21-045 Bijlage 3. Ingekomen stukken RM
Tekst van het document
nl%2Ftitles%2Fpzc%2F7132%2Fpublications%2F6271%2Fpages%2F10&token=252626acb392cb4915bb1f77f057f0d7 POWned De Hofbar (https://www.npostart.nl/de-hofbar/03-11-2020/POW_04779830) AVROTROS Radar. WAAROM?! jongerenprogramm (https://youtu.be/WwQpcasV7Zs) NOS Journaal: https://www.facebook.com/1644816582424225/videos/766794643894399 https://www.facebook.com/westerscheldetunneltolvrij/videos/1698283263744223/ https://nos.nl/artikel/2099053-zeeuwen-naar-den-haag-voor-tolvrije-westerscheldetunnel.html https://nos.nl/artikel/2102740-westerscheldetunnel-kan-eerder-tolvrij.html https://nos.nl/artikel/2230359-westerscheldetunnel-tijdelijk-tolvrij-na-ongelukken.html WNL: https://www.facebook.com/westerscheldetunneltolvrij/videos/414352539141288/ Omroep Zeeland: https://www.omroepzeeland.nl/nieuws/111064/Zeeuws-Vlaamse-boeren-Tunnel-moet-tolvrij https://www.facebook.com/westerscheldetunneltolvrij/videos/625995181533222/ https://www.omroepzeeland.nl/nieuws/118363/Dit-willen-de-Zeeuwen-in-ruil-voor-de-mariniers-tolvrije-tunnel-enwaterstoffabriek Provincie: https://www.zeeland.nl/verkeer-en-openbaar-vervoer/sluiskiltunnel-en-westerscheldetunnel/waarom-tolde-westerscheldetunnel Binnenlandsbestuur: België trekt aan Zeeuws Krimpgebied (https://onlinetouch.nl/binnenlandsbestuurmarketing/bb-152020?html=true#/34/)
“Wij pleiten daarom voor een tolvrij Zeeland al was het maar om naar de toekomst toe te voorkomen dat “onze” overheid geld verdient aan een overtocht die voor veel inwoners, in het bijzonder voor Zeeuws Vlamingen, in toenemende mate geen luxe maar noodzaak is.”
Stichting Tolvrij Zeeland info@zeelandtolvrij.nl www.zeelandtolvrij.nl
Stichting Vrienden van Middelburg Laan der Verenigde Naties 7 4334ES MIDDELBURG info@vriendenvanmiddelburg.nl Kopie aan alle raadleden van de gemeente Middelburg Middelburg, 22 februari 2021 Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Middelburg, Postbus 6000 4330LA MIDDELBURG
Geacht College, De Stichting Vrienden van Middelburg, opgericht op 28 juni 1988, met als statutaire doelstelling ‘Het bevorderen van het behoud van Middelburg als monumentenstad’, tekent hierbij bezwaar aan tegen uw besluit tot het niet-aanwijzen van de Paul Briëtwoningen in de wijk ’t Zand in Middelburg als gemeentelijk monument. Wij onderschrijven de conclusie van het door Rothuizen verrichte bouwhistorisch onderzoek dat de wijk als ‘hoog monumentaal’ waardeert. Tevens sluiten wij ons evenzeer aan bij het advies van de Walcherse Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (WARK) van 12 november 2020, dat de wijk een plaats op de lijst van gemeentelijke monumenten verdient. In lijn met deze conclusie en met dit advies achten wij het onjuist dat u de Paul Briëtwoningen niet aanwijst als gemeentelijk monument. Naast genoemd onderzoek en advies moge ter toelichting op ons standpunt nog het volgende dienen: - Ir. P. Verhagen, regisseur van het Middelburgse reconstructieplan, oordeelde in 1943 over het complex van Briëtwoningen: ‘het woonwijkje is […] geworden tot een van de beste in ons Vaderland: ik weet zelfs geen woonwijk met meer karakter en aangenamer van stemming: op en top wat het wezen moet’ (K. Bosma (red.), Architectuur en stedebouw in oorlogstijd, Rotterdam 1988).
-Elders valt te lezen dat het gaat om ‘een van de eerste gestandaardiseerde volkshuisvestingsprojecten in Nederland’ (D. van Gelder, De wederopbouw van Middelburg, in: Zeeland, jg. 28 nr. 2 (2019)). -De wijk is in zeker opzicht ook te beschouwen als monument van de Tweede Wereldoorlog, zoals uiteengezet door ons bestuurslid Gerrit Schoenmakers, onder andere op onze website (www.vriendenvanmiddelburg.nl).
https://www.vriendenvanmiddelburg.nl
Stichting Vrienden van Middelburg Laan der Verenigde Naties 7 4334ES MIDDELBURG info@vriendenvanmiddelburg.nl De volgende overwegingen brengen wij graag onder uw aandacht: -Middelburg is als monumentenstad meer dan alleen de monumentale binnenstad (alsmede de singels en de Noordweg). Ook sommige buitenwijken zoals de Bomenbuurt (onderdeel van de Griffioen) en zeker ook het bewuste deel van ’t Zand maken deel uit van het cultureel erfgoed van Middelburg. In het geval van de Bomenbuurt is dat erkend door middel van de aanwijzing als gemeentelijk monument; voor de Briëtwoningen zou dat ook moeten gebeuren. Een dergelijke erkenning geeft ook een belangrijke impuls aan de geestkracht van de wijk. -‘In geschiedenis kun je niet wonen’, aldus wethouder J. Aalberts (in: PZC 27 januari 2021). Natuurlijk kan men wel in geschiedenis wonen. De complete Middelburgse binnenstad is daar het sprekende bewijs van. Bewoners wonen daar graag en geriefelijk, en bezoekers komen daar in steeds groteren getale vol bewondering naar kijken. Maar een historische binnenstad en historisch betekenisvolle buitenwijken vereisen wel verantwoordelijkheid. En op dat punt is Woongoed Middelburg als eigenaar van de Briëtwoningen te kort geschoten.
De woningen zijn door jarenlang volgehouden improviserend onderhoud verwaarloosd, waardoor het begrijpelijk is dat een deel van de bewoners nu problemen heeft met de leefomstandigheden. Met uw besluit tot het niet-aanwijzen van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument ‘beloont’ u dit improviserend onderhoud door Woongoed Middelburg, met als uiteindelijke ‘kroon op het werk’: sloop! -‘Bewoners zijn belangrijker dan huizen’, aldus wederom wethouder Aalberts, verwijzend naar het feit dat de woningen in kwestie geen gezond leefklimaat zouden vormen (in: PZC 27 januari 2021). Niemand, ook de voorstanders van behoud niet, wil(len) mensen in ongezonde huizen laten wonen. Het was nota bene de Middelburgse stadsgeneesheer dr. S.S. Coronel die al in de negentiende eeuw ten strijde trok tegen ongezonde woonsituaties in Middelburg. Het ongezonde klimaat is in het geval van de Briëtwoningen deels veroorzaakt door bovengenoemd gebrekkig onderhoud, anderzijds door het zout ten gevolge van de oorlogsinundatie. Maar het is ook gelukt om de vooroorlogse wijken in Nieuw-Middelburg, evenzeer slachtoffer van zout, leefbaar te maken en te houden. Die uitdaging zou Woongoed Middelburg ook (hebben) moeten aangaan in het geval van de Briëtwoningen.
