CConstaterende datMiddelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

21-048 Bijlage 1. Nota grondbeleid 2021 versie 17-2-2021

Gemeenteraad 15 april 2021, gemeente MiddelburgBij agendapunt: Nota grondbeleid 2021 (RM 21-048)16.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de gemeente Middelburg is het gebruikelijk om als uitgangspunt voor de grondprijs voor nietcommerciële voorzieningen in een plan 80% van de gemiddelde uitgifteprijs in een plan aan te houden, waarbij parkeren op eigen erf moet worden opgelost. Voor interne leveringen (bijvoorbeeld grond voor een schoolgebouw of gemeentewerf) wordt conform de BBV-uitgangspunten primair uitgegaan van de boekwaarde/kostprijs van de betreffende gronden, tenzij de marktwaarde lager is, in welk geval intern tegen deze laatste waarde moet worden geleverd. In geval van inbreng van gronden buiten de sfeer van het grondbedrijf in de sfeer van het grondbedrijf komt het verlies in dat geval niet ten laste van het grondbedrijf. Dit komt ten laste van de begrotingspost waar het betreffende object onder valt. Op intern aan het grondbedrijf geleverde gronden kan dus binnen het grondbedrijf nooit bij voorbaat sprake van een verlies zijn. Als de marktomstandigheden zich in ongunstige zin ontwikkelen kan zo’n verlies wel ontstaan. Per plan worden steeds, bij het vaststellen c.q. actualiseren van de exploitatieopzet, de ondergrenzen van de te hanteren grondopbrengst vastgelegd. In het kader van de exploitatieopzet wordt toegelicht hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen. De opzet wordt vertrouwelijk ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

3.3 Beleid met betrekking tot reststroken Het beleid met betrekking tot (verhuur en verkoop van) groen- en reststroken is vastgelegd in een afzonderlijke beleidsnotitie Groen- en restroken. In deze Nota grondbeleid wordt volstaan met een verwijzing hiernaar. Dit beleid, inclusief de onderliggende nota, is gepubliceerd op de webpagina middelburg.nl/groen-en-reststroken-kopen-of-huren.

22

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

4. PLANECONOMISCHE STURING Om bij actief grondbeleid voldoende rendement op winstgevende grondexploitaties te garanderen c.q. te voorkomen dat bij verlieslatende locaties verliezen hoger uitvallen dan nodig is, is het belangrijk om het financiële aspect in het gehele planproces voortdurend aandacht te geven. Vooral in de beginfase, bij het opstellen van randvoorwaarden en het ontwerp, kan hierdoor veel geld bespaard c.q. verdiend worden. Rekenen en tekenen dient gelijk op te gaan zodat de financiële gevolgen van bepaalde keuzes steeds duidelijk zijn. Voor faciliterend grondbeleid geldt dat er uitsluitend kostenverhaal mag plaatsvinden zodat winst, afgezien van meevallers ten opzichte van de geraamde kosten, niet mogelijk is. Indien kosten te laag worden geraamd is er sprake van een verlies dat niet meer op de initiatiefnemers kan worden verhaald. Verlies kan ook ontstaan indien en voor zover er kosten worden gemaakt voordat een overeenkomst over het kostenverhaal is gesloten. De inzet is om in een zo vroeg mogelijk stadium een overeenkomst te sluiten om dit risico te beperken. De kosten van een eerste beoordeling van een initiatief en vervolgens de voorbereiding van de overeenkomst kunnen echter niet anders dan voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst worden gemaakt. Bij actief grondbeleid wordt aangesloten op de systematiek van het projectmatig werken.

In de initiatieffase, veelal een aankoopvoorstel, wordt een globale haalbaarheidsberekening opgesteld, op basis waarvan een krediet kan worden gevraagd voor de voorbereiding, eventueel inclusief verwerving. In de definitiefase worden vervolgens de financiële kaders opgesteld, op basis waarvan een eerste exploitatieopzet aan de gemeenteraad kan worden aangeboden, waarbij een krediet voor de verdere ontwikkeling wordt gevraagd. In de fases die daarop volgen wordt de exploitatieopzet steeds bijgesteld, waarmee tevens het krediet wordt bewaakt. Als het project (voor het overgrote deel) gereed is, wordt het plan afgesloten waarbij rekening wordt gehouden met eventuele nakomende kosten en indien van toepassing nog te verkopen restkavels. Voor de exploitatie van de restkavels wordt, gelet op de beperkte dynamiek, de exploitatieopzet alleen geactualiseerd indien ontwikkelingen hiertoe aanleiding geven.

23

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

5. FINANCIEEL KADER 5.1 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) De financiële kaders rond het grondbeleid, zowel voor faciliterend grondbeleid als actief grondbeleid, worden bepaald door het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Op 31 juli 2019 heeft de commissie BBV een nieuwe notitie ‘Grondbeleid in begroting en jaarstukken (2019)’ gepubliceerd, waarmee alle voorgaande notities zijn komen te vervallen. De Commissie BBV geeft met door haar zelf zo genaamde “stellige uitspraken” in de in juli 2019 gepubliceerde notitie een interpretatie van de regelgeving die leidend is. Dit betekent dat verwacht wordt dat stellige uitspraken worden gevolgd en indien een gemeente toch een afwijkende interpretatie kiest (de gemeente is dan van oordeel dat in haar specifieke omstandigheden een andere lijn beter past die ook ‘BBV-proof’ is), zij dit expliciet moet motiveren en kenbaar moet maken bij de begroting en jaarstukken. Bij aanbevelingen gaat het om uitspraken die ‘steun en richting geven aan de praktijk’. De Commissie BBV spoort gemeenten en provincies aan om deze aanbevelingen te volgen omdat dat naar haar oordeel bijdraagt aan het inzicht in de financiële positie (transparantie). Met betrekking tot actief grondbeleid doet de Commissie BBV in de meest recente nota de in bijlage 2 verkort weergegeven, stellige uitspraken.

