Gewijzigd - Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25 hectare nieuwe natuur (grasland) en landschapselementen (zie landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 van de regels), neemt de landschappelijke en ecologische betekenis van het plangebied toe. De robuustheid van de NNN neemt ten opzichte van de huidige situatie toe. Vooral agrarisch cultuurland in de huidige situatie kan voor veel soorten een barrière vormen (akkerland, Engels raaigras). Vooral het bloem- en faunarijk grasland, de poel, de houtsingel en de struweelhagen zorgen voor een groene dooradering van de NNN. Uit veldbiologisch onderzoek en bronnenonderzoek is niet gebleken dat bijzondere soorten door deze gebiedontwikkeling negatief worden beïnvloed. Het plangebied behoort tot het functioneel leefgebied van verschillende beschermde soorten, waaronder mogelijk ook soorten van de Rode Lijst. Het functionele leefgebied voor deze soorten wordt door de aanleg van nieuwe natuur versterkt. Ten slotte zal de nieuwe bebouwing natuurvriendelijker zijn doordat voor nieuwe woongebouwen een geringere vraag naar fossiele brandstof (gas) geldt. Indien op deze plek het huidige bestemde gebruik (horeca) zou worden voorgezet (al dan niet in nieuwbouw) zal dit ten opzichte van wonen een negatiever effect hebben gehad.
De rust, duisternis en stilte ten opzichte van het nu mogelijke gebruik als horecavoorziening neemt door de bestemmingsplanwijziging naar wonen toe. Bij de planontwikkeling wordt rekening gehouden met 'natuurvriendelijke verlichting' door toepassing van lichtbronnen met een lage lichtsterkte die naar beneden zijn gericht, waardoor lichtverstrooiing richting de omgeving wordt beperkt. Stikstof Nabij het plangebied liggen meerdere stikstofgevoelige gebieden. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelig gebied is op circa 9 kilometer (De Wieden). Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 8 wooneenheden in een landhuis planologisch mogelijk gemaakt. Voor de realisatie van dit bouwproject wordt er gewerkt met meerdere werktuigen op de bouwplaats. Vanuit de verbrandingsmotoren van deze werktuigen ontstaan stikstofoxiden (NOx). De uitstoot is afhankelijk van factoren als het type werktuig, het vermogen, het percentage belasting en het aantal draaiuren. Deze variabelen zijn ingevoerd in het AERIUS model van het RIVM (versie 2023). De basisinformatie ten aanzien van de uitgangspunten voor het gebruik en type materieel zijn berekend op basis van het stedenbouwkundig ontwerp.
Na invoer van de gegevens van de mobiele werktuigen zijn ook de gegevens met betrekking op de vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats en de vervoersgegevens tijdens de gebuiksfase in de AERIUS calculator ingevoerd. Vervolgens is door de AERIUS calculator de totale stikstofdepositie van de aanleg- en de gebruiksfase in stikstofgevoelige gebieden als gevolg van deze emissies berekend. Het stikstofonderzoek is als bijlage 4 toegevoegd bij deze toelichting. Conclusie Het plangebied in de huidige situatie heeft lage ecologische en landschappelijke waarden (natuurwaarden). Door uitvoering van het erfinrichtingsplan, nemen de natuurwaarden sterk toe. Doordat de erfinrichting in het bestemmingsplan juridisch is geborgd via een voorwaardelijke verplichting, wordt de natuurfunctie niet onomkeerbaar belemmerd. Verder worden de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland door de vaststelling van dit bestemmingsplan niet significant aangetast. Er zou eerder sprake zijn van een versterking van de natuurwaarden. Tijdens zowel de bouw- en de gebruiksfase neemt de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig gebied niet toe. 5.5.2
Soortenbescherming
De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten vrijstelling verlenen van dit verbod. In de provinciale verordening dienen deze mogelijkheden dan wel opgenomen te zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan / onderbouwd, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. Onderzoek
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25
Natuurbank Overijssel heeft een quickscan flora en fauna in het plangebied uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5. Geconstateerd is dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maken, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
5.6
Archeologie
Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. De kern van de Erfgoedwet is dat, wanneer de bodem verstoord wordt, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden de archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van gemeentelijk of provinciaal beleid bepaald. Archeologisch onderzoek Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Gelet op de omvang van de verstoring van het bodemarchief is door de Steekproef een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd (RAP 2022). Dit onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd aan deze toelichting. Ten behoeve van dit onderzoek is ook een deel ten oosten van het plangebied onderzocht. De reden is dat op het moment dat het onderzoek uitgevoerd werd er nog sprake van een ander bestemmingsplangebied. Naderhand is in overleg met de gemeente en de provincie de eerder in de plannen opgenomen toegangsweg nabij het woongebouw gesitueerd. Een deel van het plangebied is destijds niet onderzocht. De reden hiervoor is dat in 2022 alleen de bouwlocatie onderzocht is. Gelet op de gewenste terreininrichting is ook archeologisch onderzoek rondom de bouwlocatie nodig.
