU-ON01
INHOUD REGELS
1
Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
3 7
2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Groen (G) Verkeer (V) Wonen (W) Waarde - Archeologie 3 (WA-3)
8 9 10 12
3
Algemene regels
14
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
14 14 15 15
4
Overgangs- en slotregels
16
Artikel 11 Artikel 12
Overgangsrecht Slotregel
16 16
De verbeelding Verbeelding met legenda
1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
1.1
plan het bestemmingsplan ‘Adriaen Lauwereyszstraat 6’ met identificatienummer NL.IMRO.0687.BPBREALAU-ON01 van de gemeente Middelburg.
1.2
bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.
1.3
aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5
aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
1.6
aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.7
ander bouwwerk elk bouwwerk, geen gebouw zijnde.
1.8
bebouwing één of meer gebouwen en / of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.9
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
1.10
bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.
1.11
bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.12
bruto vloeroppervlak de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
3
1.13
bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.14
bouwgrens de grens van een bouwvlak.
1.15
bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is.
1.16
bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.17
bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel.
1.18
bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.19
bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.20
bouwwerk geen gebouw zijnde een bouwwerk als bedoeld in lid 1.19, niet zijnde een gebouw.
1.21
bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.22
dakopbouw een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.
1.23
deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake een specifiek aspect van de ruimtelijke ordening.
1.24
gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
4
1.25
gestapelde woning een gebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden en al dan niet tevens naast elkaar zijn gesitueerd en waarvan in ieder geval een gedeelte van de tot het gebouw behorende woningen niet direct toegankelijk is vanaf een weg of langzaam verkeersroute.
1.26
hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
1.27
huishouden een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling.
1.28
kantoor voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
1.29
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.
1.30
maatschappelijke dienstverlening voorzieningen en instellingen, gericht op het aanbieden en uitoefenen van activiteiten, gericht op de sociale, maatschappelijke, medische, zorgverlenende dienstverlening, met dien verstande dat geen kinderdagverblijf is toegestaan.
1.31
maatvoeringsaanduiding alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen.
1.32
NEN door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
1.33
nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.34
overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
5
1.35
peil a voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg (ter plaatse van de hoofdtoegang); b in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.36
voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
1.37
voorgevelrooilijn de lijn die, in combinatie met de rechte lijnen die in het verlengde daarvan zijn te trekken, bij het bouwen aan de wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevellijn) niet mag worden overschreden.
1.38
wonen het gehuisvest zijn in een woning.
1.39
woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.
6
Artikel 2
Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
2.2
bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.3
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
2.4
goot(- of boeibord)hoogte van een bouwwerk tussen het peil en de snijlijn tussen de bovenkant van het dakbeschot en de buitenkant van de gevel, hellende dakvlakken, topgevels, dakkapellen - voor zover deze minder dan 50% van de breedte van het dakvlak beslaan/ en liftopbouwen daar niet onder begrepen.
2.5
inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.6
oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en / of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.7
verschillende goothoogten van een bouwwerk indien een gebouw met betrekking tot de constructiedelen als bedoeld onder 2.6. over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten: a indien zich aan de voorgevelzijde een goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde; b indien zich – in geval van een lessenaarsdak – aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot / druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
2.8
vloeroppervlakte de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN2580.
7
2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Groen (G) Bestemmingsomschrijving De voor ‘Groen’ (G) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a beplantingen; b bermen; c bruggen; d geluidswerende voorzieningen; e nutsvoorzieningen; f speelvoorzieningen; g voet- en fietspaden; h ontsluitingsvoorzieningen; i watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals waterinfiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.
3.2 3.2.1
Bouwregels Toelaatbaarheid van bouwwerken Voor het bouwen gelden de volgende regels: a op deze gronden worden uitsluitend gebouwd: 1 gebouwen voor nutsvoorzieningen; 2 bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2.2
Maatvoering De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk
goothoogte
bouwhoogte
oppervlakte / inhoud
a.
nutsvoorzieningen
-
3m
15 m
b.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde
-
3m
-
c.
lichtmasten
-
9m
-
8
2
Artikel 4 4.1
Verkeer (V) Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer’ (V) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a beplanting; b bermen; c bruggen; d fiets- en voetpaden; e geluidwerende voorzieningen; f nutsvoorzieningen; g parkeerplaatsen; h watergangen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals waterinfiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins; i wegen met ten hoogste twee maal één doorgaande rijstrook.
4.2 4.2.1
Bouwregels Toelaatbaarheid van bouwwerken Op deze gronden worden uitsluitend gebouwd: a gebouwen voor nutsvoorzieningen; b bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2.2
Maatvoering De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk
goothoogte
bouwhoogte
oppervlakte / inhoud
a.
nutsvoorzieningen
-
3m
15 m
b.