In beginsel worden deze uitspraken door ons volledig gevolgd tenzij beargumenteerd wordt waarom daar van af wordt geweken. In de bijlage wordt bij elke uitspraak in cursief aangegeven in hoeverre deze in het grondbeleid van de gemeente Middelburg wordt gevolgd of daar van wordt afgeweken. 5.2 Voorziening grondbedrijf en reserve grondbedrijf Uitgangspunt is dat het grondbedrijf voldoende middelen moet hebben om verwachte verliezen op huidige exploitaties op te kunnen vangen, niet verwachte verliezen (risico’s) op huidige exploitaties op te kunnen vangen en om tijdig een voorziening te kunnen vormen voor verwachte verlieslatende exploitaties in de toekomst. Voor de verwachte verliezen wordt conform het BBV een voorziening gevormd worden die als correctie op de actiefpost (boekwaarde) op de balans wordt opgenomen. Voor risico’s, die tot niet verwachte verliezen kunnen leiden, moet een buffer aanwezig zijn. Deze buffer is de reserve grondbedrijf. De reserve grondbedrijf kan tevens gebruikt worden als een soort spaarpot voor verwachte verlieslatende exploitaties in de toekomst. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan toekomstige herstructureringsoperaties. Er moet dan voor gezorgd worden dat ten tijde van het in exploitatie nemen van een dergelijk plan voldoende middelen beschikbaar zijn, zodat voor het volledige verwachte verlies een voorziening kan worden gevormd.

Het BBV schrijft overigens niet voor dat er een reserve grondbedrijf moet zijn. Gelet op de specifieke (meerjarige) aard van grondexploitatie ten opzichte van andere begrotingsposten en de omvang hiervan in Middelburg is een zelfstandige reserve grondbedrijf gewenst. Het grondbedrijf zou in principe haar eigen broek op moeten kunnen houden, zodat de overige bedrijfsvoering zo min mogelijk wordt beïnvloed. Voorziening grondbedrijf De voorziening wordt gevormd: Voor onvermijdbare verliezen; Op basis van door de gemeenteraad vastgestelde exploitatieopzetten; Op basis van contante waarde;

24

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

-

Ten laste van het jaarresultaat c.q. de reserve grondbedrijf.

Jaarlijks wordt beoordeeld of de voorziening toereikend is voor de verwachte verliezen. Naast bedragen voor verliezen op lopende grondexploitaties zijn in de voorziening grondbedrijf ook nog bedragen opgenomen voor nakomende kosten van afgesloten exploitaties. Reserve grondbedrijf De reserve grondbedrijf is bedoeld als buffer om risico’s in de grondexploitatie (niet zekere maar wel mogelijke verliezen) op te kunnen vangen, om tijdig voorzieningen te kunnen vormen voor in de toekomst verwachte financieel nadelige (maar wel maatschappelijk gewenste) exploitaties en om onvermijdbare verliezen op strategische aankopen op af te boeken. De gemeente moet zelf bepalen en onderbouwen welk weerstandsvermogen zij noodzakelijk acht voor grondexploitatie. Hieraan zijn door andere overheden geen specifieke eisen gesteld. In de vorige nota werden aan deze reserve de volgende eisen gesteld: Op eindwaarde is het saldo van de reserve positief; Bij doorberekening van een risicoscenario is het saldo eveneens positief op eindwaarde; Bij doorberekening van een risicoscenario wordt de reserve de eerstkomende vijf jaar niet negatief. Deze eisen hielden verband met het systeem van (tussentijdse) winstneming dat tot 2017 werd gevolgd. Daarbij werd gewerkt met een staffel.

Deze wijze van winstneming was voorzichtiger dan het systeem van (tussentijdse) winstneming wat op dit moment min of meer verplicht door de commissie BBV wordt voorgeschreven. Toepassing van dat systeem impliceert dat eerder winst wordt genomen. Dat betekent dat de kans dat daadwerkelijk een beroep moet worden gedaan op de buffer (in de vorm van de reserve grondbedrijf) toeneemt. Om dezelfde voorzichtigheid te houden in het grondbedrijf als in het verleden is het daarvoor noodzakelijk de normen waaraan de reserve grondbedrijf moet voldoen aan te passen. Met ingang van deze nota gelden de volgende normen: -

-

Op eindwaarde is het saldo van de reserve positief; Bij doorberekening van een risicoscenario is het saldo eveneens positief op eindwaarde; Bij doorberekening van een risicoscenario wordt de reserve de eerstkomende vijf jaar niet negatief; De reserve grondbedrijf dient minimaal 10% van de netto boekwaarde van de bouwgrond in exploitatie + 10% van de nog te maken kosten voor deze bouwgrond in exploitatie te zijn. Bij een hogere reserve kan desgewenst afgewogen worden om het meerdere in te zetten voor andere doeleinden door dit meerdere saldo of een deel daarvan toe te voegen aan de algemene reserve van de gemeente. De reserve grondbedrijf is maximaal gelijk aan de boekwaarde van de bouwgrond in exploitatie (doelstelling actieplan grondbedrijf) plus de nog te maken kosten voor deze bouwgrond in exploitatie. Als de reserve boven deze norm komt vindt in elk geval afdracht plaats aan de algemene reserve van de gemeente.

