Raadsbesluit - Verordening Sociaal Domein met nieuwe indeling
Tekst van het document
Raadsbesluit nr. 1824562 De R a a d van de gemeente Meppel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.15 november 2023, nr.1597571/1824553;
Overwegende:
Dat de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel een goede actuele en goed toepasbare regeling moet zijn waarop de besluiten in het sociaal domein kunnen worden gebaseerd
Gelet op de artikelen 147, 149 en 150 van de gemeentewet en artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;
Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over maatschappelijke voorzieningen, te weten; a. Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, b. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 c. Jeugdwet
Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het sociaal domein, te weten; a. Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen b. Wet inburgering 2021 c. Wet gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen d. Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het onderwijs; a. Wet op de expertisecentra b. Wet op het primair onderwijs c. Wet voortgezet onderwijs 2020
Gelet op het advies van: de Adviesraad Sociaal Domein
besluit:
I. de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel vast te stellen II. de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel, zoals laatstelijk gewijzigd op 30 maart 2023, in te trekken.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van W.J. Spoelstra Griffier
R.T.A. Korteland Voorzitter
2
Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel Inhoud Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel .......................................................3 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ....................................................................9 1.1.Toepassingsbereik ...............................................................................9 1.2. Algemene Definities .............................................................................9 1.3. Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp ..................................9 1.4. Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz ...........................................10 1.5. Definities leerlingenvervoer ...................................................................11 1.6. Definities wet Inburgering .....................................................................12 1.7. Melding en onderzoek .........................................................................13 1.8. Onafhankelijke cliëntondersteuning .........................................................13 1.9. Hardheidsclausule .............................................................................14 1.10 Innovatie (experimenten) .....................................................................14 1.11.
Cliëntenparticipatie ...........................................................................14 Hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) ............................................................15 2.1 Wmo2015 ........................................................................................15 2.1.1 Algemene voorzieningen ....................................................................15 2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag ................................................................15 2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening ...................................................16 2.1.4 Het Wmo-ondersteuningsplan ..............................................................16 2.1.5. Soorten maatwerkvoorzieningen ..........................................................17 2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente ..........17 2.1.7.( Gereserveerd )beschermd wonen vanaf 1-1-2025.....................................17 2.1.8. (Gereserveerd) Beschermd thuiswonen ..................................................17 2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo-vervoerpas) .....................................18 2.1.10. Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto ..................................18 2.1.11.
Kwaliteitscriteria voor maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp ........................18 2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo 2015 en Jeugdwet ............................19 2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning ..............................................19 2.1.14. Eigen bijdragen .............................................................................20 2.1.15. Persoonsgebonden budget (PGB) .......................................................21 2.1.16. Opschorting betalingen uit het PGB .....................................................22
3
2.1.17. Regels voor het aanwijzen van professionele PGB-zorgaanbieders ...............23 2.1.18. Intrekking en terugvordering van maatwerkvoorzieningen ...........................23 2.1.19. Voorwaarden bij kortdurend verblijf in een instelling (adempauzeregeling*) ......23 2.1.20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers ....................................................23 2.1.21. Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen ............................................................................24 2.1.22. Tarieven wmo voorzieningen voor zover nog niet elders benoemd ................24 2.1.23. Financiële tegemoetkomingen ...........................................................25 2.1.24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning ..........25 2.1.25. Klachtenregeling wmo-aanbieders.......................................................25 2.2. Jeugdwet ........................................................................................25 2.2.1. Vormen van jeugdhulp ......................................................................25 2.2.2. Toegang jeugdhulp via een arts of gecertificeerde instelling ..........................26 2.2.3.
Toegang jeugdhulp via de gemeente .....................................................26 2.2.4 Onderzoek .....................................................................................27 2.2.5. Inzet jeugdhulp ...............................................................................28 2.2.6. Regels voor het PGB ........................................................................29 2.2.7. Opschorting betalingen uit het PGB.......................................................31 2.2.8 Onderscheid formele en informele hulp ...................................................31 2.2.9.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering .......................................32 2.2.10 Vertrouwenspersoon........................................................................32 2.2.11. Regeling zak- en kleedgeld ...............................................................32 2.2.12 Medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp ......................................33 2.3. Participatiewet /IOAW/IOAZ (maatregelen niet geüniformeerde verplichtingen) .....33 2.3.1. Opleggen van een maatregel (bij niet geüniformeerde verplichtingen) ..............33 2.3.2. Niet meewerken aan een taaltoets ........................................................33 2.3.3.
