CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel

1 - RAADSVERGADERING 21 december 2023, gemeente MeppelBij agendapunt: Verordening Sociaal Domein34.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

aanbiedt. 4. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het Inkomen dat ter

beschikking wordt gesteld op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de prestatiemogelijkheid van de inwoner om een arbeidsprestatie te leveren. 5. Het college kan advies inwinnen over de vaststelling van de loonwaarde van een persoon uit de doelgroep. Men neemt daarbij de in lid 2 en 3 omschreven methode in acht.

52

Hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer, onderwijsvoorzieningen en kinderopvang 3.1. Leerlingenvervoer 3.1.1.Doelstelling Dit hoofdstuk heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

3.1.2. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de

2. 3.

4. 5.

6.

gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

3.1.3. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor

de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2. Het college kan bij een aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

53

4. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en

zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 3.1.7. 5. Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het eventuele ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.

3.1.4. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de

2.

3. 4. 5.

6. 7.

8.

in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

54

3.1.5. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht

2.

3.

4.

5.

6.

wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d.

sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

3.1.6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning

van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

55

2. Met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande lid wordt eveneens een

vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 3. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is; b. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de beoogde school de dichtstbijzijnde school is die het noodzakelijk specifieke onderwijsaanbod kan bieden.

3.1.7. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar

de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer; b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer; of c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer. 2. Een vervoersvoorziening wordt toegekend aan gehandicapte leerlingen als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 meer bedraagt dan nul kilometer; of a. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra meer bedraagt dan vijf kilometer 3. In aanvulling op lid 2 moet aan burgemeester en wethouders genoegzaam worden aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige.

56

3.1.8. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats

aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4. Het college wijst geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.

3.1.9.Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 3.1.16. is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend.

3.1.10.Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

3.1.11. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard

schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

3.1.12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als

57

gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

3.1.13. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor

voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. Vervoer naar het stageadres brengt evenveel of minder kosten met zich mee dan vervoer naar de school. 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4. Het college kan het stagecontract opvragen.

3.1.14. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het

eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer en de extra heenreis en retourreis van de begeleider.

58

3.1.15. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.8., eerste lid,

verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Voor het bepalen van de kosten wordt gebruik gemaakt van de routebepaling op de website www.9292.nl. 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per (aangepaste) fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan €0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner.

3.1.16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1. Burgemeester en wethouders verstrekken aan de ouders van de leerling, die

een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.8., eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of b. de gehandicapte leerling. 2. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan €0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner. 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

3.1.17. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het

59

oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 3.1.16.en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

3.1.18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de

ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer. 3. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.

3.1.19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

3.1.20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 3.1.7. kent het college desgewenst een

vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

60

2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het

weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Artikel 3.1.17., eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing.

3.1.21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs

2.

3.

4.

5.

bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.000,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1.7. bepaalde afstand te boven gaan. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1.7. bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OVchipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OVbetaalmogelijkheid voor de in artikel 3.1.7 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Het inkomensbedrag van € 27.000,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.000,-. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

61

3.1.22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

2.

3.

4.

5.

6.

voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s per gezin 0-35.500 Nihil 35.500-42.000 150 42.000-48.500 630 48.500-55.000 1.180 55.000-62.500 1.725 62.500-69.000 2.270 69.000 en verder Voor elke extra € 5.500: € 560 erbij De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

4.1 Peutervoorzieningen (Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) 4.1.1. Aanspraak op peutertoeslag 1. Een ouder die inwoner is van de gemeente Meppel en die in het lopende

kalenderjaar geen aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag, zoals bedoeld in artikel 1.6 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen kinderopvang, heeft aanspraak op een peutertoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten aan de voorschoolse voorziening, als het peuterarrangement is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). In dit register zijn

62

de gegevens opgenomen van kinderopvangvoorzieningen die aan vastgestelde kwaliteitsnormen voldoen. 2. Een ouder en diens partner die tevens ouder is, worden voor de toepassing van deze verordening geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. 3. De peutertoeslag kan door middel van een betalingsbeschikking op grond van artikel 4:86 Algemene wet bestuursrecht worden uitbetaald aan de voorschoolse voorziening, waar de ouder gebruik van maakt. 4. Indien een voorziening voor peuterarrangement wordt verwijderd uit het Landelijk Register Kinderopvang, geldt de in het eerste lid bedoelde voorwaarde van opname in het landelijk register niet gedurende een in nadere regels door het college te bepalen uitlooptermijn voor ouders die al een peuterarrangement afnamen bij die voorziening, voorafgaand aan de uitschrijving.

