Raadsbesluit - Wijzigingen Verordening Sociaal Domein 2025
Tekst van het document
Raadsbesluit nr. 3504592 De R a a d van de gemeente Meppel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. xx januari 2026, nr. 3504592;
Overwegende dat de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel een goede actuele en goed toepasbare regeling moet zijn waarop de besluiten in het sociaal domein kunnen worden gebaseerd;
besluit:
1. De Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel met terugwerkende kracht vast te stellen per 1 januari 2026; 2. De Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel zoals vastgesteld op 19 december 2024 met kenmerk 1984980 in te trekken met ingang van 1 januari 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van W.J. Spoelstra Griffier
A. Maathuis Voorzitter
Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 1.1.Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Antidiscriminatiewet, de Jeugdwet, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, Wet op de expertisecentra,de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015(Wmo 2015), Wet inburgering, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 1.2. Algemene Definities 1. Alle in deze verordening gebruikte begrippen moeten worden geduid en begrepen volgens de definities van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 2. Specifieke definities zoals geduid in de navolgende artikelen gaan voor op de algemene begrippen zoals benoemd in het derde lid. 3. Algemene begrippen; a. Inwoner: ingezetene van de gemeente Meppel als bedoeld in artikel 2 Gemeentewet, die als zodanig is geregistreerd in de basisregistratie personen en die gebruik maakt of wil maken van een van de een deze verordening behandelde voorzieningen. b. College: het college van burgemeester en wethouders van Meppel c.
Consulent: medewerker in dienst van de gemeente Meppel die belast is met het onderzoek voor een te nemen besluit en het opstellen van een beschikking d. Eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn of haar zelfredzaamheid te komen door actief het eigen netwerk te benutten en in te zetten. e. Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). 1.3. Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp 1.3. Definities maatschappelijke voorzieningen a. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bestemd voor mensen met een handicap of beperking, die daadwerkelijk verkrijgbaar is en die een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid of participatie terwijl deze betaalbaar is voor iemand met een minimuminkomen. b. Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten.
2
c. Centrumgemeente: Een gemeente die namens gemeente Meppel wettelijke taken uitvoert op grond van de Wmo2015. d. Collectief vervoer: systeem van vervoer door middel van deeltaxi’s waarvan het gebruik mede als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt en waar mee kan worden gereisd op vertoon van een persoonlijke pas. e. Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 1.4 en 1.4a Wmo2015 f. Gespreksverslag: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een vraag om jeugdhulp g. PGB-plan: een plan waarin de inwoner aangeeft wat hij wil inkopen met een aangevraagd PGB, welk bedrag hij daar voor nodig heeft en welk bedrag per zorgverlener of leverancier zal worden besteed h. Programma van eisen: overzicht van eisen waaraan een hulpmiddel moet voldoen om te kunnen worden ingezet als maatwerkvoorziening i. Voorliggende voorziening: een voorziening die verstrekt kan worden op grond van andere wetgeving dan de Wmo2015, de Jeugdwet of de Participatiewet en die daarom voorgaat op een verstrekking op basis van de genoemde wetten. j. Wmo Ondersteuningsplan: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd na een Wmo melding. k. Zelfzorg: eigen zorg van de inwoner voor het lichamelijk en mentaal welbevinden. 1.3.1
Definities jeugdhulp a. Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten. b. Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; d. Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; e. Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; f. Individuele Voorziening: voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.1 tweede lid; g. Ouder: wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige h. Overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid;
3
i.
PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; j. Pupilkosten bestaan uit doorbelaste kosten door derden. Het gaat niet om eigen kosten voor de GI. Voor de GI zijn deze kosten doorgaans niet beïnvloedbaar. Onder pupilkosten kunnen de volgende kosten vallen, mits hier geen voorliggende voorziening voor bestaat: i. Zorgkosten zoals een aanvullende zorgverzekering, onderzoeken, therapieën en medicijnen die in het geheel niet door de zorgverzekering worden vergoed of die niet meer worden vergoed omdat de kosten boven de maximale vergoeding uitkomen, brillen, contactlenzen, beugels en andere hulpmiddelen, als geen (volledige) vergoeding door zorgverzekeraar wordt verstrekt, dagvergoeding bij bedplassen (doktersverklaring nodig), als geen (volledige) vergoeding door zorgverzekeraar wordt vergoed; ii. Reiskosten in verband met de omgangsregeling en familiecontacten, waarvoor het basisbedrag niet toereikend is, reiskosten in verband met veelvuldig dokter-, tandartsbezoek etc., OV-kosten in het kader van het volgen van voortgezet onderwijs, de aanschaf van een (aangepaste) fiets of bromfiets (met bijkomende kosten: helm, verzekering, examen, brommerrijbewijs, reparaties); iii.