De nieuwe norm onder het vierde gedachtenstreepje is de zogenaamde IFLO-norm. IFLO staat voor Inspectie Financiën Lokale en provinciale Overheden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze norm werd in het verleden door verschillende provincies en gemeenten gebruikt voor het bepalen van de minimaal noodzakelijke weerstandscapaciteit. De gedachte daarbij is dat het

25

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

grondbedrijf enerzijds het risico heeft dat de boekwaarde niet geheel terugverdiend kan worden en daarbovenop het risico dat van de nog te maken kosten eveneens niet alles terugverdiend kan worden. De norm is eenvoudig te berekenen en toepassing van deze norm garandeert een behoorlijke buffer en een minimale verhouding tussen eigen en vreemd vermogen (minimaal 10% in de situatie dat er geen kosten meer gemaakt zouden hoeven te worden). Om te bepalen of de reserve aan de eisen voldoet wordt jaarlijks een doorrekening gemaakt welke (vertrouwelijk) ter kennisname van de raad wordt gebracht. Indien blijkt dat het saldo te laag is zal moeten worden aangegeven hoe en op welke termijn dit saldo weer aangevuld zal worden. In beginsel is dat vanuit de activiteiten van het grondbedrijf tenzij het niet aannemelijk meer is dat het grondbedrijf dit volledig zelf kan oplossen. Een negatieve reserve is niet toegestaan en dient, als zich dat voordoet, altijd aangevuld te worden met middelen van buiten het grondbedrijf. In de volgende Nota grondbeleid zal bezien worden of het gewenst is de normering van de reserve grondbedrijf aan te passen in relatie tot nog op te stellen beleid over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen en bovenwijkse voorzieningen naar aanleiding van de eveneens nog op te stellen Omgevingsvisie.

5.3 Winst- en verliesneming Indien een verlies op een grondexploitatie wordt voorzien wordt het verlies op dat moment direct genomen door een bedrag ter hoogte van het verwachte verlies toe te voegen aan de voorziening grondbedrijf. Zodra het plan wordt afgesloten wordt het verlies verrekend met deze voorziening. Voor winstneming geldt als uitgangspunt dat op grond van het BBV winsten pas genomen mogen/moeten worden als deze gerealiseerd zijn. De commissie BBV hanteert hiervoor de “percentage of completion”(POC)-methode. In de notitie van juli 2019 zijn eerder gedane stellige uitspraken door de commissie hierover nader verduidelijkt. Tevens is een bijlage toegevoegd hoe de berekening plaats dient te vinden. Dit dient te gebeuren op basis van de volgende formules: % kostenrealisatie x % opbrengstrealisatie = % POC; % POC x berekende winst in grondexploitatie = tussentijdse winstneming Bij deze systematiek kan het voorkomen dat later blijkt dat teveel winst is genomen. Dit dient dan in het betreffende jaar te worden teruggedraaid. Blijkens de bijlage die aan de notitie is toegevoegd is het mogelijk om de winstberekening te corrigeren voor eventuele risico’s. Die moeten dan wel goed onderbouwd worden waarbij in de praktijk het risico bestaat dat de accountant zal oordelen dat de grondexploitatieberekening zelf wellicht te optimistisch is.

Omdat een al te voorzichtige benadering ook weer risico’s heeft (grote kans op extra Vpb-heffing in de toekomst, “dood rekenen” van projecten) is het uitgangspunt in Middelburg om de exploitatieberekening zo zuiver en getrouw als mogelijk te maken en op basis hiervan te handelen. Sinds 2017 wordt, op aangeven van de accountant, de vanuit de commissie BBV voorgeschreven POC-methode al door de gemeente Middelburg toegepast. In deze Nota grondbeleid wordt het beschreven beleid nu in overeenstemming gebracht met deze praktijk. Bij grondexploitaties waarbij de te verwachten winst niet substantieel is wordt gelet op de geringe bedragen die daar mee gemoeid zijn en het risico wat daar nog op kan zitten geen tussentijdse

26

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

winstneming toegepast. Tussentijdse winstneming op een grondexploitatie vindt alleen plaats als deze substantieel is. Terugdraaien van eerder genomen winst vindt alleen plaats als het terug te draaien bedrag substantieel is. De bepaling of een berekend bedrag aan tussentijdse winst substantieel is vindt zowel plaats in absolute zin (minimaal € 20.000; berekende bedragen van meer dan € 100.000 worden altijd als winst genomen) als in relatieve zin (berekende winst onder € 100.000,- wordt alleen genomen indien deze minimaal 10% bedraagt van de totale winst) Een grondexploitatiecomplex kan pas worden afgesloten indien de gehele grondexploitatie is afgerond, dat wil zeggen als de laatste verkoop heeft plaatsgevonden en de laatste kosten zijn gemaakt. Wel is het mogelijk om te werken met een restplan, ingeval het afsluiten van een omvangrijke grondexploitatie onevenredig lang zou gaan duren vanwege een langlopende resterende activiteit, die van beperkte waarde is voor de grondexploitatie als geheel. Indien het gaat om een af te sluiten plan met nog een beperkt bedrag aan nakomende kosten wordt hiervoor een bedrag in de voorziening grondbedrijf opgenomen. Indien het gaat om de verkoop van een of enkele restpercelen wordt een restplan gemaakt zoals bijvoorbeeld bij Veldzigt en Arnestein is gebeurd.

5.4 Op te nemen kosten en opbrengsten in grondexploitaties Vanaf 1 januari 2016 kunnen op grond van het BBV uitsluitend kosten worden opgenomen die op de kostensoortenlijst van kostenverhaal in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan vermeld in artikel 6.2.4. Deze lijst is als bijlage 2 bij deze nota opgenomen. Van belang is dat uitsluitend kosten worden opgenomen van zaken waarvan de grondexploitatie profijt heeft, dat er sprake is van een causaal verband (de kosten zouden niet gemaakt worden zonder het plan of worden (mede) gemaakt ten behoeve van het plan) en dat er sprake is van proportionaliteit (als meerdere plannen profijt hebben van een voorziening worden de kosten naar rato verdeeld). Kosten die op een andere grondslag gefinancierd worden, bijvoorbeeld via verbruikstarieven (nutsbedrijven), zijn, voor zover dat het geval is, niet toerekenbaar. Het moet gaan om kosten van aanleg. Kosten van beheer behoren niet, ook niet in gekapitaliseerde vorm, tot de grondexploitatie. Op basis van het BBV is het vanaf 1 januari 2016 niet meer toegestaan om bijdragen aan reserves (fondsstortingen) op te nemen als kostenelement in een grondexploitatie. Deze bijdragen en stortingen kunnen alleen nog plaatsvinden als resultaatsbestemming.