4.1.2.Vormen van kinderopvang 1. De volgende arrangementen zijn beschikbaar: a. Peuterarrangement: een arrangement voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar

gericht op ontwikkelingsstimulering en voorbereiding op de basisschool dat er tevens op gericht is ouders in staat testellen arbeid en zorg te combineren. b. Peutertoeslag: een financiële bijdrage van de gemeente in de kosten van peuterarrangementen. 2. De peutertoeslag wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen rechtstreeks uitbetaald aan de voorschoolse voorziening. 3. De definitieve peutertoeslag wordt binnen 4 weken na vaststelling uitbetaald voor zover deze nog niet bij voorschot was uitbetaald. 4. Als bij de vaststelling van de peutertoeslag blijkt dat meer is uitbetaald dan waar recht op is, vordert het college het teveel betaalde bedrag van de ouder of partner terug op grond van artikel 1.13 Wkkp.

4.1.3. Nadere regels peutertoeslag Het college kan nadere regels stellen over de aanvraag en verstrekking van de peutertoeslag.

4.1.4. Hoogte van de peutertoeslag[RH2] 1. De hoogte van de peutertoeslag is afhankelijk van: a. de financiële draagkracht; b. of het een doelgroepkind betreft; c. de kosten van het peuterarrangement per kind die worden bepaald

door het aantal uren peuterarrangement per kind in het

63

berekeningsjaar en de voor dat peuterarrangement te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag bedoeld in het tweede lid. 2. De uurprijs die bij de hoogte van de peutertoeslag, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen gaat een bij nadere regels door het college vast te stellen bedrag niet te boven.

4.1.5. Ingangsdatum en duur van de peutertoeslag 1. Het college verleent de peutertoeslag voor het peuterarrangement, met

ingang van de datum waarop deze is aangevraagd, met dien verstande dat de ingangsdatum niet kan liggen voor de datum van ingang van het peuterarrangement. 2. Het college verleent de peutertoeslag voor de periode van het peuterarrangement. 3. In afwijking van het eerste lid kan het college de peutertoeslag of tegemoetkoming voor een andere periode verlenen.

4.1.6. Omvang van de peutertoeslag 1. Het college verleent de peutertoeslag voor 8 uur per week gedurende

maximaal 40 weken per jaar als het een kind betreft in de leeftijd vanaf 2,5 jaar oud tot 4 jaar. 2. In afwijking van het eerste lid verleent het college de peutertoeslag voor 16 uur per week gedurende maximaal 40 weken per jaar, indien het kind een doelgroepkind is, zoals omschreven in door het college vast te stellen nadere regels.

4.1.7.De bevoorschotting De peutertoeslag wordt door de voorschoolse voorziening in de vorm van maandelijkse termijnen gefactureerd aan de gemeente.

4.1.8. Het besluit tot vaststelling van de peutertoeslag 1. De ouder verstrekt binnen acht weken na afloop van het kalenderjaar

waarvoor peutertoeslag is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang of peuterarrangementen over het voorbije kalenderjaar en de andere gegevens die het college nodig heeft om het recht vast te stellen. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college een langere termijn bepalen. 3. Het college stelt de peutertoeslag vast binnen acht weken na ontvangst van de gegevens zoals bedoeld in het eerste lid.

64

4.1.9. Inlichtingenplicht 1. De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden

daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere peutertoeslag. 2. De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de peutertoeslag van de gemeente van belang zijn. 3. Het college vordert een ten onrechte verstrekte toeslag terug van de ouder of partner die zich niet houdt aan de leden 1 en 2.