Tenslotte: mocht onverhoopt de door ons bepleite plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst niet gerealiseerd worden en sloop dreigen, dan zullen naar ons oordeel tenminste de meest karakteristieke onderdelen van de wijk behouden dienen te worden, te weten de dwarsstraten Burgerweidestraat en Baarsjesstraat, alsmede de oudste kern van de wijk, te weten de al in 1941 gebouwde 13 woningen aan de Oude Koudekerkseweg.
https://www.vriendenvanmiddelburg.nl
Stichting Vrienden van Middelburg Laan der Verenigde Naties 7 4334ES MIDDELBURG info@vriendenvanmiddelburg.nl Hoogachtend,
A.P. de Klerk (wnd. voorzitter)
Th.A.M. Rietveld (secretaris)
https://www.vriendenvanmiddelburg.nl
Persbericht Middelburg, 8 maart 2021
VRIENDEN VAN MIDDELBURG WIJZEN SLOOP BRIET-WONING AF “Wij bevorderen het behoud van Middelburg als monumentenstad”
Het bestuur van de Stichting Vrienden van Middelburg tekent bezwaar aan tegen de voorgenomen sloop van de Paul Briëtwoningen in de wijk ’t Zand in Middelburg. “Wij zijn tegen het besluit tot het niet-aanwijzen van deze woningen als gemeentelijk monument. Wij onderschrijven de conclusie van het door Rothuizen verrichte bouwhistorisch onderzoek dat de wijk als “hoog monumentaal” waardeert. Zo adviseert de Walcherse Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit (WARK) dat de wijk een plaats op de lijst van gemeentelijke monumenten verdient. De Vrienden van Middelburg wijzen op uit de uitspraak van ir. P. Verhagen, regisseur van het Middelburgse reconstructieplan uit 1943 ten aanzien van het complex Briëtwoningen: “…t woonwijkje is geworden tot één van de beste in ons Vaderland: ik weet zelfs geen woonwijk met méér karakter en aangenamer van stemming.” De wijk is in zeker opzicht ook te beschouwen als monument van de Tweede Wereldoorlog (bestuurslid Gerrit Schoenmakers). www.vriendenvanmiddelburg.nl In ieder gaval dienen de meest karakteristieke onderdelen van de wijk behouden dienen te worden, te weten de dwarsstraten Burgerweidestraat en Baarsjesstraat en de 13 woningen aan de Oude Koudekerkseweg behouden te blijven.
----------------------------NOOT VOOR DE REDACTIE----Dr. A.P. de Klerk (wnd.voorzitter Vrienden van Middelburg) T: 06-29431129 Th. A.M. Rietveld (secretaris Vrienden van Middelburg) T: 06-53991817
MEMO Aan: Datum: Onderwerp:
Gemeenteraden van de deelnemende gemeenten van O.L.A.Z. 4 maart 2021 VANG cijfers Zeeuwse gemeenten 2020
_________________________________________________________________________________ Bijgevoegd vindt u de cijfers over 2020 van de Zeeuwse gemeenten m.b.t. de stand van zaken op weg naar het behalen van de VANG (Van Afval Naar Grondstof) doelstelling: 75% recycling ofwel nog maximaal 100 kg restafval/inwoner per jaar. Zoals u kunt zien heeft nog geen enkele Zeeuwse gemeente het gestelde doel bereikt. Ook is zichtbaar dat de cijfers bij de meeste gemeenten in 2020 iets verslechterd zijn ten opzichte van 2019. Meest waarschijnlijke reden hiervoor is dat mensen vanwege corona meer thuis zijn en zodoende meer huishoudelijk afval produceren. Deze trend is landelijk zichtbaar. De meeste Zeeuwse gemeenten zijn wel op weg om de doelstelling te halen. Het gemiddelde in Nederland ligt op ca. 160 kg restafval/inwoner/jaar. De cijfers behoeven enige toelichting: 1. Het totaal is opgebouwd uit de hoeveelheid brandbaar restafval wat door of namens de gemeenten huis-aan-huis of via verzamelcontainers is ingezameld aangevuld met de hoeveelheid grof huishoudelijk afval die is aangeboden op de milieustraten van de ZRD. De hoeveelheid die is aangeboden op de milieustraten is verdeeld per inwoner, omdat de milieustraten regionaal beschikbaar zijn en inwoners van de ene gemeente soms gebruik maken van de milieustraat in een andere gemeente. 2.
Met name de meer toeristische gemeenten (Sluis, Veere, Noord-Beveland en SchouwenDuiveland) geven aan dat de cijfers voor hun gemeenten negatief worden beïnvloed door het toeristisch huishoudelijk afval. De gemeente Veere geeft bijvoorbeeld aan dat 28,5% van het aantal woonhuisaansluitingen bestaat uit recreatiewoningen en –appartementen, waar in opdracht van de gemeente wel afval wordt opgehaald en waarvoor ook afvalstoffenheffing wordt betaald. De gebruikers van die woningen tellen echter niet mee als inwoners. Ook in de gemeente Sluis is dat meer dan 20%. 3. Een aantal gemeenten heeft recent besluiten genomen om te starten met maatregelen. De gemeenten Sluis en Middelburg zijn bijvoorbeeld begonnen met een nieuwe wijze van afvalinzameling per 1 januari 2021 (Laag frequent inzamelen en Diftar) en de gemeente Veere zal met Diftar starten in 2022. Verwachting is dat de effecten van deze maatregelen zichtbaar zullen zijn in de jaarcijfers van 2021/2022. 4. De milieustraten in Zeeland zijn allemaal vrij toegankelijk, maar uitsluitend bedoeld voor huishoudelijk afval van inwoners uit Zeeland. We weten inmiddels dat er ook redelijk wat bedrijfsafval wordt aangeleverd op de Zeeuwse milieustraten, bijvoorbeeld afkomstig van recreatiebedrijven (campings, bungalowparken). Sommige recreatiebedrijven verwijzen naar de dichtstbijzijnde milieustraat, terwijl dat niet de bedoeling is.
Ook veel ZZP-ers, klusbedrijven, hoveniers en aannemers komen afval brengen met particuliere voertuigen en ontduiken daarmee feitelijk de toegangsregels. De regels en scheidslijnen tussen huishoudelijk en bedrijfsafval zijn ook heel lastig uit te leggen en te hanteren op een milieustraat. Auto’s met buitenlandse kentekens moeten middels hun belastingaanslag en ID aantoonbaar maken dat ze afvalstoffenheffing voor hun (recreatie)woning betalen alvorens ze mogen storten.
5. Ingenieursbureau Royal Haskoning/DHV heeft in opdracht van het OLAZ onderzoek gedaan naar de toekomst van de Zeeuwse milieustraten. Op basis van dit onderzoek is geconstateerd dat er in Zeeland gemiddeld twee keer zoveel afval per inwoner wordt gebracht dan in de rest van Nederland. Het bestuur van OLAZ heeft daarom besloten een nader onderzoek te doen naar het beperken van de toegang tot de milieustraten (bijvoorbeeld middels een pasje o.i.d.). Onderzoek naar verdere mogelijkheden Gezien de gepresenteerde afvalresultaten in relatie tot de VANG- doelstellingen, is begin 2021 door het O.L.A.Z. een onderzoek opgestart om inzicht te krijgen in de mogelijkheden voor de Zeeuwse gemeenten om deze doelstellingen te halen. Het onderzoek richt zich op de verschillende inzamelsystemen die in Zeeland worden ingezet. Bekeken wordt hoe deze systemen scoren op het gebied van milieueffect, kosten en service. Daarnaast wordt per gemeente het toekomstig perspectief van de verschillende methoden belicht. Overige reden voor het onderzoek is dat de Zeeuwse gemeenten voor 1 januari 2022 in O.L.A.Z.verband moeten besluiten over de verlenging van het huidige contract voor de verwerking van het restafval.
Daarnaast dient besloten te worden over het wel of niet doorzetten van de pilot nascheiding van PMD afval in de jaren 2023 t/m 2027 en het eventueel uitbreiden van deze verwerkingsmethode met andere gemeenten. Volledigheidshalve kan vermeld worden dat er naast voornoemd onderzoek tevens een afzonderlijk en meer specifiek onderzoek is uitgezet door de 4 gemeenten die deelgenomen hebben aan de pilot voor nascheiding. Deze gemeenten willen inzichtelijk krijgen op welke wijze zij met nascheiding van het PMD-afval de VANG- doelstellingen meer kunnen benaderen in relatie tot de huidige resultaten. De uitkomsten van de onderzoeken worden in april 2021 verwacht en zullen in iedere gemeente afzonderlijk worden gebruikt om een standpunt in te nemen ten aanzien van de te maken contractkeuzes.