Schoolgerelateerde kosten zoals eventuele kosten voor tussenschoolse opvang, school- en beroepskeuzetest, ouderbijdrage school- en lesgeld en schoolexcursies, schoolreizen en werkweken, bijlessen en huiswerkinstituut, aanschaf computer of laptop voor schoolwerk, boeken en leermiddelen; iv. Schadekosten zoals het eigen risico van een aansprakelijkheidsverzekering, schade aan bezittingen van derden die niet door de AVP worden vergoed; v. Overige kosten zoals zwemles, muziekles, sportkosten, inrichtingskosten, Begrafenis en crematie, aanvraag Identiteitsbewijs en paspoort, uittreksel geboorteregister en naamswijziging, DNA-onderzoek; b. SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd 1.4. Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz a. Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
4
b. Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Participatiewet die het college ondersteunt bij de arbeidsinschakeling c. Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet d. Norm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; e. Plan van aanpak: plan gericht op de arbeidsinschakeling of reintegratie dat het college samen met een uitkeringsgerechtigde opstelt. f. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum waarop een persoon een verzoek indient voor een individuele inkomenstoeslag. g. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1.5.
Definities leerlingenvervoer a. aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; b. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; d. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige; e. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; f. gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; g. inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; h. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; i. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel
5
voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; j. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; k. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. l. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; m. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; n. samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°.
voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; o. school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; p. stage : een integraal onderdeel van een opleiding waarbij de leerling in de praktijk leert; q. toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;
6
r. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt; s. vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of 3°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; t. woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. 1.6. Definities wet Inburgering a. Inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m 5e lid van de wetswijziging van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012, 430). 1.6.1. Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening a. Antidiscriminatievoorziening: antidiscriminatievoorziening als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen; b. Besluit: Besluit gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen; c. Klachtbehandelaar: klachtbehandelaar als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit antidiscriminatievoorzieningen. 1.7. Melding en onderzoek 1.
Bij een melding door of namens een inwoner doet het college onderzoek naar de hulpbehoefte en de omstandigheden van de persoon of het gezin van de inwoner. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan omstandigheden op het gebied van wonen, financiën, zelfzorg en welzijn, sociaal netwerk, eigen kracht en dagbesteding. 2. De melding waarop een onderzoek volgt in de zin van artikel 2.3.2. vierde lid Wmo2015 wordt schriftelijk bevestigd. 3. Als er een wettelijke aanvraagprocedure geldt zonder voorafgaand onderzoek door het college, dan wordt de inwoner of de melder daar naar verwezen. 4. Voorafgaand aan het aannemen van een melding wordt een triage uitgevoerd om vast te stellen of en hoe het contact kan worden opgevolgd, en hoe zonodig aan de inwoner beknopt advies kan worden gegeven wat hij gelet op de aard van de gestelde vraag kan doen of bij welke aangewezen partij hij hulp kan krijgen zonder verwijzing door de gemeente.
7
5. Als de inwoner dat wil wordt informatie over hem of haar uit aanvragen op grond van verschillende wetten in het sociaal domein samengevoegd en betrokken in het onderzoek. 6. De gemeentelijke organisatieonderdelen in het sociaal domein werken met elkaar samen als één team in de behandeling van aanvragen, meldingen en vragen van inwoners op het gebied van de Jeugdwet, de Wmo2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet publieke gezondheid, de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra. 7. Wanneer de situatie daar om vraagt, of de inwoner dat wenst, en de beoordeling van de aanspraak op een aangevraagde voorziening zonder uitgebreid onderzoek als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan, kan worden afgezien van dat onderzoek. 1.8. Onafhankelijke cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een kosteloze cliëntondersteuning waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2. Het college zorgt voor de inzetbaarheid van cliënt ondersteuners van verschillende organisaties. 3. Het college stelt een subsidieregeling vast waarin regels worden gesteld voor de verdeling van middelen voor de bekostiging van professionele cliëntondersteuners in de gemeente. De regeling kent een subsidieplafond. 4.
