CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

OER Omgevingsvisie Meppel

3 - RAADSCOMMISSIE ALGEMEEN 3 oktober 2024, gemeente MeppelBij agendapunt: Ontwerp omgevingsvisie gemeente Meppel en omgevingseffectrapportage35.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Omgevingseffectrapport (OER) Omgevingsvisie Meppel

14

Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Meppel Versie t.b.v. ontwerp, 26-08-2024

2

Samenvatting ................................................................................ 5 1 Inleiding ................................................................................. 20 1.1 1.2 1.3

Aanleiding ................................................................................................ 20 Omgevingseffectrapportage ........................................................................ 20 Leeswijzer ................................................................................................ 21

2

Omgevingsvisie Meppel........................................................... 22

3

Aanpak van het OER ................................................................ 31

4

Foto van de leefomgeving ....................................................... 40

5

Effectbeoordeling alternatieven .............................................. 74

6

Effectbeoordeling voorkeursalternatief ................................. 117

2.1 Voorbereiding ........................................................................................... 22 2.1.1 Inleiding ................................................................................................... 22 2.1.2 Nota van Uitgangspunten 2021 .................................................................... 23 2.1.3 Samen bouwen aan kwaliteit (visie op de fysieke leefomgeving) ....................... 26 2.1.4 Opgaven, ambities en doelstellingen............................................................. 28 2.2 Participatie ............................................................................................... 28 2.3 Samenhang OER en Omgevingsvisie ............................................................. 29 3.1 Inleiding ................................................................................................... 31 3.2 Alternatieven ............................................................................................ 31 3.2.1 Alternatief 1 Natuurlijk en ontspannen .......................................................... 31 3.2.2 Alternatief 2 Samen voor elkaar................................................................... 33 3.2.3 Alternatief 3 Groei van waarde ....................................................................

36 3.3 Beoordelingskader ..................................................................................... 38 4.1 Toekomstbestendige fysieke leefomgeving - planet......................................... 40 4.1.1 Natuur ..................................................................................................... 40 4.1.2 Bodem, water en klimaat ............................................................................ 46 4.1.3 Landschap en openbare ruimte .................................................................... 55 4.2 Economische omgeving – prosperity ............................................................. 57 4.2.1 Economische vitaliteit................................................................................. 57 4.2.2 Ruimtelijke economische structuur............................................................... 59 4.3 Sociale en gezonde woonomgeving – people .................................................. 65 4.3.1 Milieukwaliteit en gezondheid ...................................................................... 65 4.3.2 Veiligheid.................................................................................................. 68 4.3.3 Wonen, voorzieningen en welzijn..................................................................

71 5.1 Wijze van beoordeling ................................................................................ 74 5.2 Toekomstbestendige fysieke leefomgeving - planet......................................... 74 5.2.1 Natuur ..................................................................................................... 74 5.2.2 Bodem, water en klimaat ............................................................................ 82 5.2.3 Landschap en openbare ruimte .................................................................... 87 5.2.4 Duurzame energie ..................................................................................... 90 5.3 Economische omgeving – prosperity ............................................................. 92 5.3.1 Economische vitaliteit ................................................................................. 92 5.3.2 Ruimtelijke economische structuur ............................................................... 94 5.4 Sociale en gezonde woonomgeving - people .................................................. 99 5.4.1 Luchtkwaliteit............................................................................................ 99 5.4.2 Geluid ....................................................................................................

101 5.4.3 Geur ...................................................................................................... 104 5.4.4 Veiligheid ............................................................................................... 106 5.4.5 Gezondheidsbevordering........................................................................... 110 5.4.6 Wonen, voorzieningen en welzijn ............................................................... 112 6.1 Het voorkeursalternatief ........................................................................... 117 6.2 Wijze van beoordeling .............................................................................. 117 6.3 Toekomstbestendige fysieke leefomgeving .................................................. 118 6.3.1 Natuur ................................................................................................... 118 6.3.2 Bodem, water en klimaat .......................................................................... 119 6.3.3 Landschap en openbare ruimte .................................................................. 121 3

6.3.4 Duurzame energie ................................................................................... 122 6.4 Economische omgeving – prosperity ........................................................... 122 6.4.1 Economische vitaliteit ............................................................................... 122 6.4.2 Ruimtelijke economische structuur ............................................................. 123 6.5 Sociale en gezonde woonomgeving – people ................................................ 125 6.5.1 Luchtkwaliteit.......................................................................................... 125 6.5.2 Geluid .................................................................................................... 126 6.5.3 Geur ...................................................................................................... 126 6.5.4 Veiligheid ............................................................................................... 127 6.5.5 Gezondheidsbevordering........................................................................... 128 6.5.6 Wonen, voorzieningen en welzijn ............................................................... 129

7

Beoordeling ambities en doelstellingen ................................ 131

8

Vervolg ................................................................................. 140

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 8.1 8.2

Inleiding ................................................................................................. 131 Duurzaam in alle opzichten ....................................................................... 131 Een schone, natuurlijke en gezonde gemeente ............................................. 133 Een levendige en leefbare gemeente voor iedereen ...................................... 137 Kwalitatief en inclusief groeien .................................................................. 138 Omgevingsvisie en OER ............................................................................ 140 Vervolgprocedures en besluiten ................................................................. 140

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Beleidskader ................................................................ Nota van beantwoording reacties NRD ......................... Kaarten foto van de leefomgeving ................................

4

Samenvatting Aanleiding De gemeente Meppel werkt aan een Omgevingsvisie waarin de langetermijnvisie van de gemeente op de fysieke leefomgeving wordt vastgelegd. Dit document bepaalt de richting van het gemeentelijk beleid en vormt het afwegingskader voor de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen en initiatieven. Gelijktijdig en in samenhang is een Omgevingseffectrapportage (OER) opgesteld.

Aanpak van het OER Het OER dient inzicht te geven in de mogelijke gevolgen van de keuzes die voorliggen in het kader van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het niet alleen om de gevolgen van mogelijke programmatische en ruimtelijke keuzes. Ook de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de ambities en doelstellingen of de mate van sturing kunnen variabelen zijn bij de uitwerking van de uitgangspunten voor de effectbeoordeling. Op basis van de opgaves en ambities van de gemeente is een drietal alternatieven uitgewerkt. Er wordt niet alleen gevarieerd met de aard en omvang van het programma, maar worden ook onderscheidende keuzes gemaakt waar het gaat om belangrijke vraagstukken zoals inbreiding/uitbreiding, functiemenging/functiescheiding, centraal/decentraal. Doel van de effectbeoordeling is niet het komen tot een keuze voor één van de drie alternatieven maar om de relevante hoeken van het speelveld voor de effecten op de leefomgeving in beeld te brengen. Elementen uit de verschillende alternatieven worden gecombineerd in het voorkeursalternatief zoals dat wordt vastgelegd in de (ontwerp) Omgevingsvisie. Alternatief 1 Natuurlijk en ontspannen Binnen alternatief 1 zijn water en bodem leidend. Programmatisch gaat alternatief 1 uit van een laag groeiscenario.