Zienswijze ‘t Zand Aan:
Het College van B en W van Middelburg De Gemeenteraadsleden van Middelburg Postbus 6000 4330 LA Middelburg Middelburg, 5 maart 2021
Geacht college, geachte raadsleden, Bij het voorgenomen besluit van het college van B en W van Middelburg om niet over te gaan tot aanwijzing van de Briëtwoningen als gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Erfgoedverordening Middelburg 2011. In dit voorgenomen besluit erkent het college weliswaar de monumentale waarden zoals de WARK die in haar advies beschrijft maar legt het advies naast zich neer zonder zich te verantwoorden voor haar publieke taak om het belang van Volkshuisvesting met het Erfgoedbelang te wegen. Het primaat van de politiek is in deze zaak duidelijk. Het College creëert echter een tegenstelling tussen beide belangen. Heemschut maakt bezwaar tegen deze eenzijdige benadering van het College om het particuliere belang van eigenaar Woongoed te zetten tegenover de publieke belangen van Middelburg wat betreft de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden en de volkhuisvestingskwaliteiten van de wijk ’t Zand, in bijzonder voor complex 201 dat in oorlogstijd 1941-43 is gebouwd. Heemschut concludeert dat het college de particuliere belangen van de eigenaar Woongoed vrijwel onvoorwaardelijk de prioriteit geeft boven de monumentale waarden, zonder Woongoed af te rekenen op haar verantwoordelijkheden voor instandhouding van haar bezit.
Want goede volkshuisvesting en de gezondheid van de bewoners is ook een publieke zaak en de woonomstandigheden zijn nu uitgesproken slecht door bijna 40 jaar achterstallig onderhoud. Heemschut heeft voor deze conclusie de volgende onderbouwingen: 1. Het belang van complex 201 als oorlogsmonument uit 1941-43 na de verwoesting van de binnenstad in 1940 blijkt duidelijk uit het rapport Rothuizen hoofdstuk 2.3. (zie bijlage 1) Het zijn geen noodwoningen maar degelijk gebouwde woningen, de buitengevels zijn als spouwmuur uitgevoerd. De bewoners waarderen het aangename woonklimaat van ’t Zand ondanks de huidige tekortkomingen door achterstallig onderhoud. 2. De zoutschade van de inundatie van 1944. (zie bijlage 2) Heel Walcheren is daardoor getroffen uitgezonderd de hoger gelegen delen zoals de binnenstad van Middelburg en duingebieden zoals de Manteling. Niettemin zijn er nog vele gebouwen en woningen van vóór 1944 ondanks het zout goed bewoonbaar; complex 201 is geen uitzondering. Inmiddels bestaan hier overigens doeltreffende technische oplossingen voor. 3. Het achterstallig onderhoud van het complex (zie bijlage 3): In de 80-er jaren is complex 201 voor het laatst ingrijpend gerenoveerd vooral wat betreft het interieur en de installaties, niet de buitenschil: bouwmuren en dak. 4.
het dreigement van Woongoed tot uitponding, dat het College als hefboom gebruikt om bij Raad en bewoners sloop en nieuwbouw door te drukken, waardoor niet alleen erfgoedkwaliteit en
volkshuisvestingskwaliteit teniet gedaan worden, maar Woongoed de bewoners ook voor het blok zet. Heemschut constateert dat de vochtige muren niet louter toe te schrijven zijn aan het zout van de inundatie, maar vooral op verkeerde keuzes bij de renovatie in de jaren 80. In de volgende 4 decennia daarna heeft eigenaar Woongoed geen behoorlijk onderhoud uitgevoerd dat, getuige onder andere de lekkende goten en slechte afvoeren (zie Hulshof), nu tot verwaarlozing en langzaam verval leidt van het complex met als gewenst resultaat afbraak en nieuwbouw. Voor de bewoners heeft dat tot onaanvaardbare woonomstandigheden geleid, getuige ook de publicaties daarover in de pers. Dit raakt de verantwoordelijkheid van Raad en College op gebied van betrouwbaar Volkshuisvestingsbeleid. Heemschut constateert dat Woongoed al veel langer het beleid volgt om tot sloop en nieuwbouw van de Briëtwoningen, waaronder complex 201, te kunnen overgaan. Hierbij voert Woongoed als onderbouwing aan dat zij dit mede ziet in het kader van de verduurzaming en het nieuwe energie beleid. Maar ook die verduurzaming en energiebesparing is heel goed te realiseren in de Briëtwoningen, inclusief het complex 201, zeker met de huidige bouwtechnische mogelijkheden en middelen. Het duidelijke advies van de WARK geeft hiervoor de randvoorwaarden.
Uit het concept rapport van Hulshof blijkt dat het financieel verschil tussen sloop met nieuwbouw tegenover ingrijpende renovatie binnen heel redelijke grenzen ligt. Dit verschil is zeker te overbruggen omdat er duidelijke subsidiekansen zijn, zoals onder andere het Erfgoeddeal. Samenvattend: Heemschut is van mening dat het College met dit voorgenomen besluit beide publieke belangen negeert. Het College wil het cultuurhistorische belang niet verenigen met het volkshuisvestingsbelang, dat nu door stelselmatig slecht rentmeesterschap van Woongoed geforceerd de prioriteit krijgt. De bewoners dreigen hiervan het slachtoffer te worden. Heemschut vroeg in een eerdere brief, verstuurd op 25 juli 2019 (zie bijlage 4), aan College en Raad van Middelburg om de wijk ’t Zand een beschermde status te geven om zo onvoorwaardelijke sloop te voorkomen van de Briëtwoningen. Dat kan ook door het gebied een cultuurhistorische dubbelbestemming te geven. Heemschut ondersteunt daarom de aanvraag van het Cuypers Genootschap en stemt in met het weloverwogen advies van de WARK. Met hoogachting voor Uw Raad en College,
Erfgoedvereniging Heemschut
Bijlagen 1 t/m 4 zijn hieronder bijgevoegd
Bijlage 1: uit het Rapport Rothuizen De duidelijke samenhang met de herbouw van de in 1940 verwoeste huizen in de binnenstad is belangrijk: In eerste instantie is complex 201 gebouwd als nieuwe woning voor de dakloos geworden inwoners van de binnenstad (blz 35) en: Als pionier van de grootschalige wederopbouw projecten in Middelburg vormt Plan Briët een unicum, zowel regionaal als landelijk (blz 87): zo vroeg al in de oorlog is de (naoorlogse) Wederopbouw ingeleid met de bouw van dit complex 201. Bijlage 2: uit het conceptrapport Hulshof Begin 1960 zijn plannen gemaakt om de woningen te behandelen tegen zoutschade en het interieur te renoveren. Het concept rapport Hulshof meldt hierover: De zoutschade werd hersteld, dacht men, door al het pleisterwerk af te bikken en te vervangen door asbesthoudende BK mortel (blz 29). Dat was duidelijk geen bestrijding van de oorzaak: natte muren, maar bestrijding van het gevolg: de binnenmuur dichtsmeren. Dan moet de spouw wel goed geventileerd zijn. Bijlage 3: uit het concept rapport Hulshof De witte verf op de gevels was op rubberbasis, zodat het vocht alleen nog via de spouw ventilatie afgevoerd kon worden. De keuze voor dit type afdichtende verf was niet verstandig.
Hulshof: Eind jaren 90 constateert –men- ook dat de witte verf, die in de 80-er jaren opnieuw is aangebracht, op rubberbasis, het vocht vasthoudt en eigenlijk verwijderd zou moeten worden. Dit is kennelijk gedaan bij de woningen in de Burgerweidestraat 25 t/m 35 waar we schone gevels zien die duiden op met grit gestraalde gevels. Daardoor is de steen te veel aangetast, men heeft die uitvoering destijds dan ook niet doorgezet. Waarna Hulshof noteert: Ook uit het rapport valt te halen dat: ”Wateroverlast wordt mede veroorzaakt door de goten. De goten zijn te ondiep of de afvoeren hebben een te kleine diameter om het water snel en efficiënt af te voeren. Momenteel is de situatie zo dat het overtollige regenwater niet via de afvoer wordt afgevoerd, maar via de goten. De houten klossen leiden dit overtollige regenwater meer of minder direct in het muurwerk waardoor het dikwijls ook in de woningen stroomt.” Dit probleem is in tussen niet opgelost en zien we door de vochtplekken rond de gootklossen nog steeds optreden. Dat betekent dat vocht vanuit de overlopende goten de spouw in stroomt. Dat duidt op achterstallig onderhoud. Niettemin is er daarna geen onderhoud meer gepleegd. Woongoed is zich gaan oriënteren op sloop en nieuwbouw en heeft op die manier bespaard op de hoognodige onderhoudsen instandhoudingskosten.
