CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bijlage 4. Aanvullend ecologisch onderzoek

1 - RAADSVERGADERING 21 december 2023, gemeente MeppelBij agendapunt: Bestemmingsplan Meppel - Randweg LTS4.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANVULLEND ECOLOGISCH ONDERZOEK RANDWEG 1 TE MEPPEL

Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Randweg 1 te Meppel Opdrachtgever

Cicom & Copier Postbus 436 6710 BK Ede

Rapportnummer Versienummer

11260.004 D1

Status

Eindrapportage

Datum

25 september 2020

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

F.M. van der Heide, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. J.G. Boogaard, BSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en te verwachten werkzaamheden en ingrepen ...................................................................................................................................... 3

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 4

4

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5 4.1 4.2

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3

6

Slechtvalk ......................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Samenvatting .................................................................................................................. 11

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 12 6.1 6.2

7

Slechtvalk ......................................................................................................................... 5 Vleermuizen ...................................................................................................................... 5

Slechtvalk ....................................................................................................................... 12 Vleermuizen .................................................................................................................... 12

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 13

11260.004

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Cicom & Copier opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Randweg 1 te Meppel. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in december 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 11260.001, d.d. 16 januari 2020) bleek een aanvullend ecologisch onderzoek naar de slechtvalk en vleermuizen noodzakelijk. Om de effecten van de voorgenomen ingreep volledig te toetsen aan de Wet natuurbescherming was ten aanzien van deze soorten op sommige punten meer informatie benodigd. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 1 van 14

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1,8 ha) ligt aan de Randweg 1, circa 1,4 km ten zuiden van de kern van Meppel. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 209.285, Y = 522.195. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat uit twee gebouwen, een deel laagbouw van één verdieping en een hoogbouw bestaande uit vier verdiepingen. De gebouwen zijn in gebruik geweest als lagere technische school (LTS). De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van een woonwijk en wordt in alle windrichtingen omgeven door woningen en bedrijfspanden. Aan de zuidzijde grenst de onderzoekslocatie aan een onderstation voor het hoogspanningsnet.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 2 van 14

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en te verwachten werkzaamheden en ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens appartementen te realiseren op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zal de laagbouw op het westelijk deel van de onderzoekslocatie gesloopt worden. De hoogbouw op het oostelijk deel wordt gerenoveerd en herontwikkeld tot appartementencomplex. Figuur 2 t/m 5 geven een impressie van de toekomstige situatie (bron: Studio voor Bouwkunst).

Figuur 2. Impressie van appartementen, gezien vanuit het oosten.

Figuur 3. Impressie van appartementen, gezien vanuit het zuidoosten.

Figuur 4. Impressie van appartementen, gezien vanuit het noordoosten.

Figuur 5. Impressie van appartementen, gezien vanuit het noordwesten.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 3 van 14

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er op sommige punten meer informatie is benodigd. Op basis van de resultaten van de quickscan flora en fauna blijkt dat de onderzoekslocatie geschikt is als nestplaats voor de slechtvalk en verblijfplaats voor diverse vleermuissoorten. Ten aanzien van slechtvalken kunnen overtredingen niet op voorhand worden uitgesloten. Voor aanvang van de voorgenomen ingreep dient duidelijk te zijn of er binnen de onderzoekslocatie een nestlocatie van de slechtvalk aanwezig is. Dit dient middels nader onderzoek te worden bepaald. Op basis van deze nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de slechtvalk aan de orde is. De voorgenomen plannen kunnen, indien nodig middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing, alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van vleermuizen is overtreding niet op voorhand uit te sluiten. De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen geschikte openingen als stootvoegen aanwezig, die toegang verlenen tot de spouwmuren.