65

Hoofdstuk 5 Overige taken in het Sociaal domein 5.1 Wet Inburgering 2021 5.1.1. Opleggen van verplichtingen Het college kan een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 3 van de Wet inburgering bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: a. het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening; b. het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider; c. het deelnemen aan voortgangsgesprekken; d. voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het college wordt bepaald; e. het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan worden voldaan; f. overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de voorziening ondersteunen.

5.1.2. De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen 1. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de

inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is, geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid van de Wet inburgering. 2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet inburgering of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 5.1.1. van deze verordening. 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 4. Voor de inburgeringsplichtige die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt gelden de regels van paragraaf 2.3. van deze verordening bij voorrang boven de bepalingen uit dit hoofdstuk.

66

5.1.3. Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding 1. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 5.1.2, eerste lid,

van deze verordening bedraagt ten hoogste € 250 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. 2. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 5.1.2, tweede lid, van deze verordening bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 en 33 van de Wetinburgering vastgestelde termijn zijn inburgeringsexamen heeft behaald.

5.1.4. Afstemming van de bestuurlijke boete 1. Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd, zoals bedoeld in artikel 5.1.2. en

5.1.3. van deze verordening voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. 2. De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 5.1.2. en 5.1.3. van deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. 3. Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden.

5.1.5.Beloning 1. Het college kan besluiten de inburgeringsplichtige die na het volgen van een

door het college vastgestelde voorziening het inburgeringsexamen, NT2Staatsexamen programma I of II dan wel diploma binnen een termijn van drie jaar behaalt, daarvoor te belonen. 2. De beloning is ten hoogste gelijk aan de vastgestelde eigen bijdrage voor de inburgering. Uitgangspunt is dat de eigen bijdrage conform de Wet inburgering eerst wordt geïnd. 3. Wanneer de eigen bijdragenog niet volledig is betaald, wordt de beloning verrekend met de nog verschuldigde eigen bijdrage. 4. De termijn van drie jaar start nadat de voorziening bij beschikking is vastgesteld. Voor analfabeten geldt een termijn van vijf jaar.

67

5.2. Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening 5.2.1. Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.

5.3 Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening 5.3.1.Zorgplicht college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders biedt inwoners toegang tot een antidiscriminatievoorziening.

5.3.2. Inrichting antidiscriminatievoorziening 1. Bij de inrichting van de antidiscriminatievoorziening worden in ieder geval de

2.

3.

a. b. c. d.

deskundigheid van klachtbehandelaars en de toegankelijkheid van de voorziening gewaarborgd. De antidiscriminatievoorziening draagt er zorg voor dat de klachtbehandelaars voldoen aan de voor klachtenbehandeling vereiste deskundigheid en biedt de klachtbehandelaars de mogelijkheid hun deskundigheid te onderhouden en verder te ontwikkelen. De inwoner heeft in ieder geval de mogelijkheid om een klacht bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen te melden: Per post; Per e-mail; Telefonisch; Op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie als bedoeld in artikel 5.3.1. van deze verordening.

5.3.3.Protocol klachtenbehandeling Het protocol voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 6 van het Besluit van 25 augustus 2009, gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen regelt in ieder geval: a. De afdoeningstermijn van klachten; b. De wijze van afdoening van klachten; c. De registratie van klachten.

5.3.4.Laagdrempeligheid antidiscriminatievoorziening 1. Inwoners worden door het college in de gelegenheid gesteld een klacht in hun

directe leefomgeving te melden. 2. Deze melding kan plaatsvinden op het stadhuis van de gemeente Meppel.

68

3. De inwoner wordt door de medewerker van de gemeente Meppel

doorverwezen naar een door het college aan te bieden antidiscriminatievoorziening.

5.4. Fonds Maatschappelijke activiteiten 5.4.1.Bijdrage uit het fonds maatschappelijke activiteiten 1. Er is een Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten dat wordt ingesteld

als onderdeel van het minimabeleid. 2. Uit dit Fonds kan het college bijdragen toekennen voor culturele, sociaalculturele, educatieve of sportactiviteiten. 3. De bijdragen die verband houden met de activiteiten onder lid 2 worden toegekend met inachtneming van het bepaalde in artikelen 95 tot en met 99 van het fonds deelname Maatschappelijke activiteiten. 4. Het college kan het nemen van een beslissing op een aanvraag opdragen onder nader door hen te stellen voorwaarden aan een door hen te wijzen ambtenaar.