Er wordt ingezet op inbreiding (transformatie/woningsplitsing) en kleinschalige uitbreiding met veel aandacht en ruimte voor groen/water. Uitbreiding mag niet ten koste gaan van bestaande groen- blauwe structuren en leiden waar mogelijk toto versterking ofwel natuur inclusieve ontwikkeling. In dit alternatief wordt zoveel mogelijk ruimte geboden voor klimaatadaptatie met o.a. grondwaterpeilverhogingen in het landelijke veengebieden. Om de grondwaterpeilverhogingen mogelijk te kunnen maken is een transitie van de landbouw noodzakelijk naar meer agrarisch natuurbeheer ofwel natuur inclusieve landbouw. Alternatief 2 Samen voor elkaar In alternatief ligt het initiatief vooral bij de samenleving en ligt de nadruk op voortbouwen op gemeenschappen en sociale cohesie. Alternatief 2 omvat het midden groeiscenario met 5.000 woningen waarbij zowel wordt ingezet op in- als uitbreiding (1/2 inbreiding, 1/2 uitbreiding. De focus in dit alternatief ligt op gemengde groei (woon-werkmilieus) waarbij ruimte wordt geboden voor lichte bedrijvigheid in de binnenstad en bestaande woonwijken. In het landelijk gebied wordt ingezet op lokale en kleinschalige agrarische productie. Om aan de energievraag te voldoen worden verdeeld over het buitengebied zonneparken en windturbines aangelegd (lokaal eigendom). Verder wordt ingezet op zonnepanelen op daken.

De verstedelijkingsstrategie sluit aan bij de ‘warme harten strategie’ van de regio Zwolle. De binnenstad is de huiskamer van de stad, met ruimte voor ontmoeting. Met betrekking tot duurzame mobiliteit wordt ingezet op een autoluwe binnenstad door OV-bereikbaarheid van woongebieden en dorpen te verbeteren en in te zetten op deelmobiliteit.

5

Alternatief 3 Groei van waarde In alternatief 3 wordt ingezet op maximale groeien economische ontwikkeling. Er wordt voorzien in uitbreiding (2/3) en inbreiding (1/3) met 10.000 extra woningen. Er wordt ingezet op hoogwaardige werkfuncties, verder is sprake van nieuw vestiging en uitbreiding van bedrijventerreinen. Er worden meer arbeidsplaatsen voorzien dan woningen. In de verstedelijkingsstrategie is meer ruimte voor regionale functies en voorzieningen op locaties die goed bereikbaar zijn. Er wordt centraal voorzien in de groen- en wateropgave. In landelijk gebied wordt ingezet op duurzame teeltvormen en opwekking van energie. Er wordt ruimte geboden voorwindparken langs de A32 en op Noord IV, daarnaast wordt gezocht naar locaties voor waterkrachtcentrales. Voorkeursalternatief Op basis van de ambities en doelstellingen, de effectbeoordeling van de alternatieven en de ‘opbrengst’ vanuit het participatietraject zijn de uitgangspunten voor de Omgevingsvisie verder uitgewerkt. Dat heeft geresulteerd in een toekomstbeeld dat is vastgelegd op een kaart. In de Omgevingsvisie zijn de belangrijkste ontwikkelgebieden beschreven en zijn ontwikkelprincipes geformuleerd. Samen vormen deze onderdelen het voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief voorziet in minimaal 1.500 extra woningen (in 2040) extra op de bestaande harde plancapaciteit.

In de omgevingsvisie wordt primair ingezet op inbreiding, het bouwen binnen bestaand stedelijk gebied. De omgevingsvisie zet in op kwalitatieve groei, wat betekent dat de bestaande voorzieningen worden versterkt en het voorzieningenniveau meegroeit met het aantal woningen. Uitgangspunt is dat op wijk- en buurtniveau kwalitatief goede voorzieningen aanwezig zijn en dat daarnaast op goed bereikbare locaties ook ruimte wordt geboden voor voorzieningen waarvan het verzorgingsgebied verder reikt dan de eigen gemeente en eigen inwoners. Op het gebied van groen wordt ingezet op robuuste verbindingen die in verbinding komen te staan met het natuurnetwerk in het landelijke gebied. In het landelijke gebied wordt ingezet op meer natuurinclusieve landbouw waaronder kringlooplandbouw. Ten aanzien van bedrijvigheid wordt ingezet op herstructurering van bestaande bedrijventerreinen en ruimte voor een nieuw bedrijventerrein (Noord IV). Er wordt zowel kwantitatief als kwalitatief passende werkgelegenheid gecreëerd.

6

7

8

9

Beoordelingskader Het beoordelingskader voor het OER met de te onderzoeken aspecten en criteria is tot stand gekomen op basis van de analyse van de referentiesituatie en de geformuleerde ambities en de doelen. Zichtjaar voor de beoordeling van de effecten is 2040. De effectbeoordeling is veelal kwalitatief en sluit aan bij het strategische karakter van de omgevingsvisie. In het kader van het OER worden daarom geen milieutechnische en/of veldonderzoeken uitgevoerd. Het OER in het kader van de Omgevingsvisie is daarmee geen eindpunt, maar vormt het vertrekpunt voor de nadere (meer gedetailleerde) onderzoeken in het kader van gebiedsontwikkelingen en concrete projecten. De effecten van de alternatieven worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie zoals die is beschreven in het hoofdstuk met de foto van de leefomgeving. De referentiesituatie is de situatie van Meppel in 2040 zonder dat beleidsveranderingen, keuzes, maatregelen en maximaal beoogd programma uit de Omgevingsvisie gerealiseerd zijn. Alleen vastgesteld beleid en vastgestelde plannen maken onderdeel uit van de referentiesituatie. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een vijf-sterrenschaal.

Foto van de leefomgeving (referentiesituatie) en beoordeling alternatieven De foto van de leefomgeving is de referentiesituatie en vormt het vertrekpunt voor het OER. De referentiesituatie is de bestaande (milieu)situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die ontstaan door vastgesteld beleid, bijvoorbeeld de bouw van woningen op basis van een vastgesteld bestemmingsplan. De foto van de leefomgeving brengt de huidige situatie (2024) en de autonome ontwikkeling tot 2040 zonder de Omgevingsvisie in beeld. Uit de analyse van de foto van de leefomgeving volgt dat de staat matig is voor de groenblauwe aspecten (natuur, water, bodem). Er is een grote opgave voor afronding van het NNN, de biodiversiteit en Natura 2000-gebieden staan onder druk als gevolg van stikstofdepositie en verdroging, de waterkwaliteit voldoet niet aan de normen van de KRW-richtlijn en er is sprake van bodemdaling. Ook op het gebied van landschap en cultuurhistorie is scoort de referentiesituatie licht negatief. Veel kleinschalige landschapsstructuren en elementen zijn verdwenen. Het slagenlandschap staat onder druk als gevolg van schaalvergroting in de agrarische sector dan wel overige ruimtelijke ontwikkelingen. Verder is er sprake van een opgave op het gebied van woningbouw, het aanbod kan niet voldoen aan de vraag.

In de navolgende tabel is een overzicht gegeven van de beoordeling van de alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie. Hieronder volgen enkele hoofdpunten uit de beoordeling. 10

11

12

13

Uit de beoordeling van de alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie komt naar voren dat alternatief 1 een positieve bijdrage kan leveren aan de groenblauwe aspecten waaronder water, bodem, natuur en klimaat. Het alternatief draagt mede hierdoor ook bij aan de welzijn en gezondheid van inwoners. Op het gebied van economische vitaliteit scoort dit alternatief licht negatief ten opzichte van de referentiesituatie, dit is te verklaren door de geringe groei en extensieve uitbreiding. Alternatief 2 scoort positief op de menselijke aspecten waaronder voorzieningen, welzijn en gezondheidsbevordering. Er is veel aandacht voor ontmoetingsplaatsen en een kwalitatief voorzieningenniveau. Dit alternatief scoort minder goed op de groenblauwe aspecten waaronder natuur, bodem, cultuurhistorie en landschap. Dit is een gevolg van de opgenomen zoekgebieden voor wind/zonne-energie in het landelijke gebied en extra woningen in gebieden waar sprake is van bodemdaling. Het alternatief 3 scoort positief op de economische aspecten. Maar van alle drie de alternatieven scoort dit alternatief gemiddeld genomen het negatiefst ten opzichte van de referentiesituatie. Het alternatief scoort op het menselijke aspecten negatief, waaronder het welzijn, de gezondheid, en de veiligheidssituatie voor inwoners van Meppel.