Gedragingen Participatiewet ...............................................................34 2.3.4. Gedragingen Ioaw en Ioaz .................................................................35 2.3.5. Hoogte en duur van de maatregel .........................................................36 2.3.6. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid ................36 2.3.7. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid ................................37 2.3.8. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting ..................37 2.3.9. Beleidsregels inkeerregeling ...............................................................37 2.3.10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid ......................................38
4
2.3.11. Zeer ernstige misdragingen ...............................................................38 2.3.12. Niet nakomen van overige verplichtingen ..............................................39 2.3.13. Horen van belanghebbende ..............................................................40 2.3.14. Afzien van het opleggen van een maatregel ...........................................40 2.3.15. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel ...........................................40 2.3.16. Berekeningsgrondslag .....................................................................41 2.3.17. Samenloop van gedragingen .............................................................41 2.3.18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ ........................................41 2.3.19.Het besluit tot opleggen van een maatregel ............................................41 2.3.20. (gereserveerd) Bestrijding misbruik......................................................42 2.3.21.Terugvordering ten onrechte verstrekte uitkeringen ...................................42 2.4.Participatiewet/ Ioaw/Ioaz (toeslagen) .......................................................42 2.4.4.
Inhoud van een tegenprestatie.............................................................42 2.5.Participatiewet/Ioaw en Ioaz Tegenprestatie en arbeidsinschakeling ...................43 2.5.1.Het opdragen van een tegenprestatie .....................................................43 2.5.2.Duur en omvang van een tegenprestatie .................................................43 2.5.3.Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ)..43 2.5.4.Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling ..........44 2.5.5.Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling .....................................45 2.5.6.Sociale activering .............................................................................45 2.5.7.Scholing ........................................................................................45 2.5.8.Werkervaringsplaats en proefplaatsing....................................................45 2.5.9.Participatieplaats .............................................................................46 2.5.10.Participatievoorziening beschut werk ....................................................47 2.5.11.Detacheringsbaan...........................................................................47 2.5.12.
Ondersteuning bij leer-werktraject .......................................................48 2.5.13.Persoonlijke ondersteuning ................................................................48 2.5.14. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen ........................................................................................48 2.5.15. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen .........................................................................................................49 2.5.16. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen .........................................................................................................49 2.5.17. Jobcoaching .................................................................................49 2.5.18. Specifieke voorwaarden toekenning jobcoaching bij werk ...........................50 2.5.19. Kwaliteit en inzet bij jobcoaching.........................................................50
5
2.5.20. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching ................................................51 2.5.21. Interne werkbegeleiding ...................................................................51 2.5.22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening ...........................52 2.5.23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen ..............................52 2.5.24.Verwervingskosten ..........................................................................52 2.5.25.Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep......................52 2.5.26.Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie ..............................................53 2.5.27. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie ........................................53 2.5.28.Vaststelling loonwaarde ....................................................................54 Hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer, onderwijsvoorzieningen en kinderopvang ...................54 3.1. Leerlingenvervoer ..............................................................................54 3.1.1.Doelstelling ....................................................................................54 3.1.2. Aanvraagprocedure..........................................................................54 3.1.3. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag ..................55 3.1.4.
Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening ..............55 3.1.5. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening56 3.1.6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school ..................57 3.1.7. Afstandsgrens ................................................................................57 3.1.8. Aanwijzing opstapplaats ....................................................................58 3.1.9.Peildatum leeftijd leerling ....................................................................58 3.1.10.Andere vergoedingen .......................................................................58 3.1.11. Schooltijden en wachttijden ...............................................................59 3.1.12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente .....................................................59 3.1.13. Vervoersvoorziening naar stageadres ..................................................59 3.1.14. Verstrekking van de vervoersvoorziening ..............................................60 3.1.15. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets ............60 3.1.16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider ..................................................................................60 3.1.17.
Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer .............................61 3.1.18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer ..............................61 3.1.19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening...................................62 3.1.20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie ....................................62 3.1.21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag ...................................62 3.1.22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage ..............63 4.1 Peutervoorzieningen (Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) .......64
6
4.1.1. Aanspraak op peutertoeslag ...............................................................64 4.1.2.Vormen van kinderopvang ..................................................................64 4.1.3. Nadere regels peutertoeslag ...............................................................65 4.1.4. Hoogte van de peutertoeslag[RH2] .......................................................65 4.1.5. Ingangsdatum en duur van de peutertoeslag ............................................65 4.1.6. Omvang van de peutertoeslag .............................................................65 4.1.7.De bevoorschotting ...........................................................................66 4.1.8. Het besluit tot vaststelling van de peutertoeslag ........................................66 4.1.9. Inlichtingenplicht .............................................................................66 Hoofdstuk 5 Overige taken in het Sociaal domein ................................................66 5.1 Wet Inburgering 2021 ..........................................................................66 5.1.1. Opleggen van verplichtingen ...............................................................66 5.1.2. De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen ........67 5.1.3. Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding ...............67 5.1.4.
Afstemming van de bestuurlijke boete ....................................................68 5.1.5.Beloning ........................................................................................68 5.2. Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening ...................................................68 5.2.1. Beslistermijn schuldhulpverlening .........................................................68 5.3 Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening............................................68 5.3.1.Zorgplicht college van burgemeester en wethouders ...................................68 5.3.2. Inrichting antidiscriminatievoorziening ....................................................68 5.3.3.Protocol klachtenbehandeling ..............................................................69 5.3.4.Laagdrempeligheid antidiscriminatievoorziening.........................................69 5.4. Fonds Maatschappelijke activiteiten.........................................................69 5.4.1.Bijdrage uit het fonds maatschappelijke activiteiten .....................................69 5.4.2.De hoogte van de bijdrage ..................................................................70 5.4.3.Aanvraagprocedure...........................................................................70 5.4.4.Voorwaarden.
.................................................................................70 5.4.5.Geen bijdrage .................................................................................71 5.4.6.Doelgroep. .....................................................................................71 5.4.7.Nadere regels. ................................................................................71 Hoofdstuk 6 Slotbepalingen ..........................................................................71 6.1 Overgangsrecht .................................................................................71 6.2. Inwerkingtreding ................................................................................71 6.3. Citeertitel ........................................................................................71
7
Toelichting ...............................................................................................72 Algemeen .............................................................................................72 Maatschappelijke ondersteuning ..................................................................72 Jeugdhulp .............................................................................................72 Rechten en plichten in de Participatiewet/ IOAW en IOAZ ....................................72 Leerlingenvervoer ...................................................................................73 Wet Inburgering 2021 ...............................................................................74 Diverse andere wetten ..............................................................................74 Artikelsgewijs hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ..............................................75 Artikelsgewijs hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) ............................................78 Artikelsgewijs hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer, onderwijsvoorzieningen en kinderopvang94 Lijst van afkortingen ...............................................................................128
8
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 1.1.Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Antidiscriminatiewet, de Jeugdwet, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, Wet op de expertisecentra,de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015(Wmo 2015), Wet inburgering, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
1.2. Algemene Definities 1. Alle in deze verordening gebruikte begrippen moeten worden geduid en
2. 3. a.
b. c.
begrepen volgens de definities van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Specifieke definities zoals geduid in de navolgende artikelen gaan voor op de algemene begrippen zoals benoemd in het derde lid. Algemene begrippen; Inwoner: ingezetene van de gemeente Meppel als bedoeld in artikel 2 Gemeentewet, die als zodanig is geregistreerd in de basisregistratie personen en die gebruik maakt of wil maken van een van de een deze verordening behandelde voorzieningen. College: het college van burgemeester en wethouders van Meppel Consulent: medewerker in dienst van de gemeente Meppel die belast is met het onderzoek voor een te nemen besluit en het opstellen van een beschikking
1.3. Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp a. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bestemd
voor mensen met een handicap of beperking, die daadwerkelijk verkrijgbaar is en die een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid of participatie terwijl deze betaalbaar is voor iemand met een minimuminkomen. b. Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten. c. Centrumgemeente: Een gemeente die namens gemeente Meppel wettelijke taken uitvoert op grond van de Wmo2015. d. PGB-plan: een plan waarin de inwoner aangeeft wat hij wil inkopen met een aangevraagd PGB, welk bedrag hij daar voor nodig heeft en welk bedrag per zorgverlener of leverancier zal worden besteed
9
e. Collectief vervoer: systeem van vervoer door middel van deeltaxi’s waarvan
het gebruik mede als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt en waar mee kan worden gereisd op vertoon van een persoonlijke pas. f. Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 1.4 en 1.4a Wmo2015 g. Gespreksverlag: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een vraag om jeugdhulp h. Programma van eisen: overzicht van eisen waaraan een hulpmiddel moet voldoen om te kunnen worden ingezet als maatwerkvoorziening i. Voorliggende voorziening: een voorziening die verstrekt kan worden op grond van andere wetgeving dan de Wmo2015, de Jeugdwet of de Participatiewet en die daarom voorgaat op een verstrekking op basis van de genoemde wetten. j. Wmo Ondersteuningsplan: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd na een Wmo melding. k. Zelfzorg: eigen zorg van de inwoner voor het lichamelijk en mentaal welbevinden
1.4. Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz a. benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger
b. c. d.
