Nieuw: Beantwoording vragen n.a.v. raadscommissie inzake 'Voorkeursrecht Noord IV' (20 mei 2021)
Tekst van het document
Beantwoording vragen n.a.v. raadscommissie Tijdens de raadscommissievergadering van 20 mei 2021 heeft wethouder Ten Hulscher aangegeven dat er een korte ambtelijke toelichting zou volgen op een tweetal vragen van raadslid Knorren van het CDA. Onderstaand treft u de beantwoording aan: In toelichting op de vraag over de termijnen: Tegen het voorkeursrecht hebben veel betrokkenen bezwaar gemaakt. Het zorgvuldig behandelen van al deze bezwaren, het horen van betrokkenen en de voorbereiding van besluitvorming van uw raad kost tijd. In de praktijk worden beslistermijnen voor bezwaarschriften inzake een voorkeursrecht daarom zelden gehaald. Op het moment dat een beslistermijn is verstreken zonder dat het bestuursorgaan een besluit heeft genomen, kan een betrokkene het verantwoordelijk bestuursorgaan in gebreke stellen (de zgn. ‘Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’, geregeld in artikel 4:17 Algemene wet bestuursrecht). De hoogte van de verschuldigde dwangsom moet binnen twee weken na de beslissing op bezwaar worden vastgesteld met een beschikking. Zoals wethouder Ten Hulscher in de raadscommissievergadering al aangaf is bij een dergelijk besluit sprake van ‘mechanische wetstoepassing’. Op basis van het aantal dagen tussen de ontvangst van de ingebrekestelling en de beslissing op bezwaar, volgt uit de wet de hoogte van de verschuldigde dwangsom.
Daarin zit geen beoordelings- of afwegingsruimte voor het bestuursorgaan. In toelichting op de vraag over de twee afzonderlijk genoemde bezwaarden: Deze bezwaarden (L.P.J. Schouwstra en P. van Dijken) zijn mede-ondergetekenden van het bezwaarschrift van N.C. van Dam en R.T. van Dijken. De aangevoerde gronden van bezwaar zijn dus gelijk, maar toch leidt dit tot een andere conclusie: Uw raad wordt voorgesteld het bezwaar van N.C. van Dam en R.T. van Dijken ongegrond te verklaren, terwijl uw raad gelijktijdig wordt voorgesteld het bezwaar van L.P.J. Schouwstra en P. van Dijken niet-ontvankelijk te verklaren. De reden hiervoor is dat laatstgenoemden geen rechthebbende zijn op de aangewezen gronden (eigendom of beperkt recht zoals erfpacht). Daarmee staat ook vast dat zij geen belanghebbende volgens de Algemene wet bestuursrecht zijn. Een bezwaarschrift van een niet-belanghebbende wordt nietontvankelijk verklaard, terwijl een gelijkluidend bezwaarschrift van een welbelanghebbende gegrond of ongegrond verklaard kan worden. Om die reden is in de (concept) beschikking voor L.P.J. Schouwstra en P. van Dijken opgenomen dat ondanks de gelijkluidende gronden van bezwaar, dit voor hen toch leidt tot een ander resultaat.