In 2024 is daarom een aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 opgenomen in deze toelichting. Uit het in 2022 uitgevoerde booronderzoek bleek dat de bodem in het grootste deel van het destijds onderzochte plangebied diep was verstoord. Restanten van podzolbodems werden niet aangetroffen. Uitgangspunt voor het in 2024 uitgevoerde aanvullend booronderzoek is het in 2022 uitgevoerde bureauonderzoek. Op basis van dit bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor archeologische waarden uit het paleolithicum tot de nieuwe tijd. Uit het in 2024 uitgevoerde verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in het grootste deel van het plangebied diep is verstoord. De bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met hieronder een vergraven pakket zand. Dit komt overeen met het verstoorde pakket dat in 2022 in het aangrenzende onderzoeksgebied is waargenomen. Onder het vergraven pakket is direct de C-horizont aanwezig. Enkel in boring 13 is een podzolbodem bestaande uit een B-, BC- en C-horizont waargenomen. Er zijn in de boringen en tijdens de veldkartering geen vondsten gedaan. Conclusie Op basis van de afwezigheid van archeologische indicatoren, de afwezigheid van archeologische waarden in de directe omgeving, alsook een grotendeels verstoord bodemprofiel, wordt de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden in het onderzoeksgebied klein geacht.
Geadviseerd wordt om het gehele plangebied wat betreft de archeologie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Als in het onderzochte gebied bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25 worden gemaakt.
5.7
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dienen cultuurhistorische waarden meegewogen te worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat een analyse van de cultuurhistorische waarden moet worden verricht. In het ruimtelijk plan moet vervolgens inzichtelijk gemaakt worden op welke wijze deze waarden geborgd worden. Onderzoek In de gebiedsvisie (bijlage 1) in hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de cultuurhistorische waarde van het visiegebied (inclusief het plangebied) en de omgeving. Het erfinrichtingsplan houdt ook rekening met de cultuurhistorische waarden. Zo is de erfontsluiting gesitueerd nabij de bebouwing waardoor de ontsluiting deel uitmaakt van het erf. Conclusie Cultuurhistorie is een belangrijke drager voor het landschappelijk- en stedenbouwkundig ontwerp (samengevoegd in de gebiedsvisie). Het bestemmingsplan is dan ook niet in strijd met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.8
Externe veiligheid
Het externe veiligheidsbeleid stelt twee zaken centraal: 1. de bescherming van personen bij een risicobron tegen de kans op overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen, een vliegtuig op of bij een luchthaven of een windturbine (PR); 2. de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers (GR). Voor het bereiken van de eerste doelstelling wordt gebruik gemaakt van het begrip plaatsgebonden risico (PR). Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij genoemde risicobronnen. De norm voor het PR is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Het PR is alleen van toepassing indien binnen de PR contour (zone rondom een risicobron) kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woning, ziekenhuis, grote winkelcentra en bedrijven) zich bevinden. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een kleine winkel of klein bedrijf) geldt een richtwaarde. Voor het bereiken van de tweede doelstelling wordt gebruik gemaakt van het groepsrisico (GR). Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Het aantal personen dat in de omgeving van de risicobron verblijft, bepaalt daardoor de hoogte van het GR.
