CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bijlage 3. Eco quickscan

1 - RAADSVERGADERING 21 december 2023, gemeente MeppelBij agendapunt: Bestemmingsplan Meppel - Randweg LTS10.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA RANDWEG 1 TE MEPPEL

Rapportage quickscan flora en fauna Randweg 1 te Meppel Opdrachtgever

Cicom & Copier Postbus 436 6710 BK Ede

Rapportnummer Versienummer

11260.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

16 januari 2020

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

F.M. van der Heide, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ing. R.J. Stoffer

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

6

Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Overige soorten .............................................................................................................. 16 Vaatplanten..................................................................................................................... 16

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9

Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 11260.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Cicom & Copier opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Randweg 1 te Meppel. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 1 van 24

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 1,8 ha) ligt aan de Randweg 1, circa 1,4 km ten zuiden van de kern van Meppel. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 209.285, Y = 522.195. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat uit twee gebouwen, een deel laagbouw van één verdieping en een hoogbouw bestaande uit vier verdiepingen. De gebouwen zijn in gebruik geweest als lagere technische school (LTS). De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van een woonwijk en wordt in alle windrichtingen omgeven door woningen en bedrijfspanden. Aan de zuidzijde grenst de onderzoekslocatie aan een onderstation voor het hoogspanningsnet. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 20 december 2019).

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 2 van 24

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Noordelijke hoogbouw, gezien vanuit het noordoosten.

Figuur 4. Oostelijke hoogbouw, gezien vanuit het oosten.

Figuur 5. Oostelijke hoogbouw, gezien vanuit het westen.

Figuur 6. Noordelijke hoogbouw, gezien vanuit het zuidwesten.

Figuur 7. Westelijke hoogbouw, gezien vanuit het oosten.

Figuur 8. Loopgang tussen hoog- en laagbouw, gezien vanuit het noorden.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 3 van 24

Figuur 9. Westelijke laagbouw, gezien vanuit het noordoosten.

Figuur 10. Westelijke laagbouw, gezien vanuit het zuidoosten.

Figuur 11. Centrale hal van hoogbouw.

Figuur 12. Eén van de klaslokalen in de hoogbouw.

Figuur 13. Loopgang tussen hoog- en laagbouw.

Figuur 14. Eén van de klaslokalen in de laagbouw.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de laagbouw op het westelijk deel van de onderzoekslocatie te slopen. De hoogbouw op het oostelijk deel wordt gerenoveerd en herontwikkeld tot appartementencomplex. Figuur 15 t/m 18 geven een impressie van de toekomstige situatie (bron: Studio voor Bouwkunst).

Figuur 15. Impressie van appartementen, gezien vanuit het oosten.

Rapport 11260.001 versie D1

Figuur 16. Impressie van appartementen, gezien vanuit het zuidoosten.

Pagina 4 van 24

Figuur 17. Impressie van appartementen, gezien vanuit het noordoosten.

Rapport 11260.001 versie D1

Figuur 18. Impressie van appartementen, gezien vanuit het noordwesten.

Pagina 5 van 24

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 20 december 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van donkere ruimten en zolders is er met behulp van een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Drenthe opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 6 van 24

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 7 van 24

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 8 van 24

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 9 van 24

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Jaarrond beschermde broedvogels

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: gierzwaluw, huismus, kerkuil, ransuil, roek en slechtvalk. Van deze soorten kunnen de gierzwaluw, kerkuil en roek op voorhand worden uitgesloten. De gierzwaluw broedt onder daken van oude gebouwen. Beide gebouwen binnen de onderzoekslocatie hebben een plat dak en zijn daarmee ongeschikt als nestplaats. De kerkuil broedt voornamelijk in bebouwing. Tegenwoordig broedt de soort nagenoeg uitsluitend nog in speciale nestkasten. Dergelijke nestkasten zijn binnen de onderzoekslocatie niet aanwezig. De roek broedt in sterk kolonieverband. Roekenkolonies bevinden zich veelal in vrijstaande, hoge groepen bomen (vaak populieren) langs snelwegen, treinsporen of kanalen. Dergelijke nestbomen zijn niet aanwezig binnen de onderzoekslocatie. Huismus De huismus broedt in hecht kolonieverband, elk jaar op dezelfde plek. Huismussen zijn gebonden aan mensen. Het nest wordt voornamelijk gemaakt onder dakpannen, achter regenpijpen en andere openingen, spleten en ruimten in menselijke bebouwing. De soort foerageert vaak op terreinen in de directe omgeving. Dekking is hierbij een voorwaarde. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt.

Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn (BIJ12, Kennisdocument Huismus, Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017). De huismus slaapt doorgaans op het nest of in de dekking in de omgeving. De gebouwen binnen de onderzoekslocatie staan reeds enige tijd leeg en zijn in vervallen toestand. Gezien de leegstand en de staat van de gebouwen zijn deze niet geschikt als nestlocatie voor de huismus. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komt de soort in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan meerdere waarnemingen van de huismus in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen 10 jaar. Geen van de waarnemingen is gedaan binnen de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen of sporen daarvan aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Huismussen zullen eerder een nest hebben bij woningen in de omgeving. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus zijn uitgesloten. Ransuil Ransuilen keren ieder jaar terug naar een specifieke nest. Dit nest is veelal een oud ekster- of kraaiennest. Het leefgebied van ransuilen is zeer divers, van bos tot stedelijk gebied. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komt de soort in de omgeving voor. De omgeving van de onderzoekslocatie is geschikt als leefgebied voor de ransuil. Langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie staan enkele hoge bomen.

Enkele van deze bomen zijn geschikt als nestboom voor de ransuil. Deze bomen konden echter goed onderzocht worden op de aanwezigheid van ransuilen, nesten daarvan of sporen

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 10 van 24

als braakballen en krijtstrepen. In de bomen zijn geen ransuilen, of nesten of sporen daarvan, aangetroffen. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van de ransuil in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen 10 jaar. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ransuil zijn uitgesloten. Slechtvalk De slechtvalk broedt op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Vaak bestaat een nest uit een simpel kuiltje op een kiezeldak of een speciale nestkast. Het dak van de hoogbouw is bedekt met kiezel en daarmee geschikt als nestplaats. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komt de soort in lage dichtheid in de omgeving voor. Tijdens het veldbezoek konden alle daken met uitzondering van het hoogste dak worden onderzocht op de aanwezigheid van een nestlocatie. Op alle te inspecteren daken waren geen nestlocatie of sporen als uitwerpselen, veren en braakballen aanwezig. Aangezien het hoogste dak niet te inspecteren was is de aanwezigheid van een nestlocatie van de slechtvalk en overtreding van de Wet natuurbescherming niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai.

Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2

Algemene broedvogels

De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het NDFF Uitvoerportaal staan meldingen van waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de ruige dwergvleermuis in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen geschikte openingen als stootvoegen aanwezig, die toegang verlenen tot de spouwmuren. Bij de laagbouw is ruimte aanwezig achter de betimmering en daklijsten, waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 19 en 20). Tevens is de hoogbouw aan beide zijden voorzien van zonwering (figuur 21). In de hoogbouw zijn op de vensterbanken van verscheidene lokalen uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen (figuur 22). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, en als paar-/baltsverblijf. Bij de werkzaamheden kan daarom sprake zijn van

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 11 van 24

verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van desbetreffende soorten (zie hoofdstuk 6). De oostelijke hoogbouw (figuur 4 en 5) is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van (massa)winterverblijfplaatsen is, wegens het ontbreken van toegang tot de spouw, uitgesloten.

Figuur 19. Ruimte achter betimmering van laagbouw.

Figuur 20. Ruimte achter daklijst van laagbouw.

Figuur 21. Zonwering aan zuidzijde van oostelijke hoogbouw.

Figuur 22. Vleermuisontlasting op de vensterbank van één van de klaslokalen in de hoogbouw.