Door de grote groei ontstaat daarnaast druk op de energie infrastructuur, landschap en cultuurhistorie, waterkwantiteit, bodem en water. Waardoor deze aspecten ook negatief zijn beoordeeld. Voorkeursalternatief Het voorkeursalternatief bevat elementen uit de drie alternatieven. Het voorkeursalternatief scoort ten opzichte van de referentiesituatie op bijna alle aspecten neutraal of positief. Aspecten die (licht) negatief zijn beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie zijn geluid, energie (capaciteit/aanbod i.r.t. behoefte) en landschap. Geluid Als gevolg van het toevoegen van een nieuw bedrijventerrein (Noord IV) en windturbines kan sprake zijn van een toename in geluidsbelastingen. Daarnaast vindt een aantal woningbouwlocaties zich op korte afstand van de rijkswegen, drukke binnenstedelijke wegen en/of het spoor waardoor in potentie sprake kan zijn van een grote toename in geluidgehinderden. Door een akoestisch goede uitwerking (zowel op gebiedsniveau als op gebouw- en woningniveau) kunnen de nadelige effecten en daarmee ook het aantal gehinderden en slaapverstoorden worden beperkt, maar een toename is niet te voorkomen. Energie Uit de foto van de leefomgeving blijkt dat de capaciteit van het elektriciteitsnet in de huidige situatie randvoorwaardelijk is (zowel afname als invoeding).

De huidige energievraag en de groei van de stad, gecombineerd met het aardgasvrij-maken van de gebouwde omgeving leidt tot een grote opgave in het energienetwerk. De realisatie van grootschalige opwek vergt grote investering in het netwerk van hoogspanning- en transformatorstations die in dit deel van het buitengebied nu onvoldoende is. Elektrificatie van de gebouwde omgeving vraagt daarnaast grote investeringen op straat-, wijk- en gemeenteniveau dan wel investeringen op eventuele collectieve warmtevoorzieningen. Er is een grote mate van onzekerheid of het aanbod in combinatie met de capaciteit van het netwerk de energiebehoefte kan dekken. Monitoring is noodzakelijk zodat duidelijk is of doelstelling van de RES en de transitievisie warmte wordt behaald en als middel om bij te sturen op toekomstige energieoplossingen. Het opzetten van gebiedsgerichte programma’s kan hierin wenselijk zijn. In de Transitievisie Warmte is per wijk aangegeven op welke manier de transitie naar aardgasvrij wordt uitgevoerd. Welk alternatief voor aardgas per wijk beschikbaar is zal in veel gevallen later pas onderzocht worden. Voor de ene wijk kan een warmtepomp een geschikte oplossing zijn en voor een andere wijk een 14

warmtenet. Zo is er binnen Haveltermate Noord I en II potentie voor warme uit oppervlaktewater ( Meppelerdiep/Oude Vaart/Wold Aa, Drentse Hoofdvaart) en daarnaast is de RWZI is een potentiële bron van warmte (uit afvalwater). Ook voor het westelijke deel van Oosterboer en Koedijkslanden is er potentie voor warmte uit oppervlaktewater. Voor Koedijkslanden/Oevers liggen er kansen voor restwarmte en ook een warmtenet kan een optie zijn. Het transformatiegebied Noordpoort heeft ook warmtenet potentie. De gemeente werkt per wijk aan warmteplannen waarin het vereiste maatwerk kan worden geleverd. Landschap De uitbreiding van het bedrijventerrein bij Noord IV kan leiden tot een negatief effect op de openheid van het gebied. Door ruimtelijke en groene opzet van het bedrijventerrein zorgt ervoor dat het negatief effect naar verwachting beperkt is. In het landelijk gebied van Nijeveen is zoekgebied aangewezen voor windturbines en zonnevelden (nabij snelweg). De verwachting is dat de realisatie van windturbines en zonnevelden de beleveniswaarde van het landschap negatief beïnvloeden. Om de landschappelijke effecten van de windturbines te voorkomen is het van belang een locatiestudie uit te voeren en visualisaties te maken van de windturbines.

Haalbaarheid ambities/doelstellingen, monitoring en vervolgstappen In de omgevingsvisie van de gemeente Meppel is een viertal ambities geformuleerd, die zo veel mogelijk zijn vertaald naar concrete doelstellingen. In het OER is op hoofdlijnen beoordeeld in hoeverre binnen het voorkeursalternatief invulling kan worden gegeven aan deze ambities en doelstellingen, welke vervolgstappen in dat kader nodig zijn en op welke punten monitoring wenselijk of noodzakelijk is.. Duurzaam in alle opzichten Bij deze ambitie gaat het om het toekomstbestendig maken van menselijke activiteiten binnen de gemeente Meppel en het verkleinen van de menselijke impact. Dit valt uiteen in een deel dat gaat over energiegebruik en een deel dat gaat over grondstoffengebruik. De gemeente Meppel wil via een tussenstap van 55% CO2-reductie in 2030 toe naar een CO2-neutrale samenleving in 2040. In het voorkeursalternatief wordt er ingezet op windturbines in het noorden van de gemeente, gecombineerd met zonne-energie langs snelwegen en binnen bebouwd gebied. Met name met de inzet op windenergie wordt een flinke stap gezet om aan de RES-doelstelling en doelstelling voor CO2-reductie voor 2030 te werken. Daarnaast is er nog veel theoretische potentie om zon-op-dak binnen bebouwd gebied mogelijk te maken. Er is een aantal aandachtspunten. De verwachting is dat de inzet op windenergie nog onzeker is.

Uit vervolgonderzoek zal moeten blijken of er technische en financiële potentie is voor een opstelling. Voor de periode na 2030 zal vermoedelijk aanvullende inzet nodig zijn om ruimte beschikbaar te stellen voor energie-opwek en benodigde infrastructuur. Onzeker is hierin ook welk aandeel van de potentie van zonne-energie binnen de gebouwde omgeving gehaald kan worden. Hiervoor is de gemeente sterk afhankelijk van de bereidheid van inwoners en bedrijven. Een ander belangrijk aandachtspunt is dat een voortvarende aanpak van de warmtetransitie noodzakelijk is om tijdig de doelen voor 2030 en 2040 te behalen. Hiervoor stelt de gemeente per wijk een warmteplan op. Zowel verduurzaming van woningen, bedrijven en mobiliteit als nieuwe energieprojecten zijn afhankelijk van tijdige verzwaring van het elektriciteitsnet. In een omgevingsprogramma energietransitie kunnen de te maken keuzes en daarmee samenhangende randvoorwaarden verder worden uitgewerkt. Met de ambitie om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben zet de gemeente in op reductie van grondstoffengebruik en het optimaal hergebruik van grondstoffen. 15

Hoewel de inzet op circulaire economie deels om gedrag gaat, zijn wel ook ruimtelijke keuzes te maken. De ruimtelijke vertaling in de omgevingsvisie richt zich (in aansluiting op de doelstellingen ‘in 2040 is de gemeente Meppel een essentiële schakel in de circulaire economie van het havenecosysteem Port of Zwolle’ en ‘in 2040 is de circulaire economie tastbaar en beleefbaar voor inwoners, lokale en regionale partijen’) in eerste instantie vooral op het realiseren van een circulaire hub in het havengebied en een ambachtscentrum voor herstel van apparaten. Om volledig circulair te zijn in 2050 is er meer nodig. Om bedrijven de gelegenheid te geven is het nodig om voldoende ruimte op bestaande en/of toekomstige bedrijventerreinen beschikbaar te hebben. Dit gaat bijvoorbeeld om het deconstrueren, bewerken of opwaarderen van bestaande materialen en grondstoffen. Economisch gezien zijn dit (nog) niet kosteneffectieve activiteiten, maar kennen wel een groot ruimtebeslag. Groot ruimtebeslag geldt eveneens als invulling wordt gegeven aan de ambitie om korte ketens tussen landbouw en stad vorm te geven, of productie van biobased materialen. Specifiek aanvullend beleid is nodig om circulaire ambities te borgen. Een schone, natuurlijke en gezonde gemeente Deze ambitie is gericht op een schone, natuurlijke en gezonde omgeving waar het prettig leven en werken is.

