041. ontwerp GS brief zienswijze ontwerp-bp Waterpark Veerse Meer 2020 resumptie (ondertekend)
Tekst van het document
Abdij 6 4331BK Middelburg Postbus 6001 4330 LA Middelburg +31 118631011 IBAN NL08 BNGH 0285010557
Gedeputeerde Staten
Gemeente Middelburg Stadskantoor Postbus 6000 4330 LA Middelburg
Onderwerp
Zaaknummer
Behandeld door
Zienswijze ontwerp bestemmingsplan Waterpark Veerse Meer 2020
4932
D.C.T.M. Martens +31 6 25726546
Verzonden
Middelburg, 26 januari 2021
Geachte raad, Op 16 december 2020 hebben wij een ontwerp ontvangen van het bestemmingsplan “Waterpark Veerse Meer 2020” (hierna: bestemmingsplan WVM) van de gemeente Middelburg. Het ontwerp ligt vanaf 17 december gedurende zes weken ter inzage. Dit houdt in dat tot en met 27 januari 2021 de gelegenheid wordt geboden hierop een zienswijze uit te brengen. Het ontwerp-bestemmingsplan biedt planologische mogelijkheden voor de herontwikkeling en uitbreiding van het voormalige Waterpark Veerse Meer tot een kwalitatief hoogstaand en homogeen recreatiepark, met recreatiewoningen en uitgebreide centrumvoorzieningen, gericht op families. Het plangebied ligt aan de Muidenweg te Arnemuiden en wordt begrensd door (noordelijk) het Veerse Meer en natuurgebieden rondom ‘De Piet’, (oostelijk en zuidelijk) de Muidenweg en (westelijk) recreatiegebied Oranjeplaat. Dit plan geeft ons aanleiding tot het indienen van een zienswijze omdat het niet, althans op sommige onderdelen niet voldoende in overeenstemming is met de terzake relevante (provinciale) regelgeving en - beleid. Zodra er een meer zorgvuldig uitgewerkte en onderbouwde versie van het ontwerpbestemmingsplan voorhanden is die daarmee op alle onderdelen voldoet aan (provinciale) regelgeving en provinciaal beleid, zien wij de ontwikkeling als een welkome aanvulling op het recreatief product dat Zeeland biedt.
Hieronder gaan wij in op de genoemde strijdigheid van het plan. 1. Recreatie a. Aandachtsgebied Het provinciaal ruimtelijk recreatiebeleid dat is geborgd in de Omgevingsverordening provincie Zeeland 2018 (hierna: omgevingsverordening) wordt in het ontwerp-bestemmingsplan niet op de juiste wijze verwoord en benut als onderbouwing van het initiatief. Zo is er onvoldoende aandacht voor het in de verordening opgenomen vereiste van het ‘aandachtsgebied’: In paragraaf 4.2.1 van de toelichting wordt gebruik gemaakt van verouderd beleid. Er wordt gerefereerd aan het vorige omgevingsplan (2012-2018). Er wordt gemotiveerd op basis van artikel 2.11, lid 1 van de verordening, terwijl artikel 2.11, lid 4 van toepassing is (uitbreiding van bestaand recreatieterrein buiten de kustzone). Omdat verderop de toelichting (bladzijde 57) weer spreekt over ‘nieuwvestiging’ hinkt de toelichting op twee gedachten. Wat op dit moment nog ontbreekt - althans dat
valt uit de toelichting niet op te maken - is een uitgewerkt aandachtsgebied. Het hebben van een uitgewerkt aandachtsgebied biedt uw gemeente de mogelijkheid de uitbreiding beleidsmatig te verantwoorden. Voorts wordt in de toelichting gemeld dat er op basis van participatie een gezamenlijk streefbeeld is. Wij constateren dat ook het gezamenlijk streefbeeld er nu nog niet is, maar dat er vooralsnog aan wordt gewerkt. 2. Natuur a. Landschappelijke inpassing In het bestemmingsplan wordt het belang van een goede landschappelijke inpassing onderschreven. De landschappelijke inbedding van het park wordt geborgd middels een specifieke aanduiding op de verbeelding, gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting in de voorschriften van het bestemmingsplan waarbij de inrichtingsvereisten zijn opgenomen als bijlage in de planvoorschriften. Uitgangspunt is dat met name daar waar het plangebied grenst aan het openbaar gebied er sprake zal zijn van een afdoende groene afscherming. Dit betreft met name de zijde langs de Muidenweg en de noordzijde grenzend aan het te realiseren natuurgebied. Wat echter ontbreekt is de borging van de landschappelijke inpassing aan de zijde van het Veerse Meer terwijl dit juist één van de meest landschappelijk kwetsbare delen is, grenzend aan het Natura2000-gebied en tevens opgenomen als te beschermen landschap in de omgevingsverordening.