In Middelburg was al eerder besloten om tijdelijk af te zien van bijdragen aan de reserves stadsontwikkeling, bodemsanering en stadsverfraaiing ten laste van de grondexploitatie. Met ingang van 2016 is het dus ook niet meer mogelijk om deze als kostenpost op te voeren. Op de kostensoortenlijst van het Bro komt geen post onvoorzien voor. Dat is in zoverre ook logisch dat een post onvoorzien een stelpost is waar geen daadwerkelijke kosten op geboekt kunnen en mogen worden. Wel is gebruikelijk om in de raming voor civieltechnische en cultuurtechnische werken een percentage voor onvoorzien op te nemen. In het kader van de transparantie voor gemeenteraadsleden vinden wij het helderder om deze post expliciet op te nemen dan elke afzonderlijke raming met het percentage voor onvoorzien te verhogen. In grondexploitaties wordt standaard uitgegaan van 10% over de nog resterende civieltechnische en cultuurtechnische werken tenzij hier beargumenteerd van afgeweken wordt. Het gaat hier dus om kosten van bouwen woonrijp maken.

27

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

Op de kostensoortenlijst van het Bro komen geen algemene kosten grondbedrijf voor, maar uitsluitend direct toe te rekenen plankosten. Ook hier is het gegeven dat het grondbedrijf wel deze kosten heeft en dat het erg bewerkelijk is om elke factuur en urenverantwoording voor deze kosten rechtstreeks te verdelen over en te boeken op de verschillende plannen. Daarnaast kan het ook nuttig zijn om te weten om welk bedrag het in totaal gaat. Vandaar dat deze kosten tot en met 2020, als een soort overhead, eenmaal bij het afsluiten van het boekjaar werden verdeeld over alle complexen op basis van de hierop geboekte interne uren. Het gaat hier dus om kosten van planvoorbereiding en planbegeleiding. Omdat ook deze wijze van toerekening voor discussie vatbaar is, is er in deze nota voor gekozen om deze kosten elk jaar rechtstreeks als verlies ten laste van de reserve grondbedrijf te nemen. Dit met ingang van het boekjaar 2021. Voor het grondbedrijf als geheel betekent het dat tegenover dit jaarlijks verlies een gunstiger resultaat op alle grondexploitaties komt te staan. Als het gaat om exploitaties waarop winst is gemaakt zal die winst een fractie hoger zijn. Bij verliesgevende exploitaties kan de voorziening hierdoor iets lager zijn. Uiteindelijk komt alles tot uiting in de reserve grondbedrijf en heeft het voor het grondbedrijf weinig effect.

Voor lopende exploitaties kan de resultaatsverbetering mogelijk leiden tot een iets hogere aanslag in de heffing van vennootschapsbelasting. Dit effect is echter marginaal. De op grond van het BBV toegestane toe te rekenen rente moet worden gebaseerd op de daadwerkelijk betaalde rente over het vreemd vermogen. Omdat een grondexploitatie vooruit kijkt, en om te voorkomen dat de renteparameter ook in de meerjarenprognose (doorrekening) van het grondbedrijf elk jaar fluctueert, wordt voor de toekomstige jaren gebruik gemaakt van de percentages die worden opgenomen in de jaarlijkse richtlijnen voor de PCcyclus. Hierdoor kan met een stabiel rentepercentage worden gerekend zoals de commissie BBV ook bedoelt in haar Notitie. Dit is toegestaan zolang de werkelijke rente niet meer afwijkt dan 0,5% boven of onder het initieel vastgestelde rentepercentage. Als gevolg hiervan zijn er in de jaarrekening kleine verschillen tussen begrote en werkelijk doorberekende rente. 5.5 Waardering Conform het BBBV werd in het verleden het volgende onderscheid gemaakt in gronden: a. In exploitatie genomen gronden; b. Niet in exploitatie genomen gronden waarvoor een reel en stellig voornemen bestaat dat deze in de nabije toekomst zullen worden bebouwd (niegg); c. Overige gronden. Daarnaast werden in het grondbedrijf ook een aantal gebouwen opgenomen die tijdelijk verhuurd worden.

Per 1 januari 2016 is sprake van de volgende indeling: a. Bouwgrond in exploitatie b. Materiële vaste activa c. Voorraden Voor de in exploitatie genomen gronden is een exploitatieopzet vastgesteld. Deze gronden worden gewaardeerd tegen de historische aankoopprijs + bijgeschreven kosten. Voor zover deze verliesgevend is, zal een bedrag in de voorziening grondbedrijf worden opgenomen zodat de boekwaarde nooit hoger is dan de marktwaarde. Indien gronden/objecten vanuit een ander deel van de gemeente worden ingebracht in een grondexploitatie zal dit moeten gebeuren tegen de boekwaarde van deze gronden. Herwaardering van gronden is binnen het BBV namelijk niet toegestaan. Deze boekwaarde dient wel getoetst te worden aan de marktwaarde; indien deze

28

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

lager is, worden de gronden/objecten ingebracht tegen marktwaarde. Een nadelig verschil komt in dat geval ten laste van de functie waarvoor deze gronden eerder gebruikt werden. Ook voor leveringen vanuit het grondbedrijf aan andere delen van de gemeente geldt dat dit tegen boekwaarde dient te gebeuren tenzij de marktwaarde lager is. In dat geval is sprake van een verlies bij het grondbedrijf. De categorie niegg is verdwenen. De gronden die hier vroeger onder vielen vallen nu onder de materiële vast activa. Het gaat volgens de BBV dan om “gronden zonder vaste bestemming die (op dit moment) geen onderdeel zijn van een transformatieproces”. Het is niet toegestaan om kosten bij te schrijven op de boekwaarde van deze gronden zolang geen exploitatieopzet is vastgesteld. Voorbereidingskosten om tot een plan en exploitatieopzet te komen worden jaarlijks ten laste gebracht van de reserve grondbedrijf zolang er nog geen exploitatieopzet is vastgesteld. Onder voorraden zijn gronden opgenomen waarvoor geen voornemen tot functiewijziging (meer) bestaat. Dit zijn enerzijds landbouwgronden (in het verleden aangekocht als ruilgrond of gronden die ooit wel waren bedoeld voor ontwikkeling, maar waarvoor dit voornemen is komen te vervallen). Landbouwgronden worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs dan wel de actuele marktwaarde indien deze lager is.