Bij de laagbouw is ruimte aanwezig achter de betimmering en daklijsten, waar vleermuizen gebruik van kunnen maken Tevens is de hoogbouw aan beide zijden voorzien van zonwering. In de hoogbouw zijn op de vensterbanken van verscheidene lokalen uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, en als paar-/baltsverblijf. De aanwezigheid van (massa)winterverblijfplaatsen is, wegens het ontbreken van toegang tot de spouw, uitgesloten. Op basis van een aanvullend vleermuisonderzoek kan worden bepaald of overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de ingrepen aan de orde is. De voorgenomen plannen kunnen doorgaans, indien nodig middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing, alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van overige soorten dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen, voortplantingsperiode en/of gevoelige winterperiode. Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijk gedaan wordt om negatieve gevolgen voor soorten voorkomen worden. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, worden deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 4 van 14

4 4.1

ONDERZOEKSMETHODIEK Slechtvalk

Voor het onderzoek naar de slechtvalk is een bureauonderzoek uitgevoerd. Hierbij is contact gezocht met lokale experts op het gebied van de slechtvalk. Tevens zijn diverse naslagwerken en verspreidingsatlassen geraadpleegd. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kan er met voldoende juridische zekerheid gesteld worden of het gebouw al dan niet door de slechtvalk wordt gebruikt als nestplaats. 4.2

Vleermuizen

Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de periode 15 april 2020 tot 1 oktober 2020 in totaal vijf rondes (verspreid over 13 veldbezoeken) uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avond- en ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017), dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning was gebaseerd op de functies zomer-, kraam- en paarverblijf/baltsplaats voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken was onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functies noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Het totaal aantal voorgestelde veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van twee waarnemers per veldronde tijdens de kraam-/zomerrondes en één waarnemer tijdens de paarrondes. Verwacht wordt dat met vijf rondes (13 veldbezoeken) omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie.

Tabel I bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel I. Onderzoeksinspanning voor vleermuizen. vleermuizen

tijdstip

april -

mei

juni

augustus

september

3 x ochtend

datum

30* juni, 1* en 2* juli

functie

zomerverblijf

tijdstip

juli

-

8 x avond

datum

15*, 18**, 19**, 20** en 22** mei 16*, 18* en 19* juni

functie

kraam-/zomerverblijf

tijdstip

-

-

-

-

2 x avond

datum

17** augustus en 7** september

functie

paarverblijf/baltsplaats

-

* het veldwerk is door twee personen uitgevoerd. ** het veldwerk is door één persoon uitgevoerd.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 5 van 14

Gezien de grootte van de onderzoekslocatie is deze voor wat betreft de veldbezoeken in het teken van kraam- en zomerverblijfplaatsen opgedeeld in 6 deellocaties (zie figuur 6). Tijdens de veldbezoeken is gelet op in- en uitvliegende vleermuizen. Daarnaast is er ook gelet op foeragerende en passerende vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken in het kader van paarverblijf/baltsplaatsen is voornamelijk gelet op sociale geluiden. In de periode augustus - september produceren mannetjes vleermuizen sociale geluiden vanuit of vliegend rondom bebouwing, om vrouwtjes te lokken.

Figuur 6. De zes deellocaties binnen de onderzoekslocatie.

Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x en Elekon Batlogger M). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotissoort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van vleermuizen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 11 ºC. De windsnelheid lag beneden de 4 Bft. en er was geen sprake van neerslag. De weersomstandigheden tijdens het vleermuisonderzoek staan weergegeven in onderstaande tabel.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 6 van 14