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
9m
-
c.
lichtmasten
9m
9
2
Artikel 5
Wonen (W)
5.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ (W) aangewezen gronden zijn bestemd voor: a het wonen in een woning; b ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’ tevens maatschappelijke dienstverlening op de begane grond; c ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ gestapelde woningen; d bijbehorende erven, tuinen en ontsluitingspaden.
5.2 5.2.1
Bouwregels Toelaatbaarheid van bouwwerken Voor het bouwen gelden de volgende regels: a op deze gronden worden gebouwd: 1 ter plaatse van het bouwvlak: hoofdgebouwen, met dien verstande dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ aangegeven aantal; aan- en uitbouwen; bijgebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b als woningtype is toegestaan: 1 aaneengebouwde woningen; 2 gestapelde woningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’; c van het hoofdgebouw bedraagt de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste: 1 1 m aan de niet-aangebouwde zijde van de eindwoningen van aaneengebouwde woningen; d de voorgevel van het aaneengebouwde hoofdgebouw is georiënteerd op de 'gevellijn'; e van een bijgebouw ligt de voorgevel ten minste 3 m naar achteren ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw; f in afwijking van het bepaalde onder e bedraagt de afstand tussen de voorgevel van een bijgebouw dat als garage wordt gebouwd en de voorste perceelsgrens ten minste 5 m; g een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend indien voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.
Daarbij gelden de volgende parkeernormen: 1 voor aaneengebouwde woningen: 1,5 parkeerplaatsen per woning; 2 voor gestapelde woningen: 1,4 parkeerplaatsen per woning; 3 voor maatschappelijke dienstverlening: 2,95 parkeerplaatsen per behandelkamer.
10
5.2.2
Maatvoering De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten: bouwwerk a. hoofdgebouwen
5.3
goothoogte
bouwhoogte
oppervlakte / inhoud
-
De ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ aangegeven bouwhoogte
b. aan- en uitbouwen, 3 m overkappingen en bijgebouwen
4,5 m
per bouwperceel buiten het bouwvlak 2 40% en 40 m
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3m
-
d. erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied
-
1m
-
e. overige erfafschei- dingen
2m
-
Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a op de gronden met de bestemming Wonen is – in samenhang daarmee – ook het gebruik toegestaan van gedeelten van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, voor aan-huis-gebonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en aan-huis-gebonden logies met ontbijt, voor zover: 1 de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; 2 het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is; 3 het geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreffen dat deze kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; 4 er geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten; 2 5 ten hoogste 30% van het vloeroppervlak, met een maximum van 50 m , van de woning inclusief bijgebouwen ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten of aan-huis-gebonden logies met ontbijt in gebruik zal zijn; 6 het bedrijvigheid betreft die niet onder de werking van de Wet milieubeheer valt.
11
Artikel 6
Waarde - Archeologie 3 (WA-3)
6.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' (WA-3) aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
6.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien: 1 de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2 de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1 vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2 2
een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m ; 3 een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en heiwerkzaamheden dieper dan 1,81 m –NAP kan worden geplaatst.
6.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 1,81 m –NAP, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; c het verlagen of verhogen van het waterpeil; d het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
6.3.1
12
6.3.2
Uitzonderingen Het verbod van 6.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 6.2 in acht is genomen; 2 b een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m ; c reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
6.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 6.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; b de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
6.4 6.4.1
Wijzigingsbevoegdheid Wijziging voor verwijdering van de dubbelstemming ‘Waarde - Archeologie 3' Burgemeester en wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen door van een of meer bestemmingen met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3', die dubbelstemming geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien: a uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
13
3
Algemene regels
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8
Algemene bouwregels
8.1
Bestaande maten a De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. b De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. c In geval van herbouw is het bepaalde onder a. en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
8.2
Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 uitsluitend worden overschreden door: a tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, alsmede andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt; b de bouw van andere bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, mits deze voorzieningen van geringe horizontale en verticale afmetingen zijn en de bouwhoogte in ieder geval niet meer dan 10 m; in afwijking van het in vorige zin bepaalde bedraagt de bouwhoogte van voorzieningen voor telecommunicatie ten behoeve van privégebruik maximaal 15 m en voor gemeenschappelijk gebruik maximaal 30 m; c voor de bouw van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten dienste van nutsvoorzieningen; de inhoud van deze gebouwtjes bedraagt ten hoogste 50 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 3 m.
14
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels a Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van dit plan voor: 1 afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; 2 overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen bedragen echter niet meer dan 3 m en het bouwvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot. b De bevoegdheid tot afwijken wordt niet gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Artikel 10 10.1
Algemene wijzigingsregels Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen bedragen echter niet meer dan 3 m en het bestemmingsvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot.
15
4 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
11.1
Overgangsrecht bouwwerken a Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %; c het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2
Overgangsrecht gebruik a het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, zoals bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c indien het gebruik, zoals bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12
Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Adriaen Lauwereyszstraat 6’.
16