Bijlage 6 - Werkafspraken omgevingsprogramma's
Tekst van het document
Werkafspraken tussen college en gemeenteraad over omgevingsprogramma’s onder de Omgevingswet De omgevingsvisie bevat het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor de gemeente Meppel. Het is het vertrekpunt voor het opstellen van omgevingsprogramma’s onder de Omgevingswet. Het vaststellen van een omgevingsprogramma is een bevoegdheid van het college. De gemeenteraad heeft in de Nota van Uitgangspunten omgevingsvisie in 2021 vastgelegd dat er bij de vaststelling van de omgevingsvisie heldere afspraken tussen gemeenteraad en college worden gemaakt over omgevingsprogramma’s. In dit document worden deze afspraken vastgelegd. Omgevingsprogramma In een omgevingsprogramma kunnen allerlei beleidsdoelen worden uitgewerkt: van kaderstellende beleidsuitwerking tot uitvoerende maatregelen in de fysieke leefomgeving. Het vaststellen van een omgevingsprogramma is een bevoegdheid van het college. De omgevingsvisie is conform de opdracht van de gemeenteraad een visie op hoofdlijnen. Omdat in de omgevingsvisie globale ambities en strategische doelen staan, is in de omgevingsprogramma’s een vertaalslag nodig. Die vertaalslag betekent dat voor omgevingsprogramma’s voor een deel ook kaderstellende beleidsuitwerking zullen bevatten. Toekomstige omgevingsprogramma's zullen voor een deel ook uitvoerende maatregelen bevatten voor de fysieke leefomgeving.
Totstandkoming De totstandkoming van een omgevingsprogramma doorloopt een proces. Dit proces bestaat globaal uit de volgende stappen: participatie voorafgaand aan het opstellen van het omgevingsprogramma, het opstellen van het ontwerp omgevingsprogramma, in beeld brengen van eventuele natuur- en/of milieueffecten, gelegenheid tot het geven van reacties op het ontwerp en vaststelling van het definitieve omgevingsprogramma. Afhankelijk van het soort omgevingsprogramma en het onderwerp kan het proces korter of uitgebreider zijn. De rol van de raad en de mate van betrokkenheid De gemeenteraad heeft geen formele rol bij de totstandkoming en vaststelling van een omgevingsprogramma. Toch kan het wenselijk zijn dat de gemeenteraad vanwege haar kaderstellende rol wel enige mate van betrokkenheid heeft bij de totstandkoming van sommige omgevingsprogramma’s. Hierover maken we werkafspraken. De controlerende rol van de gemeenteraad op omgevingsprogramma’s vindt onder andere plaats door monitoring en de terugkoppeling van resultaten van omgevingsprogramma’s in de planning & control cyclus. Het onderwerp en de mate van betrokkenheid Los van de taak en rol van de gemeenteraad kan betrokkenheid van de gemeenteraad gewenst zijn vanwege de maatschappelijke relevantie of politieke belangstelling voor een specifiek onderwerp. Om te voorkomen dat in een
omgevingsprogramma beleid geformuleerd wordt waar de gemeenteraad bij betrokken had willen zijn, voegen we richtlijnen bij de werkafspraken. Daardoor kan – afhankelijk van het onderwerp – worden bijgestuurd op de mate van betrokkenheid van de gemeenteraad bij (de voorbereiding van) omgevingsprogramma’s. Consequenties mate van betrokkenheid De mate van betrokkenheid van de gemeenteraad heeft consequenties voor de tijd en inzet die nodig is voor het vaststellen van een omgevingsprogramma. In principe heeft de wetgever met de Omgevingswet geen rol voor de gemeenteraad bij omgevingsprogramma's voor ogen. Dat dit bij bepaalde omgevingsprogramma’s desalniettemin wel wenselijk is, lijkt niet meer dan logisch. Opties betrokkenheid bij omgevingsprogramma's Er zijn verschillende opties die we kunnen inzetten om de betrokkenheid van de gemeenteraad bij omgevingsprogramma's te faciliteren. Geen van de gegeven opties is een formele procedure. • Kadernotitie/startnotitie: Voordat het college een omgevingsprogramma opstelt, legt zij een kadernotitie of startnotitie aan de gemeenteraad voor. Een dergelijke kadernotitie/startnotitie kan de raad vaststellen. In deze notitie bepalen we de samenhang van het omgevingsprogramma met de omgevingsvisie, de scope van het omgevingsprogramma en verder uitgewerkte doelen.