Tabel II. Weersomstandigheden aanvullend vleermuisonderzoek seizoen 2020. Datum

Tijd

Temperatuur

Weersomstandigheden

15 mei 2020

21:25u - 23:35u

11 oC

Droog, windkracht 2 WNW

18 mei 2020

21:23u - 23:35u

13 oC

Droog, windkracht 2 WNW

19 mei 2020

21:23u - 23:37u

15 oC

Droog, windkracht 2 NO

20 mei 2020

21:30u - 23:36u

17 oC

Droog, windkracht 2 ONO

22 mei 2020

21:34u - 23:38u

16 oC

Droog, windkracht 2 W

16 juni 2020

21:54u - 00:09u

18 oC

Droog, windkracht 2 N

18 juni 2020

21:57u - 00:05u

18 oC

Droog, windkracht 1 NNO

19 juni 2020

21:52u - 00:05u

17 oC

Droog, windkracht 2 NW

30 juni 2020

03:11u - 05:17u

15 oC

Droog, windkracht 4 ZW

1 juli 2020

03:10u - 05:17u

14 oC

Droog, windkracht 1 Z

2 juli 2020

03:14u - 05:17u

14 oC

Droog, windkracht 3 ZW

17 augustus 2020

22:00u - 00:00u

16 oC

Droog, windkracht 2 ZW

7 september 2020

21:05u - 23:05u

15 oC

Droog, windkracht 2 WZW

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 7 van 14

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Slechtvalk

Voor het onderzoek naar de aanwezigheid van een nest van de slechtvalk op het dak van de hoogbouw is contact opgenomen met Stichting Vogelwerkgroep Vliegvlug Meppel. Zij zijn opgericht in 2002 en hebben de bescherming van vogels en instandhouding van hun biotopen als doel. De stichting is onderverdeeld in meerdere werkgroepen, waaronder de werkgroep “roofvogels”. Zij verrichten diverse werkzaamheden met betrekking tot roofvogels waaronder het maken en plaatsen van nestkasten en het in kaart brengen van de populaties van de verschillende roofvogelsoorten in de omgeving van Meppel. Volgens de werkgroep broedt er geen slechtvalk op de hoogbouw binnen de onderzoekslocatie (pers. communicatie dhr. H. Folkerts, d.d. 2 april 2020). Tevens is er op het dak geen nestkast aanwezig. Wel broedt er met enige regelmaat een scholekster op het dak. Aangezien de scholekster een prooi vormt voor de slechtvalk onderschrijft de aanwezigheid van een scholeksternest de bevindingen van de vogelwerkgroep dat er geen slechtvalknest aanwezig is. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon zijn er 1-3 broedende slechtvalken waargenomen in de omgeving van Meppel, op de grens tussen Drenthe en Overijssel, in de periode 2016 – 2018 (zie figuren 7 en 8). Deze broedgevallen zijn mogelijk aangetroffen op hoge gebouwen in Meppel of de directe omgeving.

Geen van de gevallen is echter gedaan binnen de onderzoekslocatie, aldus dhr. Folkerts van de Stichting Vogelwerkgroep Vliegvlug Meppel

Figuur 7. Broedverspreiding van de slechtvalk in Drenthe gedurende de periode 2016 – 2018 (Bron: Sovon).

Figuur 8. Broedverspreiding van de slechtvalk in Overijssel gedurende de periode 2016 – 2018 (Bron: Sovon).

Tevens is het Uitvoerportaal van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. In het Uitvoerportaal staan 8 waarnemingen van de slechtvalk gemeld in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar (zie figuur 9). Twee meldingen zijn gedaan circa 150-200m ten zuiden van de onderzoekslocatie, ter plaatse van het Terra VO Meppel. Beide waarnemingen zijn gedaan op 12 april 2012. Hoogstwaarschijnlijk betrof het tweemaal hetzelfde individu. Volgens de melding is het individu rustend waargenomen.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 8 van 14

Binnen de onderzoekslocatie zijn geen slechtvalken of nesten daarvan aanwezig. Tevens is de lokale populatie klein. De hoogbouw binnen de onderzoekslocatie kan door de slechtvalk wel gebruikt worden als zitplaats/uitkijk, vanwaar gezocht wordt naar prooidieren. Een zitplaats of uitkijk van de slechtvalk is echter niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. De onderzoekslocatie kan door het plaatsen van een speciale slechtvalkkast in de toekomstige situatie wel geschikt gemaakt worden als nestplaats voor de slechtvalk. Hierdoor krijgt de lokale populatie van de slechtvalk mogelijk een stimulans en kan deze verder uitgroeien.

Figuur 9. Verspreiding van de slechtvalk op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 9 van 14

5.2

Vleermuizen

Deellocatie 1 Gedurende het eerste veldbezoek is een uitvliegende gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit individu vloog uit van achter een zonwering op de derde etage op de westhoek van het gebouw (zie figuur 10). Dit individu heeft hier een zomerverblijfplaats. Tijdens het derde veldbezoek zijn twee gewone dwergvleermuizen waargenomen die continu rond de westelijke gevel van de hoogbouw en de ‘binnenplaats’ vlogen. Ondanks dat er geen invliegende vleermuizen zijn waargenomen zit hier waarschijnlijk één, mogelijk twee verblijfplaatsen. Tijdens het vijfde veldbezoek is binnen deellocatie 1 één baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit individu is geveltikkend waargenomen aan de noordgevel van de sporthal (zie figuur 10). Gedurende het tweede en vierde veldbezoek zijn geen verblijfplaatsen of baltslocaties aangetroffen. Gedurende alle veldbezoeken zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. De aantallen varieerden van één tot maximaal drie gewone dwergvleermuizen. Deellocatie 2 Tijdens het vierde veldbezoek zijn twee baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen die binding vertoonden met het gebouw. Tijdens het vijfde veldbezoek is een gewone dwergvleermuis geveltikkend waargenomen aan de oostzijde van de hoogbouw binnen deellocatie 2 (zie figuur 10).

