CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Gemeenschappelijke Regeling Reestmond per 1-7-2024

1 - RAADSVERGADERING 25 januari 2024, gemeente MeppelBij agendapunt: Gemeenschappelijke regeling Reestmond per 1-7-20243.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REESTMOND Intitulé De colleges van burgemeester en wethouders van Meppel, Staphorst en Westerveld Overwegende, dat de Wet gemeenschappelijke regelingen is gewijzigd dat daarom de gemeenschappelijke regeling Reestmond moet worden aangepast besluiten vast te stellen de volgende gemeenschappelijke regeling Reestmond, waarmee de vorige gemeenschappelijke regeling, geldend vanaf 1 januari 2021, wordt ingetrokken.

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1. Definities In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. de regeling: deze gemeenschappelijke regeling. b. Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur als bedoeld in artikel 12 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. c. Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur als bedoeld in artikel 12 van de Wet gemeenschappelijk regelingen. d. voorzitter; de voorzitter als bedoeld in artikel 12 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. e. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe. f. werknemers: degenen, die ingevolge de Wet in een dienstbetrekking tot het Werkvoorzieningschap staan. g. personeel: het door of namens het openbaar lichaam aangesteld, op detacheringbasis ingehuurd, of in dienst genomen ambtelijk personeel. h. Uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie Werkvoorzieningschap Reestmond. i. Directeur: de persoon die is belast met de dagelijkse leiding van de uitvoeringsorganisatie. j. SE (= Standaard Eenheid): de eenheid die overeenkomt met een arbeidsplaats van 36 uur voor een werknemer die op grond van de (her)indicatie is ingedeeld in arbeidshandicapcategorie matig.

HOOFDSTUK 2. HET OPENBAAR LICHAAM Artikel 2. Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Reestmond. 2. Het openbaar lichaam is rechtspersoon als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet gemeenschappelijk regelingen en is gevestigd te Meppel. 3. Het werkgebied van het openbaar lichaam omvat het grondgebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten. Artikel 3. Taken, activiteiten en bevoegdheden 1. De colleges van de gemeenten dragen de volledige uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening voor wat betreft de tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening behorende ingezetenen die werkzaam zijn bij het openbaar lichaam Reestmond over, met uitzondering van: a. tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening behorende ingezetenen van de gemeenten die op 31 december 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst waren bij het openbaar lichaam Reestmond voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden; b. tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening behorende ingezetenen van de gemeenten, die door het college een arbeidsovereenkomst naar Burgerlijk Recht krijgen aangeboden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden, en deze werknemers daartoe een passende arbeidsplaats aanbiedt. 2.

Tevens heeft het openbaar lichaam Reestmond de mogelijkheid om haar aanwezige infrastructuur ter beschikking te stellen ten behoeve van het in opdracht van of in samenwerking met de gemeenten en/of andere organisaties verrichten van bepaalde diensten en activiteiten voor andere vormen van gesubsidieerde arbeid, met dien verstande dat de taken genoemd in lid 1 op geen enkele wijze in gedrang mogen komen of mogen worden geschaad. 3. Het openbaar lichaam heeft de mogelijkheid tot het oprichten van of het deelnemen in privaatrechtelijke rechtspersonen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

HOOFDSTUK 3. ALGEMEEN BESTUUR Artikel 4. Samenstelling De colleges van de deelnemende gemeenten wijzen elk twee leden aan voor het Algemeen Bestuur. Artikel 5. Stemrecht Elk lid van het Algemeen Bestuur heeft stemrecht.

Artikel 6. Reglement van orde Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Artikel 7. Informatie- en verantwoordingsplicht 1. Onverlet de actieve informatieplicht zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 Wgr ontvangen de raden van de deelnemende gemeenten van het openbaar lichaam: a. de verslagen van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur nadat deze zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur, en; b. de besluiten die van belang zijn voor het Algemeen Bestuur nadat deze zijn gedeeld met het Algemeen Bestuur. 2. De verslagen van de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar vanwege de bedrijfseconomische belangen. Artikel 8. Beraadslaging en stemming 1. Elk lid van het Algemeen Bestuur heeft stemrecht. 2. Voor het tot stand komen van een besluit is vereist dat: a. minimaal twee gemeenten instemmen met het besluit, en; b. er sprake is van een meerderheid van stemmen. Er wordt een stemverdeling toegepast waarbij het gewicht van de stem van een lid van het Algemeen Bestuur wordt bepaald naar rato van het aantal plaatsen op grond van de Wsw, uitgedrukt in SE’s, dat een gemeente heeft ondergebracht bij het openbaar lichaam (peildatum laatst vastgestelde begroting). 3. Alleen de aanwezige leden of hun plaatsvervangers kunnen aan een stemming deelnemen. 4. De directeur heeft een adviserende stem.