Voor het GR geldt geen norm, maar een oriëntatiewaarde en in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit betekent dat het bevoegde gezag bij het nemen van een besluit het GR moet verantwoorden. Onderzoek In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle transportroutes, risicovolle buisleidingen of risicovolle inrichtingen aanwezig. Voor het plangebied gelden daarom geen risicocontouren waaraan het nieuwe woningbouwproject getoetst moet worden.
5.9
Luchtkwaliteit
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit waardoor men burgers beschermt tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). NSL/NIBM Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25
Deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. In het Besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de NIBM-tool april 2018 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 8 wooneenheden planologisch mogelijk gemaakt. Op grond van de CROW – publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) is de verkeersgeneratie van een duur koopappartement bepaald op minimaal 7,0 ritten en maximaal 7,8 per etmaal.
Figuur 5.1 berekening NIBM
Conclusie Uit de NIBM berekening blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Een nader onderzoek is daarom niet nodig.
5.10
Besluit Milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)
In het Besluit m.e.r. is in de D-lijst aangegeven welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Wanneer een activiteit onder de in kolom 2 van deze D-lijst opgenomen drempelwaarde blijft, moet het bevoegd gezag zich er nog steeds van vergewissen of de activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. In onderdeel D 11.2 zijn de drempelwaarden voor een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Voor woningbouwproject vanaf 2000 woningen is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig). In tegenstelling tot de Bro is in het Besluit m.e.r. het begrip stedelijk ontwikkelingsproject niet gedefinieerd. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het project. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. Als een ontwikkeling negatieve milieugevolgen heeft dan is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Gelet op de huidige situatie waarin in het bestemmingsplangebied een leegstaande voormalige
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25 agrarisch bedrijf met een horecabestemming staat is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. De reden hiervoor is dat door het realiseren van 8 wooneenheden het aantal verkeersbewegingen gaat toenemen. Dat de planologische bestemming nu al logies toestaat (bestemming is nu Horeca) doet hier niets aan af. De horecafunctie is nooit concreet geworden en dus is de bij de horecafunctie behorende verkeergeneriek nooit feitelijke aanwezig geweest. Dit woningbouwproject ligt onder de drempelwaarde. Het project is daarom niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat er wel sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is onderzocht of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld (bijlage 8).
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische toelichting en regels
Algemeen
Voor het opstellen van dit bestemmingsplan is mede het handboek bestemmingsplannen 2012 gebruikt. Ook is het huidige bestemmingsplan Buitengebied (eerder vastgesteld dat het handboek) gebruikt bij het opstellen van dit bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat door aan te sluiten om de bestemmingsplanmethodiek van de naastgelegen kavel er een juridisch planologische eenheid blijft bestaan. Daarnaast voldoet dit bestemmingsplan aan het door het Rijk opgestelde plansystematiek in inhoud zoals benoemd in de Wro, Bro, Wabo en de SVBP 2012.
6.2
Planregels
De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn in artikel 1 en 2 de inleidende regels opgenomen. Dit zijn begrippen en de wijze van meten die de gemeente Meppel standaard opneemt in haar bestemmingsplannen. Hoofdstuk 3 en 4 zijn ook algemene hoofstukken die door het Rijk zijn voorgeschreven of deel uit maken van de standaard regels van de gemeente Meppel. In hoofdstuk 2 is de voor dit bestemmingsplan van toepassing zijn de bestemmingen 'Agrarisch met waarde - Landschap', ‘Wonen’ en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschap Op basis van de karakteristieke kenmerken en waarden van het plangebied is een groot deel van het plangebied bestemd met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. De (agrarische) ontwikkelingsmogelijkheden worden mede bepaald door deze kenmerken en waarden, die betrekking hebben op landschap, ecologie, cultuurhistorie en archeologie. De in de doeleindenomschrijving genoemde waarden binnen deze bestemming dient te worden behouden, hersteld en waar mogelijk ontwikkeld. Artikel 4 Wonen - Landhuis In totaal mogen er maximaal 8 wooneenheden worden gerealiseerd. Aangezien deze wooneenheden in het huidige bestemmingsplan nog niet zijn toegestaan is op de plankaart een aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen.