e. f.
g.
bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Participatiewet die het college ondersteunt bij de arbeidsinschakeling Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet norm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Plan van aanpak: plan gericht op de arbeidsinschakeling of re-integratie dat het college samen met een uitkeringsgerechtigde opstelt. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum waarop een persoon een verzoek indient voor een individuele inkomenstoeslag. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
10
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
1.5. Definities leerlingenvervoer a. aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi,
taxibus, bustaxi of touringcar; b. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste
voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; d. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige; e. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; f. gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; g. inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; h. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; i. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld.
Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; j. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; k. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. l. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; m. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; n. samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;
11
o.
p. q.
r.
s.
t.
2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°.
het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; stage : een integraal onderdeel van een opleiding waarbij de leerling in de praktijk leert; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of 3°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
1.6. Definities wet Inburgering a. Inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m 5e lid van de
wetswijziging van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012, 430).
1.7. Melding en onderzoek 1. Bij een melding door of namens een inwoner doet het college onderzoek naar
de hulpbehoefte en de omstandigheden van de persoon of het gezin van de
12
2. 3. 4.
5.
6.
7.
inwoner. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan omstandigheden op het gebied van wonen, financiën, zelfzorg en welzijn, sociaal netwerk en dagbesteding. De melding waarop een onderzoek volgt in de zin van artikel 2.3.2. vierde lid Wmo2015 wordt schriftelijk bevestigd. Als er een wettelijke aanvraagprocedure geldt zonder voorafgaand onderzoek door het college, dan wordt de inwoner of de melder daar naar verwezen. Voorafgaand aan het aannemen van een melding wordt een triage uitgevoerd om vast te stellen of en hoe het contact kan worden opgevolgd, en hoe zonodig aan de inwoner beknopt advies kan worden gegeven wat hij gelet op de aard van de gestelde vraag kan doen of bij welke aangewezen partij hij hulp kan krijgen zonder verwijzing door de gemeente. Als de inwoner dat wil wordt informatie over hem of haar uit aanvragen op grond van verschillende wetten in het sociaal domein samengevoegd en betrokken in het onderzoek. De gemeentelijke organisatieonderdelen in het sociaal domein werken met elkaar samen als één team in de behandeling van aanvragen, meldingen en vragen van inwoners op het gebied van de Jeugdwet, de Wmo2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet publieke gezondheid, de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.
Wanneer de situatie daar om vraagt, of de inwoner dat wenst, en de beoordeling van de aanspraak op een aangevraagde voorziening zonder uitgebreid onderzoek als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan, kan worden afgezien van dat onderzoek.
1.8. Onafhankelijke cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een
2. 3.
4.
5.
kosteloze cliëntondersteuning waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. Het college zorgt voor de inzetbaarheid van cliënt ondersteuners van verschillende organisaties. Het college stelt een subsidieregeling vast waarin regels worden gesteld voor de verdeling van middelen voor de bekostiging van professionele cliëntondersteuners in de gemeente. De regeling kent een subsidieplafond. Cliëntondersteuning moet voldoen aan nader door het college vast te stellen richtlijnen die ten minste beschrijven: a. Op welke manier ondersteuners voor cliënten vindbaar en benaderbaar zijn b. Op welke manier ondersteuners hun ondersteuning uitvoeren c. Op welke manier ondersteuners aan inwoners kenbaar maken op welk vlak hun kennis en ervaring ligt Het college wijst inwoners en mantelzorgers actief op de mogelijkheden van cliënt ondersteuning.
13
1.9. Hardheidsclausule 1. In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. 2. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
afwijken van de bepalingen in deze verordening als strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 3. Deze hardheidsclausule is niet van toepassing op besluiten die worden gebaseerd op de Wmo2015 en de Jeugdwet.