Bijlage 4: brief van Heemschut aan College en Raad van Middelburg
Aan:
B&W van Middelburg Postbus 6000 4330 LA Middelburg Middelburg, 25 juli 2019
Betreft: voorgenomen sloop Briëtwoningen het Zand. Geacht College, De voorgenomen sloop van de zogenaamde Briëtwoningen in de Middelburgse wijk het Zand vervult de vereniging Heemschut met grote zorg. Als oudste vereniging van ons land die zich sinds 1911 inzet voor de instandhouding van cultuurhistorisch erfgoed in de gebouwde omgeving vragen wij u al het mogelijke te doen om te voorkomen dat (representatieve delen van) deze wijk worden gesloopt. Wij zijn van mening dat u daarin vanuit algemeen maatschappelijk belang een eigen rol hebt te vervullen die anders is dan de afweging die een eigenaar soms maakt uit een oogpunt van exploitatie en huisvesting. Heemschut wil erop wijzen dat in er in “Middelburg Monumentenstad” een gat valt in het verhaal van de naoorlogse Wederopbouw. Voor huurwoningen voor arbeiders zou de Binnenstad bij herbouw immers geen ruimte meer bieden. Sloop van deze wijk zien we als een amputatie van de materiële getuigenis daarvan. Belangrijke (steden)bouwkunst voor arbeiders is niet minder representatief voor de Wederopbouwperiode dan markante openbare gebouwen. De woningen van Briët zijn na de verwoesting van de Binnenstad tot stand gekomen tegen de verdrukking in, goeddeels nog voor het algemeen beslag op- en gebruik van bouwmaterialen in 1942. Supervisor van de Middelburgse Wederopbouwplannen Verhagen complimenteert architect Briët.
Hij heeft “vol vaste overtuiging niet gewankeld bij aanvallen daarop door bouwers , min of meer deskundigen en bevoegden, en het woonwijkje is daardoor geworden tot een van de beste in ons Vaderland” (1). Het feit dat het Zand direct voortvloeit uit- en samenhangt met- de Wederopbouwarchitectuur in de Binnenstad (wel beschermd in het Beschermd Stadsgezicht), maakt dat er o.i. sprake is van een vergelijkbare maatschappelijke impact als wanneer in de herbouwde Binnenstad een dergelijk sloopplan zou worden voorgenomen. In een volgend nummer van het blad van Heemschut dat op 3 september verschijnt zal aan het historisch belang van deze wijk een artikel worden gewijd. Ook stedenbouwkundig is het een bijzondere wijk door de wijze waarop stratenplan, geleding van- en kleurgebruik in- de dwarsstraatjes, de verschijningvorm en detaillering van gevels en kappen zijn vormgegeven. Kenmerkend zijn ook de grote tuinen die arbeiders in staat moesten stellen voor een belangrijk deel in de eigen voedselvoorziening te voorzien. In deze tijd zou uit kostenoverwegingen een dergelijk bouwplan niet meer denkbaar zijn. Alleen al daarom verdient deze karakteristieke wijk het om te worden behouden door hoogwaardige renovatie.
Heemschut roept u daarom op het gehele scala aan mogelijkheden om de plannen van Woongoed op een andere leest te schoeien aan te grijpen, alvorens de plannen van Woongoed definitief zijn. Om de kwaliteiten in de wijk Het Zand te behouden achten wij uw ambitie en een helder signaal vanuit het gemeentebestuur belangrijk. Van overleg met Woongoed uit bezorgdheid, omdat er sprake is van een wezenlijk Middelburgs belang tot middelaar om kostenverschil tussen sloop en renovatie te overbruggen (zoals vanuit uw Raad is gesuggereerd).
De inzet van instrumentarium dat u een andere mogelijkheid geeft tot interveniëren zoals de aanwijzing tot gemeentelijk monument is wat Heemschut betreft aangewezen wanneer een koerswijziging van maatgevende delen van de sloopplannen niet binnen bereik komt. Heemschut wijst erop dat het publieke belang dat een gemeentebestuur heeft te dienen daarbij voorop staat, en dat dit niet afhankelijk kan worden gesteld van het wel of niet instemmen vanuit privaat belang. Een rol voor uw gemeentebestuur “vol vaste overtuiging niet gewankeld…voor een van de beste van ons Vaderland” dat is wat wij van u vragen voor het behoud van de Briëtwoningen. De erosie van “Middelburg Monumentenstad” kan door u worden voorkomen. De zorg van Heemschut voor de Briëtwoningen, de waardestelling van de wijk het Zand alsmede de argumentatie die ten grondslag ligt aan ons verzoek om deze te behouden worden gedeeld door prof. Ed Taverne, emeritus hoogleraar architectuur en stedenbouwgeschiedenis, tevens co-auteur van het boek de Wederopbouw van Middelburg (1) Tevens gaat hierbij het verzoek om de zorg van Heemschut rond de voorgenomen sloop van woningen in het Zand en onze oproep tot daadwerkelijke actie om dit te voorkomen, via de Raadsgriffier, door te geleiden en ter kennis te brengen van de gemeenteraad.
Hoogachtend, Erfgoedvereniging Heemschut A. Drijgers (Voorzitter Heemschut Zeeland)
(1 ) K.Bosma (red.) Architectuur en Stedenbouw in Oorlogstijd; de wederopbouw van Middelburg, p. 120 In deze publicatie komen de waarden van de Briëtwoningen uitgebreid aan de orde, gelijkwaardig aan de andere delen van de Middelburgse wederopbouw.
Erfgoedvereniging Heemschut Nieuwezijds Kolk 28 1012 PV Amsterdam
Provinciale Staten
JgjKA Provincie
Zeeland
Abdij 6 4331 BK Middelburg Postbus 6001 4330 LA Middelburg +31 118631011 IBAN NL08 BNGH 0285010557
de gemeenteraad van de gemeenten Middelburg, Goes, Borsele, Vlissingen, Veere en Noord Beveland
Onderwerp
Zaaknummer
Behandeld door
inpassingsplan
22311
J.W. Adriaanse
vliegveld Midden
+31 6 28904094
Verzonden
0 2 MAART 2021
Zeeland Middelburg, 26 februari 2021
Geachte leden van de gemeenteraad, Bij brief van 17 juli 2020 heeft de gemeente Middelburg - mede namens uw gemeente - ons verzocht een inpassingsplan te maken voor de verlegging en verdraaiing van de start- en landingsbaan van vliegveld Midden Zeeland. Op 17 juli 2020 ontvingen wij ook het verzoek van Zeeland airport b.v. tot wijziging van het luchthavenbesluit Midden-Zeeland. Als het besluit tot wijziging wordt genomen gaat hiervan een zogenaamde voorbereidingsbescherming uit. Dit houdt in dat de bestemmingsplannen in het gebied waarvoor het luchthavenbesluit geldt binnen een jaar aangepast moeten worden aan de regelingen die daarin zijn opgenomen. Het gaat hierbij met name om veiligheidscontouren en geluidscontouren zoals die in uw bestemmingsplannen zijn opgenomen. Op 5 februari 2021 hebben wij het voornemen uitgesproken om op verzoek van de zes gemeenten de procedure voor een inpassingsplan voor vliegveld Midden Zeeland te starten. Met u constateren we dat er sprake is van een gezamenlijk belang en een gezamenlijke inspanning om de baanrotatie mogelijk te maken: Rond de start- en landingsbaan van het vliegveld horen veiligheids- en geluidscontouren. De veiligheids- en geluidscontouren strekken zich uit over zes gemeenten en zijn vastgelegd in meerdere gemeentelijke bestemmingsplannen.