De aanwezigheid van groen en water spelen hierin een grote rol. De gemeente heeft de ambitie om de achteruitgang van de natuur te keren. Zij zet in op het realiseren van een basiskwaliteit Natuur en het nemen van natuurinclusieve maatregelen. Hierbij worden bestaande groenstructuren beschermd en wordt een gemeentelijk natuurnetwerk gerealiseerd inclusief verbindingen. De waterkwaliteit wordt in samenwerking met het waterschap verbeterd en nevenactiviteiten in de natuur zoals recreatie/evenementen worden alleen toegestaan wanneer dit past in de ecologische draagkracht van het gebied. In het algemeen biedt het voorkeursalternatief voldoende ruimte om te voldoen aan deze ambitie met bijbehorende doelstellingen. Er wordt gekozen voor het uitbreiden van de groenblauwe dooradering van de stad in aansluiting op de natuurgebieden hierbuiten. In het buitengebied wordt ingezet op een transformatie richting kringlooplandbouw en in het gebied rondom Nijeveen wordt lokaal ingezet op verhoging van het grondwaterpeil. Er zijn echter ook onzekerheden. De gemeente is afhankelijk van meerdere partijen waaronder het Waterschap, provincie agrariërs en inwoners, dit maakt het bereik van de doelen onzeker. De gemeente gaat de uitgangspunten en maatregelen rond biodiversiteit verder uitwerken in een omgevingsprogramma.

Om de bestaande en nieuwe groenblauwe structuren te beschermen worden regels opgenomen het omgevingsplan. De groenblauwe opgaven voor het buitengebied krijgen ook een plek in het Drents Programma Landelijk Gebied. Uit de foto van de leefomgeving volgt dat een groot gebied van Meppel gevoelig is voor overstromingen en bodemdaling. De gemeente wil inzetten op het opvangen en vasthouden van water ‘regenwater opvangen, vasthouden en alleen afvoeren als het niet anders kan’. Het opvangen en vasthouden van regenwater gebeurt door een fijnmazig systeem van infiltratie en lokale waterberging in stedelijke groenstructuren, vasthouden van water op particuliere (bedrijfs)terreinen en door verharding te vervangen door groen. Ook wordt ingezet op het voorkomen van hitte-eilanden door te zorgen dat 30% van de openbare ruimte beschaduwd is. Door het behouden en realiseren van robuuste groenblauwe structuren en deze te koppelen aan wandel/fietspaden kunnen de effecten van klimaatverandering worden getemperd. Er zijn aandachtspunten met betrekking tot de ontwikkelgebieden. In het voorkeursalternatief wordt ingezet op zoveel mogelijk inbreiding. Inbreiding kan gepaard gaan met weinig ruimte voor openbaar groen/water en mogelijk verlies van groen/blauwe structuren.

Voor het bereiken van de doelstellingen ten aanzien van klimaatadaptatie is de gemeente gedeeltelijk afhankelijk van particulieren waaronder voor het vasthouden van water op particuliere terreinen. Bij nieuwbouw geldt een compensatie-eis vanuit het waterschap t.a.v. waterberging bij een toename van verharding waardoor waterberging voldoende wordt geborgd. Het is onzeker of kan worden voldaan

16

aan de doelstelling dat 30% van de openbare ruimte beschaduwd is. Om invulling te geven aan deze doelstelling zullen binnen stedelijk gebied grote inspanningen moeten worden verricht, niet alleen bij nieuwe (her)ontwikkelingen maar ook binnen bestaand stedelijk gebied. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de ontwikkeltijd van bomen. In de omgevingsvisie zijn is geen concrete doelstelling opgenomen die zijn gericht op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat en het beperken van hinder. Als algemeen uitgangspunt is opgenomen dat de gemeente de gezondheidsbelasting zo veel mogelijk wil verminderen en dat er per locatie wordt gezocht naar passende mogelijkheden. De keuze voor woningenbouw op binnenstedelijke locaties en mogelijke menging van wonen en werken op bepaalde bedrijventerreinen / in de agrarische linten kunnen leiden tot een toename van de gezondheidsbelasting. In het algemeen geldt dat het van belang is om bij ontwikkelingen op milieubelaste locaties steeds eerst en zorgvuldig de mogelijke bronmaatregelen af te wegen voordat wordt gekeken naar de maatregelen aan de zijde van de ontvanger. De gemeente Meppel wil een gezonde gemeente zijn waarbij het wandelen, fietsen en sociaal contact wordt gestimuleerd.

In het voorkeursalternatief wordt rekening gehouden met groenblauwe netwerken gekoppeld aan wandel- en fietspaden en zijn verbindingen tussen stad en ommeland opgenomen op de visiekaart. Ook de sport en speelvoorzieningen worden gerealiseerd in de groengebieden. Daarnaast wordt ingezet op het STOMP principe waarbij wandelen en fietsen wordt gestimuleerd. Naar verwachting heeft het voorkeursalternatief een positief effect op beweging van inwoners door inzet op groenblauwe netwerken en het STOMP principe. Ook dient volgens de ontwikkelprincipes uit de omgevingsvisie voldoende ruimte voor ontmoeten en voldoende groen te worden gerealiseerd. Wanneer de ontwikkelprincipes consequent worden toegepast bij toekomstige initiatieven kan waar het gaat om het stimuleren van gezond gedrag een grote verbetering optreden ten opzichte van de huidige situatie. Een levendige en leefbare gemeente voor iedereen Deze ambitie gaat uit van het bevorderen van prettig wonen, werken en recreëren in de gemeente. Het gaat het om de kwaliteit, diversiteit en bereikbaarheid van voorzieningen en recreatiemogelijkheden. Het is daarbij zaak om voortdurend balans te houden tussen levendigheid en leefbaarheid. In het voorkeursalternatief ligt de nadruk op het realiseren van voorzieningen binnen loop- en fietsafstand.