Tijdens de overige veldbezoeken zijn binnen deellocatie 2 geen in- of uitvliegende individuen waargenomen of verblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens de eerste vier veldbezoeken zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. Het ging om maximaal drie gewone dwergvleermuizen en één laatvlieger. Tijdens het vijfde veldbezoek zijn geen foeragerende vleermuizen waargenomen. Deellocatie 3 Tijdens het tweede veldbezoek is binnen deellocatie 3 een zomerverblijfplaats van een gewone dwergvleermuis aangetroffen. Dit individu heeft een verblijfplaats achter de zonwering op de bovenste verdieping, aan de zuidgevel van de hoogbouw (zie figuur 10). Gedurende het vijfde veldbezoek is één baltsende gewone dwergvleermuis gehoord. Dit individu vloog continu langs de grens van de westelijke hoek van de hoogbouw van deellocatie 2 met de oostelijke hoek van deellocatie 3 (zie figuur 10). Gedurende het eerste, derde en vierde veldbezoek zijn geen verblijfplaatsen of baltslocaties aangetroffen binnen deellocatie 3. Tijdens de eerste vier veldbezoeken zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. De aantallen varieerden van één tot maximaal vier gewone dwergvleermuizen en één laatvlieger. Tijdens het vijfde veldbezoek zijn geen foeragerende vleermuizen waargenomen. Deellocatie 4 Gedurende het vijfde veldbezoek is binnen deellocatie 4 één baltsende gewone dwergvleermuis gehoord.

Dit individu baltste op de grens met deellocatie 5 (zie figuur 10). Gedurende de overige veldbezoeken zijn geen verblijfplaatsen of baltslocaties aangetroffen. Gedurende de eerste drie veldbezoek zijn twee tot maximaal drie foeragerende gewone dwergvleermuizen en maximaal drie laatvliegers waargenomen. Tijdens het vierde en vijfde veldbezoek zijn geen foeragerende vleermuizen waargenomen.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 10 van 14

Deellocatie 5 Tijdens geen van de veldbezoeken zijn verblijfplaatsen of baltslocaties aangetroffen binnen deellocatie 5. Tijdens het eerste en tweede veldbezoek is één foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Tijdens de overige veldbezoeken zijn geen foeragerende vleermuizen waargenomen. Deellocatie 6 Tijdens het derde veldbezoek is één verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Deze heeft een verblijfplaats onder de gevelbetimmering van de hoogbouw binnen deellocatie 6 (zie figuur 10). Gedurende het eerste, tweede, vierde en vijfde veldbezoek zijn geen verblijfplaatsen of baltslocaties aangetroffen binnen deellocatie 6. Tijdens alle veldbezoeken zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. Het betrof één tot maximaal drie gewone dwergvleermuizen en één tot twee laatvliegers.

Figuur 10. Verspreiding van vleermuissoorten op basis van inventarisatie in het seizoen 2020.

5.3

Samenvatting

In totaal zijn er drie zomerverblijfplaatsen aangetroffen. De vijf verschillende baltslocaties betreft hoogstwaarschijnlijk één mannetje. Deze gebruikt één van de zomerverblijfplaatsen tevens als paarverblijfplaats.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 11 van 14