Bij de verlegging en verdraaiing van de start- en landingsbaan dienen de veiligheids- en geluidscontouren aangepast worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De provincie is bevoegd gezag voor de luchtvaart. Het is vanuit het oogpunt van efficiency voordeliger dat de provincie één inpassingsprocedure doorloopt in plaats van zes gemeenteraden en B&Ws ieder haar eigen procedure. Vliegveld Midden Zeeland is het enige vliegveld in de provincie waar gemotoriseerde toestellen mogen landen. Naast recreatieve vluchten accommodeert het vliegveld ook zakelijk luchtverkeer. Het vliegveld heeft een belangrijke functie voor search-and-rescue-, trauma- en donorvluchten. Onder verwijzing naar artikel 3.26, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening willen wij u in de gelegenheid stellen uw reactie te geven op ons voornemen een inpassingsplan voor vliegveld Midden Zeeland te maken. Wij verzoeken u uw reactie voor 23 april 2021 toe te zenden aan Gedeputeerde Staten van Zeeland, Postbus 165, 4330 AD Middelburg. Gedeputeerde Staten zullen uw reactie ter kennis brengen van Provinciale Staten en betrekken bij de verdere voorbereiding van het inpassingsplan.
Op bijgevoegde kaart is het gebied waarvoor het inpassingsplan wordt gemaakt globaal aangegeven en worden de huidige en toekomstige contouren in beeld gebracht en begrensd. Üw reactie en andere reacties in het kader van het vooroverleg kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de begrenzing. De definitieve begrenzing wordt in het ontwerp-inpassingsplan aangegeven. Gevolg van het voornemen een inpassingsplan vast te gaan stellen is dat de bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad met betrekking tot het voorbereiden en vaststellen van het bestemmingsplan overgaan naar respectievelijk Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. De procedure blijft Voor het overige ongewijzigd: Voor burgers verandert er feitelijk niets, behalve dat zij inspraakreacties en zienswijzen aan de provincie moeten richten in plaats van aan de gemeente. In de V\fet ruimtelijke ordening is geregeld (artikel 3.26, vierde lid) dat Provinciale Staten bij het vaststellingsbesluit kunnen bepalen dat:Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning in plaats van het college van burgemeester en wethouders. Wij melden u dat wij geen gebruik maken van deze mogelijkheid. De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning blijft dan bok bij het college van burgemeester en wethouders van uw gemeente.
Zij ontvangen dan ook een afechrift van deze brief. Gedeputeerde Staten zijn belast met de voorbereiding van het inpassingsplan. Zij zullen voor zover aan de orde constructief met u samenwerken om het inpassingsplan adequaat af te stemmen op de andere (bestemmings)plannen in het gebied en het gemeentelijk beleid. Mocht u naar aanleiding van deze brief nog vragen hebben dan kunt u zich richten tot de heer J.W. Adriaanse, behandelend ambtenaar. Hij is bereikbaar op het in het briefhoofd opgenomen telefoonnummer of via e-mail jw.adriaanse@zeeland.nl.
Met Vriéndelijke groet,
Provinciale Staten van Zeeland
Drs. J.M.M. Polman, voorzitter
Drs. F.J. van Houwelingen MPA, statengriffier Bijlagen; 1. kaart globale planbegrenzing
Behoort bij brief mét zaaknummer; 22311
2
Kórtgene
aartsdijk
"Arnenujiden Middelburg Lewedorp «SR Logenda
Gemeentegrenzen Contour hoogte bestaande situatie Contour hoogte nieuwe situatie Contour geluid nieuwe situatie
Contour geluid huidige situatie
Nieuwdorp
Middelburg, 01-03-2021
Geachte meneer, mevrouw,
Wij dienen deze brief in naar aanleiding van het voorstelnummer 21-026 / agendapunt 27.m.1.
Al geruime tijd zijn wij als bewoners van de Burgerweidestraat in onzekerheid over ons thuis. Wij schrijven u expliciet ‘thuis’ omdat deze term niet gebruikt wordt in bovengenoemd voorstel.
Wij zijn blij dat we in deze straat wonen en als de witte gevels met rode dakpannen in zicht komen dan zijn we er weer bijna, bijna thuis. De meeste buren kennen elkaar en de sfeer is gemoedelijk, dat is prettig want de huizen zijn gehorig en wij zitten dicht op elkaar. Het gevoel van ‘wij’ is hier groot, niet alleen omdat het zo een fijne plek in Middelburg is om te wonen maar ook omdat ‘wij’ allemaal in hetzelfde schuitje zitten.
Wij zijn gezegend om te wonen in deze fijne wijk, de schattige huisjes waar zoveel herinneringen liggen, waar al zoveel kinderen groot zijn geworden. Wij willen hier graag wonen en om dat te kunnen blijven doen willen wij best even weg gaan. Weggaan om terug te kunnen komen, weggaan om in de buurt te kunnen blijven wonen.
Misschien zijn wij inmiddels wel bekend als de straat met een grote voorliefde voor slopen want dat is wat wij blijven roepen: WIJ HOPEN OP SLOPEN. Wij verlangen naar geen vocht in de muren, geen tocht door heel het huis, het kunnen ophangen van een spijker of haakje zonder het risico op asbestdeeltjes die vrij komen, het kunnen verven van die ene muur waar het stucwerk van los blijft laten en die ook niet meer glad getrokken zal worden in afwachting van een besluit. Want dat is wat wij hebben gedaan en steeds moeten blijven doen: afwachten. Wachten op een besluit van allerlei partijen met allerlei tegengestelde belangen.
Wij begrijpen dat er met grote besluiten veel partijen betrokken zijn maar we vragen ons wel af wie er (naast Woongoed) voor de bewoners op wil komen? Wij waren zo blij dat er eindelijk een voorlopig besluit was genomen en we eindelijk weer een beetje duidelijkheid kregen over onze toekomst, een vooruitzicht hadden. Tot er een brief van een politieke partij op de deurmat viel. Een partij die graag wil dat wij opnieuw gaan afwachten, een partij die voorstander is van het behoud van onze woningen. Niet van ons thuis maar van het plaatje. Wij hebben geen belang bij een mooi plaatje, wij hebben belang bij een duurzaam en leefbaar huis dat nog langer op zich laat wachten door dit getouwtrek.
Via deze brief proberen wij voor onszelf op te komen en verzoeken wij aan een ieder die mag stemmen over het bovengenoemde voorstel om ons daarin niet te vergeten. Wij proberen onze zienswijze met u te delen in de hoop dat u besluit om ons een thuis te geven, om een einde te maken aan het wachten en ons een blik op de toekomst te gunnen.
Wij hopen niet alleen op slopen maar wij hopen ook op zekerheid en leefbaarheid. Wij hopen op uw steun.
In afwachting van uw besluit.
Met vriendelijk groet, De bewoners van de Burgerweidestraat 11, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 21, 22, 24, 25 en 29 in Middelburg. 11 – J. Reynierse 12 – F. van der Endt 14 – K. Davidse 15 – M. van der Vliet 16 – C. Thieleman 17 – G.T. Jeronimus 19 – S. de Folter 21 – E. Hordijk 22 – R. Poortvliet en D. Coppieters 24 – M. de Visser 25 – E. Yilmaz 29 – R. van Dijk en T. van Dijk-Geelhoed
Aan de gemeente Middelburg t.a.v.
Middelburg 20-02-2021
-Burgemeester en Wethouders -Leden van de Gemeenteraad -Commissie Straatnaamgeving
Geachte dames, heren.