1.10 Innovatie (experimenten) 1. Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3.Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.
1.11. Cliëntenparticipatie 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval
cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet), overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.
14
Hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) 2.1 Wmo2015 2.1.1 Algemene voorzieningen 1. In de gemeente Meppel zijn de volgende algemene voorzieningen
beschikbaar: a. Activeringscentrum de MensA b. Het Leer Werk centrum c. Een rolstoel of een scootmobiel uit de poolen van Reestoord; het Irenehuis; 't Anker; De Beemd en de Plataan. d. Een rolstoelfiets, gestald bij de Snippe i.s.m. de MensA. e. De stadsbus MUG. f. De dagopvang op werkdagen bij: De Plataan; de Buurtkamer en het Kerspel g. Stamtafels van Welzijn Mensenwerk. 2. De algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk voor eenieder maar kunnen een geringe bijdrage vragen in de kosten voor consumpties of gebruikte materialen of ritten die ter plekke moet worden voldaan.
2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag 1. Het college gaat in samenspraak met de inwoner, diens vertegenwoordiger en 2. 3. 4.
5.
eventuele mantelzorger of familieleden bepalen wat de hulpvraag is. Het college kijkt samen met de inwoner naar wat nodig is om zo zorgonafhankelijk mogelijk te worden en te blijven Bij het bepalen van de hulpvraag wordt onderzoek gedaan binnen de leefdomeinen: wonen, financiën, zelfzorg, sociaal netwerk en dag invulling Een zorgvuldig onderzoek omvat de volgende 5 stappen: a. Wat is de hulpvraag en vanuit welke wet onderzoeken: Wmo, Zvw of Wlz? b. Wat zijn de eigen mogelijkheden en beperkingen van de inwoner (lichamelijk en/of geestelijk)? c. Welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie? d. In hoeverre kunnen de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden? e. Welke problemen worden er na het doorlopen van de stappen a tot en met d nog ondervonden bij de zelfredzaamheid en participatie die met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost? Het college kan ter uitvoering van het onderzoek ook huisgenoten van de inwoner met een hulpbehoefte oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een deskundige.
15
2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als het onderzoek als
2. 3.
a. b. c. 4.
5.
bedoeld in artikel 2.1.2 de conclusie oplevert dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk en geschikt is om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren, er geen algemene of algemeen gebruikelijke voorziening beschikbaar is, en de inwoner de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen en kunnen voorzien. Een maatwerkvoorziening moet er voor zorgen dat een inwoner hierdoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, behalve in de volgende gevallen: De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner kunnen worden toegerekend De inwoner komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is niet langer meer een oplossing voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de inwoner. Het college houdt bij het bepalen welke maatwerkvoorziening wordt toegekend rekening met de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de inwoner en kiest daarbij voor de meest adequate en goedkope oplossing.
Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor maatschappelijke ondersteuning die de cliënt voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de noodzaak voor het ondersteunen om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. c. De voorziening als bedoeld in lid 5 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.
2.1.4 Het Wmo-ondersteuningsplan 1. Het onderzoek wordt afgerond met het opmaken van een Wmo
ondersteuningsplan. 2. Het Wmo ondersteuningsplan bevat de resultaten die de inwoner wil bereiken
om zijn hulpvraag op te lossen en een beschrijving op welke manier dat moet gaan. Dit geldt ook voor resultaten die met inzet van een maatwerkvoorziening moeten worden behaald.
16
3. Het onderzoek kan periodiek worden herhaald, bijvoorbeeld met het aflopen
van een toegekende maatwerkvoorziening. 4. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden gedaan door het Wmo ondersteuningsplan ondertekend terug te sturen naar het college. De inwoner kan daar opmerkingen en aanvullingen in opnemen.
2.1.5. Soorten maatwerkvoorzieningen De gemeente Meppel kent de volgende maatwerkvoorzieningen waarvoor zij met leveranciers afspraken heeft gemaakt voor het leveren van zorg of diensten in natura: a. b. c. d. e. f. g. h.