5.4.2.De hoogte van de bijdrage 1. De hoogte van de bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke a. b. c. 2. 3.

Activiteiten is voor: een alleenstaande €150 per kalenderjaar. echtparen/samenwonenden €300 per kalenderjaar. een ten laste komend kind jonger dan 18 jaar €100 per kalenderjaar De bijdragen zijn binnen het gezin overdraagbaar. Het college kan de bedragen genoemd in het eerste lid jaarlijks verhogen met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage[RH8] .

5.4.3.Aanvraagprocedure. 1. Een aanvraag om een bijdrage kan in een kalenderjaar bij het College worden

ingediend, tot en met 31 december van dat jaar. 2. Uitbetaling van de bijdrage vindt per kalenderjaar ineens plaats. Afhankelijk van het aantal gezinsleden, wordt de geldende maximale vergoeding uitbetaald. 3. Op een aanvraag wordt uiterlijk binnen acht weken beslist. Een besluit tot afwijzing 4. wordt schriftelijk aan de aanvrager bekend gemaakt.

5.4.4.Voorwaarden. Een bijdrage wordt toegekend als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:

69

a. de aanvrager is inwoner van de gemeente Meppel. b. het inkomen mag niet hoger zijn dan de van toepassing zijnde norm verhoogd

met een percentage van 10. c. het vermogen van alle gezinsleden tezamen mag niet hoger zijn dan de bedragen genoemd in artikel 34 Participatiewet. d. aangetoond kan worden dat men tenminste 3 maanden voorafgaande aan de aanvraag aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan de van toepassing zijnde norm verhoogd met een percentage van 10. e. aanvrager dient aan de verplichting te voldoen om alle relevante informatie te verstrekken die nodig is om een beslissing op de aanvraag te nemen en tevens medewerking te verlenen aan onderzoeken om achteraf de rechtmatigheid van de verstrekking te kunnen vaststellen. f. bewoners van woonzorgcentra of beschermde woonvormen komen voor een bijdrage in aanmerking mits voldaan wordt aan punt c. en d. en men een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Aanvullende voorwaarde is dat de activiteit buiten het wooncentrum of beschermde woonvorm moet plaatsvinden en niet door het woonzorgcentrum of begeleide woonvorm mag worden georganiseerd.

5.4.5.Geen bijdrage Geen beroep op een bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten kan worden gedaan door degene die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet Studiefinanciering zonder ten laste komende kinderen.

5.4.6.Doelgroep. Een bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten (FDMA) kan worden verstrekt aan: a. alleenstaanden; b. echtparen/samenwonenden; c. ten laste komende kinderen tot 18 jaar.

5.4.7.Nadere regels. Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraagprocedure en de afhandeling van de aanvraag FDMA.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen 6.1 Overgangsrecht 1. Besluiten genomen op grond van de Verordening Sociaal Domein gemeente

Meppel, zoals deze gold voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijven hun werking houden volgens de bepalingen van de verordening waaronder zij zijn genomen.

70

2. Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor de inwerkingtreding van

deze verordening maar waarop nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze Verordening.

6.2. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking 8 dagen na haar bekendmaking in het gemeenteblad. Indien bekendmaking plaatsheeft na 1 januari 2024 treedt deze verordening in werking met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2024.

6.3. Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Sociaal Domein Gemeente Meppel”.