Ik heb een verzoek met betrekking tot het voormalig raadslid, de wethouder, locoburgemeester en ereburger van de gemeente Middelburg, de heer W.P.J. Baars, overleden in 1997. Bij het uitzoeken van wat familiepapieren trof ik ook een paar krantenknipsels aan, die mijn (inmiddels ook overleden) tante, mevrouw G. Baars – de Koning, had bewaard. Een kopie van deze knipsels vindt u als bijlage bij dit schrijven. Al lezend realiseerde ik mij, hoezeer zijn aandeel in het behoud van het monumentale karakter van de Middelburgse binnenstad in de vergetelheid is geraakt. Ik weet dat in de politiek een houdbaarheidsdatum van korte duur kan zijn. Maar laat er ook erkenning zijn voor het feit dat Middelburg nog immer profiteert van zijn stempel op de stad. Landelijke erkenning kreeg hij in 1975 toen Middelburg werd gekozen tot Monumentenstad. Een titel die voor Middelburg van historisch belang is. En het is waar: een prachtige stad met bijna 1200 monumenten, waar het fijn wonen is. En het belang is niet uitsluitend historisch, maar ook toeristisch en commercieel. Want er komen op jaarbasis méér bezoekers naar ‘’Middelburg Monumentenstad” dan de stad zelf aan inwoners telt. Ik zou het logisch en passend vinden als de naam van W.P.J. Baars blijvend wordt verbonden aan een markant punt. Een plek in de stad waarvoor hij zoveel betekend heeft. Dus niet een straat in een verre nieuwbouwwijk.
Maar bijvoorbeeld een plein, een park, een brug, een bijzonder gebouw in de historische stad. Stel dat in 2025 op een feestelijke manier “Middelburg: Vijftig jaar Monumentenstad” wordt gevierd. En dat er dan nergens een fysieke herinnering is aan de onvermoeibare katalysator, de drijvende kracht achter ..”de restauratie van het grootste deel van de monumenten in Middelburg” (knipsel PZC 6 oktober 1997). Dan zou er toch sprake zijn van een omissie. 1
Omdat ik denk dat er over een verzoek als dit wel enige afstemming plaats zal moeten vinden richt ik me hier zowel tot Burgemeester & Wethouders, als tot de Leden van de Gemeenteraad en de Commissie Straatnaamgeving. Ik stel het op prijs als u mij op de hoogte houdt. Met vriendelijke groet, Hanneke Miezérus Westmede 101 5337AL Middelburg miezerusrh@zeelandnet.nl Bijgevoegd: krantenknipsels, PZC respectievelijk 6 en 7 oktober 1997
2
3
Waterpark Veerse Meer Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 22 februari 2021 / projectnummer: 3395
Advies over het MER in het kort Driestar BV wil het bestaande recreatiepark Veerse Meer herontwikkelen en uitbreiden. Het plan omvat 887 recreatiewoningen en -appartementen. Het park bestaat uit twee deelgebieden liggend aan het beschermd natuurgebied Veerse Meer en het natuurgebied ‘De Piet’. Het totale recreatiepark wordt in negen jaar tijd gerealiseerd. Voordat de gemeente Middelburg over het bestemmingsplan besluit, is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente heeft de Commissie gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de
G
juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER?
Het MER laat zien er (licht) negatieve effecten voor het milieu en de omgeving zijn te
verwachten, zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase. De effecten zijn vergeleken
PI
met de autonome situatie in 2030 (huidige invulling plangebied en autonome ontwikkeling buiten het park) en een situatie waarin het park wordt doorontwikkeld binnen de grenzen van het huidige bestemmingsplan. In het MER zijn twee alternatieven onderzocht. Plan ‘driestar 1’
RL O
gaat uit van 950 recreatiewoningen/-appartementen en plan ‘driestar 2’ gaat uit van 887 woningen/appartementen. Ook zijn varianten voor de ontsluitingsroutes van (bouw)verkeer en het landschappelijk ontwerp onderzocht.
Het voorkeursalternatief (887 woningen/appartementen) met als variant ‘compact eilandenlandschap’ zorgt in de aanlegfase voor onder andere geluidhinder, trillingen door bouwverkeer en verstoring van soorten. In de gebruiksfase leidt het voorkeursalternatief -ten opzichte van de autonome situatie- door een toename van verkeer van en naar het park tot extra geluidhinder, een afname van de verkeersveiligheid en negatieve effecten op beschermde soorten. In het MER worden mitigerende maatregelen beschreven om negatieve
O
effecten tegen te gaan. Het MER verwacht ook positieve effecten, zoals een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
VO
Wat is advies van de Commissie? In het MER is veel en relevant onderzoek gedaan, bijvoorbeeld over de verkeerseffecten van de bouwfase en de mogelijke mitigerende maatregelen om de verkeershinder te minimaliseren. De Commissie merkt op dat het MER de uitgangspunten van het initiatief plan Driestar in beeld brengt. Niet alle uitgangspunten worden nu geborgd in het ontwerpbestemmingsplan. Gezien de omgevingsvergunning pas later wordt opgesteld, vraagt de Commissie aandacht voor de borging van deze uitgangspunten, zodat er zekerheid is dat het MER past bij de werkelijke besluiten. De Commissie signaleert daarnaast bij de toetsing van het MER dat essentiële informatie ontbreekt voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het gaat om de volgende informatie: •
Onzekerheid vliegveld Midden-Zeeland: In het MER is niet beschreven wat de milieugevolgen zijn en/of het plan uitvoerbaar is als de draaiing van de start- en landingsbaan niet doorgaat.
•
Verstoring vogels: Er is niet goed onderzocht wat de impact is van de toename aan vaarbewegingen op vogels in het beschermd natuurgebied Veerse Meer. Ook sluit de effectbeoordeling niet aan bij de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan.
-1-
•
Stikstofneerslag: in de stikstofberekeningen zijn enkele verkeerde uitgangspunten gebruikt (verkeer en saldering). Het is daardoor nog niet duidelijk wat de daadwerkelijke stikstofdepositie is op omringende stikstofgevoelige beschermde natuurgebieden.
•
Klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis: In het MER zijn de effecten van het initiatief op klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis niet afgezet tegenover de referentiesituatie, maar ten opzichte van gemeentelijke doelen. Hierdoor treedt een vertekend (te positief) beeld op.
•
Landschap: De effecten van het voorkeursinitiatief op het landschap zijn niet beoordeeld, zoals de invloed op kenmerkende landschapsstructuren en openheid.
•
Verkeer: Het is niet navolgbaar of, en zo ja, hoe de verkeersproductie van niet-gasten, die gebruik maken van de voorzieningen op het park, zijn meegenomen in de totale verkeersproductiecijfers.
Het MER is bedoeld als milieu-onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan en de
G
vergunningen voor de uitbreiding van het waterpark. De ontwerpvergunningen zijn echter nog niet beschikbaar. Hierdoor kon de Commissie niet nagaan of het MER ook voor de later zelf nog te controleren.
PI
vergunningen juiste en volledige informatie bevat. De Commissie adviseert de gemeente dit
In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het
VO
O
RL O
vervolgtraject.
Figuur 1: plangebied Waterpark met de twee gebieden die worden ontwikkeld (Bron: MER Tauw, 26 november 2020) Achtergrond
Voor de herontwikkeling en de uitbreiding van recreatiepark Veerse Meer moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Het bestemmingsplan is kaderstellend voor m.e.r.beoordelingsplichtige besluiten (D10 en D16.1) en vanwege het opstellen van een Passende beoordeling. Daarnaast zijn ook nog een aantal vergunningen nodig, zoals een omgevingsvergunning,
-2-
waterwetvergunning en een natuurbeschermingswetvergunning. Er is gekozen om een gecombineerd plan-/project-MER op te stellen. De Commissie heeft – naast het MER en de bijlagen – het ontwerpbestemmingsplan (datum 17 december 2020) ontvangen. Zij heeft geen ontwerpvergunningen ingezien. Deze worden in een latere fase opgesteld. Rol van de Commissie m.e.r. De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Middelburg - besluit over het bestemmingsplan.
G
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3395
PI
op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
RL O
Toelichting op het advies
In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van Middelburg.
In de tekst wordt daarnaast ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de
O
kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Beleidskader
In het MER wordt verwezen naar de ‘Gebiedsvisie 2020-2030 Veerse Meer’. Deze gebiedsvisie
VO
wordt door de provincie Zeeland in samenwerking met verschillende partijen en overheden opgesteld. In deze gebiedsvisie worden in twee fases onder andere afspraken gemaakt over ontwikkeling van (verblijfs)recreatie. Deze gebiedsvisie is een bouwsteen voor de Zeeuwse Omgevingsvisie en leidt indien gewenst en noodzakelijk tot borging in provinciale omgevingsverordening.