Gekozen is om het hoofdgebouw vast te leggen binnen een bouwvlak. Het bebouwingspercentage bedraagt 65%. Hiermee wordt aangesloten op de bebouwingscontour zoals opgenomen is in het schetsplan. De goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt respectievelijk ten hoogste 4,5 meter en 10 meter. Bed en breakfast, vrijstaande mantelzorgvoorzieningen en aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten worden niet toegestaan. De reden hiervoor is dat deze voorzieningen niet in het woonconcept passen. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 De archeologische waarden worden door middel van de aangegeven te beschermen gebieden op de verbeelding gewaarborgd. Om aantasting van waardevolle informatie in de bodem te voorkomen is een omgevingsvergunningstelsel ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden opgenomen), evenals een afwijkingsprocedure middels een omgevingsvergunning voor bouwen. De gronden met middelhoge archeologische verwachtingswaarde zijn aangeduid als 'Waarde Archeologie 3'. Voor de gronden binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt dat behoud in situ het uitgangspunt is. Bodemingrepen dienen te worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, dient nader onderzoek plaats te vinden. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, onder andere ten aanzien van bouw en gebruik.
Artikel 6 algemene aanduidingsregels Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. In alle gevallen gaan gebiedsaanduidingen
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25 vergezeld met een daarop betrekking hebbende regeling in de planregels. Geluidzone wegverkeer De Schiphorsterweg is een geluidsgezoneerde weg waarvoor het bevoegd gezag grenswaarden bepaalt. De Wet geluidshinder kent bandbreedtes waarbinnen het bevoegd gezag moet blijven. De voorkeurswaarde van 48 dB contour is in het huidige bestemmingsplan vastgelegd. De contour wordt één op één in dit bestemmingsplan overgenomen. De nieuwbouw mag daardoor niet binnen deze contour worden gerealiseerd. Het laatste hoofdstuk bevat de overgangs- en slotregels.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Meppel – Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1.1
Inspraak en overleg
In het kader van het wettelijk overleg 3.1.1. Bro heeft de gemeente het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Drenthe en het waterschap Drents Overijsselse Delta. Tevens zijn de plannen aan de omgeving gepresenteerd. Voorafgaande aan deze informatieavond heeft het voorontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Alleen de provincie Drenthe heeft een overlegreactie bij de gemeente ingediend. Het waterschap heeft via een wateradvies naar aanleiding van de digitale watertoets gereageerd. Tijdens de terinzagelegging van het voorontwerp zijn 4 inspraakreacties ingediend. Mede naar aanleiding van deze inspraakreacties heeft initiatiefnemer het project aangepast. Het aangepaste plan is vervolgens aan de inwoners en omwonenden van de Schiphorst gepresenteerd. Een verslag van de informatieavond is als bijalge 9 bij deze toelichting togevoegd. Een samenvatting van de overleg- en inspraakreacties en de beantwoording daarvan heeft de gemeente opgenomen in de 'Reactienota inspraak en overleg bestemmingsplan Meppel - Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25'. Deze reactienota is als bijlage 10 opgenomen in dit bestemmingsplan. 7.1.2
Zienswijze
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 27 september 2023 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling zijn of haar zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan naar voren brengen. Gedurende deze termijn zijn er 3 afzonderlijke zienswijzen ontvangen. Een samenvatting van de zienswijzen en de beantwoording op deze zienswijzen is opgenomen in de als bijlage 11 toegevoegde 'Reactienota zienswijzen bestemmingsplan 'Meppel Buitengebied, herziening Schiphorsterweg 25'.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
7.2.1
Grondexploitatie
De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan, is opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uit dit artikel blijkt dat onder een bouwplan o.a. wordt verstaan de bouw van een woning. Het bevoegd gezag dient een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, tenzij: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en 3. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is. Over het verhalen van de gemeentelijke kosten wordt voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een exploitatieovereenkomst afgesloten. Daarmee zijn de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd. Ook is het bepalen van een tijdvak of fasering niet aan de orde en is het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels niet noodzakelijk. De vaststelling van een exploitatieplan is zodoende niet nodig, aangezien het kostenverhaal nu anderszins verzekerd is.
Toelichting (vastgesteld)
33