71

Toelichting Algemeen Deze verordening omvat alle regels van de gemeente Meppel die door de gemeenteraad zijn vastgesteld met betrekking tot het sociaal domein. De bedoeling hiervan is dat voor inwoners en dienstverleners de gemeentelijke regelgeving op sociaal gebied overzichtelijk en gebundeld beschikbaar is. Naast deze verordening bestaat in Meppel ook een verordening waarin alle regelgeving over de fysieke leefomgeving is gebundeld (Verordening Fysieke Leefomgeving). Het totaal aan gemeentelijke regelgeving is hiermee zoveel mogelijk in een overzichtelijk aantal regelingen verwerkt. De verordening heeft een hoofdstukindeling waarin makkelijk wijzigingen kunnen worden verwerkt. De grondslagen voor bepalingen in deze verordening zijn in veel verschillende wetten vastgelegd. Regelmatig veranderen regels in deze wetten of er zijn uitspraken van rechters die moeten worden opgevolgd, en dan moet de verordening veranderd worden. De structuur is zo gekozen dat makkelijk artikelen kunnen worden ingevoegd of verwijderd zonder dat er teveel vernummering van andere bepalingen plaatsvindt. Dit vergroot de overzichtelijkheid en begrijpelijkheid van de teksten en het voorkomt fouten in de regelgeving zonder daarbij de integrale benadering te verliezen zoals we die in Meppel in de regelgeving rond het sociaal domein sinds 2018 kennen.

In deze toelichting worden wetten aangeduid met hun afkorting. Aan het eind van deze toelichting is een lijst met afkortingen opgenomen waarin deze worden vermeld.

Maatschappelijke ondersteuning De Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad regels moet geven over de manier waarop de gemeente inwoners in aanmerking brengt voor voorzieningen, wat de kwaliteitseisen zijn die worden gesteld aan maatwerkvoorzieningen (hulpmiddelen en hulp) en op welke manier de hoogte van passende tarieven en bijdrage wordt bepaald. Dat wordt in deze verordening geregeld.

Jeugdhulp De Jeugdwet bepaalt op gelijke manier als de Wmo2015 dat de raad regels moet geven over de soorten hulp die worden geboden en de manier waarop inwoners daarvoor in aanmerking kunnen komen. Ook moeten regels worden gegeven over de kwaliteit van geleverde hulp en over de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet

Rechten en plichten in de Participatiewet/ IOAW en IOAZ De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille.

72

Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.

Leerlingenvervoer Voor de bepalingen over leerlingenvervoer is de tekst van de oude gemeentelijke verordeningen verlaten. Er is aansluiting gezocht bij de tekst van de modelverordening Leerlingenvervoer 2020 van de VNG met toepassing van het bestaande Meppeler beleid. Er is een aanpassing doorgevoerd op het gebied van de kilometergrens en de fietsvergoeding is opgenomen. Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op dit hoofdstuk. Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO2020) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.

Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat dit hoofdstuk criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. Dit hoofdstuk is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In dit hoofdstuk wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens

73

gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is deze grens vastgesteld op vijf kilometer (zie artikel 3.1.7.). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie verder artikel 3.1.21.) . Zelfstandigheid en zelfredzaamheid Dit hoofdstuk gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling.

Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 3.1.3). Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer Er worden voor de uitvoeringspraktijk en voor voorlichtingsdoelen stroomschema’s ontwikkeld. De verordening verbindt voorwaarden aan de toekenning. Een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als dit voortvloeit uit de wet en strekt alleen tot vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Uitgangspunt is een voorziening in de vorm van openbaar vervoer. Als dit niet passend is kan gekeken worden naar andere vormen, zoals eigen vervoer of aangepast vervoer.

Wet Inburgering 2021 De WI2021 bevat geen grondslagen voor het geven van gemeentelijke regels. De wet geeft geen beleidsruimte en geen beleidsvrijheid. Dat betekent dat bepalingen over inburgering uit de verordening alleen nog van toepassing zijn voor trajecten die voor 1-1-2022 zijn begonnen. Ze moeten dan ook gegrond zijn in de oude Wet inburgering zoals deze gold tot 1-1-2021.

Diverse andere wetten Er zijn nog vele andere wetten in het sociaal domein die een wettelijke grondslag geven voor het bij verordening regelen van gemeentelijke taken. Zoveel mogelijk zijn de opdrachten die die wetten aan de gemeente geven voor het opstellen van regels in deze verordening opgenomen waardoor een totaalbeeld van de gemeentelijke regelgeving in het sociaal domein ontstaat.