Fase 1 van de besluitvormingsnotitie van de Gebiedsvisie is afgerond en in juli 2020 vastgesteld. In het MER wordt aangegeven dat Waterpark Veerse Meer in de besluitvormingsnotitie voor fase 11 is opgenomen als een pipelineproject2, gezien een anterieur raadsbesluit. De gemeente heeft aangegeven in een schriftelijke toelichting dat daarmee het project als een pijplijntraject wordt gezien. Dit betekent dat het MER geen onderzoek doet in hoeverre het initiatief past binnen de (ruimtelijke) afspraken die gemaakt
1
Gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030: Besluitvormingsnotitie fase 1: https://www.wing.nl/file.php/147/200518%20besluitvormingsnotitie%20gebiedsvisie%20veerse%20meer%2020202030%20fase%201.pdf
2
Pipeline projecten zijn projecten waarvan besloten is dat ze al in een dermate gevorderd stadium zijn dat deze projecten door moeten gaan.
-3-
zijn in de gebiedsvisie Veerse Meer. De Commissie merkt op dat daarmee mogelijk het initiatief kan afwijken van de uitgangspunten en (ruimtelijke) afspraken die worden gemaakt in de gebiedsvisie Veerse Meer.
Referentiesituatie In het MER zijn twee referentiesituaties opgenomen, namelijk de ‘autonome situatie 2030’ en ‘volledige realisatie van mogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan’. De ‘autonome situatie 2030’ past bij de referentiesituatie zoals bedoeld volgens de MER-systematiek en is daarbij maatgevend voor het inzichtelijk maken van de milieugevolgen. Wanneer voor een nieuwe activiteit al een bestemmingsplan is gemaakt, maar deze is nog niet volledig gerealiseerd (of vergund en wordt daarbij binnenkort gerealiseerd), maakt het bevoegd gezag
G
namelijk een nieuwe afweging wanneer zij het bestemmingsplan met dezelfde activiteit opnieuw vaststelt. De referentiesituatie voor MER is daarom niet vanzelfsprekend het
vigerende bestemmingsplan zoals beschreven in de referentiesituatie ‘volledige realisatie van
PI
mogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan’.
In de referentiesituatie moet de huidige legale situatie en de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkeling bij elkaar worden genomen. De autonome ontwikkeling omvat alle ontwikkelingen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ingeval het voorgenomen plan
RL O
niet doorgaat.
Start en -landingsbaan Vliegveld Midden Zeeland
Een voorwaarde voor de realisatie van de plannen is een draaiing van de start- en landingsbaan van het nabijgelegen vliegveld Midden-Zeeland. Door deze draaiing vliegen de vliegtuigen niet over het Waterpark en recreatiegebieden. De provincie Zeeland en gemeenten moeten hierover nog een besluit nemen (aanpassing luchthavenbesluit en wijziging van het bestemmingsplan). Gezien het feit dat nog niet met zekerheid kan worden gesteld dat deze baanrotatie doorgaat, heeft de Commissie in het NRD-advies van 18 juli 2019 geadviseerd
O
om deze baanrotatie niet in de referentiesituatie op te nemen. Hier is in het MER geen opvolging aan gegeven. In de loop van 2021 zal de procedure worden gestart voor het luchthavenbesluit en wijziging van bestemmingsplannen c.q. provinciaal inpassingplan. Een beslissing hierover is dus nog niet genomen en daarom maakt de draaiing nu geen onderdeel
VO
uit van de autonome ontwikkeling3. Het plan van Driestar en het bijbehorende milieuonderzoek passen dus alleen bij doorgang van de baanrotatie. Indien onverhoopt de baanrotatie niet doorgaat, dan zijn er andere milieugevolgen te verwachten4 dan nu is weergegeven. Ook is dan niet duidelijk of het voorkeursplan uitvoerbaar is, terwijl er dan mogelijk al wel een definitief besluit zal zijn genomen over het bestemmingsplan. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming aan te geven wat de milieugevolgen zijn als de start- en landingsbaan niet wordt gedraaid. Motiveer of het plan dan uitvoerbaar is, of dat mitigerende maatregelen dan wel wijziging van het plan nodig zijn.
3
Meerdere zienswijzen benadrukken dat over de rotatie van start- en landingsbaan nog geen besluit is genomen.
4
Te denken valt aan andere veiligheidsrisico’s (externe veiligheid) en geluidhinder die op andere plekken zal optreden.
-4-
Natuur 2.3.1
Soortenbescherming In het MER is beschreven wat de negatieve effecten zijn van het plan op beschermde soorten. De verstoring en de afname van het leefgebied zijn onderzocht, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase. In het eerdere advies van de Commissie is aanbevolen om de effecten op rode lijst soorten te onderzoeken. Te denken valt aan kenmerkende akker- en weidevogels. Deze analyse ontbreekt in het MER. De Commissie verwacht dat de afname van akkergrond kan leiden tot effecten op akkervogels. Tegelijkertijd zal de nieuwe natuur5 leiden tot een positieve bijdrage aan sommige rode lijst soorten. De Commissie verwacht daarmee dat het beschrijven van effecten op rode lijstoorten niet zal leiden tot een andere effectbeoordeling.
G
Zij beveelt wel aan -om voorafgaand aan de besluitvorming over de vergunningen- te onderzoeken of er aanvullende maatregelen mogelijk zijn voor het beschermen van rode lijst soorten.
PI
In het MER is onderzoek gedaan naar de effecten van lichthinder op vleermuizenpopulaties die aanwezig zijn in het plangebied, en welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn. De Commissie merkt op dat de toename van lichthinder ook effecten kan hebben op
2.3.2
RL O
vleermuissoorten, die het gebied gebruiken om te foerageren6.
Gebiedsbescherming Natura 2000
Het Waterpark ligt naast het Natura 2000-gebied Veerse Meer. Dit natuurgebied kent instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten zoals de lepelaar, dodaars en kleine zilverreiger7. In een Passende beoordeling zijn de effecten van het initiatief onderzocht en opgeschreven.
Toename van waterrecreatie kan leiden tot verstoring van vogels. In de Passende beoordeling
O
is het effect onderzocht van de toekomstige waterrecreatie. De initiatiefnemer wil vijftig kleine (elektrische en/of ongemotoriseerde) recreatievoertuigen laten varen van 1 april tot en met 31 oktober. Ook zal er een toename van het aantal ligplaatsen/afmeerplekken zijn (van 164 nu naar 309 in het plan). In de Passende beoordeling wordt de conclusie getrokken dat
VO
(op basis van het huidig gebruik) het gehele gebied dusdanig is verstoord dat de wijziging in de vaarbewegingen met zekerheid niet zal leiden tot aantasting van natuurlijke kenmerken. De Commissie vindt deze conclusie niet goed onderbouwd. Verstoring vindt gradueel plaats, waarbij het effect dosis-afhankelijk is. In andere woorden: een toename van de vaarbewegingen kan dus nog steeds tot extra natuuraantasting leiden. Om hierover zekerheid te verkrijgen is aanvullend onderzoek nodig. In het MER en de Passende beoordeling is aangegeven wat de toename is van het aantal ligplaatsen/afmeerplekken. Dit is echter niet begrensd in het ontwerpbestemmingsplan. Hierdoor kunnen in de toekomst mogelijk meer ligplaatsen/afmeerplekken worden gerealiseerd, wat leidt tot extra verstoring van beschermde (broed)vogels en daarmee
5
Er zal circa 14 hectare nieuwe natuur worden aangelegd. Deze natuur vormt een overgangszone tussen het Waterpark Veerse Meer en het natuurgebied De Piet. De Commissie merkt op dat het MER en het bestemmingsplan verschillend beschrijven wat voor soort natuur(inrichting) er zal komen.
6
In de zienswijze van de Vereniging Bescherm de Delta wordt voor dit effect aandacht gevraagd.