6 6.1

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING Slechtvalk

De slechtvalk valt onder het beschermingsregime van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden de voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en de nesten mogen niet worden weggenomen. Wegens de afwezigheid van een nestplaats van de slechtvalk zijn bij de sloop en herontwikkeling van de bebouwing geen maatregelen nodig om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de slechtvalk te voorkomen. Een ontheffing van artikel 3.1 lid 2 is overbodig. Geldend is echter de situatie ten tijde van de ingreep. Indien tijdens de ingreep alsnog een nest van de slechtvalk wordt aangetroffen dienen de werkzaamheden direct te worden stilgelegd en de ecoloog benaderd te worden. Aanvullende maatregelen en een ontheffing zijn dan noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn en de conventie van Bonn, in de Wet natuurbescherming ondergebracht in artikel 3.5. De verboden handelingen die van toepassing zijn op de vleermuizen betreffen het opzettelijk verstoren, doden of vangen van de dieren en het beschadigen of vernielen van de rust- en voortplantingsplaatsen. Bij de herontwikkeling en sloop van de bebouwing is het niet te voorkomen dat wegnemen, vernielen of beschadigen optreedt, waardoor artikel 3.5 lid 4 wordt overtreden. Door het treffen van maatregelen kan de functionaliteit voor de soort behouden blijven. Hiermee wordt overtreding van de Wet natuurbescherming echter niet voorkomen en is een ontheffing noodzakelijk. Artikel 3.5 lid 2 betreft het opzettelijk verstoren van dieren. Bij het wegjagen van een vleermuis, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is sprake van voorwaardelijke opzet en is het artikel van kracht, echter heeft het verjagen niet tot doel om de staat van instandhouding negatief te beïnvloeden, maar juist om doden en verwonden te voorkomen. Er zullen echter handelingen verricht moeten worden die specifiek bedoeld zijn om dieren te verstoren. Juridisch gezien is er sprake van overtreding van het verbodsartikel, zodat een ontheffing noodzakelijk is.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 12 van 14

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Econsultancy heeft in opdracht van Cicom & Copier een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Randweg 1 te Meppel. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens appartementen te realiseren op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie. Ten behoeve van de voorgenomen plannen zal de laagbouw op het westelijk deel van de onderzoekslocatie gesloopt worden. De hoogbouw op het oostelijk deel wordt gerenoveerd en herontwikkeld tot appartementencomplex. Functie onderzoekslocatie voor de slechtvalk Uit onderhavig onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie niet door de slechtvalk wordt gebruikt als nestplaats. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de slechtvalk als gevolg van de voorgenomen ingreep is dan ook uitgesloten. Aanvullende maatregelen en een ontheffing zijn overbodig. Functie onderzoekslocatie voor vleermuizen Uit het aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat de bebouwing in gebruik is door vleermuizen. Overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen sloop en herontwikkeling is niet te voorkomen. Het betreft de vernietiging van een drietal zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. De verschillende baltslocaties behoren hoogstwaarschijnlijk tot één mannetje.

Dit mannetje gebruikt één van de zomerverblijfplaatsen mogelijk tevens als paarverblijfplaats. Maatregelen dienen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van de verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen bestaan onder andere uit het realiseren van tijdelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen, waarbij rekening wordt gehouden met de gewenningsperiode. Het uitvoeren van verstorende werkzaamheden zal moeten plaatsvinden buiten de meest kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Na de werkzaamheden worden in de nieuwe situatie permanente voorzieningen aangeboden. Voor aanvang van de werkzaamheden dient het gebouw ongeschikt gemaakt te worden en moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn verleend. Mitigerende maatregelen dienen voldoende onderbouwd te worden middels een ecologisch activiteitenplan om een ontheffing van de Wet natuurbescherming te kunnen verkrijgen. In het ecologisch activiteitenplan staan maatregelen zodat de daadwerkelijke functie die het gebied heeft voor de aangetroffen soorten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid behouden wordt. Daarnaast wordt onder andere de huidige staat van instandhouding van de soort beoordeeld. Conclusie De voorgenomen plannen leiden tot aantasting van de vleermuisverblijfplaatsen, waardoor sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Om negatieve gevolgen voor vleermuizen te voorkomen zijn maatregelen nodig om de functionaliteit voor de soort te behouden. Omdat de verblijfplaatsen het hele jaar gebruikt worden is er een ontheffing van art. 3.5 lid 2 en lid 4 benodigd.

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 13 van 14

Econsultancy Zwolle, 25 september 2020

Rapport 11260.004 versie D1

Pagina 14 van 14

Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.

Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.

Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.

Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu. Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk.

Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=f3146079-8fcf-413a-a0bd-b12539f8362c