HOOFDSTUK 4. DAGELIJKS BESTUUR Artikel 9. Samenstelling 1. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit: a. drie leden, waaronder de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris, allen afkomstig uit een van de deelnemende gemeenten. 2. Het Algemeen Bestuur benoemt op voordracht van het Dagelijks Bestuur een secretaris, een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 3. De secretaris is tevens secretaris van het Algemeen Bestuur. 4. De leden van het Dagelijks Bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het Algemeen Bestuur in de nieuwe samenstelling.

Artikel 10. Aanwijzing leden en tussentijdse vacatures 1. Indien tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur openvalt, wijst het Algemeen Bestuur binnen twee maanden een nieuw lid aan. 2. Gaat het openvallen van een plaats in het Dagelijks Bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het Algemeen Bestuur, dan vindt aanwijzing plaats nadat de plaats in het Algemeen Bestuur opnieuw is bezet, tenzij deze benoeming meer dan drie maanden zou uitblijven. 3. Indien langdurige verhindering of ontstentenis van een lid van het Dagelijks Bestuur verwacht wordt, kan het Algemeen Bestuur op voorstel van het Dagelijks Bestuur in diens tijdelijke vervanging voorzien. 4. Het tijdelijke benoemde lid treedt als zodanig af, zodra degene die hij vervangt, de uitoefening van zijn taak hervat. 5. De leden van het Dagelijks Bestuur treden af op de dag van aftreding van het Algemeen Bestuur. Artikel 11. Vergadering Dagelijks Bestuur 1. Het Dagelijks Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of tenminste twee leden van dit bestuur dit nodig achten. 2. De artikelen 22 en 56 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 12. Reglement van orde Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Artikel 13. Beraadslaging en stemming 1. Elk lid van het Dagelijks Bestuur heeft stemrecht. 2.

Voor het tot stand komen van een besluit is vereist dat: a. minimaal twee gemeenten instemmen met het besluit, en; b. er sprake is van een meerderheid van stemmen. Er wordt een stemverdeling toegepast waarbij het gewicht van de stem van een lid van het Dagelijks Bestuur wordt bepaald naar rato van het aantal plaatsen op grond van de Wsw, uitgedrukt in SE’s, dat een gemeente heeft ondergebracht bij het openbaar lichaam (peildatum laatst vastgestelde begroting). 3. Alleen de aanwezige leden of hun plaatsvervangers kunnen aan een stemming deelnemen. 4. De directeur heeft een adviserende stem. Artikel 14. Ondertekening stukken De stukken, die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan, worden door de voorzitter en secretaris ondertekend.

HOOFDSTUK 5. DE VOORZITTER Artikel 15. Algemene bepalingen 1. Het Algemeen Bestuur wijst in de eerste vergadering van elke zittingsperiode uit zijn midden, op voordracht van het Dagelijks Bestuur, de voorzitter aan. Hetzelfde geldt met betrekking tot de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris. 2. Het voorzitterschap rouleert tussen de deelnemende gemeenten. 3. De artikelen 40 en 41 van de Gemeentewet zijn ten aanzien van de voorzitter van overeenkomstige toepassing. 4. Bij verhindering of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door de plaatsvervangend voorzitter en bij diens verhindering of ontstentenis het hiertoe door het Algemeen Bestuur aan te wijzen lid van het Dagelijks Bestuur, dat door en uit het midden van het Bestuur aangewezen is. Artikel 16. Informatie- en verantwoordingsplicht 1. De voorzitter is aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde beleid. 2. Hij geeft het Algemeen Bestuur, mondeling of schriftelijk, de door één of meer leden gevraagde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang. 3. Het Algemeen Bestuur kan omtrent de wijze waarop van de voorzitter inlichtingen kunnen worden gevraagd, alsmede de wijze waarop hij ter verantwoording kan worden geroepen, in zijn reglement van orde nadere regels stellen.