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevinden zich woonhuizen. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Foerageerhabitat Het groen op de onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foera-

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 12 van 24

geerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden in de toekomstige situatie zelfs toenemen. Tevens is in de directe omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Grondgebonden zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende, in de provincie Drenthe streng beschermde grondgebonden zoogdieren: boommarter, das, eekhoorn, otter, steenmarter en waterspitsmuis. Boommarter De boommarter prefereert bosgebied als habitat, en komt vrijwel niet buiten het bos voor. Binnen de onderzoekslocatie staan enkele bomen. De onderzoekslocatie bestaat verder uit bebouwing en aangrenzend groen. Daardoor is er geen geschikt habitat voor de boommarter aanwezig. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen waarnemingen van een boommarter gedurende de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters, sporen daarvan of geschikte nestbomen aangetroffen. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat, sporen en waarnemingen is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boommarter uitgesloten. Das De das heeft een rust- of verblijfplaats doorgaans in een beschutte omgeving met veel schuilmogelijkheden als het bos. Hun burcht ligt doorgaans in een reliëfrijk gebied. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen.

Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. In het NDFF staan geen meldingen van waarnemingen van de das in de omgeving van de onderzoekslocatie. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen bosgebieden en de aansluitende weilanden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk voor in bosrijke omgeving. De eekhoorn maakt daar een bolvormig nest op minstens 5 m van de grond in een boom. Binnen de onderzoekslocatie zijn enkele bomen aanwezig, het overige deel bestaat uit bebouwing en aangrenzend groen. Ook in de (directe) omgeving van de onderzoekslocatie is geen bos aanwezig. De bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Wegens het ontbreken van geschikt habitat, nesten binnen de onderzoekslocatie en waarnemingen binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van de eekhoorn binnen de onderzoekslocatie wor-

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 13 van 24

den uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn is uitgesloten. Otter De otter leeft langs de oevers van stromend, schoon, en zoet water van bijvoorbeeld kanalen, meren en rivieren. Voldoende dekking, rust en voedsel is hierbij van belang. Aangezien dergelijk leefgebied ontbreekt binnen de onderzoekslocatie zijn vaste rust- of verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen otters of ottersporen waargenomen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de otter is uitgesloten. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Binnen de onderzoekslocatie is bebouwing aanwezig met een verlaagd plafond. De ruimte tussen het verlaagd plafond en het beton is dermate groot dat dit geen geschikte verblijfplaats vormt voor de steenmarter (zie figuur 23). Tijdens het veldbezoek zijn de onderzoekslocatie en alle ruimten binnen de gebouwen grondig onderzocht en zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen.

Gelet op het ontbreken van sporen en meldingen in het NDFF van waarnemingen in de directe omgeving kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter is uitgesloten. Figuur 23. Grote ruimte tussen verlaagd plafond en beton.

Waterspitsmuis De waterspitsmuis is een spitsmuissoort die voorkomt langs oevers van beken, rivieren en sloten met een rijke oever- en watervegetatie. Aangezien binnen de onderzoekslocatie en directe omgeving dergelijk habitat niet voorkomt is de onderzoekslocatie ongeschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de waterspitsmuis de afgelopen 10 jaar niet waargenomen binnen of in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van de waterspitsmuis is uitgesloten. Bij de voorgenomen werkzaamheden treden geen overtredingen van de Wet natuurbescherming op ten aanzien van de waterspitsmuis. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn en diverse muis- en spitsmuissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van voorgenoemde soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 14 van 24

5.4 5.4.1

Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen

Volgens de Verspreidingsatlas Reptielen van de NDFF en RAVON komen de volgende beschermde reptielensoort voor binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie: hazelworm en ringslang. In het NDFF Uitvoerportaal staan geen meldingen van waarnemingen van beschermde reptielen gedurende de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde reptielensoorten is uitgesloten. 5.4.2

Amfibieën

Volgens de Verspreidingsatlas Amfibieën van de NDFF en RAVON komen de volgende amfibieënsoorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker. In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van de bruine kikker en groene kikker (spec.) in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). 5.4.3

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5 5.5.1

Ongewervelden Libellen

Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast geldt voor libellen dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. 5.5.2

Vlinders

Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak al-

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 15 van 24

leen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. 5.6

Overige soorten

Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7

Vaatplanten

Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing en verharding, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 16 van 24

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels

Slechtvalk Een nestlocatie van de slechtvalk is het gehele jaar beschermd en valt onder beschermingscategorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing, maar echter niet broeden in kolonies. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van slechtvalken te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie een nestlocatie van de slechtvalk aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming . Om vast te stellen of er een nestlocatie van de slechtvalk op de onderzoekslocatie aanwezig is dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen, februari tot en met april, van de soort. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De werkzaamheden aan de bebouwing zouden in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 17 van 24

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde.

Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Drenthe, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 18 van 24

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen. Het ligt echter wel in de nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wieden, bevindt zich op circa 2,5 km afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 24). De Wieden bestaan onder andere uit de volgende habitattypen die zeer gevoelig zijn voor stikstofdepositie: H3140 Kranswierwateren, H4010B Vochtige heiden (laagveengebied), H6410 Blauwgraslanden, H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) en H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden).

Figuur 24. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied De Wieden. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn, zoals depositie van stikstof. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. In dat kader wordt geadviseerd een stikstofdepositieonderzoek uit te laten voeren.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 19 van 24

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 m ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 25 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 25. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is op ruim 500 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 20 van 24

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De bomen langs de rand van de onderzoekslocatie zijn gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze bomen geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 21 van 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Cicom & Copier een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Randweg 1 te Meppel. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de laagbouw op het westelijk deel van de onderzoekslocatie te slopen. De hoogbouw op het oostelijk deel wordt gerenoveerd en herontwikkeld tot appartementencomplex. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

Het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige.

jaarrond beschermd

ja

ja

ja

mogelijk

Nader onderzoek naar aanwezigheid nestlocatie slechtvalk.

verblijfplaatsen

ja

ja

ja

nee

Nader onderzoek naar aanwezigheid verblijfplaatsen vleermuizen.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene muis- en spitsmuissoorten.

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als bruine kikker en gewone pad.

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 22 van 24

vervolg tabel I Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Natura 2000

2, 5 km

Natuurnetwerk Nederland

300 m -

Houtopstanden

Nader onderzoek

Vergunningplicht

mogelijk

ja

mogelijk

nee

nee

nee

-

-

-

-

-

Nader onderzoek naar stikstofdepositie.

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Ten aanzien van slechtvalken kunnen overtredingen niet op voorhand worden uitgesloten. Voor aanvang van de voorgenomen ingreep dient duidelijk te zijn of er binnen de onderzoekslocatie een nestlocatie van de slechtvalk aanwezig is. Dit dient middels nader onderzoek te worden bepaald. Op basis van deze nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de slechtvalk aan de orde is. De voorgenomen plannen kunnen doorgaans, indien nodig middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing, alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door bij het verwijderen van nestgelegenheden en groen buiten het broedseizoen te werken. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake kundige. Ten aanzien van vleermuizen is overtreding niet op voorhand uit te sluiten. Op basis van een aanvullend vleermuisonderzoek kan worden bepaald of overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de ingrepen aan de orde is. De voorgenomen plannen kunnen doorgaans, indien nodig middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing, alsnog worden uitgevoerd.

Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat het verwijderen van materialen als bladeren, ruigte, takken en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden zorgvuldig dient te gebeuren. Voorkomen moet worden dat individuen gedood of verwond worden, bijvoorbeeld als gevolg van het beschadigen of vernielen van schuil- of voortplantingslocaties. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Voor wat betreft bescherming van Natura 2000-gebieden geldt dat er gezien de afstand (± 2,5 km) tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen externe effecten als gevolg van toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten zijn. Middels een stikstofdepositietoets dient bepaald te worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden.

Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Aangezien de onderzoekslocatie op ruim 500 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland is gelegen, in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waar-

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 23 van 24

den van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Aangezien de bomen op de onderzoekslocatie zijn gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom vallen zij niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Voor deze bomen geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

Econsultancy Zwolle, 16 januari 2020

Rapport 11260.001 versie D1

Pagina 24 van 24

GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Meppel, periode 2010-2020. Algemene websites www.bij12.nl www.kadastralekaart.com www.nationaalgeoregister.nl www.overheid.nl www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.Sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.wetten.overheid.nl (Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites geo.drenthe.nl/geoportaal/ (NNN en beschermde gebieden in Drenthe) www.provincie.drenthe.nl/loket/kaarten-cijfers (kaarten en cijfers)

Rapport 11260.001 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht. Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 11260.001 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming. Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=82b11ca4-06fc-47f3-bd39-0910d9f02ac8