Het beleid is gericht op verkoop van deze gronden, tenzij het wenselijk wordt geacht deze gronden strategisch in bezit te houden. Daarnaast is er een categorie ‘overig’ die hoofdzakelijk bestaat uit tijdelijk verhuurde gronden en opstallen. Ook hier is het beleid gericht op verkoop, tenzij het wenselijk is deze objecten strategisch in bezit te houden. Waardering vindt plaats op basis van de WOZ-waarde. Voor ontwikkelingen waarbij sprake is van een faciliterend grondbeleid geldt dat deze op de balans worden opgenomen onder de overlopende posten conform de stellige uitspraken van de commissie BBV. Indien er al kosten zijn gemaakt en de exploitatiebijdrage is nog niet ontvangen, worden deze kosten opgenomen als overige nog te ontvangen bijdrage. Indien de exploitatiebijdrage al is ontvangen en de kosten deels nog gemaakt moeten worden, wordt het verschil tussen de bijdrage en de al gemaakte kosten opgenomen als vooruit ontvangen bedragen. 5.6 Risicomanagement Het risicomanagement van het grondbedrijf maakt deel uit van het totale risicomanagement van de gemeente. Jaarlijks wordt hier in de paragrafen weerstandsvermogen van begroting en rekening aandacht aan besteed. Voortdurend worden risico’s geïnventariseerd, gemonitord en zo nodig beheersmaatregelen genomen. In de paragrafen wordt vooral aandacht besteed aan algemene risico’s voor grondexploitaties.

Het in het openbaar communiceren over specifieke risico’s is niet gewenst omdat dit het bedrijfsbelang zal schaden. Een voorbeeld is het in het openbaar praten over de kans dat een bepaalde verwerving duurder zal uitvallen dan geraamd en hiermee in een risicovoorziening rekening houden. Gevolg zal zijn dat deze verwerving altijd duurder zal uitvallen nu de tegenpartij weet wat de marges zijn. Aanvullend op, en tevens dienend als input voor, het algemene risicomanagement van de gemeente wordt aan het begin van het jaar een doorrekening van het grondbedrijf gemaakt waarin naast een basisscenario een risicoscenario wordt doorberekend. In dit risicoscenario wordt zowel met algemene (doorlooptijd, rente, prijs- en opbrengststijging) als met bekende specifieke (projectgebonden) risico’s rekening gehouden. Op basis van deze berekening wordt beoordeeld hoe het grondbedrijf er voor staat, of de algemene reserve van het grondbedrijf voldoende saldo

29

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

heeft en of en in hoeverre er in de toekomst mogelijkheden ontstaan voor afroming van de reserve van het grondbedrijf. Deze berekening wordt aangeboden aan het college en daarna vertrouwelijk aan de gemeenteraad verzonden. De conclusies worden verwerkt in de paragrafen Weerstandsvermogen van respectievelijk jaarrekening en begroting van de gemeente. De te gebruiken uitgangspunten voor basis en risico scenario worden vooraf afgestemd met en expliciet geaccordeerd door afdeling Bedrijfsvoering-Financiën. De planeconoom is verantwoordelijk voor deze risicoanalyse. Bij het opstellen wordt tevens gebruik gemaakt van de kennis van de projectleider en andere betrokkenen.

30

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

Bijlage 1 : Stellige uitspraken Commissie BBV Met betrekking tot actief grondbeleid doet de Commissie BBV in de meest recente nota de in hieronder verkort weergegeven, stellige uitspraken. In beginsel worden deze uitspraken door ons volledig gevolgd tenzij beargumenteerd wordt waarom daar van af wordt geweken. In de bijlage wordt bij elke uitspraak in cursief aangegeven in hoeverre deze in het grondbeleid van de gemeente Middelburg wordt gevolgd of daar van wordt afgeweken. a.

b.

c.

d.

e.

Gronden die zijn verworven met het oog op concrete ontwikkeling door de gemeente, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld mogen worden gewaardeerd tegen de waarde volgens de toekomstige bestemming, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn o.a. dat de betreffende gronden deel uit moeten maken van een door de gemeenteraad vastgestelde visie of masterplan voor een binnen afzienbare tijd te starten grondexploitatie, niet mag conflicteren met de uitkomst van de inventarisatie van bedreigingen die ontwikkeling in de weg kunnen staan en/of provinciaal en/of rijksbeleid. Verder mag dat alleen als er betrokkenheid bij de gebiedsontwikkeling van provincie of rijksoverheid is, uitsluitend voor woningbouw. Anders dient waardering plaats te vinden op basis van de huidige bestemming. Bijschrijven van kosten voorafgaand aan de vastgestelde grondexploitatie is hoe dan ook niet toegestaan. Gelet op de gestelde voorwaarden zal het in Middelburg niet veel voorkomen dat nieuw te verwerven gronden, als er nog geen grondexploitatie is vastgesteld, gewaardeerd mogen worden op basis van de toekomstige bestemming. In voorkomende gevallen is het streven om meteen een grondexploitatie vast te stellen.

Het startpunt van bouwgrond in exploitatie (BIE) is het raadsbesluit met de vaststelling van het grondexploitatiecomplex, inclusief grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de BIE geopend en kunnen kosten worden geactiveerd en bijgeschreven op de voorraadpositie bij onderhanden werk (bouwgronden in exploitatie) op de balans. Dit wordt gevolgd. Om de risico’s die samenhangen met zeer lang lopende projecten te beperken is het uitgangspunt dat de looptijd van een grondexploitatie in beginsel maximaal tien jaar bedraagt. Deze tien jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn, die voortschrijdend moet worden bezien en waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat een langere looptijd is toegestaan, mits deze langere looptijd en de motivatie expliciet zijn geautoriseerd door de raad en verantwoord in de begroting en de jaarstukken. De motivatie moet tevens zijn voorzien van risicobeperkende beheersmaatregelen die de gemeente heeft genomen om de onzekerheden en risico’s die gepaard gaan met de langere looptijd te mitigeren. Dit wordt gevolgd. Jaarlijks moet een herziening van de grondexploitatiebegroting plaatsvinden.