Cliëntondersteuning moet voldoen aan nader door het college vast te stellen richtlijnen die ten minste beschrijven: a. Op welke manier ondersteuners voor cliënten vindbaar en benaderbaar zijn b. Op welke manier ondersteuners hun ondersteuning uitvoeren c. Op welke manier ondersteuners aan inwoners kenbaar maken op welk vlak hun kennis en ervaring ligt 5. Het college wijst inwoners en mantelzorgers actief op de mogelijkheden van cliënt ondersteuning. 1.9. Hardheidsclausule 1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 3. Deze hardheidsclausule is niet van toepassing op besluiten die worden gebaseerd op de Wmo2015 en de Jeugdwet. 1.10 Innovatie (experimenten)
8
1. Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3.Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. 1.11. Cliëntenparticipatie 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet), overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.
Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) 2.1 Wmo2015 2.1.1 Algemene voorzieningen 1. In de gemeente Meppel zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: a. Activeringscentrum de MensA b. Het Leer Werk centrum c. Een rolstoel of een scootmobiel uit de poolen van Reestoord; het Irenehuis; 't Anker; De Beemd en de Plataan. d. Een rolstoelfiets, gestald bij de Snippe i.s.m. de MensA. e. De stadsbus MUG. f. De dagopvang op werkdagen bij: De Plataan; de Buurtkamer en het Kerspel g. Stamtafels van Welzijn Mensenwerk.
9
2. De algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk voor eenieder maar kunnen een geringe bijdrage vragen in de kosten voor consumpties of gebruikte materialen of ritten die ter plekke moet worden voldaan. 2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag 1. Het college gaat in samenspraak met de inwoner, diens vertegenwoordiger en eventuele mantelzorger of familieleden bepalen wat de hulpvraag is. 2. Het college kijkt samen met de inwoner naar wat nodig is om zo zorgonafhankelijk mogelijk te worden en te blijven 3. Bij het bepalen van de hulpvraag wordt onderzoek gedaan binnen de leefdomeinen: wonen, financiën, zelfzorg, sociaal netwerk, eigen kracht en daginvulling 4. Een zorgvuldig onderzoek omvat de volgende 5 stappen: a. Wat is de hulpvraag en vanuit welke wet onderzoeken: Wmo, Zvw of Wlz? b. Wat zijn de eigen mogelijkheden en beperkingen van de inwoner (lichamelijk en/of geestelijk)? c. Welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie? d. In hoeverre kunnen de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden? e.
Welke problemen worden er na het doorlopen van de stappen a tot en met d nog ondervonden bij de zelfredzaamheid en participatie die met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost? 5. Het college kan ter uitvoering van het onderzoek ook huisgenoten van de inwoner met een hulpbehoefte oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een deskundige. 2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als het onderzoek als bedoeld in artikel 2.1.2 de conclusie oplevert dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk en geschikt is om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren, er geen algemene of algemeen gebruikelijke voorziening beschikbaar is, en de inwoner de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen en kunnen voorzien. 2. Een maatwerkvoorziening moet er voor zorgen dat een inwoner hierdoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, behalve in de volgende gevallen:
10
a. De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner kunnen worden toegerekend b. De inwoner komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten c. De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is niet langer meer een oplossing voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de inwoner. 4. Het college houdt bij het bepalen welke maatwerkvoorziening wordt toegekend rekening met de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de inwoner en kiest daarbij voor de meest adequate en goedkope oplossing. 5. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor maatschappelijke ondersteuning die de cliënt voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de noodzaak voor het ondersteunen om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. c. De voorziening als bedoeld in lid 5 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 2.1.3.1 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding 1. In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a.
en 2.3.5 lid 3 van de Wmo wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de inwoner de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: a. door gebruik te maken van zijn eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp van huisgenoten; c. met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; d. door gebruik te maken van algemene voorzieningen; e. door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten. 2. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is. 3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder lid 2 genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wmo. 4. Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, indien dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek;
11
5. De adviseur moet, afhankelijk van de aard van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over: a. Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; b. Ergonomische kennis; c. Bouwkundige/technische kennis; d. Gedragswetenschappelijke kennis. 6. Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: a. de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. 2.1.4 Het Wmo-ondersteuningsplan 1.