HOOFDSTUK 6. ORGANISATIE EN PERSONEEL Artikel 17. Organisatiestructuur Er is een uitvoeringsorganisatie genaamd: “Werkvoorzieningschap Reestmond”. Artikel 18. Directeur 1. De dagelijkse leiding van de uitvoeringsorganisatie berust bij de directeur. 2. De bevoegdheden van de directeur worden opgenomen in een door het Dagelijks Bestuur vast te stellen directiestatuut/mandaatbesluit. Artikel 19. Aanstelling werknemers niet afkomstig uit het verzorgingsgebied 1. Op verzoek van de betrokken gemeentebesturen kunnen personen, wonend in niet aan deze regeling deelnemende gemeenten, door de uitvoeringsorganisatie in dienst worden genomen. 2. Het bepaalde in het eerste lid vindt plaats onder nader te regelen voorwaarden en tegen betaling van een door het Algemeen Bestuur vast te stellen bijdrage.

HOOFDSTUK 7. PARTICIPATIE EN REGIONALE ADVIESCOMMISSIE Artikel 20. Regionale raadsadviescommissie Op voorstel van de raden van de deelnemende gemeenten gezamenlijk stelt het Algemeen Bestuur van een openbaar lichaam een gemeenschappelijke adviescommissie in die het Algemeen Bestuur van advies kan voorzien, de besluitvorming van de raden van de deelnemende gemeenten met betrekking tot de regeling kan voorbereiden of de raden van advies kan voorzien. Artikel 21. Burgerparticipatie De Adviesraad Sociaal Domein van de deelnemende gemeenten worden betrokken bij de voorbereiding van regelingen met een verordenend karakter waarvan het uiteindelijke besluit wordt genomen door het Algemeen Bestuur.

HOOFDSTUK 8. FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 22. Opmaken van de begroting en bepalen bijdrage deelnemende gemeenten. 1. Het dagelijks bestuur zendt de kadernota voor 30 april aan de deelnemende gemeenten voor een zienswijze. 2. Bij het opstellen van de ontwerpbegroting voor het volgende jaar gelden de volgende uitgangspunten die zichtbaar worden aangegeven in de ontwerpbegroting: a. Het aantal verwachte SE’s wat overeenkomt met het bepaalde in artikel 3 lid 1 per 1 januari van het begrotingsjaar. b. Het totaal van begrote baten en lasten van het openbaar lichaam, exclusief de bijdragen van de deelnemende gemeenten. c. De totale bijdrage van de deelnemende gemeenten, uitgesplitst per gemeente, volgens de verdeelsleutel naar rato van het aandeel SE’s zoals bedoeld onder sub a. Voor het vaststellen van het aantal SE’s wordt gebruik gemaakt van de administratie van het openbaar lichaam. Deze is mogelijk niet gelijk aan de opgaven bij Panteia. d. Als het aandeel SE’s van een deelnemende gemeente, vanwege niet natuurlijk personeelsverloop en/of individuele wijzigingen in arbeidscontracten, met 15% of meer daalt, volgens de begroting van het voorgaande jaar, dan wordt dit apart benoemd. Het Dagelijks Bestuur kan dan expliciet met de wijziging instemmen bij het vaststellen van de ontwerpbegroting en is dit kenbaar voor de raden van de deelnemende gemeenten. e.

Wanneer een deelnemende gemeente geen SE’s meer bij de uitvoeringsorganisatie heeft, zoals bedoeld onder sub a, en er geen uittredingsbesluit is genomen, dan wordt in de verdeelmaatstaf van bijdragen een bedrag voor die gemeente vastgelegd volgens een besluit van het Dagelijks Bestuur.

f. Alle kosten en opbrengsten worden zo realistisch mogelijk begroot. De bijdrage voor deelnemende gemeenten wordt bepaald op een bedrag om tot een resultaat neutrale begroting te komen. 3. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting 12 weken, voordat zij ter vaststelling aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden, aan de deelnemende gemeenten. Artikel 23. Betaling gemeentelijke bijdragen 1. Elke gemeente levert jaarlijks een bijdrage in de kosten van het openbaar lichaam zoals begroot volgens artikel 22 lid 2 sub c. 2. Aan het begin van iedere maand betalen de deelnemende gemeenten bij wijze van voorschot 1/13 deel van de in de begroting geraamde jaarlijkse bijdrage in de kosten. In de maand mei is het voorschot 2/13 deel. 3. Bij een herziene begroting wordt het maandbedrag gewijzigd nadat het Dagelijks Bestuur de concept-herziene begroting heeft verzonden aan de griffies van de raden van de deelnemende gemeenten. 4. Wanneer het openbaar lichaam de deelnemende gemeenten aanvullend wil belasten voor de bijdrage in de kosten, als gevolg van budgetoverschrijding die niet kan worden gecompenseerd met een reserve-onttrekking, dan geldt de berekeningswijze van artikel 22 lid 2 sub c. Deze verrekening vindt plaats nadat het Dagelijks Bestuur de voorlopige jaarrekening heeft vastgesteld. 5.