Huishoudelijke ondersteuning Begeleidende ondersteuning Woonvoorzieningen Rolstoelvoorzieningen Vervoersvoorzieningen Sportvoorzieningen Kortdurend verblijf Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente 1. De uitvoering van de taken beschermd wonen en maatschappelijke opvang
wordt namens het college gedaan door centrumgemeente Assen. Het college heeft daarvoor afspraken gemaakt met gemeente Assen in het convenant Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. 2. Op de uitvoering van de taken die de centrumgemeente uitvoert zijn de lokale regels van de centrumgemeente, bij voorrang op deze regeling, van toepassing.
2.1.7.( Gereserveerd )beschermd wonen vanaf 1-1-2025 2.1.8. (Gereserveerd) Beschermd thuiswonen 2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo-vervoerpas) 1. Wanneer een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt voor vervoer in een
collectieve of individuele taxi is het aantal kilometers beperkt tot maximaal 1250 per jaar en maximaal 25 kilometer per rit. 2. Voor het gebruik van de vervoerpas is een eigen bijdrage verschuldigd per rit van € 1,01 (instaptarief) plus 0,18 eurocent per km.
17
3. Een medereiziger die meereist omdat de pashouder niet alleen kan reizen 4. 5. 6. 7. 8.
reist gratis mee. Maximaal drie huisgenoten mogen meereizen met de pashouder. Zij betalen hetzelfde tarief per rit als de pashouder. Maximaal 2 kinderen tot 5 jaar reizen gratis mee met de pashouder. Een medereiziger die niet tot het huishouden behoort betaalt €0,45 per km. Een blindegeleidehond of hulphond reist gratis mee. De in dit artikel genoemde tarieven kunnen door het college op dezelfde manier worden verhoogd als de jaarlijkse indexering van OV tarieven.
2.1.10. Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto Een maatwerkvoorziening voor aanschaf of aanpassing van een auto wordt alleen onder de volgende voorwaarden verstrekt: a. Andere collectieve, algemene of maatwerkvoorzieningen zijn niet voldoende geschikt om in de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te voorzien b. Een aanpassing of bijdrage in de aanschafkosten wordt alleen verstrekt voor auto’s die op het moment van de aanvraag niet ouder zijn dan drie jaar.
2.1.11. Kwaliteitscriteria voor maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp 1. De verstrekte maatwerkvoorzieningen en jeugdhulpvoorzieningen moeten
2. 3.
4.
5.
voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals deze beschreven zijn in het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK). Onder verantwoorde hulp wordt verstaan dat het hulp is van‘goed’ niveau; hulp die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht is (en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere vormen van hulp). Het college stelt, in overleg met de regio Drenthe, het DKK voor Meppel vast. Bij de inkoop en aanbestedingsprocedure en bij toezicht is dit de leidraad waaraan wordt getoetst of de ingekochte maatwerkvoorzieningen voldoen aan de norm voor verantwoorde hulp. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werk handelen volgens professionele standaarden. In situaties waarin toezicht wordt uitgeoefend op een maatwerkvoorziening die met een persoonsgebonden budget is ingekocht wordt ook getoetst aan het DKK.
18
2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo 2015 en Jeugdwet 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van
2. 3.
4. 5.
6.
7.
toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en nietgebruik van deze wet. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder Het college houdt in het kader van de Wmo toezicht op de naleving van de eisen in artikel 2.1.11 door: 1. periodieke overleggen met de aanbieders; 2. continumeting cliëntervaring; 3. als het nodig is in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen te controleren. Steekproefsgewijs de bestedingen van PGB’s te controleren De aangewezen toezichthouder heeft de bevoegdheid om: a. inlichtingen te vragen; b. (cliënten) administratie te vorderen bij de zorgverlener c. de administratie te vorderen van de cliënt of de PGB-beheerder d. identificatie te vragen; e. documenten en gegevens te lezen en gebruiken f. ergens naar binnen gaan (met uitzondering van woningen) g. te controleren of de zorgverlener zich aan de afspraken uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of de uitvoeringsovereenkomst met het college houdt; i. te controleren of de overeenkomst (ondersteuningsinhoudelijk) die de cliënt of de PGB-houder heeft gesloten voldoet aan de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn gegeven. Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Het college stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt het college ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoalsop de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning 1. Bij huishoudelijke ondersteuning wordt de omvang van de
maatwerkvoorziening bepaald met behulp van Het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning, uitgebracht door bureau HHM (kenmerk MW/22/1235 | juni 2019 – september 2022 ).