Het onderzoek wordt afgerond met het opmaken van een Wmo ondersteuningsplan. 2. Het Wmo ondersteuningsplan bevat de resultaten die de inwoner wil bereiken om zijn hulpvraag op te lossen en een beschrijving op welke manier dat moet gaan. Dit geldt ook voor resultaten die met inzet van een maatwerkvoorziening moeten worden behaald. 3. Het onderzoek kan periodiek worden herhaald, bijvoorbeeld met het aflopen van een toegekende maatwerkvoorziening. 4. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden gedaan door het Wmo ondersteuningsplan ondertekend terug te sturen naar het college. De inwoner kan daar opmerkingen en aanvullingen in opnemen. 2.1.5. Soorten maatwerkvoorzieningen De gemeente Meppel kent de volgende maatwerkvoorzieningen waarvoor zij met leveranciers afspraken heeft gemaakt voor het leveren van zorg of diensten in natura: a. Huishoudelijke ondersteuning b. Begeleidende ondersteuning c. Woonvoorzieningen d. Rolstoelvoorzieningen
12
e. f. g. h.
Vervoersvoorzieningen Sportvoorzieningen Kortdurend verblijf Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente 1. De uitvoering van de taken beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt namens het college gedaan door centrumgemeente Assen. Het college heeft daarvoor afspraken gemaakt met gemeente Assen in het convenant Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. 2. Op de uitvoering van de taken die de centrumgemeente uitvoert zijn de lokale regels van de centrumgemeente, bij voorrang op deze regeling, van toepassing. 2.1.7.( Gereserveerd )beschermd wonen vanaf 1-1-2025 2.1.8. (Gereserveerd) Beschermd thuiswonen 2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo-vervoerpas) 1. Wanneer een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt voor vervoer in een collectieve of individuele taxi is het aantal kilometers beperkt tot maximaal 1250 per jaar en maximaal 25 kilometer per rit. 2. Voor het gebruik van de vervoerpas is een eigen bijdrage verschuldigd per rit van € 1,01 (instaptarief) plus 0,18 eurocent per km. 3. Een medereiziger die meereist omdat de pashouder niet alleen kan reizen reist gratis mee. 4. Maximaal drie huisgenoten mogen meereizen met de pashouder. Zij betalen hetzelfde tarief per rit als de pashouder. 5. Maximaal 2 kinderen tot 5 jaar reizen gratis mee met de pashouder. 6. Een medereiziger die niet tot het huishouden behoort betaalt €0,45 per km. 7. Een blindegeleidehond of hulphond reist gratis mee. 8.
De in dit artikel genoemde tarieven kunnen door het college op dezelfde manier worden verhoogd als de jaarlijkse indexering van OV tarieven. 2.1.10. Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto Een maatwerkvoorziening voor aanschaf of aanpassing van een auto wordt alleen onder de volgende voorwaarden verstrekt: a. Andere collectieve, algemene of maatwerkvoorzieningen zijn niet voldoende geschikt om in de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te voorzien b. Een aanpassing of bijdrage in de aanschafkosten wordt alleen verstrekt voor auto’s die op het moment van de aanvraag niet ouder zijn dan drie jaar.