Bij niet tijdige betaling van de bedragen genoemd in het eerste en tweede lid, is de wettelijke rente verschuldigd. Artikel 24. Garantstelling Bank Nederlandse Gemeenten 1. De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. 2. Indien aan het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het Algemeen Bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet of artikel 104 Waterschapswet, respectievelijk een verzoek aan de Minister tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet. 3. Een liquiditeitsplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

HOOFDSTUK 9. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 25. Toetreding 1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die wenst toe te treden richt, na verkregen toestemming van de raad van die gemeente, het verzoek daartoe aangetekend aan het Algemeen Bestuur.

2. Voorwaarde is dat het bij de toetreding de doelgroep gelijk is aan de huidige groep werknemers en de uitvoering van de Wsw. 3. Bij een verzoek tot toetreding wordt minimaal aangeleverd: a. de redenen van het verzoek; b. het aantal SW-werknemers c. het aantal ambtelijke medewerkers, en; d. informatie over de financiële positie. 4. Het Algemeen Bestuur zendt het verzoek als bedoeld in het eerste lid binnen 13 weken door aan de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, onder overlegging van zijn advies omtrent de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. 5. Toetreding vindt plaats per 1 januari, indien de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten daarmee hebben ingestemd en ter zake toestemming is verkregen van de raden van de deelnemende gemeenten. 6. Aan de toetreding kunnen bij de in het vierde lid bedoelde besluiten voorwaarden worden verbonden. Artikel 26. Uittreding . 1. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente die wenst uit te treden, richt na het verkrijgen van toestemming van de raad van die gemeente, een aangetekend verzoek daartoe aan het Algemeen Bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het Algemeen Bestuur het besluit heeft ontvangen. 2.

Ter voorbereiding op de besluitvorming van het Algemeen Bestuur, stelt het Dagelijks Bestuur een projectgroep samen die onder leiding van een onafhankelijke externe deskundige het concept-uittredingsplan voorbereid. 3. In het concept-uittredingsplan wordt, met inachtneming van het bepaalde in deze regeling, vastgelegd: a. de gevolgen van de uittreding (oftewel, de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties); b. de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan; c. de voorwaarden voor uittreding; d. de systematiek voor de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, en; e. een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen: de voorlopige uittreedsom. 4. Het Dagelijks Bestuur geeft een onafhankelijke externe financieel deskundige opdracht om het door de projectgroep voorbereide concept-uittredingsplan te toetsen, nadat voor de opdracht instemming is verkregen van de uittredende gemeente. 5. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe financieel deskundige zijn voor rekening van de uittredende gemeente, waarbij het tarief van de deskundige

in overeenstemming dient te zijn met hetgeen voor dit soort werkzaamheden in de desbetreffende adviesbranche gebruikelijk is. 6. Ten minste 8 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het voorlopige uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in lid 3 sub d en op de jaarrekening van het meest recent verstreken boekjaar. 7. Er zijn randvoorwaarden bij het bepalen van de voorlopige uittreedsom: a. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittredingssom door het Algemeen Bestuur is het uitgangspunt dat de uittredende partij de schade van het openbaar lichaam en de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die het rechtstreekse gevolg zijn van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling; b. de schade dient, volgens de beginselen van behoorlijk bestuur, (cijfermatig) onderbouwd te worden; c. ook dient deze schade over een redelijke periode berekend te worden: volgens vaste jurisprudentie is het daarbij redelijk een afbouwperiode van 5 jaar in acht te nemen; d. onvoorziene omstandigheden, zoals de toekomstige liquidatie van de gemeenschappelijke regeling, mogen daarbij geen rol spelen; e. er moet gekeken worden naar de concrete positie van de uittredende gemeente.