19
2. De normtijden zijn van toepassing op de volgende zes onderdelen die deel a. b. c. d. e. f.
kunnen uitmaken van huishoudelijke ondersteuning: Schoon en leefbaar huis Wasverzorging Boodschappen Maaltijden Kindzorg Regie /organisatie en advies, instructie en voorlichting
2.1.14. Eigen bijdragen 1. Degene die een maatwerkvoorziening ontvangt is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd. 2. De hoofdbewoner van een woning waarin ten behoeve van een jeugdig gezinslid aanpassingen worden aangebracht in de vorm van een maatwerkvoorziening is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd. 3. De eigen bijdrage wordt berekend over maximaal de kosten die de gemeente betaalt aan leveranciers voor het ter beschikking stellen van de maatwerkvoorziening. 4. Bij PGB-maatwerkvoorzieningen wordt de bijdrage berekend over maximaal de hoogte van het PGB voor de maatwerkvoorziening. 5. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt en het bedrag zoals genoemd in lid 3 of 4 niet is bereikt. 6. In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringbesluit Wmo 2015 is de bijdrage gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in het op grond van dat artikel bepaalde bedrag per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 7.
Overeenkomstig artikel 2.1.4.a, vijfde lid van de wet is geen bijdrage verschuldigd door inwoners die ongehuwd of als gehuwd worden aangemerkt en van wie het (gezamenlijk) inkomen lager is dan 120% van de voor hun situatie geldende wettelijke bijstandsnorm. 8. De kostprijs van een maatwerkvoorziening voor het bepalen van de eigen bijdrage wordt bepaald: a. door een aanbesteding; b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 9. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,18 per kilometer voor ritten tot en met 25 kilometer plus het instaptarief van € 0,90. Deze tarieven kunnen door het college jaarlijks worden verhoogd met het zelfde kostenstijgingspercentage dat wordt toegepast op tarieven van het openbaar (bus-) vervoer. Er wordt dus voor het collectief vervoer geen gebruik gemaakt van het abonnementstarief voor eigen bijdragen via het CAK.
20
2.1.15. Persoonsgebonden budget (PGB) 1. Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de
Wmo2015. 2. Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de inwoner voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3. Wanneer een inwoner heeft aangegeven dat hij zijn maatwerkvoorziening in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met hem afspraken over: a. Welke maatwerkvoorziening met het PGB wordt ingekocht en waarom deze passend is; b. Wie deze maatwerkvoorziening levert; c. Wat de kosten zijn van deze maatwerkvoorziening; d. Waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wil ontvangen; e. Hoe invulling wordt gegeven aan het beheer van het PGB; f. Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het DKK. g. De besteding van het budget. De inwoner levert hiervoor een ingevuld PGB-plan aan. 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het Wmo ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.1.4. Het PGB-plan als bedoeld in het derde lid wordt aan het Wmo ondersteuningsplan toegevoegd en maakt daar deel van uit. 5. De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de maatwerkvoorziening, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: a. meerderjarig is, en b. veilige, doelmatige en cliëntgerichte hulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner, en c.
deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de inwoner voor hem niet tot overbelasting leidt. 6. Een PGB dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 7. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener of het aanschaffen van hulpmiddelen volgens het programma van eisen van ergotherapeut of anders. 8. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn. 9. Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend. 10. Een PGB wordt alleen verstrekt voor de maatwerkvoorzieningen zoals genoemd in artikel 2.1.5.
21
11. Het bedrag waarvoor een PGB wordt verstrekt wordt berekend in vergelijking
met de kosten die verbonden zouden zijn aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura, bepaald op de manier van artikel 2.1.2. 12. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een professional wordt de vergoeding bepaald op 75% van het tarief voor de kosten van zorg in natura, zoals het college die inkoopt. 13. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een persoon uit het sociaal netwerk wordt de vergoeding als volgt bepaald: a. Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. b. Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 14. Bij een PGB voor een hulpmiddel wordt de hoogte bepaald op basis van de aanschaf en installatie kosten zodat het voldoet aan het programma van eisen, verhoogd met een bedrag voor het periodiek onderhoud en eventuele verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid. 15. Bij een PGB voor een woningaanpassing wordt de hoogte bepaald op basis beoordeling van offertes met inachtneming van de doelmatigste, adequaatste en goedkoopste oplossing. 16.
Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon te betalen.
2.1.16. Opschorting betalingen uit het PGB 1. Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van
betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo2015. 2. Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de inwoner langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd.