De gemeente zet in op de realisatie van voldoende kwalitatieve voorzieningen in 2040, waarmee kan worden voorzien in de behoefte van haar inwoners en bezoekers. Ook wordt ingezet op meer toeristen en bezoekers, een kwalitatief overnachtingsaanbod en een bruisende binnenstad. De gemeente kan hiervoor de kaders scheppen (onder andere in het op te stellen omgevingsprogramma voor de binnenstad en in het nieuwe evenementenbeleid), maar de haalbaarheid van deze ambities en doelstellingen zijn in hoge mate ook afhankelijk van initiatieven vanuit de markt en de medewerking van ondernemers. Om te kunnen monitoren of het voorzieningenniveau en de recreatiemogelijkheden voldoende zijn is concretisering van de doelstellingen en nader onderzoek naar de behoeftes op wijk- en buurtniveau noodzakelijk. In het voorkeursalternatief wordt ingezet op inbreiding in een aantal ontwikkelgebieden waaronder het stationsgebied, Ezinge en Noordpoort. De ontwikkelgebieden liggen in of nabij de wijken met een opgave ten aanzien van sociale cohesie. Nieuwe ontwikkelingen bieden kansen om het welzijn van de bestaande inwoners uit deze wijken verbeteren. De verstedelijkingsstrategie gaat uit van voldoende ruimte om elkaar te ontmoeten en het realiseren van voorzieningen op loop- of fietsafstand.

Onderzoek laat zien dat de contacten in de woonomgeving tussen bewoners ervoor zorgen dat bewoners zich prettig en veilig voelen in hun buurt. De woningbouwopgave heeft echter een grote ruimteclaim waardoor de druk op de openbare ruimte toeneemt en de aandacht voor groene ontmoetingsplaatsen op de

17

achtergrond kan raken. Daarnaast kan wanneer de opgave ten aanzien van voorzieningen niet voldoende in beeld is een verkeerde afweging worden gemaakt in keuze ten aanzien van het type voorzieningen waardoor deze niet goed afgestemd is op de vraag van de inwoners. Kwalitatief en inclusief groeien De gemeente gaat in de Omgevingsvisie uit van een groei naar minimaal 42.500 inwoners in 2040. Hiermee wordt er meer draagvlak gecreëerd voor de voorzieningen. Dat betekent concreet circa 1.500 extra woningen ten opzichte van de huidige harde plancapaciteit, waarvan een relevant deel bedoeld voor kleine huishoudens (waarmee de doorstroming kan worden bevorderd). Van die woningen valt tenminste 50% in de categorie ‘betaalbaar’. Het aantal arbeidsplaatsen groeit mee met het aantal inwoners. Meppel behoudt en versterkt de positie als regionaal economisch centrum. In 2040 zijn Meppeler bedrijven in minimaal drie sectoren wereldtop en wordt vanuit de samenwerking tussen onderwijs, ondernemers en overheden geïnnoveerd met landelijke impact. Een goede bereikbaarheid is daarbij van groot belang. Duurzame mobiliteit krijgt de prioriteit boven minder duurzame vormen van mobiliteit.

Doelstelling is dat in 2040 we het STOMP-principe zo veel mogelijk wordt toegepast in projecten en plannen, de ontbrekende schakels in het fiets- en wandelnetwerk zijn ingevuld en het treinstation van Meppel een prominente rol speelt als mobiliteitshub. Rekening houdend met de autonome ontwikkelingen (met name Nieuwveense Landen en Noordpoort) in combinatie met de aanvullende mogelijke woningbouwlocaties die zijn opgenomen in de omgevingsvisie, biedt het voorkeursalternatief ruime mogelijkheden om invulling te geven aan de doelstelling van minimaal 42.500 inwoners in 2040. Door de combinatie van inbreiding en uitbreiding kan binnen het voorkeursalternatief een gevarieerd woningaanbod worden gerealiseerd voor een breed scala aan doelgroepen. Een deel van de extra woningen is voorzien op complexe locaties, zoals het stationsgebied en Ezinge, wat van invloed zal zijn op het tempo van de planvorming. De haalbaarheid van de doelstelling van minimaal 42.500 inwoners in 2040 wordt daarnaast beïnvloed door allerlei factoren waar de gemeente geen of slechts heel beperkt invloed op heeft (zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van de bouwkosten en ontwikkelingen in wet- en regelgeving die van invloed zijn op het bouwtempo).

Het voorkeursalternatief bevat met de intensivering van de bestaande bedrijventerreinen, de nieuwe bedrijventerreinen en de diverse andere binnenstedelijke ontwikkelingen met onder andere een kenniscampus voldoende ruimte voor een substantiële uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen. Ook hier geldt dat de gemeente in de omgevingsvisie de kaders vastlegt, maar dat het doelbereik mede wordt bepaald door economische ontwikkelingen en concrete bedrijfsontwikkelingen. Uit de foto van de leefomgeving volgt dat Meppel goed bereikbaar is voor autoverkeer. Op het gebied van openbaar vervoer vormt het spoor tussen Zwolle en Meppel een kwetsbare schakel. Ook op het gebied van fietsbereikbaarheid zijn er aandachtspunten waaronder de verbinding met Nieuwveense Landen en onderwijspark Ezinge. In de autonome ontwikkeling worden deze knelpunten deels opgelost door realisatie van een nieuwe stadsentree met fietstunnel voor de verbinding naar Nieuwveense Landen en de intensivering van het aantal treinen dat het station van Meppel aan doet. De bereikbaarheid wordt als goed beoordeeld. In het voorkeursalternatief wordt ingezet op duurzame mobiliteit door het breed implementeren van het STOMP-principe (Stappen, trappen, openbaar vervoer, medegebruik (deelmobiliteit) en particuliere auto). De groei van de stad zet de overbelaste infrastructuur verder onder druk.

Onder invloed van de mobiliteitstransitie en de opkomst van alternatieven (Smart mobility) komen er steeds meer schonere alternatieven beschikbaar voor personenvervoer en logistiek. Dit vraagt echter om een andere ruimtelijke inrichting. In het voorkeursalternatief is op de visiekaart een aantal hubs weergegeven die het overstappen gemakkelijk maken. De hubs zijn opgenomen in de randen van de stad. De realisatie van hubs met de benodigde laadinfrastructuur heeft een ruimtevraag en vraagt om capaciteit van het elektriciteitsnet. Ook op het 18

gebied van fietsverkeer is door de groei van het aantal elektrische fietsen een vraag ontstaan naar veilige en aantrekkelijke fietsroutes. Onzeker is of de benodigde ruimte en capaciteit (elektriciteitsnetwerk) voor de transitie naar duurzame mobiliteit beschikbaar is. Daarnaast is het aspect mobiliteit sterk afhankelijk aan het aanbod van voorzieningen en de nabijheid van werkgelegenheid op loop- en fietsafstand van de woning. De Omgevingsvisie biedt veel ruimte voor nieuwe woningen en bedrijven waarbij het onzeker is waar, op welke manier en in welke tempo ontwikkelingen van de gronde zullen komen. De gemeente gaat omgevingsprogramma’s (wonen en welzijn / ruimtelijke economie / buitengebied / mobiliteit) opstellen waarin nader wordt uitgewerkt op welke wijze invulling gegeven kan worden aan de geformuleerde ambities en doelstellingen. Het is belangrijk om zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin te monitoren hoe de ontwikkeling van de woningvoorraad en arbeidsplaatsen zich verhoudt tot de doelstellingen.

Vervolg Het voorliggende OER vormt een bijlage bij de ontwerp-Omgevingsvisie. Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie zal ook inzicht worden gegeven in de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de vereiste monitoring, waarbij op onderdelen gebruik kan worden gemaakt van informatie uit het OER. Monitoring is een centraal onderdeel in de beleidscyclus voor de fysieke leefomgeving.

19

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Meppel werkt aan een Omgevingsvisie waarmee wordt voorgesorteerd op het in werking treden van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie leggen we de lange termijn visie van de gemeente Meppel op de fysieke leefomgeving vast en worden ambities en doelen geformuleerd en concreet gemaakt. De visie bepaalt de richting voor het gemeentelijk beleid en vormt het afwegingskader voor de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen en initiatieven. Om te komen tot een goed onderbouwde en gedragen Omgevingsvisie wordt een zorgvuldig proces doorlopen. Dat betekent onder andere dat gelijktijdig en in samenhang met de Omgevingsvisie ook een Omgevingseffectrapportage (OER) wordt opgesteld.