Daarnaast werken we de sturingsstijl (rol gemeente/samenleving) verder uit en doen we kaderstellende en beleidsmatige uitspraken. Voordat we een kadernotitie opstellen kan al participatie plaatsvinden. We geven aan hoe het proces van het opstellen van het omgevingsprogramma er verder uit ziet, bijvoorbeeld voor de (vervolg)participatie. Op basis van deze vastgestelde kadernotitie kan het college het omgevingsprogramma verder uitwerken in maatregelen, ter inzage leggen en vaststellen. Op deze manier is de raad aan de voorkant betrokken. • Wensen en bedenkingen of zienswijze: De gemeenteraad geeft wensen en bedenkingen of een zienswijze op een ontwerp omgevingsprogramma voordat het college het omgevingsprogramma vaststelt. De gemeenteraad ziet het eindproduct of resultaat van een doorlopen proces. Het college kan met de vaststelling van het omgevingsprogramma de wensen en bedenkingen van de raad meenemen. • Opiniërende bespreking ontwerp omgevingsprogramma in raadscommissie: De raad kan in de raadscommissie het opiniërende gesprek voeren over het ontwerp omgevingsprogramma zonder dat deze wordt vastgesteld. De raad bespreekt het eindproduct of resultaat van een doorlopen proces. Het college kan met de vaststelling van het omgevingsprogramma input uit de opiniërende bespreking meenemen bij de vaststelling van het omgevingsprogramma.
• Informerend raadsmemo: Het college informeert de gemeenteraad wanneer er een ontwerp omgevingsprogramma ter inzage ligt en/of is vastgesteld.
2
Het college en de raad kunnen, indien gewenst, los van de bovengenoemde opties de gebruikelijke mogelijkheden inzetten bij de totstandkoming van een omgevingsprogramma, zoals een De Ronde voor het ophalen van input bij de raad. Transitie We staan aan de beginfase van een transitie van huidig beleid naar de nieuwe instrumenten van de Omgevingswet. Werkafspraken over omgevingsprogramma's moeten passen bij deze beginfase en bij de manier van werken in de gemeente Meppel. Omgevingsprogramma’s zullen vanuit de beleidscyclus ook input vormen voor de herijking van de omgevingsvisie. Naarmate daarin meer en meer kaderstelling wordt opgenomen, zullen omgevingsprogramma’s een meer uitvoerend karakter krijgen. Dat heeft ook weer invloed op de mate van betrokkenheid van de gemeenteraad. Werkafspraken tussen college en gemeenteraad over omgevingsprogramma's In De Ronde van 13 februari hebben (duo)gemeenteraadsleden gediscussieerd over de mogelijkheden en afwegingen bij werkafspraken die college en raad nu met elkaar maken. Dit is meegenomen in de werkafspraken zoals die hieronder verwoordt. De volgende werkafspraken maken college en gemeenteraad over omgevingsprogramma’s onder de Omgevingswet: 1. Het college informeert de raad (via een mededeling in de raadscommissie of de raadsvergadering) over een voornemen tot het opstellen van een (kadernotitie voor een) omgevingsprogramma. 2.
Het college legt voorafgaand aan het opstellen van een omgevingsprogramma waarin kaderstelling plaats zal vinden een kadernotitie of startnotitie voor aan de gemeenteraad. 3. Daarna doorloopt het college het proces van het opstellen van het omgevingsprogramma en stelt het college het omgevingsprogramma vast. 4. Het college informeert de raad (via een raadsmemo) over de vaststelling van een omgevingsprogramma. De volgende richtlijnen hanteren college en gemeenteraad om enige mate van flexibiliteit bij de bovengenoemde werkafspraken te hebben: 5. Het college en de raad kunnen met name aan het begin van het proces van een omgevingsprogramma de bepaalde betrokkenheid van de gemeenteraad bij omgevingsprogramma’s gemotiveerd bijstellen. 6. Per omgevingsprogramma en in de loop der tijd kan de inzet op de manier van betrokkenheid van de gemeenteraad verschillen en veranderen. Hierover blijven college en gemeenteraad met elkaar in gesprek.
3