7
Het Natura 2000-gebied kent instandhoudingsdoelen voor in totaal drie soorten broedvogels en 20 niet-broedvogels.
-5-
mogelijk tot negatieve significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het MER/Passende beoordeling laat daarmee niet de maximale negatieve effecten van het plan zien. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming: •
beter te onderzoeken wat het effect is van de extra vaarbewegingen op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veerse Meer. Beschrijf in hoeverre de verwachte toename aan vaarbewegingen leidt tot extra verstoring van de aanwezige vogels, en daarmee tot afname van deze soorten. Beschrijf de ruimtelijke en temporele verspreiding van verstoringsgevoelige vogels in relatie tot die van de verwachte veranderingen in vaarbewegingen.
•
te onderzoeken wat de effecten zijn van de maximale mogelijkheden die het
G
bestemmingsplan biedt en -indien dit leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerkenaan te geven welke mitigerende maatregelen worden genomen en welke consequenties dit heeft.
het onderzoek moet goed onderbouwd laten zien op welke wijze het plan uitgevoerd
PI
•
kan worden dat aantasting van natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veerse Meer met zekerheid kan worden uitgesloten.
RL O
Stikstofdepositie Natura 2000
In het MER is onderzocht wat de stikstofdepositie is afkomstig van het initiatief. De stikstofemissie afkomstig van de bouwfase en de realisatiefase zijn in mindering (‘salderen’) gebracht met onder andere de vermeden stikstofemissie van de stacaravans8 die verdwijnen en het uit gebruik nemen van de agrarische gronden. Deze gronden verliezen hun agrarische bestemming. Voor de emissie van het (op te heffen) landbouwareaal wordt uitgegaan van normen voor toegestane maximale bemesting, in plaats van feitelijke mestgiften in dit gebied die mogelijk lager zijn9. Dit heeft mogelijk tot gevolg dat er een netto toename is van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. Ook is het onduidelijk of bij de
O
aanleg van het park op de gronden direct wordt gestopt met bemesting. Het gebied waar de agrarische gronden liggen worden pas later bouwrijp gemaakt en op gebouwd (2029-2031). De vermeden emissies worden echter wel direct meegenomen (vanaf 2023-2025). Hierdoor
VO
worden effecten op de natuur door stikstofdepositie mogelijk onderschat. De nieuwe accommodaties en voorzieningen zullen deels duurzame energie gebruiken. Echter het koken in de accommodaties zal op gas plaatsvinden, en zullen er gashaarden zijn. Ook de voorzieningen, zoals het zwembad, zullen gedeeltelijk nog gebruik maken van fossiele brandstoffen. In het MER is het gasverbruik ingeschat, en de bijbehorende NOxemissie en depositie weergegeven. Het geschatte gasverbruik is door de opdrachtgever aangeleverd, maar niet bijgevoegd aan het MER. Het gasgebruik en de bijbehorende stikstofemissie hangt af van de uiteindelijke keuze van technieken, apparatuur en isolatie en zal in latere besluitvorming moeten worden geborgd.
8
In de stikstofdepositie berekeningen wordt er nu vanuit gegaan dat de 185 stacaravans niet op een andere plek terugkomen. Dat betekent dat deze niet op een andere plek van het nieuwe bestemmingsplan kunnen terugkomen, omdat anders onterecht wordt gesaldeerd met de verminderde emissie van deze stacaravans.
9
In de zienswijze van de provincie Zeeland wordt ook geadresseerd dat uitgangspunten voor de interne saldering onvoldoende helder zijn.
-6-
Ook verder dan 5 kilometer van de bron kan er stikstofdepositie afkomstig van verkeer neerkomen op Natura 2000-gebieden10. Dit kan voor dit plan betekenen dat de stikstofdepositie hoger uitvalt dan nu is berekend en mogelijk leidt tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan de besluitvorming de stikstofdepositie-berekeningen aan te passen. Ga in de berekeningen uit van de huidige feitelijke bemesting van de agrarische
•
gronden. Houdt, indien daarbij aannames moeten worden gedaan, rekening met het voorzorgsbeginsel. Geef daarnaast aan wanneer deze gronden niet meer worden bemest. Indien deze gronden nog worden bemest bij de start van het initiatief, neem dit dan mee in de berekeningen. Alle stikstofdepositie afkomstig van het verkeer in beeld te brengen, ook verder dan 5
•
G
kilometer afstand.
Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)
PI
Geef aan welke ecologische gevolgen de aangepaste berekening heeft voor het initiatief.
De beoordeling van geluidverstoring door heien op afwegingszones in delen van het NNZ lijkt niet consistent met de Passende beoordeling11, waarin voor verstoring door piekgeluiden wordt uitgegaan van een zone van 350 meter als maat voor de 70 dB(A) contour. Ook bij de
RL O
beoordeling van verstoring door extra bezoekers in deze NNZ-zones vanuit het plangebied wordt aangenomen dat dit niet leidt tot onevenredige aantasting van wezenlijke kenmerken omdat recreatie hier reeds is toegestaan. Hierbij wordt niet ingegaan op huidige en toekomstige bezoekersaantallen en op de eventuele aanwezigheid van verstoringsgevoelige (vogel)soorten. De Commissie verwacht echter niet dat aanpassing van de berekeningen leidt tot andere beoordeling van de milieueffecten, gezien de effecten van deze extra verstoring op (vogel)soorten gering zullen zijn omdat het relatief kleine gebieden betreft.
O
Klimaat, duurzaamheid en licht/duisternis
In het MER zijn de effecten van het plan op klimaat, duurzaamheid en licht en duisternis gescoord. De scores zijn niet afgezet ten opzichte van de referentiesituatie zoals gebruikelijk
VO
is, maar ten opzichte van de gestelde doelen van de gemeente, zoals verwoord in de Middelburgse Visie Milieu 2019-202512. Hierdoor is er een vertekend beeld (te positief) opgetreden in de presentatie van de milieugevolgen van het plan. Een voorbeeld is de zeer positieve score (+++) op ‘licht en duisternis’. Deze is afgezet ten opzichte van de doelen uit de Middelburgse Visie Milieu 2019-2025, in plaats van de referentiesituatie. De Commissie stelt dat, ook als deze vastgestelde ambities/doelen worden gerealiseerd, er toch een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie kan optreden. De uitbreiding van het park, met name in deelgebied twee dat nu grotendeels landbouwgebied is, kan tot een toename leiden van licht(uitstraling) en daarmee afname van duisternis. Ook voor klimaat en energie is geen vergelijking gemaakt met de referentiesituatie. Het is daarmee niet duidelijk of de CO2-uitstoot zal toe- of afnemen. Ten
10
Het rapport van de Commissie Hordijk beveelt aan om de afkapgrens voor het berekenen van stikstofeffecten van 5 km voor wegen te laten vervallen, omdat niet verdedigbaar is waarom voor stallen geen afstandscriterium geldt en voor wegen wel.
11
Paragraaf 6.2.2.
12
https://www.middelburg.nl/_flysystem/media/middelburgse-visie-milieu-2019-2025.pdf
-7-
slotte wordt circulair bouwen en materiaalgebruik positief gescoord (++). Het is echter niet duidelijk welke materialen worden gebruikt en waar deze van afkomstig zijn. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de milieueffecten van het voorkeursalternatief te vergelijken met de referentiesituatie. Pas hierop de effectscore aan. Doe dit primair voor de onderdelen klimaat en energie, circulair bouwen en materiaalgebruik en licht en duisternis.
Landschap Uit het planproces valt op te maken hoe belangrijk het landschap is voor het Waterpark. Er is veel gedegen werk verricht. De vier landschapsontwerpen geven invulling aan een Waterpark
G
dat op het Veerse Meer georiënteerd is. In de beoordeling ervan en het bepalen van een voorkeur heeft de inpasbaarheid in het ontwerp van Nico de Jonge een belangrijke rol
PI
gespeeld.
Ondanks het feit dat die vier landschapsontwerpen zijn beoordeeld, constateert de
Commissie dat de effecten van het uiteindelijke voorkeursalternatief op het omringende landschap, met inbegrip van de infrastructurele aanpassingen en architectonische keuzes,