(zie hiervoor artikel 2.28, bijlage 12). b. Gebiedsbescherming Wet natuurbeheer (Wnb) Verwezen wordt naar de passende beoordeling (onderdeel van het planMER) en naar SWECO Aeriusberekeningen. Uit de stikstofberekeningen blijkt een maximale depositie van 0,02 mol/ha/jaar in de aanlegfase, maar dat er ten opzichte van de referentiesituatie geen toename is van stikstofdepositie. In de passende beoordeling en de SWECO Aerius-berekeningen wordt gebruik gemaakt van bepaalde uitgangspunten, zoals met betrekking tot de referentiesituatie, salderen en de stikstofemissie van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat de gebruikte uitgangspunten onvoldoende helder zijn en dat maakt de onderbouwing onvoldoende om te kunnen beoordelen of sprake is van overeenstemming met de relevante natuurregelgeving waarbij de provincie bevoegd gezag is. Vanuit het oogpunt van coördinatie vanwege de samenloop met onze bevoegdheden en onze verantwoordelijkheid op dit vlak, kunnen wij niet instemmen met een planologische ontwikkeling waarbij niet is aangetoond dat aan de relevante natuurwetgeving wordt voldaan. 3. Luchtvaart a.
BeperkingengebiedenVliegveld Midden Zeeland De in de toelichting op diverse plaatsen opgenomen passages inzake de (stand van zaken over de) beperkingengebieden (contouren) Vliegveld Midden Zeeland, de gewenste baanrotatie alsmede verlegging van de start- en landingsbaan en het te wijzigen Luchthavenbesluit zijn niet correct. Wij constateren dat de vigerende beperkingengebieden niet zijn opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Dit leidt naar ons oordeel tot onvoldoende juridische borging dat het bestemmingsplan WVM pas vastgesteld zal worden nadat genoemde draaiing en verplaatsing van de start-/landingsbaan heeft plaatsgevonden, (en dus is vastgesteld dat de beperkingengebieden daadwerkelijk niet in het onderhavig plangebied vallen). De huidige beperkingengebieden blijven namelijk tot die tijd van kracht maar zijn zoals hiervoor opgemerkt, niet opgenomen. Het voorgaande betekent dat het ontwerp-bestemmingsplan een verkeerde voostelling van zaken geeft en de huidige situatie op dit moment niet strookt met de relevante Luchtvaartregelgeving waarbij de provincie bevoegd gezag is. Vanuit het oogpunt van coördinatie vanwege de samenloop met deze provinciale bevoegdheden en onze verantwoordelijkheid op het gebied van Luchtvaartregelgeving kunnen wij niet instemmen met een planologische ontwikkeling die vooralsnog niet voldoet aan de relevante Luchtvaartregelgeving.
Wij verzoeken u onze zienswijze in acht te nemen. Wanneer onze opmerkingen niet op de juiste wijze worden verwerkt zullen wij ons beraden op het geven van een reactieve aanwijzing of het instellen van beroep tegen een vaststelling van het bestemmingsplan. Indien gewenst zijn wij graag bereid over onze zienswijze met u in overleg te treden.
Met vriendelijke groet, Gedeputeerde Staten, Drs. J.M.M. Polman, voorzitter
A.W. Smit, secretaris