Actualisaties van het grondexploitatiecomplex en de grondexploitatiebegroting met planinhoudelijke wijzigingen, dan wel autonome wijzigingen met materiële financiële gevolgen, moeten opnieuw door de raad worden vastgesteld. Dit wordt in principe gevolgd. Lopende grondexploitaties waarin zich geen wijzigingen hebben voorgedaan worden niet elk jaar ter besluitvorming voorgelegd. Voor de bepaling van kosten van de BIE die tot de vervaardigingkosten als bedoeld in artikel 63 lid 3 lid BBV kunnen worden gerekend, wordt aangesloten op de kostensoorten zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.13) en het Besluit ruimtelijke ordening (artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5). Dit betekent dat maximaal deze kostensoorten

31

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

f.

g.

h.

kunnen worden toegerekend aan de BIE, waarbij ten aanzien van de rente alleen de rente over het vreemd vermogen mag worden toegerekend en geen rente over het eigen vermogen en waarbij dotaties/bijdragen aan een voorziening (fonds) voor bovenplanse kosten bedoeld voor bovenwijkse voorzieningen in de BIE niet zijn toegestaan. Dit wordt gevolgd behoudens het volgende: Bij het bepalen van de kosten van bouw- en woonrijp maken wordt in de praktijk rekening gehouden met een post voor onvoorzien. Deze post komt niet voor in de kostensoortenlijst van het Bro maar wordt geacht daarin geïntegreerd te zijn. Wij vinden het inzichtelijker en meer aansluiten bij de praktijk om deze post apart te benoemen als deel uitmakend van de kosten voor bouw- en woonrijp maken dan om alle kosten standaard met een percentage hiervoor te verhogen. Het deel van de kosten van bovenwijkse voorzieningen dat aan een in de toekomst te openen grondexploitatie wordt toegerekend, moet tot het moment dat de betreffende grond feitelijk in exploitatie wordt genomen, worden geactiveerd onder de betreffende categorie materiële vaste activa. Naar de aard van de bovenwijkse voorzieningen zal de betreffende activacategorie veelal de activa met maatschappelijk nut zijn (bijv. ontsluitingswegen, bruggen, etc.).

In de periode van activering als maatschappelijk nut tot en met het eventueel openen van de betreffende grondexploitatie, moet conform artikel 64 lid 3 BBV, vanaf de ingebruikname worden afgeschreven op het actief op basis van de verwachte gebruiksduur. In Middelburg komt dit op dit moment niet voor. Indien er nieuw beleid wordt ontwikkeld ten aanzien van bovenwijkse voorzieningen zal deze uitspraak gevolgd worden. Dit zal aan de orde komen bij gelegenheid van de volgende herziening van de Nota grondbeleid nadat de Omgevingsvisie tot stand is gekomen. In deze omgevingsvisie zullen mogelijk bovenwijkse voorzieningen zijn opgenomen en/of ruimtelijke ontwikkelingen waar vanuit exploitaties aan bij gedragen zou moeten worden (rekening houdend met wettelijk verplichte criteria als profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid). Het is vanaf 2016 niet meer toegestaan om dotaties te doen aan een voorziening voor bovenwijkse voorzieningen. Bestaande voorzieningen per ultimo 2015 blijven gehandhaafd en kunnen volgens planning worden afgewikkeld. Sparen voor bovenwijkse voorzieningen die na het afsluiten van een grondexploitatie zullen worden aangelegd, is nog wel mogelijk via een door de raad in te stellen bestemmingsreserve. Toevoegingen aan deze bestemmingsreserve kunnen alleen plaatsvinden via resultaatbestemming of via een ander specifiek daartoe door de raad genomen besluit.

Ook dit is nu niet aan de orde, maar zal als dat in de toekomst wel het geval is worden gevolgd. Het activeren van voorbereidingskosten voor grondexploitaties als kosten van onderzoek en ontwikkeling onder de immateriële vaste activa is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst Wro/Bro (overeenkomstig stellige uitspraak e); en 2. de kosten mogen maximaal vijf jaar geactiveerd blijven staan onder de immateriële vaste activa; na maximaal vijf jaar moeten de kosten hebben geleid tot een actieve grondexploitatie en kunnen dan worden overgeboekt naar de desbetreffende BIE, dan wel worden afgeboekt ten laste van het jaarresultaat; en 3. plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, moeten bestuurlijke instemming hebben, blijkend uit een raadsbesluit.

32

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

i.

j.

k.

Van deze mogelijkheid wordt in Middelburg geen gebruik gemaakt. Voor voorbereidingskosten wordt jaarlijks een krediet beschikbaar gesteld. Indien in dat jaar een grondexploitatie wordt vastgesteld worden de kosten daaraan toegerekend. Indien dat niet zo is worden de kosten als verlies genomen en ten laste van de reserve grondbedrijf gebracht. Deze benadering is voorzichtiger en eenvoudiger uitvoerbaar dan die in de uitspraak van de commissie BBV en voldoet daarmee aan de eisen van het BBV. De toegestane toe te rekenen rente aan de taakvelden 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur en 8.2 Grondexploitatie (die vervolgens mag worden toegevoegd aan de post voorraden, bouwgronden in exploitatie (BIE)) moet worden gebaseerd op de daadwerkelijk betaalde rente over het vreemd vermogen. Het is niet toegestaan om rente over het eigen vermogen toe te rekenen aan de taakvelden 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur en 8.2 Grondexploitatie (BIE). Het over het vreemd vermogen te hanteren rentepercentage moet als volgt worden bepaald:  het rentepercentage van de direct aan de grondexploitatie gerelateerde financiering in het geval van projectfinanciering;  het gewogen gemiddelde rentepercentage van de bestaande leningenportefeuille van de gemeente, naar verhouding vreemd vermogen/totaal vermogen, indien geen sprake is van projectfinanciering.