Vraagpunt daarbij is of de continuïteit van samenwerking binnen de gemeenschappelijk regeling direct in gevaar komt, of dat deze makkelijk te garanderen is door kleine aanpassingen; f. er moet worden uitgegaan van de gebruikelijke begrotingssystematiek en feitelijke mogelijkheden voor het openbaar lichaam om door bezuiniging of sanering de schade te beperken; g. bij bedrijfsactiviteiten met een marktwaarde kan in de schadeberekening ook een bedrag worden opgenomen voor het verlies aan goodwill; h. wanneer het openbaar lichaam langlopende verplichtingen is aangegaan (bijvoorbeeld aanschaf van kapitaalgoederen) met het vooruitzicht op voortzetting van activiteiten in een bepaalde omvang, zal de schade door uittreding hoger kunnen uitvallen, dan wanneer er slechts sprake is van dienstverlenende capaciteit met hoofdzakelijk gehuurde middelen waarbij verplichtingen op korte termijn kunnen worden beëindigd; en i. de raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding, tenzij de uittredende gemeente dan wel het Algemeen Bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald doordat: •

de wederpartij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, waarvan deze diende aan te nemen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou luiden indien deze onjuiste inlichtingen niet zouden zijn verstrekt, en;

•

de wederpartij inlichtingen die hem op het moment van het bepalen van de uittreedsom bekend waren niet heeft verstrekt, terwijl de wederpartij

redelijkerwijs had moeten aannemen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 8. De leden van het Algemeen Bestuur kunnen het uittredingsplan op de voor hen gebruikelijke wijze voor consultatie toezenden aan de raden van de deelnemende gemeenten. Daarnaast wordt de Ondernemingsraad van Reestmond in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de personele en organisatorische gevolgen die voortvloeien uit het uittredingsplan, conform de bepalingen in de Wet op de Ondernemingsraden. 9. Uiterlijk 6 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding, stelt het Algemeen Bestuur het definitieve uittredingsplan en uittreedsom vast. 10. Uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen en de uittreding is gepubliceerd in de Staatscourant. Artikel 27. Wijziging regeling 1. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de besturen van de deelnemende gemeenten kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 2. Een wijziging is tot stand gekomen wanneer: a. de colleges van burgemeester en wethouders haar hebben vastgesteld, en; b. de raden daarvoor toestemming gegeven hebben. 3. De wijziging gaat in op de in het besluit aangegeven dag, maar niet eerder dan dat de beslissing gepubliceerd is in de Staatcourant. Artikel 28. Liquidatie 1.

De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

2.

Een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt tevens de datum van opheffing en kan niet eerder worden genomen dan nadat het Algemeen Bestuur daarover zijn mening kenbaar heeft gemaakt.

3.

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten dragen er zorg voor dat de gemeenschappelijke regeling wordt verwijderd uit het register als bedoeld in artikel 27 Wgr.

4.

In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels op in een liquidatieplan.

5.

Het liquidatieplan wordt niet vastgesteld, dan nadat de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten zijn gehoord.

6.

In het liquidatieplan zijn bepalingen opgenomen omtrent de vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel, de werknemers en de archieven.

HOOFDSTUK 10. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 29. Zienswijze 1. De gemeenteraad van de deelnemende gemeenten worden gevraagd om een zienswijze op: a. de kadernota; b. de ontwerpbegroting, en; c. beleidsplannen en/of strategische plannen. 2. Er wordt niet gevraagd om een zienswijze op de jaarrekening, omdat dit een afsluitend document is waarop geen wijzigingen mogelijk zijn. Artikel 30. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2024. Artikel 31. Toezenden aan Gedeputeerde Staten De in de artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voorgeschreven toezending van de regeling aan Gedeputeerde Staten zal geschieden door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel. Artikel 32. Duur van de regeling en evaluatie 1. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. 2. Deze regeling wordt eens in de 4 jaar geëvalueerd door het Dagelijks Bestuur, voorafgaand aan het beëindigen van een reguliere collegeperiode. De evaluatie is een van de overdrachtsdocumenten voor het (nieuwe) Dagelijks Bestuur na de implementatie van de nieuwe colleges van burgemeester en wethouders en het benoemen van de (nieuwe) Dagelijks Bestuur leden. 3. Naast lid 2 kan vanuit de raden van de deelnemende gemeenten verzocht worden om een evaluatie van de regeling. Artikel 33. Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Reestmond”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=7d40f3cb-461d-4dfc-b7c7-d970736d21f1