74

Artikelsgewijs hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Voor de duidelijkheid wordt in dit hoofdstuk een achtergrond geschetst van de gedachten waarmee een bepaalde tekst van een artikel is geschreven. Dit helpt bij de interpretatie van die bepalingen. Het voert te ver en is ook niet nodig om dit voor elk artikel te doen. Daarom vindt u niet over alle artikelen een aparte toelichting. 1.3.Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp Algemeen gebruikelijke voorziening Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt altijd gekeken naar de individuele situatie. De volgende criteria worden gebruikt bij het beoordelen van de algemeen gebruikelijkheid (zie CRvB 20 11 2019, nr. 18/3544 WMO) 1. is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap of beperking? 2. is het middel daadwerkelijk beschikbaar? 3. levert het middel een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is? 4. kan het middel worden betaald door iemand met een minimum inkomen? Een (hulp)middel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Indien alle vier de vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord is in de regel sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening.

1.7. Melding en onderzoek Eerste en zevende lid Bij een melding met een hulpvraag wordt zoveel mogelijk een brede uitvraag naar de omstandigheden van de inwoner en zijn gezin gedaan. Daarbij kunnen verschillende methoden worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: de doorbraak methode van het Instituut voor Publieke Waarden, de omgekeerde toets die is ontwikkeld door StimulanSZ, de methode 1 gezin 1 plan (big five; 5 leefgebieden: wonen, financiën, zelfzorg/welzijn, netwerk , dagbesteding/school/werk) of de methode van Positieve gezondheid (Machteld Huber). De bedoeling van deze bepaling is om ruimte te geven aan consulenten om een passende brede uitvraag te doen, zodat de gemeente binnen het sociaal domein de benodigde voorzieningen zo goed mogelijk kan afstemmen op de situatie. Wanneer een inwoner dit brede onderzoek niet wenst heeft hij de mogelijkheid om alleen die informatie te geven die nodig is voor de behandeling van de specifieke aanvraag die hij wil doen.

75

Derde lid De bepaling heeft uitdrukkelijk ruimte willen laten voor verschillende soorten behandeling van aanvragen, zodat daarin gedaan kan worden wat passend of wettelijk verplicht is. Zo kent alleen de Wmo2015 een procedure van melding en onderzoek (6 weken) gevolgd op het nemen van een beslissing (2 weken) (art. 2.3.2 Wmo2015). Alle andere wetten in het sociaal domein werken met de algemene beslistermijn uit art. 4:13 Awb: (8 weken) of geven eigen specifieke bepalingen over de te volgen procedures. Deze wettelijke procedures mogen niet door de verordening worden doorkruist. Het kan zijn dat een inwoner zelf een familiegroepsplan of wmo plan heeft opgesteld. De wet stelt aanvragers in de gelegenheid om zelf een plan op te stellen. Als zo’n plan er is blijkt het uit het onderzoek en dan zal de gemeente er zoveel mogelijk rekening mee houden. Het is een activiteit die GI’s en jeugdhulpaanbieders hebben om een plan te maken met het gezin. Art. 4.1.2. jeugdwet. Het persoonlijk plan op grond van de Wmo2015 dat in een aanvraag betrokken moet worden is geregeld in art. 2.3.2. lid 2 Wmo2015. Vierde, lid Het vierde lid is ontleend aan wetsvoorstel WAMS artikel 2.2.5. Het geeft richting aan de wijze waarop de consulenten zorgvuldig kunnen omgaan met vragen die niet leiden tot een Wmo melding of hulpvraag.