Indien de gemeente geen externe financiering heeft, dan wordt dus ook geen rente toegerekend aan de taakvelden 3.2 Fysieke bedrijfsinfrastructuur en 8.2 Grondexploitatie (BIE). De rentetoerekening vindt plaats op basis van de bruto-boekwaarden van de grondexploitaties van de BIE per 1 januari. Ook over grondexploitaties waarbij de verantwoorde baten hoger zijn dan de lasten, waardoor de boekwaarde van een BIE negatief is, wordt rente (in dit geval een baat) toegerekend. In Middelburg wordt de rente die in een boekjaar feitelijk wordt doorberekend aan de grondexploitaties bepaald volgens de hierboven genoemde methode van het gewogen gemiddelde. Het grondbedrijf van de gemeente Middelburg kent geen projectfinanciering. Omdat een grondexploitatie vooruit kijkt, en om te voorkomen dat de renteparameter ook in de meerjarenprognose (doorrekening) van het grondbedrijf elk jaar fluctueert, wordt voor de toekomstige jaren gebruik gemaakt van de percentages die worden opgenomen in de jaarlijkse richtlijnen voor de PCcyclus. Hierdoor kan met een stabiel rentepercentage worden gerekend zoals de commissie BBV ook bedoelt in haar Notitie. Dit is toegestaan zolang de werkelijke rente niet meer afwijkt dan 0,5% boven of onder het initieel vastgestelde rentepercentage. Als gevolg hiervan zijn er in de jaarrekening kleine verschillen tussen begrote en werkelijk doorberekende rente.

De disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties wordt voor alle gemeenten bepaald op 2% zijnde het maximale meerjarige streefpercentage van de EuropeseCentrale Bank voor inflatie binnen de Eurozone. Deze uitspraak wordt gevolgd. De lasten en baten verband houdende met grondexploitaties worden in de exploitatie verantwoord en via een tegenboeking (onderhanden werk) naar de balans gemuteerd. Het is niet toegestaan om gelden uit eigen middelen (reserves) in mindering te brengen op de onderhanden werk positie van de bouwgronden in exploitatie. Deze uitspraak wordt gevolgd.

33

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

l.

Het voorzichtigheidsbeginsel leidt ertoe dat realisatie van winst moet worden uitgesteld tot daarover voldoende zekerheid bestaat. Dit betekent echter niet dat pas winst moet worden genomen bij het afsluiten van het grondexploitatiecomplex. Volgens het realisatiebeginsel dient in de situatie dat voldoende zekerheid is over de winst, de winst te worden genomen. Hierbij dient de percentage of completion methode te worden gevolgd. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, bestaat er voldoende zekerheid om winst te kunnen nemen: 1. het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat; én 2. de grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht; én 3. de kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie genomen). Deze uitspraak wordt gevolgd. De commissie BBV heeft de wijze van berekening van deze winst min of meer dwingend vastgelegd. Zie daarvoor in de nota grondbeleid onder paragraaf 5.3. m. De presentatie van de te verwachten resultaten in de paragraaf grondbeleid en de toelichting op de balans dient te gebeuren op eindwaarde. Wanneer bij de waardering van de voorziening voorverliesgevende grondexploitaties niet wordt geopteerd voor de nominale waarde maar voor de contante waarde, dan moet het effect hiervan op de te verwachten resultaten voor de negatieve grondexploitaties worden toegelicht in de paragraaf grondbeleid.

Hoewel deze uitspraak er toe leidt dat appels en peren worden vergeleken (een winst van een bepaald bedrag over tien jaar is minder waard dan datzelfde bedrag over twee jaar) wordt deze toch gevolgd. Daarnaast wordt ook de vergelijking tussen de contante waardes gemaakt die een betere vergelijkbaarheid biedt. n. Het treffen van een afboeking of een voorziening gebeurt bij een geprognosticeerd verlies direct ter grootte van dit volledige verlies. Als sprake is van een voorziening ingericht ter bestrijding van de (verwachte) tekorten in grondexploitaties, dan moet die maximaal voor de boekwaarde van het onderhanden werk van betreffende bouwgrond in exploitatie worden gepresenteerd als een waardecorrectie op de post bouwgrond in exploitatie. Deze wijze van verantwoording is naar analogie van de voorziening voor dubieuze debiteuren. Deze uitspraak wordt gevolgd. o. Kosten die gemeenten hebben gemaakt en die in het kader van faciliterend grondbeleid op basis van een overeenkomst kunnen worden verhaald op derden, zijn een vordering die opgenomen moet worden bij de balanspost overige nog te ontvangen bedragen (artikel 40a lid 1 onderdeel b BBV) op de gemeentelijke balans. In de toelichting op deze balansposten moeten deze vorderingen expliciet worden toegelicht en gespecificeerd als zijnde ‘verhaalbare kosten’. Deze uitspraak wordt gevolgd. p.