22
2.1.17. Regels voor het aanwijzen van professionele PGB-zorgaanbieders Als professionele PGB-aanbieders van maatschappelijke ondersteuning kwalificeren aanbieders die: a. Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; b. Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst; c. Aangesloten zijn bij een professioneel collectief; d. Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; e. Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar; f. Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van maatschappelijke ondersteuning; g. Beschikken over een adequate klachtenregistratie; h. Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen 3 jaar. i. Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op maatschappelijke ondersteuning;
2.1.18. Intrekking en terugvordering van maatwerkvoorzieningen 1. Als een maatwerkvoorziening door het college wordt ingetrokken op grond
van de wet, kan deze voorziening door het college worden teruggevorderd. Een hulpmiddel dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt moet dan worden teruggeleverd door de inwoner. 2. Als een huis met een woningaanpassing wordt verkocht en de waarde van het huis is gestegen door de woningaanpassing, wordt de hoogte van de waardestijging bepaald door het verschil tussen de waarde van het huis met de gerealiseerde woonvoorziening en de waarde van het huis als ware de woonvoorziening niet gerealiseerd.
2.1.19. Voorwaarden bij kortdurend verblijf in een instelling (adempauzeregeling*) 1. De ondersteuning kortdurend verblijf in een instelling is gericht op de volgende
resultaten: a. Voorkomen of verminderen van overbelasting van een mantelzorger en / of b. Stimuleren dat de inwoner zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner is langdurig aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en b. De maatwerkvoorzieningen ondersteuning en begeleiding bieden onvoldoende een oplossing en
23
De inwoner en zijn mantelzorger kunnen geen aanspraak maken op voorliggende voorzieningen om overbelasting te voorkomen. 3. De omvang is maximaal 3 etmalen per week c.
2.1.20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Er is een jaarlijkse blijk van waardering in natura voor mantelzorgers in de
gemeente ter waarde van tenminste € 50,-2. Het college kan het in het eerste lid jaarlijks verhogen met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage.
2.1.21. Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen 1. Om te waarborgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de
1. 2. 2.
3.
levering van een dienst door een derde en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst stelt het college stelt bij het aanbesteden of inkopen van diensten voor de levering van maatwerkvoorzieningen de volgende zaken vast: a. Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: Een inschrijving en het aangaan van de overeenkomst met de derde, en De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
24
4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien
bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
2.1.22. Tarieven wmo voorzieningen voor zover nog niet elders benoemd 1. De bijdrage in de aanschafkosten van een aangepaste auto is € 920
per gebruiksjaar, te verstrekken ineens tot de maximale gebruiksduur. 2. De bedragen in dit artikel worden jaarlijks verhoogd met de indexering die de gemeenteraad bij de programmabegroting toepast bij de begroting voor de sociale voorzieningen.
2.1.23. Financiële tegemoetkomingen In plaats van een maatwerkvoorziening kan het college aan een inwoner een financiële tegemoetkoming verstrekken op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo2015 in de volgende gevallen: a. De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke kosten van een verhuizing b. De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke meerkosten van een hulpmiddel om zichzelf door middel van spierkracht te verplaatsen, mits de inwoner zelf zorgdraagt voor onderhoud en reparaties van het hulpmiddel.
2.1.24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten
over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.
2.1.25. Klachtenregeling wmo-aanbieders 1. Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht om te beschikken
over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten. 2. De aanbieder zorgt ervoor dat de informatie over de klachtenregeling goed kenbaar is voor zijn cliënten.
25
2.2. Jeugdwet 2.2.1. Vormen van jeugdhulp 1.
De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: • Lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning • Korte ambulante zorg • Maatschappelijk werk • Vrijwilligersinitiatieven 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: • Gespecialiseerde ambulante zorg • Open (semi)-residentiële zorg • Pleegzorg • Dagbehandeling • Spoedeisende zorg • Gesloten jeugdhulp • Jeugd-lvg • Jeugd-ggz
2.2.2. Toegang jeugdhulp via een arts of gecertificeerde instelling 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de
huisarts, gecertificeerde instelling, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en gecertificeerde instellingen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt. 3. In de afspraken met de huisartsen wordt geregeld hoe de inzet van een praktijkondersteuner (poh) plaatsvindt 4. Als de jeugdige of ouders daarom verzoeken kan een beslissing van een verwijzer door het college in een beschikking aan hen worden uitgereikt.