1.2 Omgevingseffectrapportage Waarom een OER? Op grond van artikel 16.36 van de Omgevingswet geldt voor het opstellen van een omgevingsvisie de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage (een planMER1). Die planm.e.r.-plicht in het kader van de omgevingsvisie is in lijn met de huidige eisen op grond van hoofdstuk 7 uit de Wet milieubeheer. De omgevingsvisie is namelijk kaderstellend voor m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige vervolgbesluiten. Daarbij gaat het onder andere om stedelijke ontwikkelingsprojecten, de uitbreiding van bedrijventerreinen en mogelijke windparken. Daarnaast is een MER noodzakelijk als significante effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet kunnen worden uitgesloten en om die reden op grond van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling noodzakelijk is. Doel en inhoud van het OER Het doel van het instrument milieueffectrapportage is het integraal meewegen van (milieu)effecten bij het maken van beleidskeuzes en hiervoor alternatieven in beeld te brengen. De Omgevingswet heeft een bredere werkingssfeer dan alleen de traditionele milieuaspecten, zoals landschappelijke en cultuurhistorische waarden, natuur, geur, geluid, luchtkwaliteit, bodem, water en veiligheid. Ook thema’s zoals gezondheid, sociale cohesie, energietransitie en klimaatadaptatie worden in het MER meegenomen.

We spreken daarom liever over een omgevingseffectrapportage (OER) dan over een milieueffectrapportage. De omgevingsvisie en het OER komen gelijktijdig en in samenhang tot stand. Daarbij dient het OER als onderbouwing voor de keuzes die in de omgevingsvisie worden opgenomen. Het OER zal bijdragen aan de integraliteit van deze keuzes. Ook kan het OER helpen met het bepalen van prioriteiten (door analyse van huidige en/of toekomstige knelpunten en kansen) en het in beeld brengen van de haalbaarheid van ambities en doelen. Tot slot levert het OER de benodigde input voor de spelregels voor toekomstige ontwikkelingen en de uitgangspunten voor monitoring en evaluatie na vaststelling van de Omgevingsvisie. Procedure Als eerste stap in de m.e.r.-procedure is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld waarin is aangegeven hoe het MER wordt opgesteld bij het tot stand komen van de omgevingsvisie. De NRD beschrijft welke onderwerpen worden onderzocht, hoe deze onderwerpen worden onderzocht (alternatieven en diepgang) en hoe de resultaten worden beoordeeld. De NRD heeft ter inzage gelegen, waarbij eenieder de mogelijkheid 1 MER = het milieueffectrapport, m.e.r. is de afkorting in de milieueffect-procedures.

In de m.e.r.-regelgeving wordt onderscheid gemaakt tussen een projectMER voor concrete ontwikkelingen en een planMER voor kaderstellende plannen en visies (waaronder gemeentelijke omgevingsvisies).

20

heeft gekregen om zienswijzen in te dienen op de reikwijdte en het detailniveau van het effectonderzoek. Daarnaast zijn de betrokken bestuursorganen en wettelijke adviseurs geraadpleegd en is advies gevraagd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. De zienswijzen en adviezen van betrokkenen op de NRD worden beantwoord en gebruikt bij het opstellen van het OER en de omgevingsvisie. De notitie in bijlage 2 bevat een overzicht van de binnengekomen reacties en de wijze waarop daarmee is omgegaan in het OER. Het OER wordt gelijktijdig met de ontwerp-omgevingsvisie ter visie gelegd, waarmee de mogelijkheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen. Op dat moment vindt ook de wettelijk verplichte toetsing door de Commissie voor de m.e.r. plaats. Afhankelijk van de zienswijzen en het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. vullen we het OER zo nodig aan. Het OER vormt een bijlage bij de door de gemeenteraad vast te stellen Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie is gemotiveerd op welke wijze is omgegaan met de resultaten en conclusies uit het OER. Onderdeel van het OER is ook een toelichting op de wijze waarop na vaststelling van de Omgevingsvisie wordt omgegaan met de monitoring en evaluatie van de gevolgen van de omgevingsvisie.

1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 van deze notitie beschrijft hoe de Omgevingsvisie tot stand is gekomen en de samenhang met het OER. Hoofdstuk 3 gaat in op de opzet van het OER en de wijze waarop de effecten van de Omgevingsvisie worden beoordeeld. Hoofdstuk 4 bevat de beschrijving van de ‘foto van de leefomgeving’. De huidige situatie en de te verwachten autonome ontwikkelingen die samen het vertrekpunt vormen voor de effectbeoordeling. In hoofdstuk 5 worden vervolgens de effecten van een drietal alternatieven beoordeeld. Mede op basis van deze effectbeoordeling zijn de uitgangspunten voor de omgevingsvisie verder uitgewerkt. Dat resulteert in het voorkeursalternatief. De effecten van het voorkeursalternatief zijn in hoofdstuk 6 beoordeeld en in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het doelbereik (met ook aandacht voor monitoring na de vaststelling van de omgevingsvisie). In hoofdstuk 8 wordt kort ingegaan op de vervolgstappen.

21

2 Omgevingsvisie Meppel 2.1 Voorbereiding 2.1.1 Inleiding In de voorbereiding op de implementatie van de Omgevingswet en het opstellen van een omgevingsvisie heeft de gemeente al verschillende stappen doorlopen. In 2018 en 2019 zijn verschillende documenten opgesteld en vastgesteld die samenhangen met de voorbereiding op de implementatie van de Omgevingswet, waarbij met name de Startnotitie Implementatie Omgevingswet, een Inventarisatiedocument (omgevingsfoto, ‘labelgesprekken’ over de manier van werken en beleidsinventarisatie) en het Ambitiedocument Omgevingswet Meppel van belang zijn. Ook zijn in 2019 door de gemeenteraad een Nota van Uitgangspunten Omgevingsvisie en een globaal Plan van aanpak Omgevingsvisie vastgesteld. Het proces dat moet leiden tot een vastgestelde Omgevingsvisie bestaat uit vier fases: 1. Verkennen; 2. Voorbereiden en richten; 3. Vormgeven en afwegen; 4. Besluiten. Na de verkenningsfase zijn in 2021 een geactualiseerde Nota van Uitgangspunten en Procesvoorstel vastgesteld. Figuur 2.1 geeft een schematisch overzicht van het proces. Fase 1 en het eerste deel van fase 2 zijn inmiddels afgerond. Onderdeel van de verkennende fase 1 waren:  het analyseren van bestaand beleid;  het opstellen van een gebiedseigen verhaal;  toekomstperspectieven die schetsen welke ontwikkelingen op ons af komen;  het zwaluwstaarten met lopende beleidstrajecten.

De Nota van uitgangspunten 2021 (zie paragraaf 2.1.2) is de schakel tussen de informatie uit de verkenningsfase en de vervolgstappen naar een Omgevingsvisie Meppel. Het betreft een actualisatie en aanscherping van de voorgenoemde Nota van uitgangspunten 2019. De Nota van uitgangspunten geeft weer waar we als gemeente al kaders/begrenzingen stellen en waar we nog ruimte laten voor participatie in het verdere proces (zie paragraaf 2.2). Belangrijk onderdeel van fase 2 is het bepalen van de visie op de fysieke leefomgeving (paragraaf 2.1.3) en het formuleren van de ambities (paragraaf 2.1.4).