Als de gemeente reeds gemaakte kosten verhaalt op basis van een exploitatieplan en inmiddels is een vergunning aangevraagd dan zijn deze te verhalen kosten te beschouwen als een vordering die moet worden opgenomen bij de balanspost overige nog te ontvangen bedragen (artikel 40a lid 1 onderdeel b BBV) op de gemeentelijke balans. In de toelichting op deze balansposten moeten deze vorderingen eveneens expliciet worden toegelicht en gespecificeerd als zijnde ‘verhaalbare kosten’. Als de gemeente reeds gemaakte kosten verhaalt op basis van een exploitatieplan, maar verrekening nog niet kan plaatsvinden doordat nog geen posterieure overeenkomst is gesloten of nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd, dan dienen de gerealiseerde nog te verhalen kosten te worden verantwoord als ‘nog te verhalen kosten’ onder de overige nog te ontvangen bedragen (artikel 40a lid 1 onderdeel b BBV), voor zover wordt verwacht dat deze binnen tien jaar nog verrekend kunnen worden. In de toelichting op

34

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

q.

deze balansposten moeten deze vorderingen en nog te verhalen kosten expliciet worden toegelicht en gespecificeerd als zijnde vorderingen in het kader van de faciliterende grondexploitatie. Als geen zicht is op een toekomstige verrekening dan rest slechts een vermelding als ‘niet in de balans opgenomen recht’ bij de toelichting op de balans. Deze uitspraak wordt gevolgd. Tot op heden is het echter nog niet noodzakelijk geweest om in Middelburg een exploitatieplan vast te stellen. Het kwalificeren van voorbereidingskosten voor faciliterende exploitatieplannen of nog te sluiten anterieure overeenkomsten als ‘nog te verrekenen kosten’ onder de overige nog te ontvangen bedragen (artikel 40a, lid 1 onderdeel b BBV) is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst Wro/Bro; en 2. de kosten mogen maximaal vijf jaar als overige nog te ontvangen bedragen blijven staan; na maximaal vijf jaar moet het kostenverhaal zijn gerealiseerd dan wel dienen de kosten te worden afgeboekt ten laste van het jaarresultaat; en 3. er is een besluit door de raad of het college genomen tot het maken van voorbereidingskosten voor faciliterend grondbeleid in een aangewezen gebied voor het ontwikkelen van het exploitatieplan of tot het sluiten van een anterieure overeenkomst; en 4.

in de toelichting op de overige nog te ontvangen bedragen op de balans moeten deze nog te verrekenen kosten expliciet worden toegelicht en gespecificeerd als zijnde voorbereidingskosten van faciliterende grondexploitaties. Deze uitspraak wordt in principe gevolgd. Als verwacht wordt dat een anterieure overeenkomst wordt gesloten, worden deze kosten meestal niet op bovengenoemde wijze geadministreerd, maar onder de normale exploitatie verantwoord en ten laste van het resultaat gebracht. Dat is een meer voorzichtige benadering. In geval verwacht zou worden dat het tot een exploitatieplan gaat komen is het echter wel van belang om de verantwoording te doen op basis van deze uitspraak omdat anders minder kosten in rekening gebracht zouden worden dan mogelijk is

35

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

Bijlage 2: Kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening Artikel 6.2.3 (Bro) Tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten eerste, van de wet, worden, voor zover deze redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de inbrengwaarde van de gronden, gerekend de ramingen van: a. de waarde van de gronden in het exploitatiegebied; b. de waarde van de opstallen die in verband met de exploitatie van de gronden moeten worden gesloopt; c. de kosten van het vrijmaken van de gronden in het exploitatiegebied van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit of beperkt recht en zakelijke lasten; d. de kosten van sloop, verwijdering en verplaatsing van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen in het exploitatiegebied. Artikel 6.2.4 (Bro) Tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten tweede, van de wet, worden gerekend de ramingen van: a. de kosten van het verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch en milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek; b. de kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren, het verrichten van grondwerken, met inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven; c. de kosten van de aanleg van voorzieningen in een exploitatiegebied; d.

de kosten van maatregelen, plannen, besluiten en rechtshandelingen met betrekking tot gronden, opstallen, activiteiten en rechten in het exploitatiegebied, waaronder mede begrepen het beperken van milieuhygiënische contouren en externe veiligheidscontouren; e. de in artikel 6.2.3 en de onder a tot en met d en g tot en met n bedoelde kosten met betrekking tot gronden buiten het exploitatiegebied, waaronder mede begrepen de kosten van de noodzakelijke compensatie van in het exploitatiegebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen; f. de in artikel 6.2.3 en de onder a tot en met d bedoelde kosten, voor zover deze noodzakelijk zijn in verband met het in exploitatie brengen van gronden die i n de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen; g. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering, verband houdende met de aanleg van de voorzieningen en werken, bedoeld onder a tot en met f, en in artikel 6.2.3, onder c en d; h. de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatiegebied; i. de kosten van het opzetten en begeleiden van gemeentelijke ontwerpcompetities en prijsvragen voor het stedenbouwkundig ontwerp van de locatie, en de kosten van vergoedingen voor deelname aan de prijsvraag; j.

de kosten van andere door het gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in dit besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden; k. de kosten van tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente verworven gronden, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten; l. de kosten van tegemoetkoming van schade, bedoeld in artikel 6.1 van de wet;

36

GEMEENTE MIDDELBURG - NOTA GRONDBELEID 2021

m. niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW, of andere nietterugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder a tot en met l; n. rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten. Artikel 6.2.5 (Bro) Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 6.2.4, onder c (Bro), worden gerekend: a. nutsvoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de verbruikstarieven kunnen worden gedekt; b. riolering met inbegrip van bijbehorende werken en bouwwerken; c. wegen, ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken en bouwwerken; d. infrastructuur voor openbaar vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de gebruikstarieven kunnen worden gedekt; e. groenvoorzieningen, waaronder begrepen openbare parken, plantsoenen, speelplaatsen, trapvelden en speelweiden, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen; f. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen; g.

straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte; h. gebouwde parkeervoorzieningen, voor zover deze leiden tot optimalisering van het grondgebruik en verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte, openbaar toegankelijk zijn en voornamelijk worden gebruikt door bewoners en gebruikers van het exploitatiegebied, voor zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de gebruikstarieven kunnen worden gedekt; i. uit een oogpunt van milieuhygiëne, archeologie of volksgezondheid noodzakelijke voorzieningen. Artikel 6.2.7 (Bro) Tot de opbrengsten van de exploitatie, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, tenderde, van de wet worden gerekend de ramingen van de opbrengsten: a. van uitgifte van de gronden in het exploitatiegebied; b. van bijdragen en subsidies van derden; c. welke worden verkregen of toegekend in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9897337/1