13
2.1.11. Kwaliteitscriteria voor maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp 1. De verstrekte Wmo maatwerkvoorzieningen waarbij het gaat om individuele begeleiding (basis en plus), dagbesteding (basis en plus), vervoer naar de dagbesteding en kortdurend verblijf moeten met ingang van 1 januari 2026 voldoen aan de kwaliteitseisen zoals deze zijn beschreven in het Landelijke toetsingskader Wmo. Op de verstrekte maatwerkvoorzieningen tot 1 januari 2026 is het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK) van toepassing. 2. De overige Wmo maatwerkvoorzieningen, niet zijnde de voorzieningen genoemd in lid 1, en de jeugdhulpvoorzieningen moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals deze beschreven zijn in het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK). Onder verantwoorde hulp wordt verstaan dat het hulp is van ‘goed’ niveau; hulp die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht is (en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere vormen van hulp). 3. Het college stelt, in overleg met de regio Drenthe, het DKK voor Meppel vast. 4. Bij de inkoop en aanbestedingsprocedure en bij toezicht is dit de leidraad waaraan wordt getoetst of de ingekochte maatwerkvoorzieningen voldoen aan de norm voor verantwoorde hulp. 5. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a.
Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werk handelen volgens professionele standaarden. 6. In situaties waarin toezicht wordt uitgeoefend op een maatwerkvoorziening die met een persoonsgebonden budget is ingekocht wordt ook getoetst aan het Landelijk toetsingskader Wmo respectievelijk het DKK, afhankelijk van het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel. 2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo 2015 en Jeugdwet 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van kwaliteit en rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder 3. Het college houdt in het kader van de Wmo toezicht op de naleving van de eisen in artikel 2.1.11 door: 1. periodieke overleggen met de aanbieders; 2. continumeting cliëntervaring; 3. als het nodig is in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen te controleren.
14
4. Steekproefsgewijs de bestedingen van PGB’s te controleren 5. De aangewezen toezichthouder heeft de bevoegdheid om: a. inlichtingen te vragen; b. (cliënten) administratie te vorderen bij de zorgverlener c. de administratie te vorderen van de cliënt of de PGBbeheerder d. identificatie te vragen; e. documenten en gegevens te lezen en gebruiken f. ergens naar binnen gaan (met uitzondering van woningen) g. te controleren of de zorgverlener zich aan de afspraken uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of de uitvoeringsovereenkomst met het college houdt; h. te controleren of de overeenkomst (ondersteuningsinhoudelijk) die de cliënt of de PGB-houder heeft gesloten voldoet aan de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn gegeven. Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 6. Het college stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. 7. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt het college ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning 1.
Bij huishoudelijke ondersteuning wordt de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald met behulp van Het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning, uitgebracht door bureau HHM (kenmerk MW/25/0050 | januari 2025). 2. De normtijden zijn van toepassing op de volgende zes onderdelen die deel kunnen uitmaken van huishoudelijke ondersteuning: a. Schoon en leefbaar huis b. Wasverzorging c. Boodschappen d. Maaltijden e. Kindzorg f. Regie /organisatie en advies, instructie en voorlichting 2.1.14. Eigen bijdragen 1. Degene die een maatwerkvoorziening ontvangt is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd.
15
2. De hoofdbewoner van een woning waarin ten behoeve van een jeugdig gezinslid aanpassingen worden aangebracht in de vorm van een maatwerkvoorziening is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd. 3. De eigen bijdrage wordt berekend over maximaal de kosten die de gemeente betaalt aan leveranciers voor het ter beschikking stellen van de maatwerkvoorziening. 4. Bij PGB-maatwerkvoorzieningen wordt de bijdrage berekend over maximaal de hoogte van het PGB voor de maatwerkvoorziening. 5. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt en het bedrag zoals genoemd in lid 3 of 4 niet is bereikt. 6. In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringbesluit Wmo 2015 is de bijdrage gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in het op grond van dat artikel bepaalde bedrag per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 7. [vervallen per 1-1-2025] 8. De kostprijs van een maatwerkvoorziening voor het bepalen van de eigen bijdrage wordt bepaald: a. door een aanbesteding; b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 9.
Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,18 per kilometer voor ritten tot en met 25 kilometer plus het instaptarief van € 0,90. Deze tarieven kunnen door het college jaarlijks worden verhoogd met het zelfde kostenstijgingspercentage dat wordt toegepast op tarieven van het openbaar (bus-) vervoer. Er wordt dus voor het collectief vervoer geen gebruik gemaakt van het abonnementstarief voor eigen bijdragen via het CAK. 2.1.15. Persoonsgebonden budget (PGB) 1. Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo2015. 2. Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de inwoner voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Wanneer een inwoner heeft aangegeven dat hij zijn maatwerkvoorziening in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met hem afspraken over: a. Welke maatwerkvoorziening met het PGB wordt ingekocht en waarom deze passend is; b. Wie deze maatwerkvoorziening levert; c. Wat de kosten zijn van deze maatwerkvoorziening;
16
d. Waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wil ontvangen; e. Hoe invulling wordt gegeven aan het beheer van het PGB; f. Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het DKK. g. De besteding van het budget. De inwoner levert hiervoor een ingevuld PGB-plan aan. 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het Wmo ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.1.4. Het PGB-plan als bedoeld in het derde lid wordt aan het Wmo ondersteuningsplan toegevoegd en maakt daar deel van uit. 5. De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de maatwerkvoorziening, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is, en b. veilige, doelmatige en cliëntgerichte hulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner, en c. deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de inwoner voor hem niet tot overbelasting leidt. 6. Een PGB dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 7. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener of het aanschaffen van hulpmiddelen volgens het programma van eisen van ergotherapeut of anders. 8. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn. 9.
Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend. 10. Een PGB wordt alleen verstrekt voor de maatwerkvoorzieningen zoals genoemd in artikel 2.1.5. 11. Het bedrag waarvoor een PGB wordt verstrekt wordt berekend in vergelijking met de kosten die verbonden zouden zijn aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura, bepaald op de manier van artikel 2.1.2. 12. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een professional wordt de vergoeding bepaald op 75% van het tarief voor de kosten van zorg in natura, zoals het college die inkoopt. 13. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een persoon uit het sociaal netwerk wordt de vergoeding als volgt bepaald: a. Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
17
b. Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 14. Bij een PGB voor een hulpmiddel wordt de hoogte bepaald op basis van de aanschaf en installatie kosten zodat het voldoet aan het programma van eisen, verhoogd met een bedrag voor het periodiek onderhoud en eventuele verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid. 15. Bij een PGB voor een woningaanpassing wordt de hoogte bepaald op basis beoordeling van offertes met inachtneming van de doelmatigste, adequaatste en goedkoopste oplossing. 16. Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon te betalen. 2.1.16. Opschorting betalingen uit het PGB 1. Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo2015. 2. Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de inwoner langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.
Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd. 2.1.17. Regels voor het aanwijzen van professionele PGB-zorgaanbieders Als professionele PGB-aanbieders van maatschappelijke ondersteuning kwalificeren aanbieders die: a. Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; b. Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst; c. Aangesloten zijn bij een professioneel collectief; d. Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; e. Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar;
18
f. Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van maatschappelijke ondersteuning; g. Beschikken over een adequate klachtenregistratie; h. Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen 3 jaar. i. Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op maatschappelijke ondersteuning; 2.1.18. Intrekking en terugvordering van maatwerkvoorzieningen 1. Als een maatwerkvoorziening door het college wordt ingetrokken op grond van de wet, kan deze voorziening door het college worden teruggevorderd. Een hulpmiddel dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt moet dan worden teruggeleverd door de inwoner. 2. Als een huis met een woningaanpassing wordt verkocht en de waarde van het huis is gestegen door de woningaanpassing, wordt de hoogte van de waardestijging bepaald door het verschil tussen de waarde van het huis met de gerealiseerde woonvoorziening en de waarde van het huis als ware de woonvoorziening niet gerealiseerd. 2.1.19. Voorwaarden bij kortdurend verblijf in een instelling (adempauzeregeling*) 1. De ondersteuning kortdurend verblijf in een instelling is gericht op de volgende resultaten: a. Voorkomen of verminderen van overbelasting van een mantelzorger en / of b.
Stimuleren dat de inwoner zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner is langdurig aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en b. De maatwerkvoorzieningen ondersteuning en begeleiding bieden onvoldoende een oplossing en c. De inwoner en zijn mantelzorger kunnen geen aanspraak maken op voorliggende voorzieningen om overbelasting te voorkomen. 3. De omvang is maximaal 3 etmalen per week 2.1.20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Er is een jaarlijkse blijk van waardering in natura voor mantelzorgers in de gemeente ter waarde van tenminste € 50,-2. Het college kan het in het eerste lid jaarlijks verhogen met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage.