22

Figuur 2.1 Indeling proces richting Omgevingsvisie (Procesvoorstel Omgevingsvisie Meppel) 2.1.2 Nota van Uitgangspunten 2021 Doel van de Nota van uitgangspunten 2021 (hierna: NvU 2021) is:  Het weergeven van de opbrengsten uit de verkenningsfase en het trechteren van deze opbrengst richting keuzes voor de Omgevingsvisie;  Het meenemen van college en raad in de opgedane inzichten in de verkenningsfase en daarmee de basis te leggen voor een passend vervolgproces;  Het inzicht geven in de werking van de Omgevingsvisie en welke onderdelen, stappen en keuzes nodig zijn;  De kaders te stellen voor participatie in de vervolgfase. In deze paragraaf wordt ingegaan op de elementen uit de NvU 2021 die van belang zijn voor de reikwijdte en het detailniveau van het OER. Scope van de Omgevingsvisie In de Nota van uitgangspunten is vastgelegd op welke aspecten de Omgevingsvisie moet ingaan. Daarbij is het van belang dat het niet alleen gaat om aspecten die onderdeel zijn van het fysieke domein, maar dat er nadrukkelijk ook een verbinding wordt gelegd met het sociale domein. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de aspecten die volgens de NvU 2021 in ieder geval aan de orde moeten komen in de Omgevingsvisie. Dit is van belang met het oog op de uitwerking van het beoordelingskader voor het OER in hoofdstuk 3.

23

Tabel 2.1 Aspecten fysieke leefomgeving (NvU 2021)

Werking van de Omgevingsvisie In de NvU 2021 wordt aangegeven dat de huidige tijd om een ander type beleid vraagt. Daarbij is van belang dat het stapelen van sectorale ambities geen optie is, maar de gemeente keuzes moet maken en focus moet aanbrengen. Het OER speelt daarin een belangrijke rol door de haalbaarheid van ambities te toetsen en het mogelijke spanningsveld tussen ambities in beeld te brengen, zodat in de Omgevingsvisie weloverwogen keuzes kunnen worden gemaakt. Ook wordt in de NvU 2021 gesignaleerd dat de grote transities en veranderingen in de samenleving de toekomst minder voorspelbaar maken. Dat betekent dat de Omgevingsvisie in moet kunnen spelen op ontwikkelingen die nu nog niet bekend zijn. De Omgevingsvisie moet ruimte geven en adaptief zijn. Ook op dat punt is nadrukkelijk sprake van een relatie met het OER waarin monitoring en evaluatie steeds belangrijker worden. Uit de inventarisatie van bestaand beleid volgt dat sprake is van abstracte ambities, gevolgd door concrete maatregelen. De vertaling van de ambities naar wat nodig is om die ambities te behalen ontbreekt. Het is een kans om met de nieuwe instrumenten van Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma te komen tot afgestemde beleidskaders en haalbare ambities, waaraan gericht wordt gewerkt.

In de loop van het proces willen we zicht krijgen op de vraag voor welke vraagstukken we als gemeente zelf aan zet zijn en voor welke vraagstukken het initiatief aan de samenleving wordt overgelaten. Dat vraagt om een Omgevingsvisie die ruimte schept om de zich geleidelijk ontwikkelende inzichten tussen “loslaten en vasthouden” in de praktijk te kunnen vertalen.

24

Figuur 2.2 Opbouw / inhoud Omgevingsvisie (bron: Nota van uitgangspunten 2021) Sturingsprincipe: een bestendige lijn en adaptief handelen We kiezen er voor om in de Omgevingsvisie:  Een bestendige lijn vast te leggen voor Meppel door onze visie op de leefomgeving te bepalen en onze ambities uit te spreken;  Adaptief te kunnen handelen door concrete doelen te stellen en spelregels af te spreken voor ontwikkeling (inrichtingsprincipes en proceswijzer). De visie op de fysieke leefomgeving (zie paragraaf 2.3) wordt uitgewerkt in een aantal ambities (zie paragraaf 2.4), die vervolgens weer verder worden uitgewerkt in concrete doelen en richtinggevende principes. Deze principes (randvoorwaarden voor ontwikkelingen) kunnen themagericht of gebiedsgericht zijn. De doelen op de middellange termijn moeten concreet en meetbaar zijn. Via de beleidscyclus vindt monitoring, evaluatie en bijstelling van de doelen plaats. Gebiedseigen verhaal In het Ambitiedocument en de NvU uit 2019 is benoemd dat de identiteit van Meppel aan de basis ligt van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het enerzijds om de opgaven en doelen die passen bij Meppel en anderzijds om onze relatie met de samenleving en onze manier van werken. Onderdeel van de NvU 2021 is het (concept) Gebiedseigen Verhaal van Meppel. Het gebiedseigen verhaal vertelt op basis van bestaande documenten het verhaal van de gemeente Meppel.

Daarin staat de (ruimtelijke) identiteit van de gemeente Meppel centraal, gebaseerd op (cultuur)historie, landschap, haar bewoners, cultuur en economie. Het verhaal op basis van het verleden en heden biedt inspiratie om vooruit te kijken: “hoe kunnen we de gemeente Meppel opnieuw oud laten worden en de (ruimtelijke) ontwikkelingen zodanig inpassen zodat ze over 50 jaar als logisch onderdeel van Meppel worden gezien?”. Het concept gebiedseigen verhaal is de basis voor het verdere proces van de omgevingsvisie. Aan de hand van participatie en gebiedsgerichte uitwerkingen wordt het verhaal aangevuld en geconcretiseerd.

25

Centrale kwesties Op basis van het gebiedseigen verhaal, sectorale ambities, de wisselwerking met lopende beleidstrajecten en toekomstperspectieven (transities en ontwikkelingen die op de gemeente afkomen) is in de NvU 2021 een aantal centrale kwesties geformuleerd: actuele vragen die in de Omgevingsvisie moeten worden beantwoord: 1. Verstedelijking: hoe kunnen we groeien op Meppeler wijze? 2. Verduurzaming: hoe geven we afgewogen ruimte aan de energie- en warmtetransitie, circulariteit en klimaatadaptatie? 3. Gezonde leefomgeving: hoe komen we tot een gezonde schikking en inrichting van de ruimte? 4. Buitengebied: hoe benutten we de ruimte in samenhang met de kwaliteit en leefbaarheid van het buitengebied? 5. Bedrijvigheid: hoe geven we invulling aan de groei, transitie en innovatie van bedrijvigheid, passend bij ons economisch profiel? Deze centrale kwesties vormen het vertrekpunt voor de uitwerking van de scenario’s die in het OER worden onderzocht. De centrale kwesties vormen de basis voor het gesprek met de raad en de samenleving. In paragaaf 2.5 wordt ingegaan op het participatietraject. 2.1.3 Samen bouwen aan kwaliteit (visie op de fysieke leefomgeving) Na de NvU 2021, die een eerste globale richting gaf, zijn de vijf centrale kwesties verder uitgewerkt en geconcretiseerd in de Visie op de fysieke leefomgeving (met de titel Samen bouwen aan kwaliteit).