De vorm van de triage kan worden uitgewerkt in een werkinstructie, dat kan dus ook een telefonische triage zijn. 1.8. Regels over onafhankelijke cliëntondersteuning. Clientondersteuning wordt aangeboden door meerdere organisaties die verschillende vormen van rechtspersoonlijkheid hebben. Het gaat hierbij om stichtingen, bedrijven, maar ook om zelfstandigen. Samen vormen deze partijen een goed dekkend netwerk aan cliëntondersteuners. Hiervoor is in Meppel het netwerk onafhankelijke cliënt ondersteuning ingesteld waarin deze organisaties samenwerken. 1.9. Hardheidsclausule Eerste en tweede lid Een hardheidsclausule kan worden toegepast als met de regels uit de verordening een situatie zou ontstaan die voor de belanghebbende niet redelijk en billijk is. Het probleem van de belanghebbende zou met toepassing van de regels niet worden opgelost, terwijl het wel de bedoeling is dat de gemeente de belanghebbende verder helpt. Ook de situatie waarin iemand juist door toepassing van de regels uit de verordening extra zou worden benadeeld kan met een beroep op deze bepaling worden voorkomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarin iemand een eigen bijdrage moet betalen omdat hij daar volgens de rekenregels het inkomen naar heeft terwijl in de praktijk bijzondere lasten of bijzondere situaties maken dat het besteedbaar inkomen niet zo hoog is als het op papier lijkt.

76

Derde lid Reden voor deze bepaling is dat de Jeugdwet en de Wmo2015 altijd een maatwerkbesluit vergen, dan hoef je dus nooit van de regel af te wijken.

77

Artikelsgewijs hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) 2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag Derde lid Het onderzoek spitst zich toe op de zogenaamde big five: wonen, financiën, zelfzorg, netwerk en dag invulling, daarna: invulling door eigen kracht, gebruikelijke hulp mantelzorg sociaal netwerk Vierde lid De CRvB heeft sinds het “Steenwijkerland-arrest” van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) een stappenplan ontwikkeld voor het vaststellen van de behoefte aan jeugdhulp. In haar uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819)”Groningen” heeft zij dit stappenplan voor het eerst ook toegepast binnen de Wmo2015 om het zorgvuldig onderzoek naar de behoefte aan Wmo-hulp te definiëren. 2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening Eerste lid Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de geldende rechtspraak over de criteria vermijdbaarheid en voorzienbaarheid. Vijfde lid Dit is nieuw beleid. Er is jurisprudentie die maakt dat bij bijzondere omstandigheden de gemeente alsnog onderzoek moet doen of achteraf is vast te stellen of dit de goedkoopste adequate oplossing is. 2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente De verordening en beleidsregels van Assen worden hiermee leidend voor toepassing door medewerkers van die gemeente voor gevallen in Meppel. Er is dan eenheid van beleid.

Een wetswijziging die ervoor zorgt dat de taak beschermd wonen wordt gedecentraliseerd is op het moment van opstellen van deze verordening controversieel verklaard. Verwacht wordt een mogelijke invoering per 1 januari 2025. Vanaf dat jaar zal Meppel moeten beschikken over eigen regels. Met het oog hierop is een reservering opgenomen met de artikelen 2.1.7 en 2.18. 2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo vervoerpas) Eerste lid Het aantal kilometers is ontleend aan de Beleidsvisie Sociaal Domein en Mobiliteit 2021 nr. 1432741/1464533 d.d. 25 maart 2021

78

2.1.10 Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto Het beleid is niet nieuw. Voor het eerst is hierover een aparte bepaling in de verordening opgenomen. Voorheen was dit onderdeel alleen opgenomen in de tarieventabel bij de verordening, maar dat is niet de juiste plek om regels te geven. Bovendien is bij deze verordening de tarieventabel als geheel komen te vervallen. 2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo2015 en Jeugdwet Met deze grondslag geldt het aanwijzen van een toezichthouder ook voor jeugdzaken. Anders is het alleen mogelijk om een toezichthouder wmo aan te wijzen. 2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning Het HHM normenkader is een algemeen geldend normenkader dat de Centrale Raad van beroep naast het (inmiddels verouderde) CIZ model heeft beoordeeld als een voldoende grondslag om afwegingen voor de omvang van een maatwerkvoorziening te bepalen. 2.1.14. Eigen bijdragen Zesde lid Op het moment van schrijven van deze verordening is de minimale en maximale eigenbijdrage per periode €19. In 2024 zal dit bedrag worden verhoogd Eigen bijdragen worden gerekend over alle maatwerkvoorzieningen. Dit bestaande beleid wordt onder deze verordening voortgezet. De hoogte van de maximale eigen bijdrage per periode is wettelijk geregeld. Het maximum dat de gemeente vraagt aan eigen bijdragen is gelijk aan de totale kostprijs van de verstrekking.