19
2.1.21. Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen 1. Om te waarborgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst stelt het college stelt bij het aanbesteden of inkopen van diensten voor de levering van maatwerkvoorzieningen de volgende zaken vast: a. Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. Een inschrijving en het aangaan van de overeenkomst met de derde, en 2. De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 2.1.22. Tarieven wmo voorzieningen voor zover nog niet elders benoemd 1. De bijdrage in de aanschafkosten van een aangepaste auto is € 920 per gebruiksjaar, te verstrekken ineens tot de maximale gebruiksduur.
20
2. De bedragen in dit artikel worden jaarlijks verhoogd met de indexering die de gemeenteraad bij de programmabegroting toepast bij de begroting voor de sociale voorzieningen. 2.1.23. Financiële tegemoetkomingen In plaats van een maatwerkvoorziening kan het college aan een inwoner een financiële tegemoetkoming verstrekken op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo2015 in de volgende gevallen: a. De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke kosten van een verhuizing b. De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke meerkosten van een hulpmiddel om zichzelf door middel van spierkracht te verplaatsen, mits de inwoner zelf zorgdraagt voor onderhoud en reparaties van het hulpmiddel. 2.1.24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. 2.1.25. Klachtenregeling wmo-aanbieders 1. Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten. 2.
De aanbieder zorgt ervoor dat de informatie over de klachtenregeling goed kenbaar is voor zijn cliënten. 2.2. Jeugdwet 2.2.1 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: a. Informatie en advies via bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg b. Lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning via bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg c. Korte ambulante zorg, bijvoorbeeld via de praktijkondersteuner huisartsen jeugd d. Schoolmaatschappelijk werk e. Vrijwilligersinitiatieven, zoals Buurtgezinnen 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Ambulante begeleiding
21
b. Gezinsbegeleiding/gezinsbehandeling c. Diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) voor kinderen die basisonderwijs volgen d. Jeugd-ggz e. Dagbehandeling/dagbesteding f. Logeren/respijtzorg g. Pleegzorg/gezinshuizen h. Open residentiële zorg i. Gesloten jeugdhulp j. Spoedeisende zorg
2.2.2 Toegang jeugdhulp via een huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft. 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 4. Als de jeugdige of ouders daarom verzoeken kan een beslissing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts door het college in een beschikking aan hen worden uitgereikt. 5.
De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractof subsidierelatie. 6. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de Jeugdwet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt. 7. In de afspraken met de huisartsen wordt geregeld hoe de inzet van een praktijkondersteuner (poh) plaatsvindt. 2.2.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.
22
2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. 4. De beslistermijn kan worden opgeschort of verlengd volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht 5. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 6. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 2.2.4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd. 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s): a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en waardoor die hulpvraag is ontstaan; b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1°. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°.
welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
23
3°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; d. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); e. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. 2.2.4.1 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als de toeleiding en onderzoek naar, advisering over of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
Adviezen kunnen worden gegeven door: a. Een SKJ-geregistreerde jeugdconsulent van de gemeente; b. de jeugdgezondheidszorg; c. een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap; d. een orthopedagoog; e. een jeugdpsycholoog, of; f. een ander gespecialiseerd deskundige anders dan onder a t/m e, als situatie dit vereist. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. 2.2.4.2 Identificatie 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan: a. een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
24
b. een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c. een buitenlands paspoort; of d. een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). 2.2.4.3 Verslag 1. Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) in concept een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd. 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. 3. Bij het besluit van het college wordt het definitieve verslag als bijlage meegestuurd. 2.2.5 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor (boven)gebruikelijke zorg zoals beschreven in 2.2.5.2. 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag, er nooit met een bewezen niet effectieve interventie wordt gewerkt en waar beschikbaar met een bewezen effectieve interventie. 6.
Er is in ieder geval sprake van effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
25
a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); 7. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele jeugdhulpvoorziening als bedoeld in deze verordening. 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van zeer ernstige problematiek in de context van het gezin. 2.2.5.1 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2.
Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van gezin, familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor, en bijdragen aan, het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven; d.