Deze visie schets een globaal toekomstbeeld voor de gemeente Meppel waar het gaat om de fysieke leefomgeving en vormt het vertrekpunt voor verdere uitwerking, dialoog en toetsing in het vervolgproces. Aan de hand van de OER en door het intensiever raadplegen van de samenleving wordt de visie op de fysieke leefomgeving getoetst, bijgesteld en/of aangescherpt. Samen bouwen aan kwaliteit beslaat de gehele fysieke leefomgeving. De visie sluit aan bij de vijf centrale kwesties uit de NvU2021, waarvoor een wensbeeld is beschreven: Verstedelijking: groei, compacte binnenstad, gezond en groen wonen; Verduurzaming: CO2-neutraal in 2040, klimaatbestendig in 2050, circulair; Gezonde leefomgeving: bruisende stad met voldoende rust, beperken overlast, voldoende groen, bewegen, ontmoeten en voorzieningen nabij; Bedrijvigheid: inzetten op duurzaamheid, innovatie, circulair, regionale groei, balans; Toekomstbestendig buitengebied: duurzame voedselproductie, beleefbaar buitengebied, nieuwe verdienmodellen, energietransitie is zichtbaar, aandacht voor biodiversiteit. Het toekomstbeeld gaat uit van enkele belangrijke principes, die door alle centrale kwesties heen lopen. In deze principes verbinden we onze identiteit en kwaliteiten, regionale positie en toekomstige opgaven: -

Duurzaam werken en werken aan duurzaamheid ‘Werken aan duurzaamheid’, betekent aanpassing aan klimaatomstandigheden, vergroten van biodiversiteit, grondstoffen en energie besparen, duurzame opwekking en de transitie naar alternatieven voor aardgas organiseren. Dat doen we samen met de samenleving en met lokaal eigenaarschap. ‘Duurzaam werken’ betekent dat duurzaamheid een vaste factor is in alle opgaven. Of het nu gaat om transformatie of nieuwbouw, de vormen van vervoer, dagelijkse activiteiten en evenementen, thuis en in bedrijfsprocessen. ‘

26

-

Groeien vanuit (bestaande) bodem- en waterstructuren en cultuurhistorie De volgende drie basisprincipes worden ingezet bij de ontwikkeling van Meppel: 1. Bodem en waterhuishouding zijn al eeuwenlang vormend voor de ontwikkeling van Meppel en daarmee hét fundament voor alle ontwikkelingen. We houden daarbij rekening met veranderende klimaatomstandigheden. 2. De structuur van historische wegen, water en groenstructuren geeft ordening aan de stad en het landschap. Dit gebruiken we als casco waarbinnen de stad zich kan ontwikkelen. 3. De bestaande landschappen, cultuurhistorische structuren en bebouwing zijn sterke onderdelen van de identiteit van de gemeente, inclusief de contrasten. Hier bouwen we op voort en voegen we nieuwe identiteit aan toe.

-

Groeiend kwaliteit toevoegen We omarmen de groei, die vanuit onze regio op ons afkomt. Maar niet zonder meer. We willen met groei kwaliteit toevoegen. We willen dat ruimtelijke ontwikkeling bijdraagt aan de gezondheid en het geluk van bewoners, ook in de omgeving, en aan een aangename woon- en werkomgeving. In de visie op de fysieke leefomgeving is een aantal kwaliteiten benoemd die we van belang vinden bij toekomstige ontwikkelingen.

-

Groeien door inbreiding en uitbreiding in samenhang Het is vanzelfsprekend inbreiding voorop te stellen bij groei, vanuit duurzaam grondgebruik. We zien echter dat ook uitbreiding nodig is, zowel uit kwalitatief als kwantitatief oogpunt. Ten eerste voegt uitbreiding andere woonmilieus toe dan inbreiding. Dit draagt bij aan de diverse woonmilieus die we willen en kunnen aanbieden. Het houdt ook ruimte in de stad en dorpen voor behoud en realisatie van gewenste gemengde gebieden. En het behoud en versterken van de groene kwaliteit in de stad en de dorpen. Tot slot heeft Meppel onvoldoende binnenstedelijke ruimte om de grote vraag en ambitie te realiseren, zelfs als enkele gebieden getransformeerd worden. De locatiekeuze voor inbreiding en eventuele verdere uitbreiding moeten we nog maken. Wonen, werken en mobiliteit ontwikkelen we in samenhang. Dit geldt niet alleen voor de woonopgave, maar zeker ook voor de opgave rondom bedrijvigheid.

-

Meervoudig grondgebruik: gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde We zien dat meervoudig grondgebruik nodig is om in de beperkte ruimte alle maatschappelijke opgaven een plek te geven. Zeker in onze gemeente, waar een levendige regiostad en relatief klein buitengebied met natuur en landbouw het samen met elkaar moeten rooien. Dat betekent dat we opgaven moeten combineren tot nieuwe woon- en werkmilieus en tot een werkbaar, natuurrijk en beleefbaar buitengebied.

-

Menselijke maat voorop Een veilige, aantrekkelijke, toegankelijke en goed onderhouden woonomgeving is randvoorwaarde voor een goed woonklimaat. Maar ook aandacht voor sociale samenhang in buurten en wijken. We zetten daarom de menselijke maat voorop in buurten en wijken. Dat betekent een openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten en daarmee bijdraagt aan de sociale samenhang van de buurt. Groen en water zijn belangrijke kwaliteiten die we benutten. De inrichting van wijken gaat anonimiteit tegen. Buurtvoorzieningen zijn nabij, toegankelijk en veilig, passen bij de behoefte van de buurt en vormen een warm buurthart. Kleinschalige bedrijvigheid kan bijdragen aan de leefbaarheid van de buurten, zolang deze past bij de woonomgeving.

-

Organiseren van hoofdstructuur tot in de haarvaten (voor mens en dier, op alle vlakken) De gebieden om te wonen, werken en recreëren moeten goed bereikbaar en verbonden zijn. Dat geldt voor bewoners, bezoekers en toeristen, maar ook voor diersoor-

27

ten, goederen, energie en grondstoffen. We zien daarin een aantal belangrijke hoofdstructuren en een netwerk tot in de haarvaten. In de visie op de fysieke leefomgeving zijn deze hoofdstructuren nader geconcretiseerd (Groen, water en landschap / de regionale infrastructuur van wegen, spoor en water / de ringen en radialen in de stad / een nieuw warmte- en energienetwerk / De stromen van diensten en grondstoffen). We willen dat deze structuren een stabiele, veilige en toekomstbestendige ruggengraat binnen onze gemeente vormen. En dat de structuren logisch samenhangen met elkaar en omliggende gebieden. Vitale onderdelen van onze infrastructuren zijn beschermd tegen invloeden zoals klimaatomstandigheden. 2.1.4 Opgaven, ambities en doelstellingen Met het oog op de Omgevingsvisie en de effectbeoordeling in het OER is het belangrijk om te komen tot duidelijke ambities en doelstellingen. Een ambitie is een richting om de visie te realiseren, door bepaalde zaken tot stand te brengen, te verbeteren, te veranderen of te vernieuwen. In de Omgevingsvisie zijn de verschillende opgaven voor de gemeente Meppel beschreven. Op basis van deze opgaven, de visie op de fysieke leefomgeving en de uitgangspunten uit het bestaand gemeentelijk beleid zijn vier integrale ambities uitgewerkt die een integraal antwoord geven op de opgaven passend bij de identiteit en context van de gemeente Meppel: 1.

De gemeente Meppel is duurzaam in alle opzichten; 2. De gemeente Meppel is schoon, natuurlijk en gezond; 3. De gemeente Meppel is levendig en leefbaar voor iedereen; 4. De gemeente Meppel groeit kwalitatief en inclusief. In de Omgevingsvisie zijn aan deze ambities zo concreet mogelijke doelstellingen gekoppeld. In hoofdstuk 7 van het OER (doelbereik) wordt hier nader op ingegaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=0452c6c8-97a1-4058-97c3-47c2d2e72931