De kostprijs is gebaseerd op facturen van leveranciers of aannemers. Bij een PGB werkt dit anders; de hoogte van het PGB is gebaseerd op offertes van leveranciers of aannemers. De maximale eigen bijdrage staat hiermee vast. De regeling voorziet er in dat het totaal van de periodieke eigen bijdragen nooit hoger wordt dan de kosten van de maatwerkvoorziening. Dit is vooral van belang bij materiele voorzieningen, aangezien bij hulp of begeleiding de kosten blijven oplopen zolang de voorziening wordt geïndiceerd. Toch is deze regeling in de meeste gevallen niet nodig, want door het wettelijke lage abonnementstarief komt men in veel gevallen niet toe aan “afbetaling” van de maatwerkvoorziening. Zevende lid Met deze bepaling kan artikel 12 lid 3 van de beleidsregels bijzondere bijstand worden geschrapt en kan de gemeente ontheffing geven via het CAK voor het betalen van een eigen bijdrage. Feitelijk verandert het beleid daardoor niet maar wordt het voor de inwoner en voor de uitvoering eenvoudiger. Er hoeft geen extra aanvraag te worden ingediend en er hoeft geen extra besluit meer te worden genomen.

79

Negende lid Omdat de tarieventabel voortaan vervalt is hier het tarief opgenomen inclusief de manier waarop dit bepaald wordt. Dertiende lid De normen voor pgb's zijn door jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep vastgesteld in recente uitspraken: CRVB 16-08-2023, gemeente Etten-Leur, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB, 16-08-2023, gemeente Gemert-Bakel, ECLI:NL:CRVB:2023:1580. Alle oude normen die opgenomen waren in de verordening zijn daardoor onverbindend geworden en moeten dus vervangen worden. 2.1.20 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Artikel 75 oud gaf het college de mogelijkheid om een regeling vast te stellen. De formulering van dat artikel was te ruim. De gemeenteraad moet in de verordening wel een omvang of een richtingskader opnemen. Daarom is in deze tekst het huidige beleid opgenomen met de mogelijkheid dat de blijk van waardering in verschillende vormen kan plaatsvinden en dat er een minimale financiële waarde aan gekoppeld is. Het genoemde bedrag van €50,00 is gebaseerd op bestaand beleid. De Adviesraad Sociaal Domein heeft geadviseerd om dit bedrag opnieuw te bepalen op, zo mogelijk, een hoger bedrag. Deze formulering stelt het college in staat om in 2024 een positieve beleidswijziging door te voeren als daar financiële ruimte voor is. Het onderzoek daarnaar kan op het moment van aanbieden van de conceptverordening nog niet uitgevoerd worden. 2.1.21.

Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen De wet vereist deze bepaling in artikel 2.6.6. Wmo2015 en artikel 5.4. van het Uitvoeringsbesluit Wmo. Ook artikel 2.6.4. Wmo2015 stelt eisen waarbij bij aanbesteding meer moet worden gelet op kwaliteit en niet uitsluitend mag worden gekeken naar de laagste prijs van diensten. 2.1.23. Financiële tegemoetkomingen Hiermee wordt de gangbare praktijk voorzien van een juridische grondslag in de verordening. Omdat het gaat om een kan bepaling onstaat hiermee de ruimte voor het college om een nadere uitwerking te maken in beleidsregels. Door middel van spierkracht is opgenomen, om hiermee auto’s en elektrische rolstoelen uit te sluiten, maar ruimte te geven aan verschillende soorten hulpmiddelen die de mobiliteit vergroten. Voor de grotere en duurdere hulpmiddelen, waarbij ook regelmatig onderhoud moet worden gepleegd is een financiële tegemoetkoming geen goed middel. Een Pgb is daarvoor meer geschikt, vanwege de waarborgen waarmee het trekkingsrecht bij de Sociale Verzekeringsbank is omkleed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=250c6721-deec-4262-b518-7b2538948588